Skip to main content

Full text of "Onze kunst; voortzetting van de Vlaamsche school .."

See other formats


This  is  a  digital  copy  of  a  book  that  was  preserved  for  generations  on  library  shelves  bef  ore  it  was  carefully  scanned  by  Google  as  part  of  a  project 
to  make  the  world's  books  discoverable  online. 

It  has  survived  long  enough  for  the  copyright  to  expire  and  the  book  to  enter  the  public  domain.  A  public  domain  book  is  one  that  was  never  subject 
to  copyright  or  whose  legal  copyright  term  has  expired.  Whether  a  book  is  in  the  public  domain  may  vary  country  to  country.  Public  domain  books 
are  our  gateways  to  the  past,  representing  a  wealth  of  history,  culture  and  knowledge  that 's  often  difficult  to  discover. 

Marks,  notations  and  other  marginalia  present  in  the  original  volume  will  appear  in  this  file  -  a  reminder  of  this  book's  long  journey  from  the 
publisher  to  a  library  and  finally  to  you. 

Usage  guidelines 

Google  is  proud  to  partner  with  libraries  to  digitize  public  domain  materials  and  make  them  widely  accessible.  Public  domain  books  belong  to  the 
public  and  we  are  merely  their  custodians.  Nevertheless,  this  work  is  expensive,  so  in  order  to  keep  providing  this  resource,  we  have  taken  steps  to 
prevent  abuse  by  commercial  parties,  including  placing  technical  restrictions  on  automated  querying. 

We  also  ask  that  you: 

+  Make  non-commercial  use  of  the  files  We  designed  Google  Book  Search  for  use  by  individuals,  and  we  request  that  you  use  these  files  for 
personal,  non-commercial  purposes. 

+  Refrainfrom  automated  querying  Do  not  send  automated  queries  of  any  sort  to  Google's  system:  If  you  are  conducting  research  on  machine 
translation,  optical  character  recognition  or  other  areas  where  access  to  a  large  amount  of  text  is  helpful,  please  contact  us.  We  encourage  the 
use  of  public  domain  materials  for  these  purposes  and  may  be  able  to  help. 

+  Maintain  attribution  The  Google  "watermark"  you  see  on  each  file  is  essential  for  informing  people  about  this  project  and  helping  them  find 
additional  materials  through  Google  Book  Search.  Please  do  not  remove  it. 

+  Keep  it  legal  Whatever  your  use,  remember  that  you  are  responsible  for  ensuring  that  what  you  are  doing  is  legal.  Do  not  assume  that  just 
because  we  believe  a  book  is  in  the  public  domain  for  users  in  the  United  States,  that  the  work  is  also  in  the  public  domain  for  users  in  other 
countries.  Whether  a  book  is  still  in  copyright  varies  from  country  to  country,  and  we  can't  offer  guidance  on  whether  any  specific  use  of 
any  specific  book  is  allowed.  Please  do  not  assume  that  a  book's  appearance  in  Google  Book  Search  means  it  can  be  used  in  any  manner 
any  where  in  the  world.  Copyright  infringement  liability  can  be  quite  severe. 

About  Google  Book  Search 

Google's  mission  is  to  organize  the  world's  Information  and  to  make  it  universally  accessible  and  useful.  Google  Book  Search  helps  readers 
discover  the  world's  books  while  helping  authors  and  publishers  reach  new  audiences.  You  can  search  through  the  full  text  of  this  book  on  the  web 


at|http  :  //books  .  google  .  com/ 


FAi-  3/.  /o(^-) 


FINE  ARTS  UBRARY 


Harvard  Univcrsity  Library 
Bought  fÏQm  the 

ARTHUR  TRACY  CABOT 

BEQUEST 

For  the  Pmchase  of 

Books  on  Fine  Arts 


ONZE   KUNST 


ONZE 


KUNST 


VOORTZETTING  VAN   DE  VLAAMSCHE  SCHOOL 


TWEEDE  JAARGANG 

1  nnO      ^^  EERSTE 
lyUsJ      HALFJAAR  70 


*=^^!^ 


J.-E.  BUSCHMANN 
ÖO  ANTWERPEN  ö3 


L  J.   VEEN 
AMSTERDAM 


,^/l    /,  3/.   lO     (i-) 

L  ^ 


y 


CONSTANTIN  MEUNIER 


|WEE-EN-ZEVENTIG  jaar  al,  maar  zijn  schep-  CONSTANTIN 
pingswil  blijft  ongedeerd,  springlevend.  Mocht  MEUNIER 
hij  maar  even  oud  worden  als  die  andere  boet- 
seerder van  krachtige  menschheid,  Donatello  1 
Constanlin  Meunier  heeft  lang  gezocht  en 
gewacht,  maar  dat  is  juist  de  schoonheid 
van  zijn  leven,  dat  erééne-lijn  van  grond- 
eerlij k  streven  doorgaat  :  hij  had  zich  zoo 
gemakkelijk  tot  den  «  stiel  »  kunnen  beperken,  en  geleidelijk  een 
aldoor  behendiger  kunstenaar  worden;  doch  het  was  hem  nooit  te 
doen  om  de  techniek  zelve,  maar  om  de  uitdrukking  van  een  gevoelde 
gedachte,  die  in  hem  halfbewust  aan  't  leven  was,  en  die  hij  eerst  niet 
grijpen  kon,  doch  hij  móest  toch,  hij  wroette  voort,  gepraamd  door 
dat  voorgevoel  dat  tot  de  hooger  en  algemeener  waarheid  der  kunst 
wilde  opgeroepen  worden,  en  daar  kreeg  het  eindelijk  zijn  eigen  vorm, 
hij  kon  het  in  't  volle  daglicht  verwezenlijken,  en  in  zijn  ouden  dag 
werd  het  heel  een  wereld,  die  zich  ophief,  in  hare  eigen  definitieve 
schoonheid. 

Als  beeldhouwer  begon  Meunier  zijn  loopbaan;  hij  studeerde  aan 
de  Academie  te  Brussel.  Maar  onder  de  beeldhouwers  heerschte  er  te 
dien  tijd  geen  eigenaardig  leven,  Meunier  voelde  zich  daar  op  zijn 
plaats  niet :  't  was  maar  een  muf  wereldje.  De  schilders  integendeel 
begonnen  zich  uit  het  academisch  gareel  te  bevrijden.  Meunier,  door 
hun  nieuwe  beweging  aangetrokken,  ging  met  schilders  om,  greep  nu 
zelf  naar  't  penseel,  en  werd  de  beste  vriend  van  Charles  Degroux. 
Waren  zij  niet  geschikt  om  elkaar  te  begrijpen?  Door  heel  de 
kunst  van  Meunier  gaat  er  iets  van  den  grooten  ernst  die  Ch.  Degroux 
bezielde,  en  beiden  hebben  zich,  met  hetzelfde  gevoel  voor  de  werke- 
lijkheid van  't  leven,  gebogen  tot  het  stille  lijden  en  de  ruwe  schoon- 
heid van  het  werkende  volk. 

Meunier's  eerste  werk  van  beteekenis  is  werk  van  zwaarmoedige 
ingetogenheid.  Eens  verdween  hij  onverwacht  naar  de  eenzaamheid 
van  de  Trappe,  teekenend  en  droomend,  onder  de  stilzwijgende  mon- 


ONZE  KUNST  1903,  AH.  1.    I. 


fHOT.    ALIXANOII.     •lUKIl 


CONSTANTIN 
MEUNIER 


CONSTANTIN  MEUNIER,  (naar  de  natuur). 

niken.  De  Begrafenis  van  een  Trappist,  in  het  Museum  te  Kortrijk,  mag 
een  uiterst  merkwaardig  debuut  lieeten.  S/.  Slephanus'  marteldood, 
te  Gent,  is  ook  een  document  uit  dien  tijd. 

In  die  richting  had  Meunier  wel  zijn  eigen  schoon  kunnen  bemach- 
tigen. Maar  in  dien  tijd  verkocht  men  geen  schilderijen...  Meunier 
trouwde,  moest  aan  kunstnijverheid  doen,  teekende  ontwerpen  voor 
glasschilders.  .  Daar  heeft  die  arme  Degroux  ook  zijn  beste  jaren  aan 


flC     V 

m     a 
S    I 


O    u 
U     Q 


verspild;  en  men  weel  wat 
Rodin  niet  al  heeft  moeten 
doorbijten.  In  onze  samen- 
leving is  de  kunstenaar  zeker 
heel  vrij,  —  binnen  de  per- 
ken van  zijn  economische 
afhankelijkheid. 

Eens,  Meunier  was  al  bij 
de  vijftig,  nam  Camille  Le- 
monnier  hem  meê  naar  Hene- 
gouwen :  hij  zou  daar  eenige 
teekeningen  maken,  ter  op- 
luistering van  Lemonnier's 
werk  over  La  Belgique.  Voor 
Meunier  was  die  reis  door  de 
Kolenstreek  een  openbaring. 
Hij  ontdekte  er  zichzelf,  zijn 
kunst.  In  dat  donkere  land- 
schap van  rook  en  vuur,  in 
't  reusachtig  gehijg  der  fabrie- 
ken, bij  de  woeste  mijnwer- 
kers en  puddelers  en  glasbla- 
zers, heel  een  vervloekte  en 
zwoegende  menschheid,  ont- 
ving zijn  tragische  ziel  dat 
medelijden  en  die  bewonde- 
ring die  heel  zijn  kunst 
zouden  doorluiden.  Hij  had 
zijn  eigen  gebied  veroverd. 

Een  korte  afleiding  :  hij 
moest  een  kopie  leveren  van 
Campana's  Kruisafneming  te 
Sevilla,en  verbleef  zes  maanden  in  Spanje.  De  Cigarreras  van  't  Brus- 
selsch  Museum  herinneren  ons  aan  die  vacantie  in  't  land  van  zengende 
zon  en  zwarte  schaduwen.  Maar,  even  terug,  zat  hij  weer  in  den 
Borinage  te  werken.  Van  toen  af  zou  niets  hem  van  de  zelfgekozen  baan 
nog  doen  afwijken.  Een  groot  deel  zijner  schilderijen  zijn  uit  dien  tijd. 

Maar  de  geweldige  visie  die  in  hem  aan  't  groeien  was  eischte 
nieuwe  vormen  van  zijn  hand.  Hij  had  altijd  vaag  van  beeldhouwkunst 
doorgedroomd,  voor  later,  als  er  betere  dagen  zouden  komen,  —  en 
zij  kwamen  nu...  Het  eenvoudige  en  hreede  gevoel  wilde  zich  uiten 
door  algemeener  gedaante,  drong  op  naar  het  monumenlale.  En 
Meunier,  als  in  de  vroegsle  lijden  zijner  jeu^d,  ging  weer  aan  't  boel- 


CONSTANTIN 
MEUNIER 


CONSTANTIN  MEUNIER  : 
Man  met  den  Hamer,  (brons) 


CONSTANTIN     seeren.  Hij  kneedde  nu   heel  zijn  ideaal  van  droefenis  en  kracht,  in 
MEUNIER  groote  lijn  opgebouwd.  Hij  liet  zijn   leekenen  en  schilderen  daarom 

niet  varen,  maar  met  zijn  beeldhouwwerk  gaf  hij  ons  het  machtigste 
en  oorspronkelijkste  wat  hij  te  geven  had.  Mocht  hij  nu  nog  den  droom 
verwezenlijkt  zien,  die  zijn  leven  bekronen  zou  :  de  oprichting  van  de 
Verheerlijking  van  den  Arbeid^  het  monumentale  geheel  dat  als  de 
samenvatting  van  al  zijn  streven  is,  van  heel  dat  eerlijke  en  groot- 
willende  trachten  dat  in  de  laatste  jaren  nog  rijper  en  reiner  werd. 

Nu  heeft  de  stilzwijgende  schepper,  de  grijze  meester,  ons  een 
volledig  beeld  willen  geven  van  wat  hij  volbracht  heeft.  Bij  't  bezichti- 
gen zijner  tentoonstelling,  in  den  Brusselschen  Kunstkring  (daar  werd 
in  het  vorige  nummer  van  dit  tijdschrift  kort  verslag  over  geleverd) 
kreeg  men  wel  den  indruk,  dat  er  in  dal  werk  iels  leeft,  waaraan  geen 
mensch  nog  tornen  kan.  Het  staèt  daar  nu,  in  zijn  geheel,  overweldi- 
gend. Zich  oprichtend  boven  ons,  met  kalme' macht,  boven  het  leven 
dat  verandert  en  vergeet.  Want  dat  voelt  men  heel  duidelijk  :  er  is 
iets  in,  dat  groot  levend  is,  en  dus  «  jenseits  »  van  alle  kritiek,  slechte 
of  goede. 


Het  werk  van  Meunier,  zoo  bijeengesteld,  verschijnt  als  één 
hymne  aan  den  Arbeid. 

De  schilderijen,  teekeningen,  pastellen  en  aquarellen  geven  ons 
vooral  het  decor  waaruit  hem  eens  de  openbaring  van  zijn  kunst 
tegemoet  kwam  :  het  zwarte  land,  melaatsch  en  bar  onder  zijn  laag 
van  verdoofde  lava,  geschramd  en  onlschorst  door  het  vuur  en  het 
wroeten  der  menschen,  met  zijn  duizenden  schouwen,  die  rooken 
naar  den  naren  hemel,  waar  de  zon  zelve  versmeull  als  achter 
een  morsig  floers ;  en  daarin  de  gedrochtelijke  fabrieken  en  mijn- 
loodsen,  als  geniepige  beesten  nijdig  neergehurkt,  boven  de  dorp- 
jes met  hun  lage,  geelachtig  gel^alkte  kotten,  riekend  naar  goren 
kost  en  smook  en  armoede.  Hier  merkt  men  al  hel  algemeene  van 
Meunier's  visie,  zijn  trek  naar  het  samenvattende.  Men  voelt  overal  de 
geheimzinnige  donkere  kracht  die  't  leven  der  lijfeigenen  omsloten 
houdt,  in  dat  hobbelige  land  van  ellende. 

De  eigen  schoonheid  der  nieuwe  nijverheid  heeft  Meunier  voor 
de  kunst  veroverd  :  het  geweldige  der  fabrieken,  vol  somber  lichl  en 
gedonder,  de  vuurfeesten  der  smeltovens,  de  balderende  macht  der 
machines.  En  steeds  die  neiging  naar  het  monumentale  :  men  denke 
maar  aan  die  vier  teekeningen  :  Brug  op  de  Theems ;  wie  heeft  dat  met 
evenveel  eenvoudige  grootschheid  gezien  en  tot  een  beeld  van  't 
moderne  leven  opgebouwd? 

Een  hymne  aan  den  Arbeid,  maar  met  meer  lyrische  kracht  nog 
zingt  die  uit  zijn  bronzen  beelden.  Daar  zijn  ze  :  de  zwarte  zwoeger 


É» 


m^ 


\w 


die  kolen  loshakt,  in  de  klamme  lucht  van  lampenrook  ;  —  de  half-  CONSTANTIN 

naakte  puddeler,  wroetend   met    langen   rakel    in   de   opbrieschende  MEUNIER 

fornuizen,  of  uitrustend,  met  zwaar  hijgende  borst,  en  die  plebejische 

lip  die  afhangt  van  vermoeienis  ;  —  zij  zijn  er  allen,  de  scheppers  van 

kracht  en  rijkdom,  harde  muilen,  waar  zweet  en  kolenpulver  op  plakt, 

de  oogbollen  als  ingevreten  door  vlam  en  duisternis,  —  de  smid,  de 

glasblazer,  de  scheepslosser,  die  staal  en  graan  in  de  havens  versjouwt, 

dat  de  wereld  hel  hebben  zou,   -  en   de  weerharde  visscher,  en  de 

zwijgende  landman,  die  van  de  vroegste  tijden  af  met  hetzelfde  gebaar 

over  de  voren  stapt  en  't  brood  voor  allen  zaait,  kijkend  met  scherpen 

blik  over  de  eindelooze  vlakten. 

Meunier  heeft  de  tragedie  van  den  arbeid  geheeld,  hoe  hij  de 
ruggen  kromt  en  de  kneukels  verroest,  de  beenen  doet  zwellen,  de 
gezichten  verhardt ;  hel  vreeslijke  getob  in  de  mijngangen,  die  zijn  als 
de  hellekreitsen  uit  een  booze  nachtmerrie,  de  labeur  die  de  men- 
schen  breekt  en  verbeest.  Herinnert  u  dat  bronzen  verheven  werk 
waar  ^ij  weer  uil  den  nacht  opgetrokken,  naar  het  roetig  licht  van  den 
schemeravond  opkruipen  en  wegijlen,  als  verlost.  F]n  kijkt  naar  dien 
Terugkeer,   de  kudde  der  afgesloofden,  bevuild  en  verkleumd,  met  > 

inzakkende  beenen,  in  den  werktuiglijken  rylhmus  van  den  gang  voor- 
bijtrekkend als  een  overwonnen  leger,  donker  door  den  avond.  Zoo 
zwoegen  kerels  en  deernen  hun  leven  door,  een  verloren  willoos  stukje 
van  een  groote  doening,  intanding  of  wieltje  van  een  ontzaglijke  ma- 
chine, tol  eens  de  onverschillige  dood  daar  ingrijpt,  —  het  grauwvuur, 
—  en  't  martelaarsvleesch  dan  uitgerekt  ligt,  verbrand,  met  daarover 
de  hooge  roerlooze  silhouet  der  moeder,  die  naar  beuren  jongen  kijkt, 
het  hart  verscheurd,  en  schreeuwt  noch  snikt. 

Elders  toont  Meunier  den  strijd  van  den  mensch  tegen  de  stugge 
aarde  die  hij  openploegt  met  wreede  inspanning  van  al  zijn  krachten, 
gebukt  over  haar ;  of  de  maaier  kijkt  even  op  met  verwijtenden  blik, 
in  de  droeve  verlatenheid  der  bijtende  zon  :  weer  de  arbeid  als  vei^ 
maledijding,  waar  de  menschen  onder  bedwongen  liggen. 

Maar  die  bijbelsche  opvatting  moet  eindelijk  voor  een  andere 
wijken.  Deernis  wordt  door  bewondering  overgroeid.  Uit  al  die 
ellende  stijgt  telkens  weer  de  trots  eener  eigene  en  machtige  schoon- 
heid. Dit  is  geen  kunst  van  droomend  medelijden,  maar  eerst  en 
vooral  van  mannelijke  kracht  :  schoonheid  van  het  werkende  lichaam, 
van  den  ingespannen  wil  en  de  rekkende  spieren,  trots  om  het 
bewustzijn  van  het  kunnen,  hoogmoedige  vreugd  van  den  hardnek- 
kigen  man  die  vecht  met  het  natuurgeweld  of  de  wildloeiende  vlam- 
menvlaag  der  smeltovens,  grootsche  kalmte  van  wie  zich  sterk  weet.  Ja, 
een  hymne  I  Kijkt  naar  hel  brokstuk  der  Puddelers  uit  De  Nijverheid, 
of  naar  den  Man  met  de  lang  :  een  zang  van  kracht,  en  daarbij  dat 


CONSTANTIN 
MEUNIER 


bijzonder    moderne    van 
den  werker  die  de  machine 
meester  is,    en   zelfzeker, 
met     scherpe     gevatheid, 
aan  't  wachten  staat.  Meu- 
nier is  welHcht  de  kunste- 
naar, die  het  volledigst  de 
grootheid  van  den  werk- 
man   heeft    vertolkt.    Hij 
lijkt  zelf  wel  een  van  die 
stoere  kerels,  die  met  zijn 
geweldige       werk-poolen 
zijn  eigen  kunstgebied  ont- 
gonnen en  bevrucht  heeft. 
Niet  alleen  een  nieuw 
gebied  :  maar  —  wat  men 
niet  zoo  dadelijk  opmerkt 
—  zijn  bewondering  voor 
den  arbeid  heeft  hem  een 
nieuw  gevoel  voor  't  leven 
der  vormen  doen  verwe- 
zenlijken :    ik    bedoel  de 
rythmische  beweging  van 
het  werkende  lichaam.  Is, 
volgens  Karl  Bücher,   die 
rythmische   beweging    de 
bron    van    alle    prosodie, 
Meunier  is  er  een  bewijs 
voor,    dat  hare  heilzame 
kracht  niet  beperkt  bleef 
tot  de    primitieve   kunst. 
Want  zij    heeft   hem  ge- 
leerd, wat  de  schoonheid  is  van  den  man,  bij  wien  alle  spieren  ge- 
spannen staan,  één  met  den  willenden  geest,  tot  het  verrichten  van 
een  zware   taak,   maar    tevens   veerkrachtig   gebalanceerd  door   het 
regelmatige,    passende,  juist  gewogene  van  heupendraai  en  armen- 
zwaai,  spannend  gezwierd  op  dien  rythmus  die  't  werk  verlicht.  Iets 
als  de  oude  Schijfwerper  is  eigenlijk  weinig  meer  dan  een  uitzonde- 
ring  in    de   geschiedenis   der    plastiek  :    de    meeste    beeldhouwers 
hebben  ons  gegeven  de  rust  van  het  staande  beeld,  of  het  hevig,  uit- 
slaande gebaar  van  den  hartstocht.  Bij  Constantin  Meunier  treft  ons 
de  beweging,  struisch  en  harmonisch  tegelijk,  één-luidend,  krachtig  en 
licht,  van  den  man  aan  het  werk.  De  brutale  Smedei\,  met  zijn  platten 


CONSTANTIN  MEUNIER  :  «  Hiercheuse  »  (brons). 


fHOT.    «itxANOHf,    tiuiiri 


CONSTANTIN  MEUNIER  : 
MAN  MET  DE  TANG,  (brons). 


CONSTANTIN  muil  en  zijn  stierenek,  is  er  een  mooi  voorbeeld  van  :  men  voelt  er  't 
MEUNIER  gemak  van  den  zwier  in,  het  geheel  is  prachtig  van  ponderatie.   Het- 

zelfde zal  wel  opvallen  bij  den  grooten  zaaier,  den  maaier  in  den 
Brusselschen  Kruidtuin,  zooveel  andere  gewrochten.  Maar  leeft  dat 
evenwicht  en  die  lenigheid  eigenlijk  niet  in  alle  goede  werken  van 
Meunier?  Wat  gratie  bij  die  <(  Hiercheuse  »  b.  v.,  waarvan  het  jonge 
vleesch  zoo  kiesch  onder  de  vuile  manskleeren  gevoeld  wordt,  met 
een  zinnelijke  frischheid  die  anders  bij  Meunier  weinig  voorkomt :  iets 
conventioneel-beminnelijks  is  er  zeker  niet  in,  maar  wat  een  mach- 
tige sierlijkheid  in  die  korte  armen,  in  heel  het  rythmische  van  dat 
lichaam  aan  't  werken  gewend  ;  niet  de  kop  drukt  het  uit,  maar 
heel  de  stand  :  groot,  zuiver,  en  veerkrachtig.  Men  zou  kunnen  zeg- 
gen :  daar  trilt  nog  iets  door  van  het  muzikale  van  den  arbeid. 

Aan  dien  bijzonderen  zin  voor  veerkrachtige  struischheid  is  wel 
ten  deele  de  schoone  eenheid  van  Meunier's  figuren  te  danken.  De 
«  Hiercheuse  »  zou  tienmaal  grooter  zijn,  zij  zou  nog  door  even  zuiver 
ineensluitende  verhoudingen  trelTen  als  het  oorspronkelijke  model. 
Niet  vele  werken  van  onzen  tijd  kunnen  die  proef  doorstaan ;  maar  bij 
Meunier  hebben  de  kleinste  figuurtjes  de  groote  monumentale  lijn. 
Die  zin  voor  het  monumentale  geeft  hem,  onder  de  moderne  beeld- 
houwers, een  heel  bijzondere  beteekenis. 

Hij  ziet  in  't  groot.  Hij  peutert  niet  :  de  sterke  uitdrukking  van 
zijn  gedachte  is  hem  voldoende.  Dat  is  wel  eens  zijn  zwakheid,  en 
doorgaans  zijne  kracht.  Hij  bekreunt  zich  niet  te  veel  om  de  bijzon- 
derheden, en  richt  zijn  beelden  op  in  hun  geheel,  zoo  dat  zij  ineens, 
zonder  te  nauwgeziene  verfijning,  uit  zijn  geest  en  uit  zijn  handen 
schijnen  gesproten.  Vandaar  de  enorme  grootheid  van  beeldjes  als  de 
Man  die  drinkt ^  de  slanke  sierlijkheid  van  den  Glasblazer, 

Jammer  dat  Meunier  geen  monumenten  werden  besteld  !  Wij 
zouden  nu  niet  moeten  treuren  om  de  geestelooze  fontein  en  gedenk- 
naald  op  de  Brouckereplaats....  't  Is  echter  nog  niet  te  laat  :  de 
droom  van  den  ouden  meester  moet  nu  verwezenlijkt,  -  de  Verkeer- 
lijking  van  den  Arbeid^  met  zijn  massale  kracht  als  gegroeid  uit  den 
grond  zelf,  bezingend  in  enorme  beelden  en  reliëfs,  werkelijklieid  en 
poëzie  voor  een  ieder,  de  grootheid  van  den  handenarbeid,  in  de 
fabriek  en  in  de  mijn,  in  de  haven,  op  het  land,  de  machtige  schoon- 
heid van  hen  die  op  hun  breede  schouders  heel  den  maatschappelijken 
bouw  dragen,  de  scheppers  van  allen  rijkdom,  —  en  vooraan  de 
Moeder,  die  menschen  maakt.  Meunier  is  de  man  om,  midden  in  ons 
leven,,  in  een  samenvattend  beeld  de  wezenlijkste  krachten  en  het 
voelen  en  willen  van  heel  de  gemeenschap  te  belichamen. 

Want  zijn  gevoel  zelf  is  monumentaal,  algemeen  van  aard, 
rechtstreeks   uitgedrukt    maar  vergroot  door  zijn  eenvoud  zelf,   een- 


uf)r*-.D»f.    ««u'sri, 


CONSTANTIN  MEUNIER  : 

MOEDERSCHAP 

(Groep  uil  hel  Monument  ter  Verheerlijkinq  van  den  ArheUT,. 


vond  waar  nog  iets  in  is  van  den  smaak  der  aarde.  Het  werk  van  CONSTANTIN 
Constantin  Meiinier  spreekt  zooveel  uil  in  lyrischen  vorm,  dat  in  de  MEÜNIER 
menschen  van  dezen  lijd,  binnen  in,  aan  't  sluimeren  lag  :  dat  opne- 
men van  alle  leven,  ook  het  ruigste,  in  de  schoonheid  van  een  ruimer 
levenssamenvatting,  dat  meevoelen  met  de  misdeelden... 
Race  d'Abel,  dors^  bois  et  mange,.. 

Hel  ras  van  Kaïn  zwoegt  onder  de  aarde,  maar  't  bewustzijn  van 
zijn  kracht  is  nu  ontwaakt,  het  begint  zijn  blik  op  te  richten,  die 
rekening  vraagt.  Verwachting  en  grootheidswil  die  thans  in  de 
volken  wakker  wordt,  voorgevoel  van  velen  en  velen,  het  staat  hier 
al  geklonken  lot  vaste  waarheid,  voor  allen. 

Ja,  het  werk  van  Meunier  wordt  gedragen  door  iets  dat  thans  door 
de  groote  menigte  stroomt ;  zijn  eenvoudige  en  geestdriftige  ziel  heeft 
opgericht,  voor  het  volk  der  straten,  het  beeld  dat  van  diepere  en 
hechtere  gemeenschap  zingt.  Zijn  kunst  is  weer,  als  de  Fransche  kathe- 
dralen der  xiiie  eeuw,  het  open  boek  waarin  iedereen  zijn  eigen 
gedachte  leest,  de  stem  van  heel  een  spraaklooze  massa.  Zij  is  voor 
ons  een  werkelijkheid  en  een  voorspelling. 

(SlotvolgV.  A.  VeRMEYLEN. 


CONSTANTIN  MEUNIER  :  de  Verloren  Zoon,  (gips). 


*noi.  «icRANoar,  tiuiiiL 


EEN  INLEI- 
DING TOT 
RUBENS 


EEN  INLEIDING  TOT  RUBENS  ^ 

EN  Hollynder  van  onzen  tijd,  en  van  mijn  slag, 
die  in  Vlaanderland  bij  geval  zijn  geest  aan 
oude  schilderkunst  komt  opfrisschen,  is,  een- 
maal over  de  grenzen,  allicht  geneigd,  van  de 
Scheldestad  uit,  fluks  rechts  te  zwenken, 
het  Antwerpen  der  late  Renaissance  heels- 
huids  versmadend,  westwaarts  door  Ie  sporen, 
en,  gelijk  dezen  zomer  een  ieder  het  al  deed, 
Gent  en  Brugge  voor  het  dubbele  doel  van  een  pelgrimstocht  uit  te 
kiezen. 

Bijna  behoort  het  bij  ons  tot  den  goeden  toon,  vroeger  of  later 
ereis  een  expeditie  naar  de  Vlaamsche  Primitieven  gemaakt  te  hebben 
en  den  mystieken  geur  van  hun  kunst  te  zijn  gaan  inzuigen,  vaak 
vergetend  daarbij,  —  het  zij  in  het  voorbijgaan  gezegd  —  dat  de  Neder- 
landsche  kunst  van  het  Bourgondische  milieu  in  hoofdzaak  noch  ooit 
specifiek  Vlaamsch,  noch  werkelijk  primitief,  noch  inderdaad  mystiek 
geweest  is. 

Antwerpen,  in  elk  geval,  geldt  voor  de  stad  van  Rubens,  en  wij, 
met  onzen  lichtelijk  decadenten  zin  voor  het  uiterst  zuivere,  het 
verdiepte,  het  verfijnde,  wij  met  onze  neiging  tot  het  ongemeene,  het 
ongemengde,  het  onnaspeurlijke,  wij  met  onze  liefde  voor  de  fier- 
trouwhartige  van  Eycken,  voor  den  gemoeds-innigen  Memling,  voor 
den  sober-statelijken  Bouts,  voor  den  waardig-weemoedigen  Rogier, 
wij  hebben  aan  den  onrusligen,  onrustbarenden  Pelrus  Paulus  ronduit 
gezegd  een  beetje  een  broertje  dood. 

In  de  meeste  gevallen  schijnt  het  ons  veilig  en  verkieselijk  dien 
vuurspuwenden  berg,  die  Rubens  was,  maar  zoo  wat  uil  den  weg  te 
blijven.  De  zaal  met  de  Rubensen  in  het  Antwerpsche  Museum  is  door 
Hollanders  wel  eens  smalend  de  Vleeschhal  genoemd  en  localiteiten 
met  evenzoo  negatieve  aantrekkingskracht  vindt  men  in  verscheidene 
groote  musea.  Het  is  de  ostentatie  welke  zij  herbergen,  die  het  ons 
onbehagelijk  te  moede  doet  worden,  en  beter  begrijpen  wij  de  overle- 
vering, welke  papa  Ingres,  wanneer  hij   de  galerij   met  de  tafereelen 


10 


\ 


uit  het  leven  van  Maria  de  Medicis  door  moest,  zijn  parapluie  laat  EEN  INLEI- 
opsteken  om  zooveel  onrechtzinnigs  af  Ie  dekken  voor  zijn  beleedigde  DING  TOT 
oogen,   dan  wij   er  in  slagen  de  geestdriftige  bewondering  thuis  te  RUBENS 
brengen,  welke  Delacroix  gedurende  zijn  gansche  leven  voor  Rubens 
heeft  omgedragen. 

Toen  Dante  Gabriël  Rossetti  op  zijn  een-en-twintigste  jaar  met 
Holman  Hunt  een  vastelandsche  reis  maakte,  schreef  hij  uit  de  volheid 
zijner  ongetemperde  ontzetting  over  de  werken  van  den  Vlaamschen 
gigant  een  soort  van  vloeksonnet,  dat  in  zijn  eerste  kwatrijn  vrijwel  de 
gevoelens  van  de  meeste  jonge  schilders  ook  nog  van  onze  dagen 
weergeeft  : 

Non  noi  pittori!  God  of  Nalure's  trulh, 

If  these  not  we!  Be  it  not  said,  when  one 

Of  us  goes  hence  :  §  As  these  did,  he  hath  done ; 

His  feet  sought  out  Iheir  footprints  from  his  youlh  i 

Weinig  inderdaad  is  er  in  Rubens  wat  onze  tegenwoordige  schil- 
dersverlangens  bevredigt,  laat  staan  vervult.  Bij  hem,  dus  klagen  wij 
als  wij  alleen  nog  maar  op  zijn  vormentaal  letten  :  nooit  eens  een  stuk 
strakheid,  een  steile  houding,  een  straffe  expressie,  altijd  die  smakeloos- 
kwallige  uitbuitingen,  die  los  en  lieber  zwiebelende  kontoeren,  die 
onrustig  verdrongen  bewegingen,  dat  luid  naar  buiten  werkende  geba- 
renspel. Indien  hij  maar  eens  ooit  iets  had  gemaakt  wat  eenvoudig 
recht  op  zijn  beenen  stond,  -  want  alle  figuren  schijnen  bij  hem  wel 
bereid,  het  zoo  aanstonds  op  een  salto  mortale  te  laten  aankomen.  Ons 
hindert  die  gezwollen  zwier,  die  voor  dieper  bedoelingen  geen  plaats 
meer  overlaat.  Onze  nadenkende  beslotenheid,  onze  op  het  ingetogene 
gerichte  mijmerzin  kan  zulk  een  uitgelaten  schildersdrift  niet  meer 
dulden.  En  ik  voor  mij  heb  het  als  knaap  aan  Fromentin  al  kwalijk 
genomen  dat  hij  zoo  opgetogen  over  Rubens  wist  te  schrijven  in  een 
boek  dat  voor  Rembrandt  geen  ongemengde  bewondering  over  had. 

Wij  zijn  nu  eenmaal  zoo  :  onze  weinig  pieuze  tijd  buigt  zich  liever 
voor  uitingen  van  inniger  vroomheid;  de  ongestrafte  tuchteloosheid 
waarin  de  kunst  zich  heden  ten  dage  vermeit,  wreekt  zich  heimelijk 
in  een  kieskeurigheid  van  kunstsmaak  welke  de  ongebreidelde  kracht 
van  Rubens  weinig  beter  dan  degoütant  noemt;  de  bloedeloosheid 
van  het  moderne  schilderen  krijgt  van  zulk  een  overladen  verve  de 
koude  koorts  op  het  lijf.  En  over  het  algemeen  is  het  zóó  gesteld  dat 
wij,  die  maar  al  te  bezwaarlijk  met  een  afgeronde  levens-conceptie 
voor  den  dag  zouden  komen,  te  nauwernood  aarzelen  zelfs  geheel 
elementaire  levens-manifestatiën  als  de  zijne  rondweg  buiten  te  sluiten. 

Het  valt  niet  te  ontkennen  :  onder  al  wat  de  schilderkunst  van  de 
laatste  halve  eeuw  beïnvloed,  wat  de  beste  schilders  van  dezen  tijd  voor 
oogen  gestaan  heeft,  speelt  Rubens'  kunst  geen   rol.    In  den  geestes- 


11 


EEN  INLEI-        staat  van  de  laatslgekomen  geslachten  vertegenwoordigt  het  begrip 
DING  TOT  Rubens  geen  levenwekkende  kracht....  Maar  toch  blijft  dit  alles  meer 

RUBENS  kenschetsend  voor  de  onbestendige  neigingen  zelve  van  deze  periode, 

die  ons  trouwens  tot  vervelens  toe  als  een  overgangstijd  wordt  voor- 
gehouden, dan  dat  men  er  op  ziclizelf  de  absolute  beleekenis  van  een 
figuur  als  Rubens  nog  naar  zou  kunnen  meten  Want  tegenover  een 
verschijning  van  zulke  allure  kan  het  vragen  naar  sympathiek  of  niet 
toch  kwalijk  meer  volstaan,  en  zelfs  in  buien  waarin  wij  ons  met  den 
meest  beslisten  wrevel  van  hem  wenden,  blijven  wij  beseffen  met  een 
reus  te  doen  te  hebben.  Dit  laatste  nu  zal  ons  altoos  dwingen  tot  hem 
weder  te  keeren.  Den  Homerus  der  schilderkunst  vinden  wij  hem  door 
Delacroix  in  zijn  Dagboek  tot  driemaal  toe  genoemd,  en  inderdaad 
leeft  en  ademt  er  in  Rubens  iets  van  dezelfde  elementaire  kracht,  die 
het  antieke  epos  draagt,  en  deze  is  het  die  elke  wezenlijk  breede 
kunstconceptie  altoos  dwingen  zal,  rekening  met  hem  te  houden. 

Het  is  maar  dat  de  afstand,  die  hem  scheidt  van  schier  ól  wat  wij 
het  hoogste  stellen,  het  ons  zoo  moeielijk  doet  vallen  Rubens  waar- 
deerend te  begrijpen.  Bovendien  staat  men,  ongeschikt  als  wij  blijken 
tot  het  benaderen  van  zijn  grondaard,  op  tegenstrijdigheden  als  hij  ons 
biedt,  nog  minder  voorbereid.  Tot  in  onze  toegankelijkste  gezindheid 
blijven  wij  daarom  bezwaren  tegen  hem  opperen  welke  zijn  warmste 
bewonderaars  niet  uit  den  weg  zouden  kunnen  ruimen. 

Want  bij  een  kunst  als  die  van  Rubens  zal  men  altoos  komen  te 
overwegen  of  het  luidruchtigst  geuite  gevoel  nu  wel  juist  het  wezen- 
lijkste is,  en  of  niet  het  sprekende  bij  hem  vaak  met  een  al  te  groot 
verlies  aan  waardigheid  betaald  werd.  Zelfs  in  een  zoo  eflfektvol 
schilderij  als  zijn  Marteling  van  Sint  Lieven  te  Brussel,  ligt  de  hevig- 
heid van  het  drama  meer  in  het  tumultueuze  van  de  voordracht  dan 
in  het  aangrijpende  der  gemoedsuitdrukking.  Bij  den  Sint  Franciscus 
aan  denzelfden  wand  is  de  pompeuze  zwaai  der  uiterlijke  tragedie 
zóó  aloverheerschend,  dat  er  vooreen  nijpenden  indruk  geen  plaats 
meer  overblijft.  De  poezele  Veronica  die  op  den  Calvarieberg  welke 
daar  eveneens  in  de  buurt  hangt,  aan  den  neergestorten  Christus  het 
voorhoofd  afwischt,  heeft  kuiltjes  in  de  wangen.  De  op  zichzelf  superbe 
groep  van  de  stoeiende  engelen,  die  onder  kozend  zonlicht  in  een 
blijden  rijdans  de  ten  Hemel  varende  Maagd  op  de  Brusselsche  Verrij- 
zenis  als  een  bloemenstoet  omstuwen,  passen  minder  bij  een  boven- 
aardsche  gebeurtenis  dan  wel  dat  zij  een  feest  van  de  bloeiende  aarde 
vieren.  Zijn  blonde  Magdalenas  —  voedsters  van  melk  en  bloed  — 
komen  ons  voor  doorgaands  van  nabijer  heerlijkheid  dan  die  des 
Hemels  te  droomen.  De  zielestrijd  van  zijn  Mater  Dolorosa  openbaart 
zich  te  alleenlijk  in  haar  rood  beloopen  oogen  en  haar  verwrongen 
mond ;  wel  verre  van  ons  een  MoederGodsbeeld  te  doen  aanschouwen 


12 


P.  P.  HUBKNS  : 

DE  AANBIDDING  DKH  K()MN(.I:N 

(Koninklijk  Museum.  Ant^^tTpen). 


blijft  zij  eenehaar  rol  niet  vergelende  Iragédienne.  Zelfs  op  de  in  zoo  EEN  INLEI- 
veler  schatting  juist  uitermate  expressieve  Kruisafneming  in  de  Antwerp-  DING  TOT 
sche  Lieve  Vrouwekerk,  zijn  de  helpers  niet  wezenlijk  met  den  Gekrui-  RUBENS 
sigden  begaan,  —  zij  doen  maar  zoo,  en  denken  er  niet  aan  om  eenige 
ontroering  hun  mooie  poze  te  bederven.  Het  valt  moeilijk  zelfs  in  zulke 
stukken  de  vertooning  voorbij  te  zien,  en  van  stille  stichting  is  inder- 
daad maar  al  te  zelden  sprake.  Met  de  athletische  spierwerkingen  van 
brutale   rakkerts  en   het   glanzend   naakt    van    weelderige    boezems, 
brengt  hij   het  lachen  van  vruchtbare   landouwen,  de  luid  blaffende 
honden,  de  praatziek  blinkende  harnassen  en  de  wapperende  banieren 
mede  het  bedehuis  binnen.  Het  door  hoefgetrappel  opgejaagde  stof 
laat  hij  toe  in  den  tempel,  en  de  vogels  doet  hij  kwinkeleeren  in  het 
kerkportaal. 

Maar  kiezen  wij,  zulke  bezwaren  onverzwakt  latende  gelden,  om 
nader  tot  hem  te  komen,  eens  een  niet  larmoyant,  niet  bloederig,  niet 
in  den  slechten  zin  theatraal  schilderij  als  de  Aanbidding  der  Koningen 
uit  het  Antwerpsch  Museum.  Nemen  wij  ons  dan  voor,  daarbij  niets 
van  hem  te  vragen  wat  hij  niet  van  zins  is  te  geven,  en  laat  ons  zien 
of  wij  dan  niet  wat  beter  met  hem  kunnen  opschieten 

Inderdaad  de  Vlaamsche  bedrijvigheid,  de  Vlaamsche  uitbundig- 
heid, de  Vlaamsche  drukte,  de  Vlaamsche  praalzucht  zijn  hier  vrijwel 
van  hun  barok  ontdaan  en  in  werkelijken  luister  omgezet.  Wel  te 
verstaan  in  vleeschelijken  luister.  Want  meer  dan  een  Aanbidding 
heeft  men  hier  toch  een  zeer  wereldsch  paradeeren  voor  oogen,  en  die 
rijkuitgedoschte  koningen  komen  hun  hulde  brengen  :  waarlijk  niet 
aan  een  geestelijk  begrip  maar  aan  het  bloeiende  leven  zelf.  Rubens  was 
in  het  kerkelijk  dogma  thuis  als  de  beste,  maar  de  christelijke  verhalen 
schenen  voor  hem  geen  heiliger  beteekenis  te  dragen,  dan  de  heidensch- 
mythologische  geschiedenissen  die  hij  zich  onder  het  schilderen  zoo 
gaarne  liet  voorlezen,  —  althans  het  pathos  wat  hij  aan  sommigen 
zijner  altaarstukken  bijzette,  lijkt  ons  van  minder  onvervalscht  allooi 
dan  het  pantheïsme,  dat  hij  door  alles  heen  met  zoo  ruiterlijke  voor- 
liefde gehuldigd  heeft.  Rubens  wilde  ten  hemel  stijgen,  maar  bleef  tot 
aan  zijn  knieën  in  de  Hollandsche  kaas  steken,  heeft  een  spotter  van 
hem  getuigd,  —  maar  bergt  deze  uitspraak  niet  eigenlijk  meer  geest 
dan  waarheid?  Was  hij  wel  waarlijk  gezind  de  zegeningen  van  dit 
ondermaansche  voor  die  van  ongekende  gewesten  prijs  te  geven? 
Droegen  zijn  aspiraties  tot  het  bovenaardsche  in  den  grond  niet  het 
karakter  van  gelegenheidsbetrekkingen?  Heeft  hij  niet  meer  haast 
dan  eenig  ander  sterveling  dit  leven  hartstochtelijk  lief  gehad? 
Mag  het  niet  dubbel  twijfelachtig  heeten,  of  hij  werkelijk  bij  zijn 
verscheiden,  —  naar  het  woord  van  een  tijdgenoot  —  in  den  hemel 


13 


EEN  INLEI-        de  levende  modellen  zijner  schilderijen  is  gnan  aanschouwen  ?  Had  hij 
DING  TOT  zich  niet  zijn  hemel  naar  de  aarde  eer  dan  zijn  aarde  naar  de  hemel 

RUBENS  geformeerd?  De  deemoedigheid  van  van  Eyck  en  Memlingen  de  straffe 

aandacht  van  Massijs  waren  l)ij  hem  wel  tot  op  het  merg  vergeten,  en 
vreemd  als  wij  staan  tegenover  die  clericale  cultuur  der  contrarefor- 
matie, vraagt  men  zich  af,  hoe  het  mogelijk  was  dat  een  kerk  zulke 
bandeloosheid  kon  blijven  beschermen.  Wanneer  Arelino  aan  Michel 
Angelo  schreef  zich  als  Chrislen  over  de  vrijheden  te  schamen,  welke 
deze  zich  in  het  Jongste  Gericht  veroorloofd  had,  en  hoe  het  hem  te 
moede  was  alsof  Buonarrotti,  in  plaats  van  de  edelste  kapel  der  Chris- 
tenheid, een  wellustig  bad  met  schilderingen  versierd  had,  dan  verbaast 
men  er  zich  over,  hoeveel  onreligieuzer  vrijheden  men  zich  nog  van 
den  geloovigen  Vlaamschen  schilderprins  liet  welgevallen.  Of  heeft  men 
ooit  van  altaarschilderijen  gehoord  die  minder  priesterlijk  dan  die  van 
Rubens  dorsten  zijn?  Zag  men  te  eenigertijd  een  religieuze  kunst  over- 
moediger met  de  religie  omgaan?  Nooit  richtte  schilderen  zich  minder 
naar  voorschrift,  naar  kanon,  naar  traditie.  Nimmer  heeft  een  schilder 
zijn  opdrachten  meer  naar  eigen  lust  begrepen  en  gekleurd. 

Zelden  zeker  werd  gedurfder  samenstelling  dan  die  der  Antwerp- 
sche  Drie  Koningen^  brutaler  en  meer  onverwacht,  en  tegelijkertijd 
vanzelf  sprekender  en  meer  ongekunsteld  in  elkaar  gezet.  Nergens 
bespeurt  men  iets  gepremediteerds  :  niets  van  de  voegen,  niets  van  het 
samenstel.  Waar  hij  zijn  bewegelijke  figuren  ook  gelieft  neer  te  smak- 
ken, altijd  komen  zij  op  hun  beenen  terecht,  waar  hij  zijn  wapperende 
draperieën  heen  laat  vallen,  zij  leenen  zich  overal  nog  tot  een  aanne- 
melijk kleedingstuk.  Het  ordent  zich  steeds,  lost  zien  gemakkelijk  op, 
schijnt  alles  vanzelf  zoo  te  moeten  gebeuren. 

Ook  wat  de  kleuren  belreft,  —  de  klare  kleuren  waarin  de  schilder 
zwelgt.  Want  heeft  men  ooit  knalrood  en  karmozijn,  zacht  purper  en 
oud  goud,  smaragd  en  amethyst.  en  wat  niet  van  doorzichtige  nuancen 
tusschen  dat  al,  zich  in  stouler  samenspel  vloeiender  ja  stroomender 
zien  voegen?  Zij  schijnen  op  het  reusachtige  doek  geblazen,  maar 
geblazen  dan  met  de  kracht  van  den  stormwind.  Het  is  hier  :  zóó 
gezien  zoo  geschilderd,  —  voetstoots,  vlotweg,  in  een  koninklijke  roes 
van  verrukking,  met  schuimende  kracht,  ja  met  l)azuingeschal.  Maar 
in  dat  schijnbaar  willekeurige  zich  laten  gaan,  in  dat  schilderen  uit 
lillende  oliën,  in  die  ongekende  bravour  van  aansmeren  schuilt  noch- 
tans een  zeldzame  welberadenheid,  —  men  lette  op  kittige  finesses  als 
van  de  koelblauwe  tippen  tegen  het  roze  van  den  koeiesnoet,  die  van 
een  bijna  brooze  toonteerheid  is  —  op  die  kleurontbinding  is  slechts 
aangestuurd  om  een  opener  kleurgewimpel  te  verkrijgen.  De  chaos 
zelf  schijnt  wedergezocht,  maar  voor  onze  verbaasde  oogen  tot 
blijder  harmonie,  tot  weliger  scheppingsbloei  ontloken. 


14 


Wanl  die  klelseii  kleur  en  die  likken  licht  en  die  zwiebels  van  EEN  INLEI- 
royale  lijn,  —  zag  men  ooit  onwaarschijnlijker  figuur-improvisatie  DING  TOT 
dan  dien  ouden  grijsgehaarden  baanderheer  met  den  vlammend  wap-  RUBENS 
perenden  rooden  mantel?  —  ordenen  zich  tot  een  vizioen  van  triom- 
fantelijk wulpsche  levenskracht,  lot  een  leest,  een  prachtvertooning, 
een  zegetocht  van  koningen  met  hun  rijk  gevolg,  die  zich  in  deze 
weidsche,  door  het  aanbrengen  van  een  Korinlische  zuilschacht  tot  paleis 
gemaakte  Stal  van  Bethlehem,  komen  verdringen,  om  in  vurige  vereering 
hun  overdaad  neer  te  leggen  aan  de  voeten  van  de  vorstin  en  haar  kind. 
Zijn  lust  tot  vleeschelijk  naakt  is  nog  in  de  tegen  den  blauwen  hemel 
glanzende  en  op  schalksche  kameelen  hoog  gezeten  slaven  losgelaten. 
Het  is  daarin  en  daar.imheen  de  weelde  van  het  leven,  saamgedonderd 
lot  dien  bonten  stoel,  die  zich  in  brutale  zinsverrukking  om  de  mooie 
blanke  jonge  vrouw  met  het  hoofsche  kindje  heenschaarl ;  en  uit  het 
lippenzuigen  en  oogcMiglinsteren  der  omslaanders  ziet  men  in  dit 
kwasi-gewijd  tafereel,  en  waarlijk  niet  tersluiks,  de  mimiek  van  den 
Minnehof  heenblinken;  geen  wonder,  als  men  overweegt  welke  de 
levensvisie  van  den  schilder  welbeschouwd  was,  —  wanl  heeft  voor 
dezen  gunsteling  der  fortuin,  die  een  leven  zonder  plagen  in  volle,  in 
overvolle  teugen  wist  te  genieten,  het  beslaan  in  den  grond  ooit  anders 
dan  als  één  eeuwige  hoogtijd  gestraald  ? 

Zonderlinge  tegenstelling  :  die  andere,  de  groole  ketter  in  kunst 
en  leven,  de  schilder  van  hel  gemeenzame,  van  de  ware  werkelijkheid, 
van  de  burgerlijke  handelingen,  hij  was  de  eigenlijke  droomer,  de 
dichter,  de  ziener,  de  godsdienaar.  En  deze  geletterde  grand-seigneur 
die  in  dienst  der  Heilige  kerk  zijn  werken  zag  gewijd,  hij  geeft  ons 
per  slot  ^n  in  het  beste  van  zijn  kunst,  de  liefde  voor  het  bijna  dierlijk 
gezonde,  voor  hel  fyziek  welvarende,  voor  de  overvloeiende  vrucht- 
baarheid. Deze 'reus  van  de  expansie  was  veel  minder  een  oproeper 
van  het  onzienlijke  dan  een  juicher  in  hel  nabije,  in  het  volle  zinnelijke 
leven  zelf,  en  zóó  begreep  hij  hel  christelijke  dogma,  dat  hij  ons  de 
Moeder  Gods,  de  Maler  Misericordiae,  wel  beschouwd  toch  niet  anders 
dan  als  een  verleidelijke  Abundanlia  heeft  voorgesteld. 

In  den  kooromgang  der  Antwerpsche  Sint-Jacobskerk  berust 
binnen  Rubens'  eigene  grafkapel  een  altaarstuk  van  zijn  hand,  waarop 
men  in  Sint  Joris  des  schilders  eigen  trekken  vindt  afgebeeld.  Het 
monster  wal  hij  zichzelf  in  die  ridderlijke  gestalte  laat  dooden  is  de 
draak  van  wat  hem  het  nadrukkelijke,  het  laaie.  Bet  verstijfde,  het 
steriele  scheen.  Veroordeel  deze  drift  tegen  geestesneigingen  uit  welke 
andererzijds  zooveel  diepzinnigs  en  schoons  geboren  werd,  maar  von- 
nis den  meester  niet  alvorens  gij  hem  in  zijn  eigen  lijn  vrijuit  aan  het 
woord  hebt  gelaten. 

Want  men  moet  Rubens  nahouden  dat  hij  geen  pogingen  gewaagd 


15 


EEN  INLEI-        heeft  andere  gevoelens  te  verbeelden  dan  die  er  wezenlijk  in  hem 
DlNll  TOT  woonden,  dal  hij  zich  nimmer  geweld  aandeed,  dat  hij  blijmoedig  de 

RUBENS  wereld  die  voor  hem  geopenbaard  lag,  aanvaardde  en  er  gelukkig  mee 

werd.  Hij  was  er  de  man  niei  naar  om  het  schilderen  te  zoeken  in 
andere  dingen  dan  waar  zijn  talent  zich  toe  voegde.  Maar  welk  een 
omvang,  welk  een  rijkdom  had  dit  in  zichzelf!  Want  indien  wij  over 
zijn  frapper  jusie  hier  en  daar  al  in  twijfel  kunnen  verkeeren,  over  zijn 
(rapper  fort  en  zijn  frapper  souvent  bestaat  nauwelijks  gelegenheid  tot 
verschil  van  meening.  In  een  duizelingwekkende,  men  mag  wel  zeggen 
óver-productie,  maakt  hij  nergens  den  indruk  zijn  kruid  verschoten  te 
hebben,  zijn  weldoorvoed heid  te  hebben  doen  afmageren  tot  iets  min 
goedgeefs.  Wèt  zwaargebulte  vleeschklompen  zijn  breidellooze  fantasie 
ook  te  torschen  vond,  men  kan  niet  zeggen  dat  hij  er  zich  ooit  aan  ver- 
tilde. Een  kunstenaar  van  zulk  een  omvademingsvermogen  moet  men 
niet  naar  afzonderlijke  brokken-schildering  nemen.  Ik  weet  het  wel,  den 
zwier  dien  Rubens  hooghield,  vindt  men  —  zie  dien  Jan  Hoornebeek  van 
Frans  Hals  in  het  zelfde  Brusselsch  Museum  waar  hij  in  groote  doeken 
zijn  ongeloofelijke  bravour  vertoont  —  met  meer  kernachtigheid, 
meer  werkelijke  gratie  en  meer  smaak  bij  tijdgenooten  terug;  en  even 
de  straat  over  en  bij  den  Hertog  van  Arenberg  in  de  kleine  galerij 
binnengegaan,  heeft  men  daar  (of  is  het  waar  dat  men  had  moet 
zeggen)  een  stilglanzend  doorkijkje  van  de  Hoogh  en  een  wonderklaar 
kopje  van  van  der  Meer,  die  al  wat  de  rumoerige  colorist  uitbundigs 
heeft  gebracht  tot  ijdel  spel  schijnen  te  verlagen.  Maar  wanneer 
Rubens  niets  van  binnenkamer-poëzie  in  zich  had,  wanneer  de  orato- 
rische galm  hem  liever  is  dan  het  verteederend  gefluister,  dient  wel 
in  het  oog  te  worden  gehouden,  dat  zijn  schilderijen  door  aard  en 
bestemming  ook  juist  geheel  gericht  zijn  op  het  klankbord,  en  bedoeld 
om  pilaren  en  gewelven  te  overschreeuwen,  en  dat  de  kracht,  de  hevig- 
heid, de  schittering  hem  van  de  fijner  sierlijkheid  en  de  bekoring 
ontheffen. 

Neen  hij  was  geen  schilder  om  op  den  keper  te  bezien,  hij,  Rubens, 
de  menschenkneeder  in  het  groot,  die  als  het  hem  lust,  voor  onze 
verbijsterde  oogen  de  lichaamshoopen  opstapelt  en  samensmakt  of  aan 
risten  snoert  en  ze  uitvierend  door  de  ruimte  opzweept,  die  orgiën  van 
vleesch  aanrecht,  het  vleesch  doet  tuimelen  en  golven  en  schuimen, 
dat  het  als  een  souverein-element  water,  vuur  en  aarde  in  zich 
opneemt,  in  zich  doet  samenzwellen,  in  zich  doet  uitklaroenen,  als  ter 
oneindige  glorificatie  van  de  furieuze  vruchtbaarheid  zelve. 

Hierboven  heb  ik  gewag  gemaakt  van  den  afkeer  dien  Rossetti 
als  jonge  man  voor  de  kunst  van  Rubens  heeft  gevoeld,  en  daarom 
schijnt  het  mij  dubbel  van  belang  te  memoreeren,  hoe  zelfs  deze  bezie- 


16 


< 

< 

Z 

< 


5e     * 

Z    o,    s 

ü        w        'S 

«si 
":  <  I 

flu     J     :i 


Ier  van  het  excluzieve  prerafaëlitisme  in  later  jaren  evenwel  nog  onder  EEN  INLEl- 
de  macht  van  het  Vlaarasche  genie  gekomen  is.  Vier-en-twintig  jaar  DING  TOT 
nadat  hij  hel  aangehaalde  vloeksonnet  schreef,  vinden  wij  hem  in  een  RUBENS 
brief  aan  zijn  broeder  zich  met  spijt  over  het  verbranden  van  een 
schilderij  van  Rubens  uitlaten,  en  het  verdient  misschien  opgemerkt 
te  worden  dat  het  daar  een  jachtstuk  gold. 

Als  landschapschilder  over  het  algemeen  laat  Rubens  zich  vrijer 
bewonderen  dan  in  zijn  overige  werk,  waarin  wij  nu  eenmaal  niet 
altoos  den  van  alle  markten  thuis  zijnden  wereldman  vergeten,  al  kon 
hij  dan  ook  zooveel  maakwerk  niet  in  opdracht  krijgen  of  hij  vond  de 
kans  nog  schoon  er  iets  van  zijn  bloeiende  levensweelde  aan  te  beste- 
den. Maar  als  zuiverder,  betrekkelijk  soberder  schilder  van  het  pasto- 
rale maakt  hij  den  indruk,  zonder  zich  ooit  te  overschreeuwen,  een- 
voudigweg uit  vrije  borst  gezongen  te  hebben,  omdat  hij  het  nu  een- 
maal niet  binnenhouden  kon.  Zijn  vermogen  vooral  om  aan  alles  een 
hevig  organiesch  leven  mêe  te  geven,  komt  in  zijn  tafereelen  van  het 
buitenleven,  gelukkiger  dan  in  zijn  groote  flguurvertooningen  tot  zijn 
recht.  Wanneer  men  op  zijn  landschappen  de  boomen  ziet  groeien,  en 
de  vlieten  ziet  stroomen,  en  de  akkers  ziet  zwellen  en  de  wolken  ziet 
drijven,  als  bij  geen  ander,  ligt  daarin  de  bizondere  kracht  geopen- 
baard, die  ons,  meer  dan  de  uitbundigheid  van  zijn  figuurstukken,  als 
natuurlijke  epiek  aandoet.  De  grootmeester-schilder  in  elk  geval  laat 
zich  daarin  ongestoorder  genieten. 

In  niet  minder  mate  is  dit  met  zijn  jachtstoeten  het  geval,  en  het 
schijnt  mij  daarom  niet  toevallig  als  wij  Rossetti  door  zulk  een  tafereel 
van  Rubens'  hand  onder  den  indruk  vinden.  Zelfs  is  het  mij  wel  eens 
in  de  gedachte  gekomen  of  dergelijke  schilderijen  niet  den  rechten 
toonsleutel  bieden,  waarmee  men,  ik  zeg  niet  alle  scheppingen  van 
Rubens  zou  leeren  genieten,  maar  waarmee  men  den  ganschen  schitte- 
rend picturalen  Rubens,  zooals  hij  toch  in  den  grond  uit  al  zijn  werken 
te  samen  getuigt,  per  slot  van  rekening  beter  zou  kunnen  benaderen. 

En  omdat  het  mij  lust  mij  hier  tot  Antwerpen  en  Brussel  te  be- 
perken, denk  ik  daarbij  vooral  aan  zulk  een  stuk  dat  dan  ook  waarlijk 
niets  van  den  overvaardigen  gelegenheidsschilder  vertoont,  en  daaren- 
tegen zijn  bloedrijke  kracht  op  haar  prachtigst  ontplooit,  —  aan  het 
geweldige  Woud  in  het  Brusselsche  Museum,  bedoel  ik,  waarvan  men 
weet  dat  het  tot  zijn  dood  in  des  meesters  eigen  collectie  bleef. 

Op  den  voorgrond  heeft  men  daar  de  briesende  jachtstoet  van 
Atalante  en  Meleager,  dicht  achter  de  hielen  van  het  nagehitste  Caledo- 
nysche  zwijn,  dat,  reeds  een  pijl  tusschen  de  schouderschoften,  en 
twee  rappe  honden  op  het  hijgende  lijf,  nu  tot  den  rand  van  een 
stroom  is  genaderd,  aan  den  overkant  waarvan  een  athletische  jager 
onversaagd  gereed  staat  het  woeste  dier  aan  zijn  speer  op  te  vangen. 


m 


17 


EEN  INLEl-  Maar  de  diepe  kleur-koralen  die  uit  de  gedrochtelij ke  pracht  van 

DING  TOT  torenhooge  takkenwrongen  en  vervaarlijke  bladerstoelen  daarboven 

RUBENS  en  daarachter  opdreunen,  doorschateren  het  gansche  tafereel  als   met 

een  luid  gebazuin  van  heldenmoed;  heel  het  heroïeke  woud,  waardoor 
die  wilde  jachtbende  gelijk  een  loeiende  orkaan  heenwoedt,  is  als  een 
breed  georkestreerd  accompagnement  voor  de  daverende  zinnenweelde 
van  dit  stout  bedrijf;  en  als  bonzende  juichtonen  in  dat  sonoor  geschal 
schijnen  meer  dan  eén  laaiende  vuurbol  zich  achter  die  gigantische 
vegetatie,  achter  die  drommen  van  dreigende  bladerkronen,  achter 
die  ziedende  trossen  van  donker  loof,  zengensmoê  naar  den  topazen 
horizon  te  wentelen,  intusschen  met  volle  schampen  nog  een  vurig 
afscheid  vonkend  over  sidderende  blaadrenriffen  van  brandend  koper 
en  kokend  rood  goud. 

Tegenover  dit  geëlectrizeerd  gobelin,  als  van  roostende  ambers 
heet  doorstoofd,  en  vol  van  die  meeslepende  kracht  van  wijd  wuivend 
aanduiden,  waaraan  Rubens  altoos  boven  koesterend  uitvoeren  de 
voorkeur  heeft  gegeven,  staat  men  gewonnen  als  voor  een  dier  hoog 
gedragen  werken,  waarbij  het  menschelijk  uitbeeldingsvermogen, 
ik  zeg  niet  tot  zijn  schoonste  diepte,  maar  wel  tot  zijn  uiterste  span- 
ning reikt,  en  zelden  in  de  geschiedenis  der  zuivere  schilderkunst,  — 
en  ik  vergeet  hier  geenszins  de  fierste  picturale  furiën  van  Gains- 
borough  noch  van  Daubigny,  van  Constable  nocli  van  Monticelli,  en 
zelfs  niet  die  van  Turner  en  Delacroix,  —  is  er  in  stouter  lust,  gran- 
diozer  vizioen  uit  machtiger  kwast  gezwalpt,  dan  dit  uit  titanen-fantazie 
geteelde  hooglied  van  het  heroïsche  levensvuur. 

Jan  Veth. 


18 


0  HOLL A  iN  DSCHE  GEBRUIKSKUNST  0 

=  't  BINNENHUIS  —  DE  WONING   -  ARTS  AND  CRAFTS  E 

|EDERT  de  tentoonstelling  in  Turijn  zijn  we  in  HOLLAND- 
't  buitenland  zoo  geducht  bekend  geworden,  SCHE 
dat  zelfs  de  meest  droogstoppeliaansche  Hol-  GEBRUIKS- 
landers,  die  zich  vroeger  nooit  om  den  vorm  KUNST 
van  hun   stoelen    en   tafels   en    eetserviezen 
bekreunden,   hun   nationalen  trotsch  hooger 
gespannen  voelen  als  er  thans  in  gezelschap 
van  buitenlanders  over  zulke  dingen  gesproken 
wordt. 

Nu  is  't  wel  aardig  zoo  eens  succes  en,  dat  mag  gezegd  worden, 
verdiend  succes  gehad  te  hebben;  maar  't  komt  mij  voor,  dat  nu,  aan- 
gezien de  roes  wat  voorbij  is  en  onze  eerzucht  weer  voor  eenigen 
tijd  bevredigd  mag  heeten,  de  tijd  is  gekomen  om  de  adreskaartjes 
eens  te  schiften  die  aan  de  kwistig  geworpen  lauerkransen  gehecht 
zijn. 

Bij  dit  onderzoek  schijnt  aan  't  licht  te  komen,  dat  de  buiten- 
landsche,  vooral  de  Duitsche  kritiek,  die  soms  tot  patriotische  dithy- 
ramben oversloeg  (*)  en  liefst  de  geliefde  Hollandsche  broeders  in  ééne 
groote  omarming  geestelijk  wilde  annexeeren,  geen  of  weinig  verschil 
ziet  tusschen  de  Hollandsche  kunstuitingen  onderling.  Alle  adres- 
kaartjes zijn  even  fraai  en  alle  kransen  even  groot.  Dat  is  nu  niet  zoo 
heel  verwonderlijk;  het  gaat  met  onze  jonge  gebruikskunst  evenals 
met  onze  schilderkunst.  Het  groote  Duitsche  publiek  kent  de  Hol- 
landsche schilders  niet  anders  dan  als  een  vaste  groep,  naar 
't  schijnt  een  behagelijke  kring  van  geestverwanten,  waar  Maris 
en  Apol,  Israëls  en  Mesdag,  Klinkenberg  en  Breitner  naast  elkaar 
zitten.  Trouwens  de  appreciatie  van  andere  landen  moge  iets  fijner 
zijn,  over  onze  inzending  in  Turijn  heb  ik  nergens  een  scherp-onder- 

(*j  Zie  hel  artikel  Georg  Fuchs  in  hel  tijdschrift  van  Alexander  Koch  te  Darm- 
stadt  Deutsche  Kunst  and  Dekoratioiu  V^' Jahrg.  H.  11;  reeds  besproken  in  Onze 
Kunst,  1902,  1I«  haltj.  biadz.  82. 


19 


HOLLAND-         scheidende  kritiek  gevonden,  wat  ons  niet  mag  beletten  zélf  zoo  onbe- 

SCHE  vooroordeeld  mogelijk  te  blijven  rondzien. 

GEBRUIKS-  Daartoe  geven  de  in  de  maand  November  te  Amsterdam  gehouden 

KUNST  tentoonstellingen  van  Arts  and  Crafis  in  't  gebouw  van  de  maatschappij 

tot  Bevordering  van  Bouwkunst,  de  Woning  in  't  Odeon  en  de  perma- 
nente tentoonstelling  in  de  lokaliteiten  van  7  Binnenhuis  een  buiten- 
gewoon gunstige  gelegenheid. 

Van  het  Rokin  naar  't  Singel  en  vandaar  naar  de  Marnixstraat 
wandelend,  verschaft  men  zich  een  algemeen  overzicht  en  komt  tot 
resultaten,  die  van  de  buitenlandsche  beoordeeling  in  meer  dan  één 
opzicht  afwijken. 

Zoowel  7  Binnenhuis  als  Arts  and  Crafts  en  de  Woning  exposee- 
ren  :  enkele  meubels,  geheele  ameublementen,  metaalwerk  en  ver- 
sierde stoffen,  terwijl  het  eerste  bovendien  aardewerk  van  de  fabriek 
Amstelhoek  te  zien  geeft. 

—  De  richting  van  7  Binnenhuis  is  betrekkelijk  stabiel ;  't  pro- 
gramma is  ongewijzigd  :  de  vervaardiging  van  mooie  gebruiksdingen 
door  juiste  keuze  van  materiaal,  't  vermijden  van  overbodige  versie- 
ring, zuiverheid  en  oprechtheid  in  de  constructie  en  de  afwerking. 

Over  't  algemeen  kan  men  zeggen,  dat  het  tegenwoordig  geëtaleerde 
aan  die  zelfgestelde  eischen  voldoet,  ja  dat  er  zelfs  in  vele  opzichten 
een  vooruitgang  is  te  bespeuren  wat  de  bruikbaarheid  en  de  uitvoering 
der  tentoongestelde  voorwerpen  betreft.  Er  is  degelijkheid  in  die 
rechtlijnige  kasten,  in  hun  breeden  stand  op  de  alspooten  doorloopende 
hoekstijlen,  in  die  simpele  kastdeurtjes  die  nooit  meer  dan  de  nóódige 
profielen  vertoonen  en  de  verhoudingen  van  hoogte  en  breedte  pleiten 
voor  een  ernstig  en  systematisch  zoeken.  Datzelfde  geldt  van  stoelen 
en  tafels;  breede  vlakken  van  mooi  behandeld  hout,  stevig  staan, 
gladde  zuivere  omtrek  en  bruikbaarheid  door  juiste  maten  en  practi- 
sche  bekleeding. 

Begonnen  met  het  strikt  noodzakelijke,  om  zoo  te  zeggen  bij  den 
oervorm  der  dingen,  is  er  door  probeeren  en  weer  probeeren  voor 
sommige  meubels,  als  bv.  de  stoel,  een  bevredigende  oplossing  gevon- 
den. De  crapeauds  van  Jac.  van  den  Bosch  en  de  lichtere  armstoeltjes 
van  Berlage  zitten  werkelijk  zoo  prettig  als  men  wenschen  kan. 

Er  valt  dus  zooiets  als  een  geleidelijke  ontwikkeling  van  den 
•  Binnenhuisstoel  »  te  constateeren,  die  zeker  nog  beter  resultaten  had 
gehad,  als  één  model  langzaam  gecorrigeerd,  en  niet  telkens  nieuwe 
van  meet  af  aan  beproefd  waren;  wat  natuurlijk  voor  het  variatie- 
lievend  publiek  noodzakelijk  was. 

Meer  dan  eenige  andere  is  de  gebruikskunst  van  ervaring  en 
traditie  afhankelijk  en  ik  denk  altijd  aan  dat  grappige  verhaal  van 
Lichtwark  in  een  van  zijn  causeries,   waar  hij  opgetogen   over  de 


20 


JAN  NAGKL VOORT  :  Salonmeubelen,  ['t  Binnenhuis). 

gemakkelijkheid  van  een  stoel  in  de  eetkamer  van  een  Haml)urgsch  HOLLAND- 
huis,  van  de  familie  hoort,  dat  de  grootvader  wel  8  modellen  had  SCHE 
afgekeurd,  vóór  dat  het  meubel  naar  zijn  zin  was.  GEBRUIKS- 

—  Zelfs  't  scherpste  overleg  a  priori  helpt  niet ;  men  moet  onder-  KUNST 
vinden.  —  Ik  heb  menschen  hooren  beweren,  dat  de  gemakkelijke 
leuningstoel  in  Engeland  reeds  lang  bestaat ;  men  behoeft  maar  na  te 
volgen  om  zich  alle  moeite  te  besparen!  Ja, maar  men  vergete  niet,  dat 
de  moderne  easy-chair  ten  bate  van  het  gemakkelijk  zitten  of  half 
liggen,  alle  vaste  vormen  heeft  verloren,  niets  anders  meer  is  dan  een 
logge,  leeren  bak,  een  kussengezwel,  heengegroeid,  opgepoft  om  wie- 
weet  wat  voor  houten  ongerechtigheden.  Het  verbinden  van  een  houten 
toestel  met  de  elastische  kussens,  zóó  dat  het  geheel  er  presentabel 
uitziet,  is  een  lastig  probleem  en  ik  ga  zoowaar  gelooven  dat  het  in 
Holland  zal  worden  opgelost. 

Daartegenover  staat,  dat  het  programma  op  andere  punten  weleens 
al  te  bekrompen  is  volgehouden  en  tot  misvattingen  heeft  geleid.  Bv. 
wat  aangaat  het  altijd  eerlijk  zijn  in  de  constructie.  Ik  kan  mij  voor- 
stellen, dat  de  stoppennen,  waarmee  de  ineengevoegde  deelen  worden 
vastgehouden,  oorspronkelijk  een  origineele  en  tevens  eerlijke  ver- 
siering waren.  Men  maakte  ze  van  ebbenhout  en  zoo  stonden  de  ronde 
zwarte  puntjes,  op  de  juiste  plaats  aangebracht,  logisch  en  pikant 
tegelijk  tegen  de  lichtere  houtsoort  aan.  Maar  zooals  het  meer  gaat, 
een  juist  principe  is  taai  en  wordt  licht  een  stokpaardje.  Of  de  zwarte 
schijtjes,  die  soms  zelfs  hinderlijk  de  aandacht  van  den  grooten  bouw 


21 


HOLLAND- 
SCHE 

GEBRUIKS- 
KUNST 


van  het  meubel  afleiden, 
nog  wel  allijd  op  plaat- 
sen zitten  waar  de  stop- 
pennen  onmisbaar  zijn 
en  of  men  die  niet  soms 
van  minder  in  't  oogloo- 
pend  materiaal  diende  te 
nemen,  geef  ik  ter  over- 
weging, al  vermoed  ik, 
dat  de  vervaardigers  dit 
zelf  al  hebben  ingezien. 

Met  alle  logica  hangt 
zekere  nuchterlieid  sa- 
men, die  kans  heeft  in 
dorre  fantasieloosheid  te 
ontaarden;  ook  dat  heb 
ik  weleens  gevoeld  bij  de 
meubels  van  Berlage, 
Jac.  van  den  Bosch  en 
Nagelvoort. 

Ik  eisch  geen  exube- 
rante verbeelding,  die  in 
't  buitenland  tot  de  ploer- 
tigste  materiaalverkrach- 
ting geleid  heeft,  maar  die 
onuitputtelijke  vinding- 
rijkheid, die  als  van  zelf 
de  eene  goede  oplossing  na  de  andere  doet  geboren  worden.  Zoo  gaan 
de  a  kasten  »  mij  weleens  vervelen,  omdat  er  maar  twee  mogelijk- 
heden schijnen  te  bestaan  ze  te  dekken,  't  Is  als  stond  er  ergens  ge- 
schreven :  t  Een  kast  is  een  ding  tusschen  vier  hoekstijlen,  tevens  de 
»  pooten,  en  gedekt  als  volgt  : 

•  a.  Met  een   naar  voren  en  opzij  vooruitstekende,   horizontale 
•  plank. 

»  b.  Met  een  horizontale  plank,  besloten  tusschen  de  vier  hoek- 
»  stijlen,  die  er  als  stompe  paaltjes  bovenuit  steken.  • 

Beide  oplossingen  zijn  zuiver.  Men  maskeert  niets;  maar  beide 
oplossingen  zijn  me  op  den  duur  toch  wat  primitief,  hetgeen  er  niet 
op  verbetert  al  snijdt  men  wat  ornament  in  de  koppen  van  de  onder 
b  genoemde  paaltjes.  Ik  vind  er  niet  volledig  in  uitgedrukt,  wat  ik 
van  de  afsluiting  van  een  meubel  naar  boven  toe  verwacht.  Bij  a  mis 
ik  het  verband,  den  overgang  tusschen  de  romp  van  de  kast  en  het 
dekblad,  bij  b  de  vaste  geslotenheid,   die  een   horizontale  krachtig- 


JAC.  VAN  DEN  BOSCH :  Salonkast,  ('t  Binnenhuis). 


JAC.  VAN  DEN  BOSCH 


Gesmeed  ijzeren  Haard 
('t  Binnenhuis). 


onderschaduwde    lijn 
vermag  te  suggereeren. 

Evenals  de  stop- 
pennen  zijn  ook  de 
tallooze  wiggen,  die  in 
veel  doorgestoken 
sporten  van  tafels  en 
stoelen  zijn  gedreven 
soms  overbodig  voor 
de  constructie  en  niet 
meer  dan  een  soort  van 
versiering.  Als  ze  los 
zitten  kunnen  ze  den 
gelukkigen  eigenaa  r 
dezelfde  genoegens  be- 
zorgen als  vroeger  de 
wonderlijke  knopjes  in 
den  vorm  van  urnen, 
bekers,     balletjes    en 

uien,  die  onze  oude  meubelwinkel-prullen  al  waggelend  en  rammelend 
heetten  te  verfraaien. 

Maar  dit  alles  zijn  slechts  kleine  gebreken,  gemakkelijk  te  over- 
winnen wanneer  ze  eens  zijn  ingezien  en  we  den  tijd  te  boven  komen, 
dat  het  constructieve  versierings-element  een  propaganda-kwestie  was 
tegen  de  plak-  en  knoeiwaar  der  officieele  magazijnen. 

Met  genoegen  zagen  we  de  rustige  slaapkamer  naar  Berlage's  tee- 
kening.  Het  deftige  eikenhout  met  kleine  roode  laksterretjes  spaarzaam 
versierd  steunt  daar  de  monumentaliteit  der  krachtige  vormen  en  de 
waschtafel  met  het  frissche  witte  blad  is  in  weerwil  van  de  robuste 
details  zonder  plompheid.  Dat  de  scherpe  hoeken  en  kanten,  die  de 
arc/ii7ec/-Berlage  ook  vaak  zijn  meubels  geeft,  prettig  in  't  gebruik  zijn, 
geloof  ik  niet.  De  oude  kwestie  of  wel  gebouwen  en  meubels  door 
dezelfde  menschen  moeten  ontworpen,  wil  ik  hier,  bij  allen  eerbied 
voor  Berlage's  smaak  en  werkkracht,  even  aanstippen. 

Nieuw  en  bekoorlijk  van  kleur  was  de  slaapkamer-inrichting  in 
eschdoorn  naar  ontwerp  van  Jan  Nagelvoort.  Het  mooie  blanke  hout 
geeft  aan  het  geheele  vertrekje  een  helderheid  waarin  *t  dunkt  me 
aangenaam  ontwaken  zal  zijn.  Alleen  de  tafel  met  de  al  te  rechtvaardig- 
stevige  pooten  doet  lomp,  iets  afschuinen  naar  onder  had  geen  kwaad 
gekund. 

Metalen  voorwerpen  theestellen,  bouilloirs,  inktkokers,  lampen 
enz.,  zijn,  sedert  de  vroegere  medewerkers  voor  dit  vak,  waaronder 
zeer  getalenteerde,  7  Binnenhuis  verlaten  hebben,  haast  uitsluitend 


HOLLAND- 
SCHE 

GEBRUIKS- 
KUNST 


23 


H.  P.  BKnLA(iE  Nz.  :  Geelkoperen  Parapluiestandaard 
('f  Binnenhuis). 


HOLLAND-  I       ~  1     geteekend  door  Berlage  en 

SCHE  ^'i^^Mft^^A'^ï^r^rtr^Ü     I     ^^^'  ^'^"  ^^"  Bosch.  De  laat- 

GEBRUIKS-  t  ■■  «■!  «Bi*  ■■Ta  1 1  ^re  had  op  dit  gebied  trou- 

KUNST  wens  ook  al  vroeger  enkele 

goede  dingen  geleverd.  Zijn 
zonneschermlamp  is  bekend 
genoeg. 

Ook  in  dit  werk  is  voor 
de  praktijk  wel  iets  gewon- 
nen. 

—  De  walmkapjes  bo- 
ven de  lampen,  vroeger  vast 
en  daardoor  moeilijk  schoon 
te  houden,  hangen  nu  weer 
naar  oud  gebruik  los  aan 
een  haakje;  ze  zijn  «  gewo- 
ner ï)  geworden.  En  de  ka- 
chels en  haardmantels  na- 
deren tot  een  beter  type.  Aanvankelijk  waren  ze   wat  barre  ijzeren 
potten  geworden,  toen  men  ze  om  te  beginnen  maar  eens  van  hun 
opzichtigen  tooi  van  gietijzer  en  nikkel  ontdaan  had;   maar  in  den 
laatsten  tijd  heeft  van  den  Bosch  door  een  juiste  combinatie  van  koper 
en  zwart  en  blank  ijzer,  toegepast  op  een  intelligent  gevonden   grond- 
vorm, baardjes  en  kachels  gebouwd  waarvan  een  gezelligheid  uitgaat, 
die  onze  met  cuivre-poli  en  nikkel  opgesmukte  haardmonteeringen  al 
lang  hadden  verloren. 

Als  voorbeeld  van  een  werkstuk,  dat  nu  eens  in  't  geheel  niets 
gemaniereerds  heeft,  noem  ik  een  parapluie-standaard  naar  Berlage's 
teekening.  —  Een  geel-koperen  klokje  —  aardig  van  lijn  —  is  mij  te 
krijgshaftig  gepantserd  voor  een  zoo  klein  en  vreedzaam  voorwerp. 

In  het  aardewerk  blijft  veel  variatie  en  ook  wel  vooruitgang.  De 
glazuren  en  het  émail  worden  voller,  de  kleuren  nobeler,  de  ornamen- 
tiek houdt  zich  goed  en  sluit  zich  bescheiden,  zonder  naturalistische 
bestanddeelen  aan  bij  den  vorm  van  het  gerij.  Wel  zou  men  graag 
eens  een  enkelen  keer  den  forschen  durf  van  een  krachtiger  talent 
willen  zien.  Wat  zouden  we  genieten  van  iemand,  die  als  sommige 
oud-Delftsche  plateelschilders  met  de  punt  van  zijn  licht  gehanteerd 
penseel,  vast  en  fijntjes,  een  gemakkelijker  vloeiend  ornament  op  die 
schotels  en  vazen  wist  te  vleien.  Want  bij  allen  smaak  die  men  moet 
bewonderen,  bij  alle  ingetogenheid  en  accuratesse,  spreekt  er  toch  uit 
dit  goed  niet  meer  die  vreugde  als  uit  zooveel  oude  faience.  Deze  serieus- 
droogjes  gelijnde  figuren,  zijn  toch  eigenlijk  voor  aardewerk  te  strak 
gebleven;  men  zou  veeleer  meenen,dat  ze  oorspronkelijk  met  de  vinnige 


24 


trekpen  langs  een  stalen  lineaal 
op  H  dorre  papier  waren  getrok- 
ken. 

Maar  laten  we  maar  heel  blij 
zijn,  dat  't  zóóver  is,  dat  we  van 
de  a  blommen  »  waarmee  alles 
beklad  werd,  af  zijn  en  dat  we 
niet  meer  zijn  genoodzaakt  onze 
goedkoopere  potten  en  vazen 
voor  dagelijksch  gebruik  uit  de 
miserabele  sorteering  der  binnen- 
en  buitenlandsche  faux-luxe  in- 
dustrie te  kiezen. 

In  elk  geval  heeft  de  fabriek 
Amstelhoek  een  stuw  in  de  goede 
richting  gegeven,  en  bij  de  beoor- 
deeling moet  wel  worden  be- 
dacht, dat  de  ceramiek  niet  in 
dezelfde  mate  als  verscheiden 
andere  technieken  in  de  macht 
der  uitvoerders  ligt,  dat  hier  een 


W.  PENAAT  :  Buffel,  (De  Woning). 


eeuwenlange  empirie  de  eenige  waarborg  voor  goede  uitkomsten  schijnt 
te  zijn.  We  staan  pas  aan  't  begin  na  eene  lange  periode,  die  onze 
tradities  heeft  afgebroken  en  't  is  niet  te  verwonderen  dat  een  simpel, 
groen  Chineesch  gemberpotje  voor  eenige  stuivers,  van  kleur  en  glazuur 
nog  altijd  hooger  staat  dan  al  onze  waar. 

't  Best  van  de  Amstelhoek-produclie  leek  mij  't  witte  goed  waar 

de  tengere  ornamentjes  van 
groen  en  bleek-oranje  be- 
paald gedistingueerd  staan 
tegen  't  malsche  roomwit 
van  de  stof. 

De  batiks  en  drukjes  op 
katoen  en  andere  stoffen 
zeggen  ons  niets  nieuws ; 
maar  de  blije  kleurtjes  waar- 
mee Mej.  Leur  haar  zijden 
kussentjes  borduurt  in  de 
open  teekening  die  deze 
techniek  vergt,  zijn  opmer- 
kelijk, daar  ze  afwijken  van 
conventioneel-moderne 
kleur-samenstellingen. 

W.  PENAAT :  Buffet,  détail.  {De  Woning). 


HOLLAND- 
SCHE 

GEBRUIKS- 
KUNST 


IV 


25 


HOLLAND-  Niemand  kan  zeggen,    dat  't  werk  op  de  tentoonstelling  van  de 

SCHE  Woning  in  't  slecht  verlichte  Odeonzaaltje  tegen  hel  hierboven   be- 

GEBRUIKS-         sprokene  in  contrast  staat.  Men  ziet  wel  degelijk,  dat  de  mannen  van 
KUNST  de  e  Binnenhuis-Sezession  »  zooals  de  nieuwe  vennootschap  in  Duitsch- 

land  al  genoemd  is,  dezelfden  zijn  die  de  nader  omschreven  tradities 
van  7  Binnenhuis  hebben  helpen  vormen.  Hun  richting  is  in  hoofdzaak 
parallel  gebleven  ;  maar  er  is  toch  wel  verschil.  Mijn  algemeene  indruk 
is  deze  :  In  de  meubels  van  Penaat  en  MoU  is  een  streven  naar  eleganter 
verhoudingen.  Tegen  de  wel  eens  gewilde  barheid  in  de  massieve 
makelij  van  7  Binnenhuis  staat  hier  een  meer  studieus  afmaken  en 
vijlen  van  geheel  en  onderdeden.  Als  direct  voorbeeld  dient  mij  een 
dressoirtje  van  Penaat  met  een  goede  oplossing  van  't  boven  aan- 
geduide probleem  der  afsluiting.  Door  de  oorspronkelijke  gegevens 
verder  uit  te  werken  is  hier,  zonder  de  oude  lijmrommel,  toch  een  gave 
overgang  tusschen  kast  en  plint  verkregen.  Dat  moge  iets  duurder  van 
bewerking  zijn,  de  constructie  is  zoo  eenvoudig,  dat  een  eenmaal 
bestaand  model  voor  vermenigvuldiging  vatbaar  en  wellicht  fabrikatiet 
uitvoerbaar  zou  zijn.  Ook  een  mahoniehouten  stel  stoelen  eti  een  tafel 
zijn  mij  belangrijk  omdat  er  beter  dan  in  de  meeste  Binnenhuis-meu- 
bels  in  is  te  onderkennen  de  samenhang  met  het  bewegelijke  moderne 
leven,  dat  zich  tegen  het  machtig  vierkante  niet  voelt  opgewassen. 

Ik  kan  hier  niet  elk  stuk  afzonderlijk  bespreken,  maar  ik  wil  toch 
nog  even  wijzen  op  een  gemakkelijken  leunstoel  —  eikenhout  met 
goudgeel  trijp  —  en  op  een  crapeaud  met  hooge  leuning,  al  beant- 
woordt die  in  zijn  grootvaderlijke  allure  meer  aan  onze  aesthetische 
verlangens  dan  aan  de  toch  niet  minder  rechtmatige  van  onzen  rug. 
Niet  ongemakkelijk,  maar  nog  lang  niet  zóó,  dat  het  teekenende 
woord  «  luierstoel  *  te  pas  zou  komen. 

Tegen  hooge,  overtrokken  stoelruggen  heb  ik  bovendien  een 
bezwaar.  Zal  niet  de  verfoeilijke  antimacassar  weer  noodig  worden, 
tenzij  er  iets  wordt  uitgevonden  om  het  stuk,  waartegen  de  vlekkende 
achterhoofden  rusten,  telkens  te  verwisselen  en  te  reinigen? 

Ook  de  Woning  heeft  de  stoppennen  niet  afgezworen,  maar 
gebruikt  ze  soms  totaal  als  ornament.  Door  het  wisselen  van  het  aantal 
boven  en  beneden  aan  een  zelfde  velling  weet  iedereen,  dat  hier  niet 
veel  anders  dan  een  inlegwerkje  wordt  bedoeld. 

Interessant  is  vooral  de  collectie  metaalwerk  van  Jan  Eisenlöffel. 
Hij  komt  met  dingen  van  dagelijksch  gebruik  voor  den  dag;  koffie- 
en  theestellen,  bouilloirs  etc,  maar  ook  met  een  mooie,  kleine  vitrine, 
waarin  op  wit  fluweel  een  kostelijke  verzameling  van  allerlei  sieraad 
is  uitgestald ; — gespen  en  spangen,  colliers,  ringen  en  armbanden, 
haarspelden  en  stokknoppen.  — 

Het  uitgangspunt  is  ook  hier  geen  ander,  dan  voor  al  het  overige 


26 


JAN  EISENLOEFFEL  :  Juweelen,  (De  Woning). 

werk.  Zoo  sober  mogelijk ;  wat  de  edele  grondstof  zelf  doet,  kan  de  HOLLAND- 
goudsmid  door  veel  bewerking  hoogstens  bederven.  SCHE 

De  gehamerde  zilveren  en  gouden  gespplaatjes  met  een  enkelen  GEBRUIKS- 
amethyst  of  topaas,  met  wat  émail  versierd,  doen  zoo  natuurlijk  en  KUNST 
prettig  aan,  hechl  als  ze  zijn  en  wel  in  staat  om  twee  weerspannige 
einden  van  een  ceintuur  of  twee  zware  slippen  van  een  cape  bijeen  te 
houden,  dat  ik  een  vrouw  liever  daarmede  wil  gedecoreerd  zien,  dan 
met  de  wonderlijk  ingewikkelde  bijou's  van  een  Lalique. 

Er  is  iets  barbaarsch   in  dezen  tooi  en  men  kan  wel  zien  waar 
Eisenlöffel  geleerd  heeft,  en  dat  hij  van  de  praehistorische  spiralen  en 


27 


HOLLAND-         gebogen  spelden  en  van  de  schatten  uit  Mykene  meer  lieefTt  a^ezien, 

SCHE  dan  van  de  Golhische  gildeketens  of  de  overladen  broches  en  agrafTen 

GEBRUIKS-         van  de  Rudolfijnsche  periode  in  Oostenrijk. 

KUNST  Toch  heeft  hij  in  de  meeste  gevallen  imitatie  vermeden  en  belooft 

deze  eerste  proef  nog  veel  goeds.  Vergelijkt  men  zijn  werk  met  dat  van 
buitenlandsche  kunstenaars  als  Morave,  die  getracht  heeft  Egyptische 
motieven  voor  onze  hedendaagsche  schoonen  om  te  werken,  dan  treft 
bij  EisenlöflFel  de  fijnere  smaak,  die  hem  weerhield  zijn  sieraden  zoo 
pronkend  groot  te  maken.  Is  de  parure  iels  anders,  dan  een  accent? 
Mag  ze  ooit  domineeren?  Waarom  ook  in  de  decadentecultuur  van 
het  late  Egypte  gezocht?  EisenlöfTers  idee  is  zeker  zuiverder  en  een 
Hollandsche  vrees  voor  alle  uiterlijk  vertoon  heeft  hem  hier  op  de 
goede  baan  gehouden. 

Niet  altijd  zoo  goed  als  vroeger,  toen  hij  aan  de  firma  Hoeker 
verbonden  was,  vind  ik  het  émail  op  de  verschillende  stukken  (onge- 
lijke oppervlakken,  blaasjes  enz.),  maar  de  ivoren  knop  van  een 
cachet  draagt  een  ornament  in  deze  techniek,  van  koninklijke  kleuren 
gave  pate.  Kostbare  steenen  heeft  hij  weinig  gebruikt,  al  zou  er  een 
heel  enkelen  keer  met  den  dieperen  gloed  van  een  robijn,  en  het 
raadselachtig-groene  vuur  van  een  smaragd  een  hooger  effect  bereikt 
zijn,  dan  met  cornalijn  of  turkooizen.  Maar  dat  is  ten  slotte  ook  eene 
geldkwestie.  Brillanten  zijn  vermeden  en  ik  mis  ze  niet.  De  belache- 
lijke parvenu-mode  heeft  zich  van  dezen  steen  meester  gemaakt,  niet 
om  de  schoonheid  doch  om  de  duurte  Het  eigenlijke  mooi  van  den 
witten  steen  kennen  wij  niet  meer.  Het  geheim  van  deze  gestolde  drup- 
pels zonlicht  weten  alleen  de  Indiërs  nog,  die  er  geen  diamantindustrie 
op  nahouden;  facetteeren  maakt  schitterend,  maar  klaterig  en  koud. 

De  inzending  van  goedkoop  metaalwerk  is  minstens  even  belang- 
rijk als  dit  luxekastje;  ook  hier  is  de  oude  samenhang  met '/  Binnen- 
huiSy  waarvoor  Eisenlöffel  veel  heeft  ontworpen,  duidelijk,  maar  ik 
vind  de  vormen  nu  nog  organieker.  De  tuiten  groeien  nog  beter  uit  de 
wijde  buik  van  waterketels  en  trekpotten,  de  koffiekan  —  een  heele 
machine  —  heeft  zelfs  een  dragelijke  gedaante  gekregen  en  in  de 
onderstellen  en  komfoortjes  is  het  lastige  wankelen  overwonnen. 

Ook  de  voorwerpen  van  nieuw-zilver,  aan  wier  onvermijdelijk 
gewaande  afschuwelijkheid  de  wereld  al  begon  te  wennen^  zijn  er  op 
vooruitgegaan,  vooral  de  bouilloir  is  een  trouvaille. 

De  uitvoering  is  ook  hier  weleens  ongelijk  men  ziet,  dat  de  Wo- 
ning nog  niet  over  geoefende  werklieden  beschikt,  maar  dat  is  niet 
onoverkomelijk,  al  blijft  het  te  betreuren,  dat  twee  lichamen,  die 
hetzelfde  willen,  voortaan  om  bezwaren  van  mercantielen  aard  zijn 
gescheiden  en  beide  die  versnippering  wellicht  tot  nadeel  zullen  onder- 
vinden. Maar  het  is  niet  mijn  zaak  hier  te  beoordeelen,  wat  in  wijderen 


28 


JAN  EISENLOEFFKL  :  Juweelen,  {I)t  Woning). 

zin  een  uitvloeisel  is  van  onze  verkeerde  oeconomische  toestanden,  HOLLAND- 
evenmin  als  ik  mij  bevoegd  voel  om  Ie  voorspellen,  of  de  Woning  het  SCHE 
met  de  billijke  prijzen  zal  kunnen  volhouden    De  verbetering  van  het  GEBRÜIKS- 
machine-werk  ligt  op  den  weg  van  haar  medewerkers.  KUNST 

Onder  de  gedrukte  en  gebatikte  stoffen  van  Mevrouw  Lebeau- 
Leverington,  Chr.  Lebeau  en  Mesquita  is  veel  goeds.  Waarom  zou 
men  met  smaak  en  liefde  niet  iets  moois  kunnen  maken  in  een 
beproefd  procédé,  en  waarom  zou  men  zich  de  weelde  niet  veroorlo- 
ven die  mooie  lapjes  in  de  kamer  te  hebben? 

Maar  van  een  ander  plan  af  is  de  balik-klein-induslrie   Ie   ver- 


29 


HOLLAND-  oordeelen;  ze  past  niet  in  den  geest  van  onzen  tijd.  Met  één  bekwaam 
SCHlil  chef  in  de  ververij  van  een  groote  textielfabriek  zouden  wij  meer  ge- 

GEBRUIKS-  baat  zijn  en  de  talentvolle  patroonteekenaar,  die  tevens  wever  is,  en 
KUNST  ons  door  zijn   invloed  en  werkkracht  van  veel  leelijks  zou  afhelpen, 

laat  nog  op  zich  wachten.  Ik  geloof,  dat  de  te  vroeg  gestorven  Duco 
Crop  nog  de  beste  plannen  had. 

De  machine-verachllng  is  Ie  eenen  male  mis  en  noch  het  batikken 
noch  de  handweefstoel  noch  de  druk  met  kleine  samengepasle  blokjes 
zullen  aan  de  textielindustrie  teruggeven,  wat  zij  in  de  negentiende 
eeuw  verloren  heeft  :  stijl,  dal  is  de  eenheid  met  de  overige  kunst-  en 
levensuitingen  van  onzen  tijd.  Daarom  kunnen  we  in  dit  werk  niet 
anders  dan  aardige,  soms  wel  precieuse  handwerkjes  zien,  voorbij- 
gaande luxe-verschijnselen,  die  als  zoodanig  ontegenzeggelijk  hoog 
staan,  al  blijft  mij  een  oude  sarong  of  slendang  honderdmaal  liever. 

Met  deze  gedachten  de  tentoonstelling  van  Arts  and  Crafts  binnen- 
stappend, in  het  hoofd  nog  den  nagalm  van  de  waardeerende  woorden 
der  buitenlandsche  pers,  kan  het  niet  anders  dan  leelijk  tegenvallen. 

Hoe  is  het  mogelijk,  vraagt  men  zich  af,  dat  al  deze  dingen  een- 
drachtiglijk,  naast  het  toch  serieusc  werk  van  de  hierboven  genoemde 
zoekers,  is  afgebeeld  en  beschreven  in  de  meeste  Europeesche  vak- 
bladen? Is  hier  nu  de  ernst  naar  het  stokje  verhuisd,  waarheen  vroeger 
de  gekheid  werd  verwezen?  Of  wkt  dunkt  u  van  een  rustbank  met  drie 
halfronde  spiegeltjes  in  het  achterschot?  Is  dat  om  de  vriendelijk 
ontvangen  gasten  ook  van  achteren  te  bespieden?  En  wat  moet  ik 
gelooven  van  dat  geel-koperen  klokje,  dat  wel  een  gestyleerde  kattekop 
op  een  ze?r  langen  hals  lijkt?  —  Iets  als  de  Riesenkater  van  koningin 
Victoria,  dien  Th.  Th.  Heine  eens  zoo  nachtmerrieachtig  op  het  titel- 
blad van  den  Simplicissimus  teekende  ! 

Een  andere  pendule  van  rood-koper  is  gevormd  als  eene  ovale 
doos,  dwars  op  twee  kromme  voeten  geplaatst,  die  op  hun  beurt  staan 
op  een  laag  uitgezakten  pudding  van  koper.  Wat  kan  hier  de  inspiratie 
gegeven  hebben?  Een  zeemonster?  Och  had  ik  mijn  zoölogie  maar  niet 
zoo  schandelijk  verwaarloosd  ! 

Neen,  ik  wil  rechtvaardig  zijn  en  heb  geen  enkele  reden  tot  over- 
drijven, maar  dit  is  heusch  niet  te  verdedigen.  Ik  heb  bij  nauwkeurig 
onderzoek,  behalve  de  bekende  batiks,  niets  gevonden,  waarbij  men 
behoefde  te  weifelen. 

Vaak  was  de  vorm  wel  niet  nieuw,  maar  de  inrichting  onpractisch, 
zooals  bij  de  bouilloirs  en  trekpotten  met  gegoten  koperen  ooren, 
waaraan  de  hengsels  zoo  dicht  boven  het  deksel  zitten,  dat  men  ze 
niet  kan  aanvatten  zonder  zich  te  branden  en  zijne  vingers  te  klemmen. 

Soms  zijn  de  vormen  ook  wél  nieuw,  maar  dan  zoo  avontuurlijk, 
dat  men  ze  eerder  in  een  panopticum  dan  in  eene  woonkamer  ver- 


30 


Joh.  Thorn  Prikker  :  Gebatikte  Boekband,  {Arts  &  Crafts). 


wachten  zou.  Ik  herinner 
mij  een  geel- koperen  kroon, 
die  aan  het  geraamte  van 
de  bekende,  opvouwbare 
Elzevier-globe  deed  denken. 

Andere  dingen  hebben 
het  bepaald  van  de  •  van  de 
Velde-manier  »  te  pakken 
gekregen;  op  het  eerste  ge- 
zicht meent  men  ze  te  ken- 
nen, maar  eigenlijk  lijkt  het 
er  toch  maar  zoowat  op. 

En  de  stoelen  en  tafels 
zijn  ook  al  niet  anders; 
excentriek,  bizar,  gezocht. 
Een  ameublement  van 
rechte  stoelen  en  een  tafel, 
is  versierd  (?)  met  zooveel 
ebbenhout-inlegwerk  en 
zooveel  onnoodige  spijltjes 

tusschen  sporten  en  zitting,  dat  het  nu  juist  niet  voor  de  gezondheid 
pleit,  die  volgens  den  heer  F.  Netscher  —  in  een  reclame-brochuurtje 
—  eigen  zou  zijn  aan  al  het  werk  uit  de  ateliers  van  Arts  and  Crafts. 
Neen,  gezond  is  dit  werk  zeker  niet  en  chic  is  het  ook  niet,  want 
daarvoor  zijn  die  meubels  te  houterig  in  elkaar  gezet. 

Een  schrijftafel  in  een  bocht  gebouwd,  —  niet  onpractisch,  maar 
ook  niet  origineel,  —  bestaat  aan  den  voorkant  uit  latjes  en  plankjes, 
zóó  schraal  en  bot  tegen  elkaar  geplakt,  als  kwam  het  materiaal  pas 
van  de  houtschuur  onzer  jeugdige  timmermansproeven,  het  sigaren- 
kistje.  En  aan  een  damesbureautje  zijn  de  bekende  slappe  S-lijnen 
zoozeer  hoofdzaak,  dat  de  meest  welwillende  kritiek  niet  zal  beweren, 
hieraan  nog  een  zweempje  van  het  eigendommelijk  HoUandsche  te 
kunnen  vinden. 

Ik  wil  best  gelooven,  wat  de  firma  in  de  brochure  met  vette  letters 
drukt,  dat  er  HoUandsche  werklieden,  HoUandsche  teekenaars,  Hol- 
la  ndsche  rijksdaalders  bij  de  fabriek  in  gebruik  zijn ;  maar  dat  de 
voortbrengselen  een  HoUandsch  karakter  dragen  meen  ik  ten  stelligste 
te  moeten  ontkennen.  HoUandsche  strengheid  en  eenvoud,  kortom  de 
ras-eigenschappen  zijn  hier  niet.  Men  versta  mij  wel  :  ik  oordeel 
natuurlijk  alleen  over  wat  ik  hier  zie,  niet  over  hetgeen  de  firma  zou 
kunnen  maken  en  wat  er  op  het  oogenblik  wellicht  in  den  Haag  staat. 

Iets  minder  aanstellerig  is  een  haardmantel  van  rood-  en  geel- 
koper ^op  elkaar  geklonken  is  dit  juist  geen  mooie  combinatie) ;  maar 


HOLLAND- 
SCHE 

GEBRUIKS- 
KUNST 


31 


HOLLAND-         waarom  men  de  smerige  viilkachel  door  wijde,  hiankijzeren  tralies 

SCHE  heen  moet  zien  staan,  begrijp  ik  niet;  een  minder  kostbaar  e  a-jour  •, 

GEBRUIKS-         had  betere  diensten  gedaan.  ^ 

KUNST  Als  ik  het  wel  heb  is  er  bij  de  geheele  onderneming  eene  vergis- 

sing; men  heeft  gemeend,  dat  er  tusschen  den  t  van  de  Velde-stijl  t  en 
onze  Hollandsche  neigingen  voor  stemmigheid  een  compromis  te 
sluiten  was,  maar  dat  is  averechts  uitgekomen. 

Zelfs  de  batiks,  waarvoor  Joh.  Thorn  Prikker  veel  gedaan  heeft 
en  die  soms  door  de  keus  der  stoffen  en  de  kleur  eene  fijnen,  vrouwe- 
lijken  smaak  verraden,  zijn  rumoerig  van  ornament.  Onwillekeurig 
denki  men  aan  dat  brani-type  van  een  koetsier,  waarover  Münch- 
hausen  opsneed,  en  die  volgens  hem,  of  het  zoo  maar  niets  was,  het 
geheele  dessin  van  het  Engelsche  wapen  met  de  lange  snoer  van  zijn 
zweep  in  de  lucht  klapte ;  zóó  gecompliceerd  als  die  touwkronkels 
zijn  de  vliegende  lijnen  van  deze  patronen. 

Maar  het  is  al  genoeg.  Mijn  doel  is  hier  niet  om  amusante  verge- 
lijkingen te  zoeken ;  in  den  grond  vind  ik  het  geval  verre  van  verma- 
kelijk en  het  feit,  dat  er  een  betrekkelijk  groot  publiek  mede  tevreden 
is,  leidt  er  waarlijk  niet  toe  om  met  blijmoedig  vertrouwen  de  toe- 
komst in  te  gaan. 

Tegen  een  beweging,  die  van  '/  Binnenhuis  en  de  Woning  uitgaat, 
tot  stand  gekomen  door  het  initiatief  van  de  krachtige  mannen,  die  in 
spijt  van  het  geschetter  van  zeer  velen  '/  Binnenhuis  hebben  opgericht, 
tegen  dien  krachtigen  aanloop,  werken  ondernemingen  als  Arts  and 
Craps  met  hun  gevaarlijken  invloed  op  het  radelooze  publiek  als  een 
rem  toestel. 

Of  de  bedoelingen  oorspronkelijk  zuiver,  maar  de  krachten  daar- 
mede niet  in  overeenstemming  waren,  óf  dat  het  van  het  begin  af  in 
den  commerciëelen  opzet  van  de  zaak  lag,  meer  rekening  te  houden 
met  den  bedorven  smaak  van  een  lichtgeloovig  publiek  dan  met 
strenge  beginselen,  dat  alles  zal  ik  niet  beslissen. 

Wel  docht  mij,  dat  ik  bij  vroegere  bezoeken  aan  de  magazijnen  in 
den  Haag  minder  onverkwikkelijke  indrukken  had  opgedaan. 

Hoe  dit  ook  zij,  op  het  oogenblik  maken  de  drie  tentoonstellingen 
een  scherpe  onderscheiding  noodzakelijk. 

W.  VOGELSANG. 


32 


KUNSTBERICHTEN 


VAN    ONZE   EIGEN 
CORRESPONDENTEN 


UIT  AMSTERDAM 


EEKENINGKN  VAN 
J  VOERMAN,  BIJ  DE 
FIRMA  BUFFA  ju^ 
De  kleine  collectie, 
die  eerst  in  den  Haag 
geweest  is,  hangt  nu 
hier.  Hel  is  werk  van 
verschiilcnden  datum  en  daarom  te  be- 
langrijker. 

Voerman  is  een  van  die  weerbarsligen 
en  eigenwilligen,  die  de  overgeleverde 
manier  niet  grifweg  hebben  aangeno- 
men. Met  benijdenswaarciiggeduld  heeft 
hij  voor  zijn  persoonlijken  kijk  op  de 
wereld  een  eigen  uitdrukkingswijze 
welen  te  vinden.  Hij  zocht  alles  precies- 
omschreven,  strakker  uil  te  beelden, 
zooveel  mogelijk  zonder  toevalligheden, 
zelfs  zonder  die  bekoorlijke  weligheid, 
die  de  groote  Haagsche  meesters  met 
onverholen  vreugde  op  het  papier  zagen 
ontbloeien.  En  —  het  is  al  vroeger  eens 
kort  aangeduid  —  als  het  hem  mocht 
gelukken  toch  iets  te  redden  van  de 
Jonste  die  uil  den  arbeid  van  alle  begaaf- 
den klinkt :  als  hij  er  in  mocht  slagen 
iets  van  die  weelde  te  behouden  bij 
zijn  stroevere  werkwijze,  dan  zou  hij 
voorwaar  een  respectabelen  marsch 
hebben  afgelegd  langs  den  moeilijken 
weg,  dien  hij  voor  zich  zelven  heelt 
gekozen. 

Nu  geloof  ik  werkelijk,  dat  op  deze 
tentoonstelling,  in  vergelijking  met  vroe- 
gere, een  nieuwe  ontvouwing  van  zijn 
aanleg  kan  worden  opgemerkt.  Ik  noem 
als  voorbeeld,  om  niet  te  gaan  opsom- 
men, slechts  één  tamelijk  groote  teeke- 
ning  :  (nagenoeg  vierkant)  Wolkeffekt. 

Tot  een  reusachtige  architectuur  zijn 
hier  de  vlokkige  dampgevaarten  opéén 
gestapeld,  boven  den  spiegel  van  een 


BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


half  beschaduwd  watervlak.  Teer  als  KTJNST- 
een  droom  in  paarsche  verten  is  de 
ranke  lijn  van  den  oever  der  lage  landen 
gespannen  tusschen  lucht  en  water.  Een 
paar  koeien  liggen  op  een  schuin 
hoekje  voorgrond.  Vooral  in  de  lucht  is 
iets  monumentaals;  het  evenwicht  van 
wijs  componeeren  en  de  intuïtieve  lust 
tot  eerlijk  volgen  van  de  werkelijkheid. 
Als  een  plechtige  melodie  golven  en 
strekken  de  wolkenomtrekken  boven 
het  effen  water.  En  ook  in  het  faire  is 
hier  weer  dat  vlotter  uitvloeien  der  verf 
tot  transparante  vlakken  gekomen, 
waardoor  de  sapverfleekening  iets  on- 
tastbaars krijgt ;  een  eigenaardig  mooi, 
dat  in  Voermans  vroegere  teekeningen 
in  het  krijterige  dekverfprocedé,  ge- 
mist werd  in  weerwil  van  alle  licht- 
sterkte. In  de  sobere  scala  der  kleuren 
is  een  ingetogen  hoogheid,  die  onmis- 
kenbaar wijst  op  de  afkomst  van  het 
oude  Holland,  van  een  Van  Goyen  en 
Dubbels.  Men  moge  juist  in  Voermans 
kunst  tot  nog  toe  eigenschappen  te  over 
gevonden  hebben,  die  een  verklaring 
uit  het  kosmopolitisme  van  onze  lijden 
behoeven,  in  den  grond  leeft  toch  ook 
in  dezen  zoeker  een  «  hollandschheid  », 
een  besef  van  het  oprechte,  het  gedra- 
gene, het  onopzichtige,  kortom  gevoe- 
lens die  hem  op  den  duur  van  te  veel 
technische  proeven  afhouden.  --  Het 
voorgrondje  in  den  hoek  op  het  Wolk^ 
effect isbï]  het  opzettelijk  verduidelijken 
van  de  hoofdzaak,  lucht  en  water,  wat 
te  kort  gekomen ;  niet  alleen  stil  gehou- 
den, maar  Ie  glad  en  leeg-doorschij- 
nend, al  te  primitief  tegen  de  gelukkige 
bewegelijkheid  der  overige  partijen. 

De  Zonsondergangen  zijn  mij  altijd 
nog  wat  eenzijdig  van  conceptie.  Aan 
het  zoeken  naar  't  tintelend  oranje  van 
de  lage  lucht  is   alles  opgeofferd;  de 


33 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


bouw  van  hel  geheel,  het  verband  der 
plans  onderling  hebben  schade  geleden. 
Een  enkele  maal  is  ook  als  bij  Bewolkte 
lucht  {no\9)  het  geval  uileen  gescheurd 
tol  losse  brokjes  mooie  kleur.  Men 
bewondert  daar  meer  den  technicus 
Voerman,  die  zijn  zwarten  en  groenen 
tot  de  fluweeligsle  diepten  weet  door  te 
voeren  en  zijn  wit  en  blauw  als  prachtig 
email  naast  elkaar  zet,  dan  den  gevoe- 
ligen  schilder,  die  bij  machte  moest  zijn 
vooral  het  psychische  van  het  avond- 
landschap in  volle  kleuraccoorden  te 
vertolken.  Groole  bedrevenheid  in  een 
bepaalde  werkwijze  is  nooit  zonder 
gevaar. 

De  katalogus  vermeldt  ook  eenige 
Studies.  Of  deze  teekeningen  uit  den 
allerlaatsten  tijd  zijn,  weet  ik  niet,  maar 
wel  staat  vast,  dal  hier  opvatting  en 
procédé  zijn  veranderd.  Ik  twijfel  echter 
of  wel  juist  opeen  wijze  die  op  de  hoog- 
ste verwachtingen  recht  geeft. 

Een  roodgouden  zandglooiing  in  een 
wazig  bosch:  een  kasteeltje  verscholen 
achter  vreemd-vage,  uit  nevelsluiers 
opgerezen  boomen;  wal  Hattemsche 
huisjes  aan  't  water;  een  tuintje  met 
nevelgordijnen  over  de  strakke  perkjes 
hebben  alle  dat  minder  gebondene  dan 
vroeger  en  soms  iets  pluizig-pastel- 
achtigs,  iels  toevallig-charmants,  eigen- 
lijk juist  veel  van  dat  zelfde  wat  Voer- 
man in  zijn  ouder  werk  zoo  angstvallig 
zocht  te  vermijden.  Maar  als  deze  reeks 
werkelijk  de  eerste  bewijzen  geeft,  dal 
hij  de  glasscherpe  strakheid,  nu  die 
hem  eenmaal  den  weg  heeft  gewezen, 
weer  wil  laten  varen,  dan  geloof  ik  toch 
niet  dat  hij  dan  moest  belanden  bij  dit 
boven  aangeduidde  andere  uiterste  van 
vaagheid  en  wazig  kleureiimooi;  aldeden 
de  mooiste  brokjes  uit  deze  laatste  din- 
gen  heel  eventjes  aan  Pallerson  denken. 
Ik  houdt  het  er  veeleer  voor,  dat  dit 
alles  samen  de  teekenen  van  een  korte 
verjongingskuur  zijn,  waaruit  de  schil- 
der van  hel  stevig  gebouwde  en  toch 
vrije  Wolkeffect  is  te  voorschijn  geko- 
men. Maar  we  gelooven  gaarne  wat  we 
hopen.  —  Voerman  kan  als  landschap- 
schilder  nog  veel  geven,  als  hij  bestand 
blijft  tegen  hel  verleidelijke  van  een 
manier,  die  hem  nu  al  parlen  speelt, 
waar  hij  zich  door  bijzaken  laat  afleiden. 
Schraalljes-  kinderachtig    priemen    de 


puntige  blaren  van  het  pijlkruid  naar 
boven,  als  een  dor  ornamentje,  kind 
van  abstractie,  slijf  als  gebogen  ijzer- 
draad, staan  ze  voor  een  landschap  dal 
als  forsche  werkelijkheid  is  bedoeld. 
En  het  zuiver  uitdrukken  van  den  aard 
der  dingen,  niet  enkel  van  hunne  kleur, 
moet  den  schilder  Ier  harte  gaan  om  te 
vermijden  een  hinderlijke  onechtheid  in 
dit  opzicht  Er  zijn  van  die  oude  teeke- 
ningen, gezichtenop  Hattem,met  prach- 
lige,  ruime,  welvende  luchten,  mei 
't  blanke  schuim  van  een  wolkenbank 
aan  de  kim  en  daarvóór  een  wei,  die 
alleen  de  kleur  met  gras  gemeen  heeft ; 
groen  fluweelen  kussens  lijken  't  wel, 
gladgetrokken  tafelkleeden  en  de 
vreemde  houten  koetjes  en  paardjes 
slaan  er  op  als  uit  een  Neurenbergsche 
doos. 

Minder  dan  anders  is  Voerman  als 
bloemschilder  op  deze  expositie  ver- 
tegenwoordigd. Ik  zag  een  van  die  ultra- 
marijnen  gemberpotjes  met  vurige  Oost- 
Indische-kers,  tegen  den  voornamen 
achtergrond  van  een  achtiend*eeuwsch 
lapje  flctsblauwe  zij.  Van  vroeger  her- 
inner ik  me  felroode  geraniums  legen 
het  koeldonkere  van  blauwe  glazuren 
aan  en  ik  dacht  dat  toen  de  stralende 
kracht  van  bloemenkleur  en  tevens  de 
tcere  substantie  der  trillende  blaadjes 
nog  verrassender  waren  weergegeven. 
Toch  was  ook  dit  bescheiden  bloemtakje 
weer  zóó,  dat  het  er  toe  leidde  Voerman 
mede  boven  aan  te  zetten  op  de  lijst  der 
hollandsche  blocmschilders.  Vergele- 
ken met  Onnes,  wiens  positie  ik  den 
vorigen  keer  aanduidde,  staat  Voerman 
als  de  minder  vluchtige  en  nooit  senti- 
menteel-zwakke. Onnes'  bioemenmooi 
is  teer,  als  dat  van  zeepbellen ;  brillant- 
kortstondig  I  Voermans  bloemen  dragen 
meer  in  zich  de  eeuwige  essence,  hel 
blijvende  wezen  der  soort,  het  rustige, 
volle,  niet-kwijnende  mooi.  Onnes'  bloe- 
men worden  tol  stemmings-symbolen, 
zij  fluisteren  van  hel  ilroeve  verwelken, 
de  vrees  voor  'l  streven  der  schoonheid, 
als  de  vochtig  glanzende  oogen  en  de 
transparante  blos  van  een  teringpalient; 
zij  openbaren  de  heldere  stemming  van 
een  blijen  zomermorgen,  die  koesterend 
zijn  zal  en  goed  voor  hun  zwakke  leven. 
Voerman  heeft  geen  bijgedachten.  Zijn 
bloemen  beslaan  om  huns  zelfs  wil.  Zij 


34 


.lOSKF  ISUAKLS:  SCHUITKNI.OSSKRS. 


schijnen  Ie  geuren  en  al  pronkencier  Ie 
ontplooien  in  hel  mntle  licht. 

Let  op  Onnes'  vazen ;  bijzondere, 
slankehiacynthen-^^lazen  met  paarschen 
lustre,  witte  kannen  als  van  bleek  albast. 
Voerman  zoekt  de  machtiger  kleurnoot 
van  den  Chineeschen  pot ;  hij  zet  twee 
gewone  roemertjes  simpel  naast  elkaar 
voor  zijn  theerozen.  In  Kamerlingh 
Onnes  is  iets  van  een  Couperus-natuur, 
daarom  houdt  hij  van  het  wonderlijk 
zeldzaam-voorname  der  lila  kas-orchi- 
deeén.  Voerman  weet  alle  grandeur  Ie 
geven  aan  de  vaste  zwellende  rozen  en 
de  verre  van  aristocratische  geranium 
Maar  als  zuiver  schilder  bereikt  hij 
stelliger  zijn  doel  dan  zijn  confrater, 
die  misschien  een  nerveuzer  mensch 
is.  Ik  beken  dat  ik  nimmer  bloemen  zoo 
geschilderd  heb  gezien  als  door  Voer- 
man in  zijn  goede  oogenblikken ;  ik  be- 
doel zoo  zonder  alle  hulp  van  de  impres- 
sionistische illuzie,  die  ons  immers  doet 
gelooven,  dal  een  gesponsd  vlekje  een 
donzig  bloemenhart  is,  die  tooverend 
van  een  geronnen  droppel  verf  een  ver 
welkt  blaadje,  van  een  nat  in  de  nétte 
verf  getipt  streepje  géél  het  hoogste  licht 
op  een  rozenblad  kan  maken.  Zoo  regel- 
recht op  den  man  af  zijn  zijn  bloemen 
neergeschreven  ;  zonder  ooit  decoratief, 


en  om  dit  gevaarlijke  woord  eens  te  ge- 
bruiken, —  geslyleerd  te  zijn.  Trek  voor 
trek  is  het  mysterie  van  de  roos  gepor- 
tretteerd, alles  staat  er  zonder  nuchtere 
schoolsrhheid,  blank  en  gaaf.  In  de 
geschiedenis  derbloem-schilderkunst  is 
dat  éénig.  Zelfs  de  Japanners  geven  nog 
iels  meer  hel  ornament,  meer  de  teeke- 
ning  dan  kleur  en  slof.  't  Is  of  't  oude 
rijmpje  weerlegd  moest  worden,  dat  zoo 
positief  zegt : 

•  Qui  pingit  florem 

Non  pingit  floris  oclorem  !  » 

Ten  minste  van  zijn  rozen...  Maar  ik 
dwaal  af,  wat  wel  eens  mocht,  omdat 
onze  bloemschilders  niet  al  te  veel 
bestudeerd  worden.  De  krans  '•ozen  op 
een  aarden  scholel,  hier  op  de  tentoon- 
stelling behoorde  nog  niet  lot  die  pe- 
riode van  volmaaktheid.  Deze  teekening 
was  veeleer  een  schakel  uit  de  ontwik- 
keling, die  bij  Voerman  logisch  over 
het  harde,  papierachlig-scherpe  leidde 
tol  het  bloeiende  en  fijne  -  Een  ten- 
toonstelling waar  men  weer  eens  meer 
van  zijn  bloemen  zal  kunnen  genieten, 
behoort,  hopen  we,  niet  tol  de  v  vrome 
wenschen  t.  W.  V. 

BIJ  BUFFA  >o^  In  de  benedenzaal, 
bij  de  Firma  Buffa,  is  een   important 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


35 


KUNST- 

BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


UIT 
ANTWKIiPHN 


schilderij  van  Josef  Israels  Ie  zien  ;  uit 
zijn  rijpslen  lijd. 

Twee  mannen,  bezij»  mei  hel  lossen 
van  een  schuil,  doen  hun  werlc  mei  die 
gelalenheid,  die,  als  dikwijls  bij  Israéls' 
figuren,  lot  een  slille  bespiegeling  kan 
leiden.  Verder  is  ook  dit  werk  niets 
anders  dan  voor  de  zooveelsle  maal  een 
verheerlijking  van  het  droeve  schoon 
onzei  luchten,  in  den  avond  na  een 
grijzen  dag,  vlokkig  scheurend  en  door- 
vloeid  van  zacht  flamingo-rood,  onzer 
vaarten  met  den  bevvegenden  weerschijn 
van  hel  avondgoud.  Het  mooie  buiten 
en  het  dofle  treurige  bruin  en  grauw 
der  armzalig-ged  wee  voortlevende  men- 
schen.  W.  V. 

BIJ  VAN  WlSShXINGH  >c^  Bij  de 
Firma  Wisselingh  waren  twee  kranige 
schetsen  van  Daumier.  (^olleclioneurs 
in  porle-feuilles  en   papieren  verdiept. 

UIT  ANTWERPEN  • 

•:ntoonstklling 
A.-j.  hi:ymans>in 

HET  OUD  MUSEUM, 
VENUSSTRAAT.  > 
VAN  29  NOVEMBER 
I  TOT  18  DECEMBER 
1902  ju^  Een  ten- 
toonstelling als  i\c'i.Q,  waar  nagenoeg 
honderd  dertig  werken  uit  de  verschil- 
lende perioden  van  één  kunstenaar 
vereenigd  zijn,  is  wel  geschikt  om  diens 
talent  te  ieeren  kennen  en  waardeeren. 
Honderd  dertig  werken,  voor  hel 
grootste  deel  uit  particuliere  verzame- 
lingen, te  dezer  gelegenheid  door  de 
eigenaars  in  bruikleen  afgestaan,  en  ver- 
eenigd lot  een  geheel,  waar  de  ontwik- 
kelingsgang van  dezen  verdienstelijken 
en  eigenaardigen  landschapschilder  naar 
wensch  kan  worden  gevolgd. 

In  onze  correspondentie  uil  Brussel 
—  waarHeymans  nog  vóór  Antwerpen 
exposeerde  —  werd  zijn  leven  en  stre- 
ven reeds  vluchtig  geschetst. 

In  de  beperkte  ruimte,  die  ons  hier 
ten  dienste  slaat,  zullen  we  het  niet 
beproeven  op  dit  onderwerp  uitvoerig 
in  te  gaan.  Een  paar  vluchtige  aantee- 
keningen  mogen  volstaan  om  den  indruk 
weer  te  geven,  die  Heymans'  werk  op 
ons  maakte. 


Twee,  drie,  totaal  verschillende  ma- 
nieren heeft  hij  beurtelings  toegepast. 
Eerst  een  schilderen  met  de  volle, 
gebonden  verf,  dik  gepleisterd  soms  en 
met  het  paletmes  glad  gestreken,  in  een 
streven  naar  fijne,  precieuse  toontjes, 
heldere  luchtjes,  met  prettige  opposities 
van  teeder  groen,  rood,  blauw,  —  een 
werken  in  den  geest  van  zekere  hol- 
landsche  meesters  van  het  voorlaatste 
geslacht.  Deze  schilderijen  zijn  soms 
wat  droogjes,  wat  wolachtig,  raken 
soms  het  conventioneele  —  maar  blijven 
steeds  aangenaam,  heider  van  tona- 
liteit. 

Dan  zijnstukken  in  krachtiger  kleuren, 
gloeiend-paarse  heidevlakten,  zwaar- 
bewolkte luchten,  fel-roode  daken  — 
met  iets  in  het  koloriet  dat  doet  denken 
aan  zijn  kunstbroeder  Jaak  Rosseels  — 
evenals  hijzelf  een  der  baanbrekers  van 
het  plein-airisme  hier  te  lande. 

En  ten  slotte  een  nieuwe,  verrassende 
omwenteling  in  opvatting  en  werkwijze, 
een  onversaagd  toepassen  van  de  stippel- 
methode  op  heel  andere  onderwerpen, 
een  zien  van  de  dingen  met  een  heel 
ander  oog,  een  schilderen  met  een  heel 
ander  penseel.  —  Niet  langer  zijn  het 
vredige,  kalme  tooneelljes  die  hem  aan- 
trekken —  brave  koetjes  in  een  groen 
weitje,  of  zeilende  schuitjes  onder  een 
blanke  lucht  —  maar  vreemde,  haast 
fantastische  effecten,  spelingen  van  licht 
en  schaduw,  tegenstellingen  van  de 
helderste  en  donkerste  tonen. 

Nu  eens  het  gloeien  van  lamplicht,  in 
een  huisje  onder  een  geweldige  storm- 
lucht  bij  nacht  —  dan  het  trillen  van 
héél  licht,  héél  heldere  zonneschijn  bij 
het  allervroegste  morgenkrieken  —  dan 
het  weven  van  manestralen  over  een 
tonig-blauw avondlandschap  —dit  alles 
gezien,  haast  als  in  eeii  hallucinatie,  en 
weergegeven  in  mozaïeken  van  stippels, 
streepjes,  vlekjes,  waardoor  een  buiten- 
gewone trilling  van  licht  en  atmosfeer, 
een  dolle  speling  van  kleur  bereikt 
wordt.  Er  is  een  hartstochtelijk  streven 
in,  naar  het  vallen  van  één  indruk,  een 
haast  roekeloos  omspringen  met  verf 
en  penseel,  om  juist  dat  ééne  moment 
vast  te  houden,  —  zij  het  dan  ook  door 
een  procédé,  dat  van  dichtbij  bekeken 
niet  anders  is  dan  een  verwarring  van 
vreemde  kleurstippels.  Zoo  hij  hierdoor 


36 


meestal  komt  tot  uitbeeldingen  van 
inlens-gevoelde  natuurpoëzie  —  dan 
wordt  zijne  kleur  ook  wel  eens  al  te 
wazig,  al  te  etherisch,  en  krijgt  iets 
kalkachligs,  dors,  iels  onreëels,  door- 
dien de  grenzen  van  het  picturaal- 
bereikbare  als  het  ware  voorbijgestreefd 
werden. 

Hoe  dit  ook  zij  —  in  deze  tentoon- 
stelling, die  als  een  verheerlijking  was 
van  zijn  levenswerk,  deed  Heyraans 
zich  eens  te  meer  voor  als  een  hoogst 
begaafd  kunstenaar,  een  onvermoeide 
werker  en  zoeker,  die  in  ons  kunstleven 
een  gewichtige  rol  heeft  gespeeld  ;  vele 
zijner  werken  —  zooals  het  hier  eens  te 
meer  mocht  blijken  —  zullen  als  merk- 
stcenen  blijven  staan  op  den  weg  van  de 
moderne  kunstgeschiedenis  hier  ten 
lande.  B. 

^^^^^^^^^^ 
UIT  BERLIJN  = 


mi 


lüNSTZAAL  ED. 
SCHÜLTEyO^Hel 
Berlijnsche  kunstle- 
ven,dattotvóórenkele 
jaren  des  zomers  zijn 
hoogste  punt  bereikte 
in  de  a  groote  kunst- 
tentoonstelling o,  komt  nu  ook  in  den 
winter  tot  volle  ontwikkeling  in  de  vele 
tentoonstellinkjes  der  kunstsalons.  We 
mogen  met  deze  uitbreiding  tevreden 
zijn, want  de  ruslelooze  wedijver  dwingt 
de  kunsthandelaren,  hunne  naar  ver- 
houding kleine  uitstallingen  meer  en 
meer  te  verzorgen. 

Toch  ontbreekt  hel  dezen  wedijver 
niet  aan  schaduwzijden  :  om  het  publiek 
te  boeien,  veranderen  de  meeste  salons 
om  de  drie  k  vier  weken  hunne  ten- 
toonstelling en  het  spreekt  vanzelf  dat 
er  niet  zoo  veel  deugdelijk  werk  kan 
voorhanden  zijn,  als  er  wel  voor  deze 
tentoonstellingen  verelscht  wordt.  Het 
gevolg  hiervan  is  de  talrijkheid  van  col- 
lectieve tentoonstellingen  van  middel- 
matige krachten,  —  die  zich  door  zulke 
tentoonstellingen  meer  kwaad  dan  goed 
doen  —  en  de  jachl  op  beroemde  en 
gangbare  namen,  waarvan  de  onbedui- 
dendste voortbrengselen  nog  altijd  ais 
uitgangbord  gebruikt  worden.  Wij  zul- 
len in  onze  berichten,  waaraan  in  dit 
tijdschrift  slechts  een   beperkte  ruimte 


toegestaan  is,  alleen  de  gewichtigste 
kunstgebeurtenissen  vermeden  en  den 
lezer  niet  vermoeien,  met  de  opsom- 
ming van  talrijke  namen. 

Die  strijd  tusschen  de  kunstsalons  is 
voor  den  oudsten  onder  hen,  namelijk 
dien  van  Ediiard  SchultCy  van  groot  nut 
geweest.  Ieder  jaar  geeft  hij  zich  meer 
moeite  om  met  degelijk  werk  voor  den 
dag  te  komen  Dit  goede  beperkt  zich 
echter  meestal  tot  een  of  andere  speciale 
tentoonstelling,  terwijl  daarnaast  de 
andere  zalen  het  middelmatige  en  min- 
der-dan-middelmatige bevatten ;  hel 
koopende  publiek,  waarvan  de  smaak 
doorgaans  nog  vrij  laag  staat,  bepaalt 
er  het  gehalte  van. 

Van  *t  najaar  hebben  wij  het  genoegen 
gehad,  zeven  zeer  karakteristieke  wer- 
ken van  Arnold  Böcklin  —  uil  particu- 
liere verzamelingen  —  tentoongesteld 
te  zien.  Daaronder  was  hel  wonder- 
mooie hoofdwerk  :  Triton  en  Nereïde 
(1875).  Men  heeft  Bocklin  soms  bij  Rubens 
vergeleken,  en  in  hunne  fantasie-voor- 
stellingen, waar  zij  de  natuur  met  hunne 
fabelwezens  bevolken,  is  er  inderdaad 
eenige  verwantschap. 

Toch  springt  bij  een  schilderij  als 
Triton  en  Nereïde  het  verschil  tusschen 
beide  karakters  aanstonds  in  het  oog; 
in  een  enkel  woord  is  het  wellicht  op 
te  vatten  als  het  verschil  tusschen  een 
Latijn  en  een  Germaan ;  bij  Rubens : 
rijkdom  van  vreugdevol  leven,  over- 
daad van  fantasie ;  bij  Böcklin  de  fan- 
tasie gebruikt  als  een  uitdrukkingsmid- 
del van  het  innerlijke  leven,  de  figuren 
wel  bestemd  om  alles  samen  te  vatten 
wat  voor  hem  aan  zielsindrukken  in  de 
zee  verborgen  ligt.  Een  rein  lyrisch 
gedicht  als  de  Herfstgedachten  van 
Böcklin,  een  verheerlijking  van  den 
dood,  als  zijn  Doodeneiland,  zijn  ver 
van  Rubens  verwijderd ;  toch  zijn  beide 
kunstenaars  eng  verwant  in  een  pi.the- 
tisch  landschap  als  de  Ruine  aan  de  zee 
of  een  natuurtooneel  als  Pan  en  Dryaden, 

KUNSTZAAL  BRUNO  CASSIRER  >c^ 
Het  zaaltje  van  Bruno  Cassirer  wordt 
van  alle  Berlijnsche  Kunstsalons  wel 
met  de  zuiverste  kunstbedoelingen  be- 
stuurd. Het  is  een  der  kleinste,  maar 
ieder  schilderij  hangl  er  goed  —  op 
weinige   uitzonderingen    na    —   en  de 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT 
ANTWERPEN 


UIT  BERLIJN 


37 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BKRLIJN 


UIT  BRUSSEL 


tentoonstellingen  worden  het  minsl 
afgewisseld  Twee  kleine  kamers,  een 
zeer  aangenaam  leescabinet,  en  een 
expositiezaal  :  dat  is  alles,  en  uitstekend 
tol  stil  aanschouwen  geschikt  Lieber- 
raann  is  een  der  hoofdfiguren  uit  dit 
salon,  en  de  Hollanders  komen  er  dan 
ook  dikwijls  te  gast.  De  eerste  tentoon- 
stelling bevatte  een  reeks  schilderijen 
van  Josefisraéls.  Het  voornaamste  stuk : 
De  oude  Jood,  schijnt  ons  geheel  uit 
Rembrandfs  geest  gesproten,  zooals  wij 
overigens  ook  in  Holland  den  indruk 
gekregen  hebben,  dat  Israéls  eerst  door 
Renibrandt  zijn  eigen  karakter  gevon- 
den heeft ;  doch  niets  spreekt  sterker 
voor  de  macht  van  zijn  personaliteit, 
dan  dat  hij  niet  door  Rembrandt  over- 
weldigd is  geweest.  Onbewogen  is  de 
uitdrukking  van  den  Jood,  die  de  rol 
perkament  met  zijn  geschrift  bedekt,  en 
toch  is  het,  of  wij  zijn  binnenste  door- 
zien De  kleurenladder  van  Israéls  be- 
perkt zich  hier  tot  bruin,  geel  en  blauw; 
de  ruimte  is  als  vervuld  met  geleerde 
ingetogenheid.  Kenige  aquarellen  van 
groot  foimaat  :  Arbeiders  die  zand 
voeren,  Badende  Jongen,  Landschap  heb- 
ben die  vochtige  kleurenschemerende 
lucht  der  hollandsche  vlakten  getrouw 
weergegeven  ;  het  portret  van  een 
Joodsche  Vroutu  en  van  den  Kapel- 
meester Rebiczek  zijn  vol  zielsleven. 

Jan  Veth  exposeerde  eene  voortreffe- 
lijke naar  het  leven  geteekende  portret- 
studie  van  J.  Israéls.  Ook  Breitner  wordt 
ten  onzent  meer  en  meer  gewaar- 
deerd. Naast  een  Winteravond,  Amster- 
dam, een  zeer  karakteristiek  stuk, 
wekte  hij  ook  onze  belangstelling  op 
door  zijn  intérieur  Een  Japansch  Meisje. 
Van  Jacob  Maris  was  er  één  zijner 
lichtende  landschappen  :  Omstreken  van 
den  Haag  ;  van  Th.  de  Bock  een  Straat- 
hoek te  Scheveningen. 

KLINGER'S  BEETHOVEN  >C*^  De 
groote  gebeurtenis  van  het  seizoen  was 
de  tentoonstelling  van  Max  Klinger's 
Beethoven  in  de  kunstzaal  Keiler  & 
Reiner.  Over  dit  beeld  werd  er,  toen 
het  tentoongesteld  werd  te  Leipzig,  te 
Weenen  en  te  Dusseldorf,  oneindig 
veel  geschreven  en  getwist.  Wij  achten 
het  overbekend,  en  gaan  er  dan  ook  niet 
verder  op  in.  Het  hevige  voor  en  legen 


e»  de  zeer  handige  reclame  van  Keiler 
&  Reiner,  hadden  een  buitengewonen 
toeloop  voor  gevolg,  en  het  hoort  tot 
den  goeden  toon  er  niet  enkel  geweest 
te  zijn,  waar  den  Beethoven  te  bewon- 
deren, mits  kleine  voorbehoudingen  die 
het  verlichte  kunstbegrip  van  den  toe- 
schouwer moeten  doen  uitschijnen. 

Wij  hebben  werkelijk  niet  veel  ver- 
trouwen in  deze  bewondering,  wanl 
wat  het  beeld  aan  grootsheid  heeft 
spreekt  niet  tot  ons  in  tegenwoordig- 
heid van  zoo  vele  menschen.  Het 
begeert  ingetogenheid  en  vooral  ver- 
langt hel  toeschouwers  die  Beetho- 
ven «« medegeleefd  »  hebben.  En  dezulke 
zijn  zeldzaam.  W. 

UIT  BRUSSEL  = 

lENTOONSTELLING 
VAN  f  LE  SILLON,  » 
IN  HET  MODERN 
MUSEUM,  VAN  8 
NOV.  TOT  1  DEC. 
1902  >c.»  Na  de  ten- 
toonstelling van  La- 
beur werd  die  van  Le  Sillon  geopend. 
Deze  is  veel  beter  dan  verleden  jaar. 
Meest  al  de  leden  van  dezen  jongen 
Kunstkring  hebben  voor  goed  afgebro- 
ken met  de  bruine,  doorrookte  schilde- 
ring, om  lichtende  vroolijke  en  heldere 
tonen  te  gaan  gebruiken.  Men  krijgt  de 
indruk,  dal  ze  niet  meer  tusschen  de 
vier  muren  van  hun  atelier  zitten  te 
werken,  maar  dapper  bij  de  natuur  in 
de  leer  gaan.  Onder  de  meest  opge- 
merkte stukken  wil  ik  die  van  Apol, 
Haustrate,  Smeers,  Swynecop,  Wage- 
mans,  Tordeur,  Pinot  en  Detilleux 
vermelden.  Verder  nog  beeldhouwwerk 
van  Mascrc.  Bastien,  een  der  knapste 
artiesten  van  den  Sillon,  heeft  dit  jaar 
niets  ingezonden. 

TENTOONSTELLING  A -J  HEYMANS 
>  IN  HET  KUNST  VER  BONI)  > 
NOVEMBER  1902  a^^  In  het 
Kunstverbond  werd  een  zeer  mooie 
tentoonstelling  van  werken  van  Joseph 
Heymans  gehouden.  Naast  Courlens  is 
deze  kunstenaar  een  der  meest  bedui- 
dende Vlaamsche  landschapschildei's. 
Deze  twee  groote  meesters  behooren 
nagenoeg   tol   hetzelfde   geslacht     lley- 


38 


mans  is  een  zoon  van  de  Kempen. 
Te  Antwerpen  geboren,  groeide  hij 
echter  op  in  een  van  die  dorpjes,  waar- 
van de  klinkende,  haast  barbaarsche 
naam  zoo  goed  overeenstemt  met  de 
kleur  en  het  karakter  van  het  land  : 
Wechelderzande.  Joseph  Heymans  werd 
eertijds  lot  de  strijders  van  het  modeine 
impressionnisme  gerekena,  hoewel  zijn 
persoonlijkheid  zich  eigenlijk  aan  iedere 
inlijving  onttrekt.  Toch  behoort  hij  tot 
die  schaar  moderne  artiesten,  welke, 
als  Corot,  Daubigny,  Monet,  de  waar- 
heid in  de  kunst  gezocht  hebben  ~  en, 
om  haar  te  vinden  -  dit  éene  en  zege- 
vierende middel  hebben  aangewend  : 
de  eerlijkheid.  Vóór  Heymans  hadden 
ten  onzent  reeds  vele  schilders  met  de 
oppermachtige  tradities  afgebroken ; 
Boulanger  en  hij  vestigden  echter  voor 
goed  het  realisme  in  onze  nationale 
school.  Heymans  was  ook  met  Isidoor 
Meyers  een  der  eersten,  die  de  bitume- 
schildering  opgegeven  hebben.  Steeds 
meer  helderheid  heeft  hij  in  zijn  kunst 
gebracht,  hij  heeft  haar  als  het  ware 
verlucht ;  al  wat  hij  niet  in  de  volle 
natuur,  in  de  volle  zon  zag,  heelt  hij 
verafschuwd.  In  het  begin  —  nog  vóór 
den  tijd  der  tegenwoordige  Fransche 
luministen  —  werd  hij,  onder  het  zoe- 
ken naar  licht,  wel  eens  krijtachtig  en 
wit  —  maar  later  bemachtigde  hij  het 
procédé  en  gaf  hij  ons  werken  waar  de 
lucht,  het  licht,  de  vloeibaarste  ether 
rondzweefde,  trilde  als  in  de  natuur 
zelve.  Evenals  Claus  en  Van  Ryssel- 
berghe  heeft  Heymans  gebruik  gemaakt 
van  de  ontdekkingen  der  Fransche 
pointillisten,  en  als  Claus  heeft  hij  dit 
procédé  toegepast  voor  zijn  persoonlijke 
visie,  zonder  in  overdrijving  te  verval- 
len. Hij  heeft  er  wonderveel  partij  uil 
getrokken.  Men  heeft  het  kunnen  nagaan 
op  deze  tentoonstelling,  waar  werken 
als  Neuelachliye  morgen.  Koude  regen. 
Schemering,  Boerenruiters,  Slal  bij  zons- 
opgang, Inde  weiden  enz.,  tol  de  beste 
behooren  van  den  meester,  die  nu  op 
de  volle  hoogte  staat  van  zijn  talent. 
Later  komen  we  weüichl,  in  een  volle- 
dige studie  op  Heymans  terug.  Intus- 
schen  hebben  we  met  genoegen  de 
schitterende  bijval  van  zijne  tentoon- 
stelling in  het  Brusselsche  Kunstverbond 
willen  aanstippen.  ü.  E, 


v^^-^ft^^^^-^^^  KUNST- 
UIT  DEN  HAAG  ^^^^ 


mn 


lüLCHRI  STUDIO  > 
KERETHNTOON- 
STELLIXG  VAN 
WERKEN  DOOR 
TACO  MESDAG  EN 
H.  O.  VAN  THOL  > 
16  N0V.-7  JEC.  1902 
>o^  Taco  Mesdag,  die  zooals  men  zich 
zal  herinneren,  op  tateren  leeftijd  te 
schilderen  aanving,was  iemand  die  men 
naar  inhoud  en  den  vorm  van  zijn  werk 
zou  moeten  rangschikken  onder  de 
generatie  waarvan  de  werkzaamheid 
valt  in  den  lijd  die  even  aan  den  bloei 
van  hel  impressionisme  hier  in  Holland 
voorafging,  of  men  zou  hem  moeten 
rangschikken  onder  die  groep  schilders, 
wier  eigenlijke  intenties  allijd  eenigszins 
om  het  impressionisme  zijn  blijven  heen- 
gaan, hoezeer  zij  zich  ook  door  deze 
nieuwe  wijze  van  aanschouwen  voelden 
aangedaan.  Ook  hij  ging  over  't  alge- 
meen meer  samenvattend  dan  ontledend 
te  werk,  hoewel  hij  zich  dichter  bij  de 
werkelijke  natuur  hield  dan  de  heroën 
der  moderne  Hollandsche  schilder- 
school.  Hij  ideahseerde  meereene  reali- 
teit, die  zich  altijd  hoogst  eenvoudig 
voor  deed,  dan  omgekeerd.  Men  zou  er 
niet  licht  toe  komen  zijn  werk  voor 
eene  gestalte  der  Idée  te  houden. 

Van  Thol's  werkzaamheid  viel  in  den 
lijd  na  hel  volbloeide  impressionisme. 
Er  was  voor  Holland  eene  nieuwe  tra- 
ditie veroverd.  Uil  de  werkplaats  van 
ouderen  brachten  de  jongeren  eene  ken- 
nis mee,  die  aanstonds  aangeleerd,  hen 
zou  steunen  in  hun  verder  streven,  zelfs 
zoo  dit  zich  van  hun  leermeesters  onder- 
scheidde. Ook  Van  Thol  zou  meer  ontle- 
dend dan  samenvattend  te  werk  gaan. 
De  landschapkunst  is  de  lyriek  der  schil- 
derkunst. Deze  lyriek  heeft  zich  in  Jacob 
Maris  tol  eene  ongekende  hoogte  ver- 
heven. Hij  is  de  compleetste,  omvat- 
tendste  landschap-schilder  van  den 
nieuweren  tijd,  hij  is  de  vertegenwoor- 
diger der  meest  universeele  lyriek,  de 
zuiverste,  eigelijkste  impressionist.  In 
hem  zou  deze  kunstsoort  kulminecren. 
De  jongeren  kwamen  als  van  zelf  meer 
tol  analyse.  De  ontleding  van  het  land- 
schap, is  zelf-analyse.  Edz.  Koning  en 


HKRICHTKN 
UIT  DEN  HAAG 


39 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


Jordens  hebben  we  reeds  in  dit  tijd- 
schrift als  vertegenwoordigers  van  deze 
richting  genoemd. 

Maar  deze  geestes-attitudc  is  niet  Van 
Thol  te  zeer  eigen.  Zijn  werk  is  meer 
te  beschouwen  als  een  directe  uitlooper 
van  het  impressionisme.  En  ik  geloof 
dat  dit  teren  op  eene  erfenis  hem  niet 
van  zoo  hoogen  rang  maakt. 

Het  is  niet  verwonderlijk  dal  Van  Thol 
over  grooterschildershabiliteit  beschikt 
dan  Taco  Mesdag.  Die  habiliteit  verovert 
men  op  tateren  leeftijd  niet  altijd  meer. 
Van  Thol  kan  ze  meegenomen  hebben 
uit  een  van  de  werkplaatsen  onzer 
oudere  schilders.  Hij  bezit  ze  in  ruime 
mate  en  ze  zou  hem  altijd  helpen  om 
toch  lot  een  aangenaam  geheel  te  komen, 
miste  hij  bijwijlen  de  hartstocht,  die 
vlam,  die  alleen  maar  in  enkelen,  steeds 
schijnt  te  branden.  Deze  habiliteit  is  't 
ook  die  hij  wel  eeiiigszins  met  Mauve  (die 
hem  overigens  slerk  beïnvloed  heeft) 
gemeen  heefl.  Maar  't  is  dan  wel  meer 
eigenaardig  om  op  te  merken  hoe  juist 
bij  aquarellen,  eene  werkzaamheid  die 
velen  zoo  eminent  door  Mauve  gepleegd 
welen,  die  zelfde  vaardigheid  hem  veelal 
in  den  steek  laai.  Er  is  misschien  on- 
der de  hier  tentoongeslelde  aquarellen 
een  {WiiUernamidday)  van  eene  uilne- 
mende  doorvoerdheid,  van  eene  zui- 
vere juistheid  wat  behandeling  betreft, 
die  op  de  hoogte  slaat  van  zijn  goede 
schilderijen  en  er  de  meesten  van  over- 
treft. Overigens  —  wal  meer  de  ideéele 
inhoud  aangaat  ~  is  hem  evenals  Mauve 
wel  eens  de  weemoed  eigen,  nu  en  dan 
getemperd  door  een  dosis  humor,  ge- 
tuige zijne  houtakkers.  Het  is  alweer 
een  wintersch  geval  dat  hem  bijzonder 
in  staat  stelt  eene  fijne  en  interessant 
makende  voordracht  vooral  te  doen 
spreken.  Maar  wat  hem  ook  aan  de 
meeste  vertegenwoordigers  der  oudere 
generatie  minderwaardig  zou  doen  zijn 
is  het  kiezen  van  een  onderwerp,  in  zoo- 
verre er  hier  van  keuze  sprake  kan  zijn. 
Hij  trok  onderwerpen  binnen  de  sfeer 
der  schilderkunst  die  daar  ten  eenen- 
male  buiten  vallen  Zoo  meen  ik  me  van 
deze  expositie  een  buitengoed  te  herin- 
neren :  een  heerenhuis,  op  zichzelf  zoo 
onsmakelijk  en  wellicht  zoo  onlogisch 
van  constructie  dal  Bosboom  er  vóór 
staande  zijn  misnoegen  zou  kunnen  ge- 


toond hebben,  tevens  met  een  aange- 
legden  tuin,  wat  geen  aanspraak  op 
schilderachtigheid  maakt.  Want  zoo'n 
geval  toont  te  weinig  geschiedenis  en 
een  natuurlijk  geworden  zijn,  dan  dat 
het,  in  een  moment  van  hel  wor- 
den voorgesteld,  de  gedachte  aan  en 
daaimede  de  belangstelling  voor  het 
eeuwige  zou  vermogen  op  te  wekken. 
We  hebben  in  deze  onderwerpen  van 
Van  Thol  tevens  een  invloed  der  roman- 
tiek te  constateeren. 

Dat  weinige  naar  voren  treden  van  de 
techniek  die  eerder  door  het  nog  onvol- 
maakte in  't  oog  zou  vallen,  is  't  wat 
Taco  Mesdag,  veronderstel  ik,  in  't  oog 
van  vele  jongeren  minder  doet  schijnen 
dan  hij  werkelijk  is.  Als  Van  Thol  is  hij 
gewoonlijk  weinig  diep.  Maar  behoo- 
rende  tot  de  oudere  generatie,  waarvan 
er  velen  door  de  Franschen  van  '30  de 
oogen  gpopend  werden,  is  hij  grooter 
van  omvang.  De  ouderen  zijn  nu  een- 
maal breeder  van  gebaar  en  hooger  van 
opvatting. 

Nu  moet  men  bij  iemand  als  Taco 
Mesdag,  de  schilderwijze  niet  te  kritisch 
beoordeelen  en  een  oogenblik  hel  gebrek 
aan  volledige  natuurkennis  vergelen,  om 
tol  de  eigenlijke  inhoud  van  zijne  schep- 
pingen te  kunnen  doordringen.  Dan  zal 
men  minder  als  bij  van  Thol  eenige 
neiging  naar  het  genre-schilderen  en  de 
lust  tot  typeering  opmerken,  dan  wel 
een  vermogen  dat  hem  naar  den  aard, 
niet  naar  de  uitkomst,  boven  een 
gewoon  landschapschilder  verheft.  Er 
schuilt  iets  in  hem  van  een  psycholoog. 
Hel  is  alsof  hij  u  somwijlen  iets  te  den- 
ken wil  geven.  Dan  schildert  hij  een 
hunnebed,  of  hij  voert  u  in  de  navrante 
stemming  van  een  winlersch  geval  (inde 
cal.  toevalliger  wijze  n®  13):  een  veld  be- 
dekt met  sneeuw,  een  dorpstoren,  met 
dor  en  spichtig  geboomte  in 't  verschiet; 
er  komen  eenige  beladen  wagens  op  u 
af,  die  een  zwerm  kraaien  doen  opvlie- 
gen. Met  hen  schijnt  het  fatum  over  H 
land  te  zweven. 

Er  is  handeling  in  deze  schepping.  En 
is  een  geschilderd  landschap  in  't  alge- 
meen te  beschouwen  als  de  weerspiege- 
ling van  een  zieletoestand,  dan  geeft  dit 
u  in  't  bijzonder  meer  dan  stemming, 
zoo  als  ik  u  reeds  zeide :  handeling.  Het 
is    het    uitwerken,   ontleden    van   een 


40 


zielstoestand.  Dit  is  dus  eene  geesles- 
attitude  die  eigen  is  aan  den  tijd  vóór 
en  aan  den  tijd  né  Jacob  Maris.  Zij  zal 
het  een  absuluut  schilder  niet  zijn  Zij  is 
een  moment  op  den  weg  die  naar  het 
absoluut  schilderschap  voert  en  analoog 
aan  een  moment  op  den  weg  waarlangs 
men  het  verlaat. 

H.  D.  B. 


UIT  LEIDEN  = 

I  VN  DAALHOFF 
Het  is  een  bescheiden 
lalenl,  mei  een  nei- 
f^iiig  naar  geheimzin- 
nigheid Soms  heeft 
het  werk  iels  van  de 
nuilscheromnntieke- 
righeid,  een  anderen  kec?r  is  't  klaarder 
geworden,  nooit  is  't  overweldigend  of 
over-diep.  Werkelik  bescheiden,  maar 
niet  zonder  charme.  Niet  alle  oogcnblik 
is  *t  leven  in  je  zoo  breed  dat  je  hangt 
en  verlangt  naar  een  woord  dat  de 
deuren  óp-zwaait  met  eenen  grooten 
stoot,  of  naar  een  samenstel  van  kleuren 
dat  een  grootsch  feest  is,  of  lokt  tot  een 
zwierigen  dans.  En  als  je  bent  in  een  van 
de  rustige  uren  die  zelf  bescheiden  zijn 
in  hun  verlangen  dan  zijn  deze  dingetjes 
als  een  zacht  verhaal,  't  Doet  je  niet  ver 
aan,  het  maakt  je  niet  oproerig  noch 
met  mompelenden  mond  van  hartstocht. 
Je  ziet  het,  en  't  is  aangenaam. 
Poinlillés  nemen  soms  breeér  allure 
aan,  zooals  stadsgezichten,  die  hij  schil- 
derde, maar  als  je  nauwlettend  en  tas- 
tend doorproeft  hoe  ver  de  kracht  gaat 
van  't  werk,  dan  is  het  je  duidelik  dat 
ook  dit  niet  wijder  doordringt  dan  geest 
van  de  anderen,  zooals  huisjes  van  hem, 
wit  en  gele  banden  en  de  daken  hel  en 
egaal  rood. 

Het  is  me  soms  moeielik  te  bedenken 
op  welke  plaat  zoo  een  thuis  hoort. 
Groote  namen  noem  je  dan  niet,  noch 
van  vroeger,  noch  van  nu  of  den  laalsten 
pas  verleéen  tijd  Maar  dan  krijg  je  die 
je  na  zulken  opleest.  Maar  hierbij  hoort 
hij  evenmin. 

Het  is  aangenaam  door  een  soort  litté- 
raire neiging,  zou  'k  zeggen.  Het  is 
deemoedig  werk  en  dal  is  ;eeker  een  van 
de  onderscheidende  dingen.  De  kleur  is. 


of  de  niet  donkere  maar  paarsche  in  de   KUNST- 
poinlillés,  of  de   eigenlik   niet  blanke,   b^RICHTKN 
eerderheldere  van  sommige  zijner  stads-  ui  at 

gezichten,  of  alles  is  gezet  in  een  gulden    ^11   DEN  HAAG 
licht  of  in  een  ander  niet  reéel-makende 
belichting.  De  realiteit  is  z'n  doel  niet. 
Stemming  en  die  dan  deemoedig  .. 

Inderdaad  het  heeft  een  charme,  als 
een  zacht  verhaal,  over  iets  dat  lijkt  op 
't  leven,  maar  dit  nog  niet  is. 

Plasschaert. 

^^^'^^^^^^^ 

UIT  PARIJS  ^= 


UIT  LEIDEN 


',NTO ON  STELLING 
IN  AMSTELHOEK» 
jC^  Een  stukje  Hol- 
liHid  in  het  hart  van 
Pil  lijs,  in  het  meest 
nuHidaine  en  cosmo- 
^^^^^__^^^^^_  polilische  deel  der 
slad,  —  rue  du  Faubourg  St.  Honoré, 
vlak  bij  de  Madeleine  en  de  Place  de  la 
Concorde.  Vóór  het  magazijn,  achter 
een  kleine  tentoonstellingsgalerij,  uit- 
komend in  de  rue  Boissy  d*Anglas.  Daar 
is  een  expositie  van  Hollandsche  Mees- 
ters, de  collectie-Van  Gogh  te  Amster- 
dam. 

Het  zaaltje  is  electrisch  verlicht.  Boven 
de  glazen  zoldering  zijn  de  electrische 
lampen  en  men  heeft  zoo  lang  gemanoeu- 
vreerd met  schermen  en  reflectors,  tot- 
dat een  licht  verkregen  was  van  onge- 
veer dezelfde  waarde  als  het  noorder- 
licht, iets  warmer  misschien,  maar 
neutraal  genoeg  om  alle  kleuren  zuiver 
te  zien.  Het  kon  alleen  nog  wat  sterker 
zijn.  Als  de  deur  achter  me  dicht  was, 
gesloten  op  het  blauw-koude  licht  van 
den  somberen  winterdag,  —  in  dat  stem- 
mige zaaltje,  met  blank  eikenhout  be- 
timmerd en  behangen  grauw-blauw, 
waartegen  de  harmonieuse  kleuren  der 
schilderijen  in  het  zachtglanzend  goud 
van  hun  lijsten,  onder  dat  stille  licht, 
als  van  een  exotischen  dag,  —  voelde  ik 
me  als  verplaatst  in  een  ander  land  en 
builen  deze  wintersche  wereldstad. 
Daar  waren  ze  allen,  de  goede,  oude 
bekenden,  die  ik  in  zoo  lang  niet  gezien 
had,  ze  hingen  daar  zoo  gezellig  bij 
elkaar,  ze  waren  een  stukje  vaderland, 
ledere  lijst  omraamde  een  kijkje  naar 
buiten,  als  een  gat  in  den  muur,  hier 


UIT  PABUS 


Va. 


41 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  PARIJS 


over  eindeloos  polderland,  over  hel 
gouden  koren  onder  de  zalige  lucht,  daar 
in  binnenkamers,  vol  hei-geel  lamplicht 
of  blanker  buitenlicht,  met  bedrijvige 
vrouwkens,  heel  een  serie  van  kijkjes 
in  land  en  leven. 

Daar  was  vlak  tegenover  de  deur 
Willem  Maris  met  zijn  Eenden,  dons- 
blank in  de  trillende  zonneatmosfeer  van 
den  slootkant,  pluizend  hun  veeren; 
daarnaast  de  twee  kleine  Jaap  Marissen, 
minder  in  het  oog  vallend,  maar  zoo 
voornaam,  —  In  de  duinen,  met  zijn 
hooggelegen  dorp,  waarvan  het  karak- 
teristiek silhouet  van  torens  en  molens 
op  den  horizont  uitgesneden  is,  —  die 
zand-grijzen  en  -gelen  en  lichte  groenen, 
hier  en  daar  beplekt  van  pannenrood, 
onder  die  hooge  parel-grijze  lucht;  — 
zijn  November-auond,  als  onder  den 
grijs-bruinen  hemel,  zwoel  en  zwaar 
van  storm  en  regen,  de  lantaarnlichtjes 
beginnen  te  pinken;  —  hoe  voelde  ik 
het  sober-blonde  van  die  duinkleuren 
en  het  sopperige  van  den  laten  herfst- 
dag! —  Die  kostelijke  Gabriél,  altijd  zoo 
blank,  met  zijn  Schoven,  ros  van  goud 
in  het  rijpe  zonnelicht.  Een  breede  weg 
gaat  dwars  door  de  stoppelvelden  naar 
den  verren  horizont,  -  hoe  grootsch 
is  dat  wijde,  vlakke  land,  onder  den 
onmetelijken  koepel  van  den  hemel! 

O,  heel  dat  goede  land  is  daar,  met 
zijn  vette  groen,  zijn  zilveren  plassen, 
zijn  waterluchlen.  De  Zwart  z*n  Zand- 
schuit,  met  hel  zware  grasgroen  tegen 
het  hemelblauwe  water,  Bastert's  Dorp 
aan  de  vaart,  waar  de  blanktinlelende 
wolkgevaarten  langzaam  over  den  zil- 
veren spiegel  drijven,  nog  twee  kleine 
dingjes  van  De  Zwart,  een  Polderland- 
schapje,  en  een  Mei  kuur,  waarin  de  boer 
met  zijn  blauwe  kiel  zoo  kostelijk  doet 
tegen  de  rood-en-witte  flank  van  de  koe. 
Ook  de  zandhoek  is  daar.  Willem 
Roelofs  heeft  er  naast  zijn  vruchtbaar- 
groen  Abcoude  een  soberkleurigDren/5c/i 
dorp;  —  M.  Boks  een  juweeltje  van  fijn- 
gelrofl^en  harmonie  :  Schapen  in  de 
duinen. 

Van  inlerieuren  is  er  Hart  Nibbrig's 
Larensch  interieur,  nog  in  een  potige, 
impressionistische  manier  gedaan,  van 
Kever  een  werkje,  waarin  een  kalk- 
muurtje  en  tegeltjes,  prachtig  van  stof, 
van  De  Zwart  een  binnenhuisje  bij  de 


lamp,  wat  zwaar,  maar  Inliem  en  ge- 
zellig. 

En  hel  trof  me  weer,  hoe  al  die  Neder- 
landers zijn  als  hun  voorgangers,  van  de 
van  Eyck's  tol  den  Delftschen  Vermeer 
en  Pieter  de  Hooghe  toe,  al  hun  artis- 
tieke voorouders,  —  met  hun  hartstocht 
voor  kleur  en  licht,  hun  innige  liefde 
voor  de  geziene  dingen,  hun  goeden 
eenvoud  en  hun  conscienlieusheid.  Hoe 
ze  nooit  bluffen  of  geuren,  zich  niel 
vergapen  aan  vreemde  modes,  nooit 
iels  aannemen,  zonder  hel  zich  geheel 
eigen  te  maken  en  het  op  eigen  wijze  te 
verwerken.  Er  mogen  er  zijn,  die  naar 
den  vreemde  gaan,  hun  manier  van  zien 
en  werken  blijfl  dezelfde.  —  Daar  is 
Bauer  met  een  groote  leekening,  Delhi 
in  een  kleur  of  drie.  Van  onder  een 
roode  spitsbogige  poorlopeningeen  kijk 
op  de  blaiike,  bezonde  moskee  legen  de 
Ooslersch-blauwe  lucht.  Zeker,  in  het 
losse  spel  van  zijn  vlotte  lijnen,  in  hel 
indislincle  van  zijn  poederige  atmosfeer 
is  iets  exotisch,  maar  niet  meer  dan  in 
Rembrandl,  hel  groote  voorbeeld  van 
zijn  techniek,  die  geen  voel  buiten  zijn 
land  gezet  had.  De  Bock  heeft  er  een 
vroeg  werk.  Barbizon,  —  de  zoom  van 
het  bosch  van  Fonlainebleau  in  avond- 
slemming. Rechts  is  de  sombere,  zwij- 
gende boschgevel,  waarvoor  een  een- 
zame, halfdoode  boom,  zooals  men  er 
aan  dien  woesten,  door  bUksem  geleis- 
terden  boschrand  zoovele  aantreft,  zijn 
naakte  takken  in  de  lucht  steekt.  Maar 
hel  is  dezelfde  techniek,  —  merkwaar- 
dig weinig  veranderd,  wal  zwaarder 
toen  misschien,  -  als  van  zijn  Gelder- 
sche  landschappen  van  nu,  diezelfde 
breede,  vaste  vlakken  legen  elkander 
met  hier  en  daar  een  veeg  van  een  toe- 
vallig lichtje  of  kleurtje.  De  prachtige 
Japansche  vrouw  van  dien  door-en-door 
Hollander  Breitner,  zij  met  haar  be- 
bloemde wille  satijn  legen  hel  lerra- 
cotta-roode  tapijt,  wel,  niets  van  Chinoi- 
serie  steekt  daarin ;  —  het  is  niel  meer 
dan  een  stilleven  van  kostbare  rijkkleu- 
rige  stoffen.  Alleen  dal  vroege  werkje 
van  Jozef  Israéls,  het  Badende  meixjCy 
heeft  iets  vreemds ;  —  dal  zware  boom- 
groen en  dal  zwoele  blauw  van  de  lucht 
heefl,  dunkt  me,  iels  on-Hollandsch. 

Voor  hel  laatst  bewaarde  ik  M.  Maris' 
Pelites  amies.  Een  lief,  droomerig  dingje 


42 


als  met  j^roote  kinderoogen  gezien.  Hoe 
leer  dal  groepje  :  de  groole  zus,  die 
hel  kleinlje  op  de  wankele  beenljes 
houdl.  En  hel  geitje  mei  de  houlen 
pooljes  en  den  vierkanten  rug,  hel 
klaaglijk  blaalkopje  over  hel  hek  naar 
hel  kleine  kindje  gestrekt  De  zon  strijkt 
met  schuine  stralen  over  z'n  witten  rug 
en  over  het  puntig  gras,  waarvan  de 
halmen  als  lancetten  blinken.  Alleen 
iemand  met  een  kinderverbeelding  kan 
aan  zoo'n  tooneeltje  zulk  een  intensiteit 
en  belangrijkheid  geven. 

Haast  zou  ik  het  eenige  stilleven  ver- 
geten, Vincent's  Aardappelen  in  blauw 
pluche !  Pikant  idee,  die  ruwe,  kaneel- 
kleurige kleiknollen  in  die  zachtzijden 
stof  te  steken,  —  maar  welk  een 
voorname  harmonie,  die  twee  groole, 
eenvoudige  kleuren  legen  elkander ! 

Er  waren  een  paar  vreemden  onder 
hen,  twee  Fantin-Latours,  waarvan  éen 
een  prachtig  naakt,  en  een*  Shannon, 
—  maar  zoo  exclusief  een  gezelschap  als 
deze  Hollanders  zijn,  men  heeft  ze  weg 
moeten  nemen,  zij  vloekten  in  hun  om- 
geving. En  dit  is  juist  de  reden,  waarom 
ik  vrees,  dat  onze  Hollandsche  meesters 
weinig  begrepen  zullen  worden.  Zij 
doen  zoo  weinig  voor,  er  is  zoo  weinig 
ostentatie  in  hen.  Een  koetje,  een  wei, 
een  eindelooze  lucht,  een  niets!  Kan 
men  hopen,  dal  een  vreemdeling  zulke 
fijne  slemmingsbeeldjes  zal  verstaan? 
Zal  hij  niet  even  rondkijken  en,  niets 
ziende  dal  zijn  aandacht  onmiddellijk 
trekt,  met  een  schouderophalen  eraan 
voorbijgaan  ? 

Wenckebach's  fljngeteekende  prenten 
van  stille  Amslerdamsche  hoekjes  be- 
hooren  eigenlijk  niet  lol  de  expositie, 
maar  zij  doen  zoo  voornaam  in  hun 
eikenhouten  lijsten,  met  een  stukje 
ivoor  ingelegd,  dal  ik  ze  niet  mag  ver- 
geten. —  Dal  de  zoo  erg-HoUandsche 
Markers  en  Vollenhovers  van  Cassiers 
als  reclame  in  de  winkelkasl  slaan, 
spreekt  van  zelf. 

^o^De  inrichting  van  hel  magazijn.waar 
Amslelhoek's  stoere  en  soliede  meubelen 
en  kostelijk  aardewerk  zijn  uitgestald, 
is  even  voornaam  als  van  het  zaaltje. 
De  fijne  grijzen  en  bruinen  van  blank 
of  even-gebeitst  eikenhout,  de  sobere 
kleuren  van  hel  aardewerk,  een  enkel 
lapje    batik  legen    hel    grijze  fluweel, 


waarmee  de  muren  behangen  zijn.  Er 
is  een  kleine  eetkamer  in  blank  eiken, 
met  een  grooten  schoorsleen  en  een 
venster  met  vele  luiken,  en  allerlei 
koperen  gerei,  alles  prachtig  van  doel- 
matigheid en  afwerking,  —  maar  men 
kent  hel  werk  van  Amstelhoek  en  het 
was  mijn  bedoeling  niet  er  thans  over 
uit  te  weiden.  Alleen,  hel  is  ook  alweer 
curieus,  dat  de  moderne  Hollandsche 
gebruiksvoorwerpen  zoo  iets  eigens 
hebben,  (hel  goede  werk  wel  te  verslaan) 
en  dat  er  van  hel  moderne-lijnengedoe 
zoo  weinig  te  bespeuren  is.  Als  men 
daartegenover  ziel,  hoeinbuitenlandsch 
werk  hel  principe  van  doelmatigheid 
en  construcliviteit  verloochend  wordt, 
hoe  alles  overwoekerd  wordt  door  een 
soort  van  krankzinnig-geworden  rococo, 
slappe  en  nietszeggende  krullen,  hoe  de 
soliditeit  opgeofferd  wordt  aan  een 
absurde  elegantie ! 

Of  ook  deze  eenvoud  aan  vele  vreem- 
delingen niet  een  weinig  nuchter  en 
onnoozel  moet  voorkomen?  Hoe  hel 
zij,  men  moet,  dunkt  me,  wel  getroffen, 
worden  door  de  voorname  harmonie 
van  hel  geheel,  door  de  eenheid  van 
gedachte  die  alles  beheerscht,  dat  is  de 
voorwerpen  te  maken  eenvoudig  en 
bruikbaar,  ze  niet  met  ornament  te 
overstrooien,  maar  ze  door  lijn  en 
kleur  zelf  ornament  te  laten  zijn. 

Parijs,  7  December.  R.  J. 

UIT  ROTTERDAM  ^^^^= 

ERK  VAN  EMIEL 
CLAUS  y  IN  DEN 
ROTTERDAMSCHEN 
KUNSTKRING  y  VAN 
23  NOVEMBER  TOT 
14  DECEMBER  1902 
Wij  vermeenen 


KUNST- 
BEKICHTEN 
UIT  PARIJS 


UIT ROTTERDAM 


dat  het  de  eerste  maal  is  dat  in  Noord- 
Nederland  een  speciaal-tentoonstelling 
is  van  dit  werk.  Geëerd  en  gezocht  als 
Claus'  is  in  den  vreemde,  is  hel  hier 
slechts  sporatiisch  dat  men  doeken  van 
dezen  Vlaming  ziet.  En  wanneer  men  de 
zaal  met  zijn  schilderijen  binnenkomt, 
dan  treft  ook  onmiddellijk  de  indruk, 
dal  men  tegenover  een  vreemdeling 
staal,  iemand  van  andere  inborst  als  de 
onze ;  werk  gemaakt  in  ander,  dunner 
licht,    in    fijner    schaduw,    in    andere 


43 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  ROTTERDAM 


grondformatie  dan  de  onze.  Zijn  palet  is 
vele  lonen  hooger  dan  het  Hollandsche 
en  het  vibreerend  licht,  dal  in  al  zijn 
werk  hangt  is  een  licht  dat  hel  veel 
nevelachliger  Holland  niet  kent.  Als 
zoodanig  begroet  Holland  dezen  Vla- 
ming als  een  die  een  andere  sprake 
spreekt,  maar  —  evenals  het  Vlaamsch, 
schoon  anders,  als  Nederlandsch  ons 
verstaanbaar  in  de  ooren  klinkt,  —  zoo 
spreekt  Claus'  kunst,  schoon  een  andere, 
eene  verstaanbare  taal  tot  ons,  en  zooals 
het  Vlaamsch  ons,  zwaardersprekenden 
zoet,  zacht  en  kinderlijk  klinkt,  zod 
spreekt  Claus'  werk  in  zijn  lichte  zonnig- 
heid een  taal  die  ons  wonder  helder  en 
blijmoedig  aandoet.  Claus  heeft  met  zijn 
tintelend  zonlicht  stormenderhand  har- 
ten veroverd ;  langs  de  wanden  van  dè 
eenvoudige  zaal  is  hel  één  feest  van 
spelend  zonlicht. 

Daar  waar  een  ijle  nevel  het  licht 
zeeft,  bereikt  Claus  iels  zeer  fijns  en 
aetherisch  Aan  de  boorden  van  de  Leie 
en  3for^en  zijn  specimen  daarvan  In  het 
eerste  is  de  gamma  zeer  fijn,  door  dunne 
waterdampen  hangend  boven  het  be- 
koorlijk riviertje,  hoog  is  de  horizon.  In 
Morgen  is  ook  een  wedergave  van  neve- 
lig licht,  voortdurend  wint  dit  schilderij 
en  telkenmale  komt  men  tol  de  erken- 
ning dat  Claus  een  knap  werkman,  een 
knap  ziener  is.  Het  teere  moment  in 
die  fijne  athmospheer  maakt  dit  schil- 
derij tot  een  werk  van  mooie  stemming 
en  knap  kunnen.  Zoo  ook  is  de  Maan- 
opkomst  een  doek  dal  trekt  en  boeit 
door  waarheid  en  eenvoud. 

Kr  is  hier  met  sobere  compositie  en 
algeheele  afwezigheid  van  effectbejag 
iets  zeer  moois  bereikt. 

De  techniek  van  Claus  is  betrekkelijk 
zeer  eenvoudig  en  een  die  geheel  mee- 
werkt om  tol  het  effect  te  komen  dat  hij 
wenschl.  De  kleine  penseelzetjes  legen 
elkaar,  elk  op  zichzelf  staande,  geven 
een  speling  en  tinteling  die,  wanneer  de 
verven  meer  gemengd  en  vlakker  be- 
handeld waren,  niet  zoo  spoedig  bereikt 
zouden  zijn.  Deze  wijze  van  werken 
behoudt  in  de  uilkomst  iets  brillanls. 
iets  levendigs. 

Claus  die  de  dartelende  lichtstralen 


door  het  gebladerte  vallend  als  ont- 
dekte, die  graag  de  grillige  schaduwen 
weergeeft  die  de  boomen  tegen  muur- 
vlaklen  en  zandige  gronden  werpen, 
komt  herhaaldelijk  op  dit  onderwerp 
terug.  Telkens  keert  weer  het  motief 
van  vriendelijke  boerenwoning, vroolijk 
wit  of  roze  getint,  volgeplekt  met  zon- 
nige licht-  en  doorschijnende  schaduw- 
plekken  in  ongedecideerde  vorm.  Die 
doeken  kenmerken  als  het  ware  Claus' 
kunst.  Lente  is  een  dergelijk  effect  op 
kinderkopje  met  als  achtergrond  een 
zonnige  boerenerf;  het  is  een  der  meest 
opgevoerde  werken  van  deze  expositie. 
Hr  is  iels  frisch  en  vroolijks,  iets  darte- 
lend en  levendigs  in  die  willekeurige 
schaduwen  en  lichlspelingen,  hel  is 
volle  zomer,  volle,  warme  vroolijkheid 
op  Claus'  doeken.  Verscheiden  er  van 
zijn  uil  zijn  eigen  omgeving ;  zijn  eigen 
huis  en  erf  zijn  op  deze  tentoonstelling : 
zijn  huis  en  tuin  op  zonnigen  sneeuw- 
dag,  het  water,  de  laan  die  langs  zijn 
grondgebied  gaan,  de  mooie,  vriende- 
lijke Leie  waarin  de  koeien  zich  spiege- 
len of  de  eenden  liggen  in  den  zonne- 
schijn, het  is  alles  uit  zijn  onmiddelijke 
omgeving  en  alles  inspireerde  hem  wan- 
neer de  zon  het  belichtte.  Enkele  malen 
lijkt  ons  het  Hchteffecl  te  cru,  te  oog- 
verblindend, wij  o.  i.  geven  die  effecten 
gaarne  voor  de  meer  sobere  en  gere- 
serveerde; en  nog  eens  in  den  Boomgaard 
in  Vlaanderen  in  Klaver  veld  in  Hooit  ijd 
is  de  knappe  artiest  aan  het  woord, 
vooral  het  eerste  zeer  groote  doek  is 
verbazend  knap.  In  Claus'  werk  voelt 
men  steeds  de  kunstenaar  die  hard 
werkt  omdat  hij  graag  werkt,  die  steeds 
op  nieuw  en  met  hartstocht  en  groote 
liefde  weergeeft  wat  hem  boeit.  Hij 
heeft  innige  vreugde  bij  het  aanschou- 
wen en  innige  vreugd  bij  het  weergeven, 
zoo  kaatst  zijn  werk  bij  ons  terug  een 
indruk  van  tintelende  vroolijkheid 
waarachter  verborgen  is  :  de  ernstige 
kunstenaar  die  zich  rekenschap  geeft, 
die  doel  treft  en  raakt,  niet  in  opper- 
vlakkige toevalliglieid,  maar  na  jaren 
van  grondige  studie  en  nog  grondiger 
denken. 


44 


CONSTANTIN  MEUNIER 

(Vervolg  en  SlotJ, 


N  ^t  eerste  deel  van  dit  artikel  heb  ik  getracht,  CONSTANTIN 
den  algemeenen  indruk  van  Meunier's  werk  MEUNIER 
in  woorden  om  te  zetten,  mij  overgevend  aan 
de  lyrische  macht  die  uit  zijn  beelden  zingt, 
ons  overweldigt  en  meevoert.  Nu  draai  ik  er 
weer  rond,  in  kalmer  betrachting  :  wèt  heeft 
me  eigenlijk  gepakt,  en  hoe  zit  die  kunst  in- 
een? De  visioenen  van  Meunier  staan  daar  nog 
voor  mij,  omgeven  met  de  trillende  warmte  der  bewondering.  Maar 
't  is  een  geestdrift  van  korten  brand,  die  niet  nader  bevoelen  en 
inniger  begrijpen  wil. 

Het  verklaart  al  veel  van  Meunier's  vormenwereld,  dat  nooit  de 
techniek  óm  de  techniek  voor  hem  van  belang  was,  de  uiterlijke  knap- 
heid van  doen,  maar  altijd  en  in  de  eerste  plaats  de  gedachte,  het 
innerlijke  geziene,  de  wonderbare  samengroei  van  werkelijkheid  en 
verbeeldend  gevoel,  hel  beeld  dat  in  den  dichter  rijst  en  er  zich  tot 
passenden  vorm  doorworstelt. 

Hij  was  lang  schilder  en  leekenaar,  is  eerst  op  tateren  leeftijd  weer 
beeldhouwer  geworden ;  sedert  heeft  hij  met  penseel  en  teeken- 
krijt  niet  minder  dan  met  den  beitel  zijne  idee  benaderd  :  altijd  eerst 
en  vooral,  door  welke  middelen  ook,  de  sterke  rechtstreeksche  aan- 
duiding willend  van  het  denk-beeld. 

Evenals  de  vroege  Grieksche  tempelplastiek,  evenals  de  dertiende- 
eeuwsche  kerkportalen  van  Chartres,  Amiens  of  Bourges,  —  monu- 
mentale cyclussen  waar  een  gemeenschappelijk  ideaal  in  straalt,  —  is 
het  werk  van  Meunier  niet  de  nauwkeurige  weergave  van  een  brok 
natuur,  maar  belichaamt  een  breed  gevoelde  gedachte;  de  vorm  is 
maar  een  teeken,  dat  den  geest  gaande  maakt,  dat  den  geest  verder 
voert  dan  de  grenzen  der  stoffelijke  uitvoering;  de  idee  en  haar  vorm 
leeft  dan  in  ons  voort,  groeit  voort  in  ons  met  de  eeuwige  schoonheid 
van  den  geest,  wordt  tot  een  herinneringsbeeld  dat  de  volmaaktheid 
nabijer  komt  dan  de  steenen  of  bronzen  gestalte  van  het  werk  zelf. 


Onze  Klxst  1903.  Afl.  2.    VI 


45 


CONSTANTIN  MEINIER  :  MAN  ITT  HET  VOLK. 


CONSTANTIN 
MEÜNIER 


Ik  sprak  van  een  hymne  aan  den  Arbeid  :  ja,  de  kunst  van  Meunier 
is  in  de  eerste  plaats  van  lyrischen  aard.  Zij  wordt  gedragen  op  de 
innerlijke  beweging,  en  leeft  door  haar  alleen.  Vandaar,  hare  buiten- 
gewone  aangrijpende  kracht;  vandaar  ook,  eenige  tekortkomingen. 
Wat  Meunier  schept  in  oogenblikken  van  hartstocht  of  zachtwarme 
liefde  zal  onder  *t  allerbeste  blijven  staan,  dat  onze  tijden  hebben 
voortgebracht.  Maar  de  geestelijke  atmosfeer  is  niet  altijd  even  geëlec- 
triseerd,  het  gevoel  staat  niet  altijd  even  gespannen,  soms  lijkt  het 
niet  volgroeid  en  rijp  van  geleefd  leven,  niet  rijk  genoeg  om  tot  één 
visioen  te  worden,  het  gehéél  te  doordringen  en  te  bezielen,  en  dan 
mist  het  beeld  wel  eens  de  noodige  hechte  gebondenheid,  en  laat  het 
beknopte  der  behandeling  ietwat  onbevredigd. 

Ik  zeg  wat  ik  voel,  en  wil  hierin  zoo  eerlijk  zijn  als  Meunier  zelf. 


46 


Mag  ik  bekennen,  dat  ik  hem  óók  om  zijn  gebreken  liefheb?  Want  zij  CONSTANTIN 

zijn  een  teeken  van  zijn  eerlijkheid.  Is  het  gevoel  wat  massaal,  dan  MEUNIER 

blijft  het  bij  een  onuitgewerkten  vorm ;  is  het  niet  bij  machte,  om  met 

overtuigende  kracht  uit  alle  bijzonderheden  te  spreken  en  die  tot  een 

geheel  te  klinken,  dan  zal  er  onderdoor  wat  losser  werk  loopen.  Maar 

niets  wordt  onder  mooien  schijn  verheeld,  en  kunstgrepen  ontbreken 

ten  eenenmale.  Zooals  het  is,  is  het.  Het  echte,  wezenlijke  in  Meunier  is 

Ie  groot,  dan  dat  hij  door  knapheid  zou  willen  verbluffen.  Hel  is  geen 

geringe  verdienste,  dat  de  grijze  schepper,  met  al  zijn  ervaring,  aan 

een  figuur  nog  't  een  ol  ander  eens  mislukken  kèn,  waar  zoovele 

academisch-geschoolden,  die  nooit  wat  te  zeggen  hadden,  hun  leege 

gladheid  en  gewikste  «  perfectie  >>  zouden  uitstallen.  Wie  zou  zich  op 

zulk   een    bijzonder  ongekunstelde,  innemend  naïeve  wijze  kunnen 

vergissen,  als  in  de  onvaste  samenstelling  van  sommig  verheven  werk 

der  Verheerlijking  van  den  Arbeid?  Maar  is  er  een  lyrische  kracht  die 

door  het  reliëf  waaien  mag,  als  in  üe  Nijverheid,  waar  één  innerlijk 

bewegingsmotief  alle  lichamen  spant  en  plooit,  onder  de  brieschende 

vlammenvlaag,  dan  worden  alle  standen  en  gebaren  én  uitdrukkingen 

door  eenzelfden  rythmus  verbonden,  machtiger  dan  welke  behendig 

saamgevoegde  lijnen-harmonie. 

Aan  de  echtheid  van  Meunier  hebben  wij  't  te  danken,  dat  hij  zijn 
eigen  meester  was,  altijd  zijn  eigen  weg  ging.  Ik  weet  niet  waar  ik 
gelezen  heb,  dat  hij  den  invloed  van  Rodin  ondergaan  heeft  :  zulks 
hoeft  nauwelijks  tegengesproken.  Zijn  beste  werk  stond  er  al,  toen  hij 
Rodin  leerde  kennen.  Hun  eenige  verwantschap  is,  dat  beiden  met 
stouten  greep,  wars  van  alle  academisme,  hun  ideaal  verwezenlijkten, 
—  en  dal  beiden  boven  al  het  verdienstelijke  en  gewetensvolle  dat 
thans  wordt  voortgebracht,  uitsteken  door  hun  genialiteit,  ontzag 
inboezemen  door  de  hoogheid  hunner  pogingen,  door  omvang  en 
beteekenis  van  hun  werk. 

Rodin,  —  ik  weet  niet  of  er  onder  de  zuiverste  Grieken  één  is, 
die  grooter  dichter  van  het  Leven  mag  genoemd  worden,  die  op 
wonderbaarder  wijze  het  minste  stukje  vleesch  heeft  weten  te  bezielen, 
gevoeliger  het  bloed  heeft  laten  omloopen  onder  de  ademende  huid;  een 
hand,  een  vinger,  't  heeft  alles  bij  hem  dat  onbepaalbare  dat  men  de 
levenslijn  kan  noemen,  de  lijn  die  is  als  een  kortstondig-ingehouden 
beweging.  Veel  meer  dan  door  den  dramalischen  omtrek  treft  Rodin 
door  de  innerlijke  boetseering,  alle  onmerkbare  overgangen  zoo  rein 
uitwerkend,  dat  men  aan  't  gezegde  van  Hokusaï  denkt  :  die  wilde  er 
toe  geraken  om  geen  punt  meer  te  teekenen,  dat  geen  leven  zijn  zou. 
Geen  trek  bij  Rodin,  of  hij  is  als  de  samenstelling  van  een  menigvul- 
digheid van  plannen.  Hij  vereenvoudigt  ook,  maar  dan  na  lange  en 
zorgvuldige    ontleding,    na  strenge    uiteenzetting  van  alle   geringste 


47 


CONSTANTIN     bijzonderheden.  Zijn  rustige  lijn   is  een  samenstel  van  vele  mogelijke 
MEUNIER  bewegingen . 

Maar  Rodin  is  bijzichüg,  en  laat  het  te  dikwijls  in  zijn  werk  blijken: 
hij  vervalt  wel  eens  in  het  fragmenlarische.  Zijn  monumentaal  werk 
behoort  zeker  niet  tot  het  beste  wal  hij  gemaakt  heeft....  Meunier  zal 
zich  niet  zoo  pijnlijk  bekreunen  om  de  lot  het  uiterst  doorgedreven 
behandeling  aller  onderdeeltjes,  maar  voelt  en  ziel  groot,  en  weel  hel 
gebaar  dat  machtig  op  de  lucht  afteekenl,  en  tol  de  menigte  spreekt. 

Bij  Rodin,  als  bij  Donalello,  de  liefde  voor  alle  vormen  van  het 
leven.  Met  dezelfde  belangstelling,  met  dezelfde  teedere  bewondering 
heeft  hij  het  harde  of  sappig-bloeiende  vleesch  weergegeven,  de  frissche 
huid  van  het  jonge  meisje,  de  ruïne  van  't  oude  wijf.  Alles  wat  rond 
hem  heen  in  's  werelds  zonneschijn  wisselt  in  gestadige  herschepping, 
hij  heeft  hel  voor  een  oogenblik  willen  vasthouden  en  vereeuwigen,  elk 
ding  met  zijn  eigen  schoon,  eiken  trek  in  zijn  eigen  beteekenis  geval. 
Hel  is  wel  kenmerkend  voor  hem,  dat  hij  zichzelf  ontdekte,  den 
oorspronkelijken  scheppingsdrang  in  zich  voelde  opstijgen,  toen  hij 
te  Brussel  wonend  als  werkman  bij  een  beeldhouwer,  eiken  Zondag 
naar  hel  Zoniënbosch  vluchtte,  en  er  in  de  stilte  den  duizendvoudigen 
lenigen  spontanen  groei  van  boomen  en  planten  gasloeg  en  in  zich 
opnam.  Hij  is  een  der  grootste  vinders  van  vormen  en  rythmen  die 
ooit  beslaan  hebben,  de  kunstenaar  die  met  pantheïstische  liefde  het 
volledigst  onzen  nieuwen  religieuzen  zin  voor  het  al-leven  heeft  uit- 
gebeeld. Die  zin  is  de  eenheid  van  zijn  werk. 

Meunier  is  uitgegaan  van  een  zekere  visie,  van  een  bepaalde 
opvatting  der  schoonheid  van  den  werkenden  man,  veel  meer  dan  van 
dien  trek  naar  elke  gedaante  der  eeuwig  veranderende  natuur,  't  Is  of 
Rodin  zich  door  de  natuur  liet  dragen,  waar  zij  hem  heenvoeren  wil, 
terwijl  Meunier  van  den  beginne  af  vast  staal,  gevend  een  stuk  werke- 
lijkheid zooals  hij  het  in  zijn  binnenst  weerspiegeld  en  herworden  ziet, 
geheven  op  zijn  gevoel,  dat  niet  aan  alle  zijden  openligt  tot  rijke 
verscheidenheid  van  plannen  en  ver  verschiet,  maar  imponeert  door 
zijn  grootheid,  zijn  hooge  en  eenvoudige  macht. 

Juist  daarom  wordt  men,  bij  een  tentoonstelling  zijner  werken, 
als  welke  vóór  een  paar  maand  te  Brussel  ingericht  was,  door  eenige 
eentonigheid  getroflfen.  Er  zijn  koppen  die  men  gestadig  weerziet, 
bij  mijnwerker  als  bij  landbouwer,  en  in  de  behandeling  van  handen 
en  voeten  b.v.  is  zeker  niet  zooveel  afwisseling  als  in  de  werkelijkheid 
zelve.  De  monumentale  zin  van  Meunier  heeft  hem  in  de  eerste  plaats 
tot  schepper  van  algemeene  typen  gemaakt. 

Sommige  figuren  schijnen  zelfs  meer  te  leven  door  de  gedachte 
die  in  hem  geworteld  is,  dan  door  de  rcchlstreeksche  gewaarwording 
van  het  zijnde  en  wordende  rond  hem  heen.  Er  zijn  er  die  naar  alle- 


48 


CONSTANTIN  MEUNIER  :  OUD  PAARD. 


gorie  overhellen  (de  Zaaier  mei  de  ploeg)   en  in  De  Oogst  wordt  de  CONSTANTIN 

werkelijkheid  zoo.  willekeurig  gezien,  dat  de  idee  wel  ietwat  van  hare  MEUNIER 

overtuigingskracht  verliest.  Ja,  het  moet  me  van  't  hart  :  ik  weet  niet 

waarom  ik  bij  zekere  beelden  uit  den  laatsten  tijd  noodzakelijk  moet 

denken  aan  de  onreëele  literatuur  van  iemand  alsCamilleLemonnier: 

meer  ingenomenheid  mei  een  strekking,  een  persoonlijke  opvatting, 

dan  open  oog  en  eenvoudig  natuurlijke  liefde  voor  wat  is. 

De  groote  Zaaier  b.v.,  bovenop  de  Verheerlijking  van  den  Arbeid ^ 
zou  me  nog  meer  aangrijpen,  als  hij  niet  in  de  toekomst  scheen 
te  kijken  De  gedachte  wordt  hier  al  voldoende  uitgesproken  door  de 
heerlijke  beweging  van  den  zaalenden  arm,  het  gebaar  sterk  van  spier 
en  zenuw,  vol  latente  wilskracht,bemeeesterd  en  zeker  :  die  arm  is 
zeer  duidelijk  van  beteekenis,  maar  toch  geheel  en  al  en  niets  dan 
leven,  gezien  en  gevoeld  door  een  geniaal  beeldhouwer,  terwijl  er  in 
het  hoofd  een  symbolistisch  bijsmaakje  is,  dat  zich  eenigszins  opdringt. 

In  zijn  meeste  landbouwers-figuren  geeft  Meunier  ons  iets  anders 
dan  zuivere  werkelijkheid.  Elk  stuk  is  als  een  strofe  van  den  zang  — 
zang  van  mannelijken  wil  en  strevende  kracht  —  die  in  hem  zelf  aan 
't  luiden  is.  Om  nu  maar  op  eene  bijzonderheid  te  wijzen  :  opstand 
tegen  het  drukkend  geweld  der  natuur  heb  ik  nooit  in  den  blik  van 


49 


CONSTANTIN     een  boer  gelezen  :  die  opstand  is  iets  van  ons,  —  iets  van  Meunier  (of 

MEUNIER  Millet),  niet  van  den  boer  zelf. 

Alleen  het  feit,  dat  ik  hier  Meunier  en  Millet  in  éénen  adem  noem, 
bewijst  dat  het  me  eigenlijk  niet  te  doen  is  om  «  kritiek  »,  maar  om 
kenmerking  van  *t  wezen  dier  kunst  :  dat  soms  Meunier,  evenals 
Millet,  de  menschheid  niet  in  allen  eenvoud  vertolkt  zooals  die  is,  in 
hare  eeuwige  en  algemeene  beteekenis  gevat,  maar  eigen  streven,  van 
tijdelijk  belang,  en  bij-bedoelingen,  die  naar  elders  wijzen,  sterk 
betoont  en  vooruitschuift,  stempelt  nog  een  goed  deel  van  zijn  werk 
tot  romantische  kunst. 

Een  goed  deel,  misschien  vooral  onder  het  werk  der  tien  laatste 
jaren  te  zoeken  :  meer  dan  vroeger  schijnt  daar  de  welbewuste  wil  te 
hebben  meêgetimmerd  aan  't  gevaarte  van  die  kunst.  Maar  —  evenals 
bij  Millet  —  voel  ik  me  nog  meer  aangetrokken  en  gepakt  door  zoo 
menig  innig  geziene,  direct  eenvoudig  uitgedrukte  visioen,  waar 
opvallend  gebaar  van  handelende  figuren  ten  eenen  male  ontbreekt.  Ja, 
Meunier  heeft  genoeg  werk  geleverd,  waar  de  persoonlijke  idee,  die 
van  een  nieuwe  gemeenschap  droomt  en  zingt,  moet  verbleeken  vóór 
een  alles  doordringende  Hefde,  die  de  nieuwe  gemeenschap  is.  Daar 
zoek  ik  zijn  zuiverste  daad,  zijn  volste  kunst.  Men  denke  aan  sommige 
beelden  van  «  kolenkoppen  »  («  tiess'-di-houille  »),  die  ik  niet  nader 
meer  weet  aan  te  wijzen.  Iets  van  dat  gevoel  leeft  ook  in  't  hier 
afgebeelde  oude  en  stramme  Mijnpaard^  die  ruïne  van  hoekige 
schonken  en  ingeslonken  balg,  den  achterpoot  lam  optrekkend  in  't 
werktuiglijke  van  den  stap,  de  verslaafde  knol,  die  veel  afgezien  heeft, 
zoo  gedwee  en  zoo  goed.  Maar  nergens,  geloof  ik,  zoo  breed  en  grootsch 
als  in  de  Vrouw  uit  het  Volk  :  daar  is  een  innigheid  die  het  geheel 
doortrilt  en  bezielt,  zoodat  het  minste  trekje  ons  ineemt  en  warm  aan- 
doet. Dat  afgesloofde  en  stille  hoofd  blijft  in  mijn  herinnering  staan, 
omgeven  van  *k  weet  niet  welke  atmosfeer  van  vrome  genegenheid, — 
van  begrijpende  liefde. 

AuG.  Vermeylen. 


50 


DE  TEEKENINGEN    DER 


VLAAMSCHE  MEESTERS 


DE  ROMANISTKN  (Vervolg). 


[rans  Floris  (1520-1570),  is  een  der  aanvoer-  DE  TEEKE- 
ders  van  de  Antwerpsche  school  uil  de  xvi^  NINGEN  DER 
eeuw.    Met   liem   verovert  die    school     den   VI.AAMS(^HK 
eersten  rang  in  onze  gewesten  en  vangt  hare  MEESTERS 
heerschappij  aan,  die  gedurende  drie  eeuwen 
voortduurt.   Naar  Antwerpen  stroomden  de 
beoefenaars  der  Vlaamsche  kunst,  van  hier  uil 
werden  hare   voortbrengselen   over  heel  de 
beschaafde  wereld  verspreid. 

Met  Frans  Floris*  optreden  verdwijnen  de  laatste  sporen  van  den 
middeleeuwschen  trant  en  wordt  de  hervorming  in  den  geest  der 
Italiaansche  Renaissance  voltrokken  ;  de  klassieke  oudheid,  de  groote 
meesters  uit  het  zuiden :  Rafaël,  Michel-Angelo  en  de  meesters  van 
minderen  rang,  die  hun  spoor  volgen,  worden  de  hoogste  en  onfeilbare 
wetgevers.  Met  hem  ook  neemt  het  teekenen  den  voorrang  in  boven 
het  schilderen,  niet  meer  het  teekenen  naar  de  werkelijkheid,  zooals 
deze  zich  voordoet  in  het  gewone  leven,  in  de  huiskamer,  op  de  straat, 
in  het  veld  en  zooals  Peter  Breughel  ze  afgespied  en  weergegeven  had, 
maar  naar  de  natuur  zooals  men  ze  leert  zien  in  de  Academie,  in  het 
atelier,  met  menschen  gevormd  naar  de  voorschriften  der  school  en 
naar  de  voorbeelden  der  antieken,  onberispelijk  van  vorm,  sierlijk  van 
beweging,  kunstig  van  groepeering.Tooneelen  uit  het  ware  leven  worden 
onwaardig  geacht  vereeuwigd  te  worden  door  het  penseel ;  gebeurte- 
nissen uit  de  Bijbelsche  geschiedenis,  in  deftige  samenstellingen  ver- 
tolkt, worden  behouden,  maar  daarnevens  worden  de  heidensche  fabel 
en  het  academisch  zinnebeeld  bronnen,  waaraan  men  rijkelijk  put. 

Floris  teekende  gemakkelijk  en  veel,  veel  meer  voorzeker  dan  ons 
van  hem  is  bewaard.  Van  zijne  overgebleven  teekeningen  kennen  wij 
vooreerst  een  groot  getal  allegorische  figuren  met  de  pen  geteekend 
en  gewasschen  met  inkt.  Meest  al  deze  zinnebeelden  bestaan  uit  een 


51 


DE  1  EEKi:- 
NIXGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


DK  STHAF  DER  ÜIEHIGEN,  NAAH  FEDERKiO  ZfCCARü 

DOOR  EEN  VOLGELING  VAN  FRANS  FLORIS,  (Londen,  BriUsh  Museum). 

enkel  personage,  eene  vrouw  doorgaans,  op  zijn  antiek  gedrapeerd. 
Antiek  ook  en  heidenseli  en  doortrokken  van  de  denkbeelden  üer 
wijsgeeren,  dichters  en  kunstenaars  van  oud-Rome  zijn  de  onderwer- 
pen, die  deze  figuren  voorstellen.  Ofschoon  allen  in  gelijken  geest  zijn 
opgeval  vormen  zij  talrijke  afzonderlijke  reeksen.  Zoo  onderscheiden 
wij  de  Vier  Levenstijden  der  wereld,  de  Vier  Werelddeelen,  de  Zeven 
Kunsten,  een  grooter  getal  van  Deugden,  Begaafdheden,  Toestanden, 
ook  wel  verpersoonlijkingen  van  Latijnsche  spreuken.  Nauwelijks  treft 
men  onder  al  deze  stukken,  waarvan  wij  er  75  kennen,  een  enkel  met 
christelijken  zin  aan,  namelijk  een  vrouwentrits  :  Geloof,  Hoop  en 
Liefde  verbeeldende.  Het  Museum  Plantin-Moretus  bezit  50  dier  stuk- 
ken, de  heer  René  della  Faille  te  Antwerpen  22,  het  Rijksmuseum  te 
Amsterdam  3.  Alle  dragen  den  naam  van  het  voorgestelde  in  het  Latijn 
met  Nederlandsche  vertaling ;  een  paar  voeren  daarbij  de  dubbele 
samengevoegde  F,  naamteeken  des  kunstenaars;  een  paar  dragen 
namen  van  Anlwerpsche  edellieden  en  wel  het  eene  Malineus,  het 
andere  H.  de  Halmale,  de  waarschijnlijke  bestellers  van  de  schilder- 
werken, voor  welke  deze  leekeningen  studiën  waren. 

Het  British  Museum  te  Londen  bezit  eene  reeks  van  zes  groote 
teekeningen,  de  straffen  der  hoofdzonden  in  de  hel  verbeeldende.  Wij 
deelen  er  een  stuk  van  mede  :  de  Straf  der  Gierigen.  De  belangrijke 
teekeningen  staan  op  Kloris'  naam,  maar  worden  hem  verkeerdelijk 
toegeschreven.  Zij  verbeelden  dezelfde  onderwerpen  op  nagenoeg 
dezelfde  wijze  als  de  fresco's,  die  door  Federigo  Zuccaro  in  den  koepel 
der  hoofdkerk  van  Florence  werden  uitgevoerd.  Zuccaro  (1542-1(H)9) 


FRANS  FLORIS  : 

EXPERIENTIA 

(Antwerpen,  Museum  Plantin-Moretus). 


kwam  later  dan  Floris.  Deze  kan  dus  zijn  werk  niet  gezien  hebben  DE  TEEKE- 
en  daar  er  geen  twijfel  bestaat  of  de  vervaardiger  der  teekeningen  NINGEN  DER 
heeft  de  Florentijnsche  fresco^s  tot  model  genomen,  zoo  moeten  de  VLAAMSCHE 
bladen  uit  het  British  Museum  aan  een  anderen  kunstenaar,  waar-  MEESTERS 
schijnlijk  een  leerling  van  Frans  Floris,  toegeschreven  worden. 

Hel  British  Museum  bezit  nog  een  drietal  andere  stukken  van 
Frans  Floris :  een  Vroolijk  Gezelschap^  zingende,  musiceerende,  drin- 
kende en  minnekoozende  mannen  en  vrouwen  ;  de  Vier  Evangelisten 
en  de  Doop  van  Christus.  In  den  Louvre  bevinden  zich  dertien  bladen 
van  geen  bijzonder  belang.  In  het  Museum  te  Dresden,  de  Val  van 
IcaruSy  bijzonder  stout  van  beweging  en  de  Marteldood  van  een  heilige, 
beide  zijne  naamletters  dragende,  alsook  eene  Venus  zonder  naam, 
maar  met  het  jaartal  1556. 

Zijn  trant  was  breed  en  los  :  met  enkele  pennetrekken  gaf  hij  een 
figuur  weer,  grootsch  van  worp,  edel  van  lijn,  aanvallig  in  zijne  statig- 
heid. Met  enkele  penseel  trekken  van  bister  geeft  hij  er  uitsprong  en 
malschheid  aan. 

Inde  laatste  helft  der  zestiende  eeuw  werd  Antwerpen  ook  de  voor- 
naamste zetelplaats  van  den  boekhandel  in  onze  gewesten,  een  der 
voornaamste  in  heel  de  wereld.  Er  ontstond  daar  eene  werkplaats  voor 
graveurs  en  een  markt  van  kopersneden  zooals  er  elders  geene  tweede 
te  vinden  was.  Ontelbare  platenreeksen,  tot  bundels  verzameld,  ver- 
schenen daar  en  werden  naar  alle  streken  verzonden.  Tot  in  het 
midden  der  xvne  eeuw,  duurde  de  bloei  van  dien  kunsttak  voort  en 
onder  den  invloed  van  Rubens  en  door  de  werken  der  graveerschool, 
die  hij  in  het  leven  riep,  werd  zijn  beteekenis  voor  de  kunst  een 
zeer  aanzienlijke.  De  graveurs,  die  deze  markt  voorzagen  vóór  het 
optreden  van  Rubens'  plaatsnijders^  waren  ongeëvenaard  in  de  fijnheid 
hunner  bewerking,  in  den  glans  hunner  prenten  van  geringer  afme- 
ting. De  namen  der  gebroeders  Wiericx,  der  Sadeler's,  der  CoUaert's 
worden  nog  altijd  en  te  recht  in  hooge  eer  gehouden.  In  de  grootere 
stukken  en  meer  bepaald  in  die  welke  de  vele  platenreeksen  vormden 
was  de  bewerking  ruwer  en  de  kunstwaarde  minder.  Zij  die  de 
teekeningen  voor  die  gravuren  bezorgden  leverden  meer  blijk  van 
vruchtbaarheid  in  het  vinden  en  gemak  in  het  uitwerken  dan  van 
edeler  gaven.  Zij  waren  altijd  bij  der  hand  wanneer  er  iets  in  beeld 
te  brengen  was  uit  de  heilige  of  uit  de  wereldlijke  Geschiedenis,  uit 
het  rijk  der  Allegorie  of  der  Wetenschap,  waar  er  dieren  of  men- 
schen  of  wat  ook  af  te  beelden  was. 

Hun  voorganger  en  de  vruchtbaarste  uit  de  handvaardige 
schaar  was  Marten  De  Vos  (1532-1603).  Wat  die  voortbracht  aan 
teekeningen  van  allerlei  aard  grenst  aan  het  fabelachtige ;  tellen  kan 


vu 


53 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


men  ze  niet,  men  mag  ze  schatten  op  800.  Geen  pen  bracht  hij  op 
het  papier  of  er  ontstond  een  beelJ,  geen  beeld  was  er  geteekend 
of  een  ander  kwam  er  zich  neven  plaatsen  en  vele  andere  volgden 
om  een  tafereel  te  maken  dat  er  altijd  ordentelijk  uitzag,  nooit  sterk 
aangreep,  maar  nooit  erg  tegenviel;  waar  altijd  leven  en  beweging, 
maar  nooit  groote  kracht  of  eigenaardigheid  in  te  vinden  was.  Met 
hem  triomfeerde  de  kunst  in  de  school  aangeleerd  en  pasklaar  gemaakt 
voor  eenieder,  stoffelijke  kunst  die  werkte  op  de  oogen,  maar  den 
geest  onaangeroerd  liet  en  die  geheel  in  kunstnijverheid  verliep.  Ge- 
woonlijk zijn  het  godsdienstige  onderwerpen.  Zoo  143  stuks  aan  het 
leven  der  eremijten  gewijd,  53  heiligen  van  België,  eene  reeks  van  51 
tafereelen  uit  het  leven  van  Christus  en  een  ander  van  46,  15  vrouwen 
uit  het  Nieuwe  en  20  uit  het  Oude  Testament,  omstreeks  150  andere 
onderwerpen  uit  het  Oud-  en  het  Nieuw  Testament,  8  stuks  in  de  Evan- 
gelicce  Imagines  historice  van  Hieronymus  Natalis,  10  stuks  voor  een 
Missaal,  7  stuks  Christelijke  Deugden,  3  Goddelijke  Deugden,  12  Zinne- 
beelden op  de  Vervolging  der  eerste  Christenen.  Verder  ook  allerlei 
reeksen  van  Deugden  en  Ondeugden,  van  Kunsten  en  Wetenschappen, 
tal  van  Landschappen,  de  Vijf  Zinnen,  de  Vier  Jaargetijden,  de  Vier 
Werelddeelen,  de  Vier  Elementen,  de  Zeven  Planeten,  de  Zeven 
Wonderen,  de  Twaalf  Maanden,  de  Tien  Geboden,  8  stuks  Patria 
libertali  restituta,  134  stuks  in  de  Metamorfosen  van  Ovidius,  14  Bono- 
rum  el  Malorum  Consensio^  zonder  nog  te  rekenen  wat  hij  leverde  ter 
versiering  van  boeken  van  minder  belang. 

Vele  dier  teekeningen  zijn  bewaard.  Het  Museum  Plantin-Moretus 
onder  andere  bezit  nog  8  platen  geteekend  voor  een  Missaal,  waarvan 
wij  er  een  mededeelen  (1582-1588)  en  40  van  de  46  die  hij  maakte  voor 
een  Getijdenboek ;  in  den  Louvre  vindt  men  er  21  :  de  Vier  Kerkvaders 
(1587)  zes  stuks  onderwerpen  uit  het  Oud  en  Nieuw  Testament  (1578, 
1582, 1584, 1585, 1587, 1588),  vier  allegorische  triomfwagens  (1585-1586), 
drie  andere  allegoriën  (1583), een  Jacht  van  edellieden  (1584),  een  prach- 
tige titelplaat  (1588).  De  Albertina  bezit  er  14  uit  de  Geschiedenis  van 
den  Bijbel  en.van  de  heiligen ;  het  oudste  stuk  draagt  het  jaartal  1573,  het 
jongste  1589.  Het  Prentenkabinet  van  het  Rijks-Museum  te  Amsterdam 
bezit  er  5 ;  het  Prentenkabinet  te  Dresden  één,  dat  van  TErmitage  te 
St.  Petersburg  6,  dat  van  Windsor  Castle  één.  Al  die  teekeningen  zijn 
met  de  pen  gemaakt  en  met  bister  gewasschen,  zij  zijn  keurig  uitgevoerd 
zoodat  de  graveur  ze  trouw  en  gemakkelijk  op  zijne  plaat  kon  weer- 
geven. Met  kleine  gekreukte  lijnen  leent  hij  hun  beweging,  met  over- 
vloedige bister-penseeling  maakt  hij  ze  tot  een  soort  van  waterverf- 
schildering. 

Van  Stradanüs  of  Jan  van  Straet  (1523-1605),  den  Bruggeling  die 
naar  Italië  uitweek,  zich  daar  in  Florence  ging  vestigen  en  ontzaglijk 


54 


MARTEN  DE  VOS  : 

DE  KRONING  VAN  MARIA.  —  Teekening  vooreen  Missaal. 

(Antwerpen,  Museum  Plantin-Moretus). 


veel  modellen  voor  de  graveurs  leverde,  bezit  de  Louvre  niet  minder  DE  TEEKE- 
dan  33  teekeningen  meestal  Jachten  en  Dierenstukken,  onderteekend  de  NINGEN  DER 
eene  Stradanus  ftamingho  firenze  1567;   de  andere  Joan  Stradanus  VLAAMSCHE 
Academicus  Florentinus  1596.   Een  enkel  historisch  onderwerp  :   de  MEESTERS 
Koningin  van  Saba,  bevindt  zich  in  het  pak  :  het  is  een  zeer  verdienste- 
lijk werk  geteekend  :   Praticca  della  Strada  fiamingho  1567.  Al  deze 
stukken  zijn  door  de  graveurs  nagesneden. 

Een  andere,  maar  een  weinig  of  niet  gekende  kunstenaar  verschafte 
in  denzelfden  tijd  talrijke  modellen  aan  de  graveurs,  namelijk  Peter 
VAN  DER  BoRCHT,  die  uit  Mechelen  naar  Antwerpen  kwam  en  die  van 
1565  tot  1599  verscheiden  honderden  teekeningen  voor  de  Plan  tij  nsche 
drukkerij  vervaardigde.  Van  al  zijn  werken  is  er  ons  niets  met  zeker- 
heid bekend  dan  15  teekeningen,  berustende  in  het  Museum  Plantin- 
Moretus,  met  veel  zorg  uitgevoerd  in  scherpe  miniatuurachtige  bewer- 
king. Eene  reeks  van  veertig  teekeningen  toehoorende  aan  den  Louvre 
te  Parijs  geteekend  B  en  toegeschreven  aan  Jacob  De  Backer  zal  ook 
wel  van  zijne  hand  zijn. 

Het  archief  van  het  Museum  Plantin-Moretus  deed  ons  dezen 
vruchtbaren  kunstenaar  van  naderbij  kennen.  Vroeger  werden  de 
naamletters  P.  B.,  op  de  platen  door  hem  of  naar  hem  gesneden, 
doorgaans  verklaard  door  •  Peter  Breughel  d  met  wien  hij  niets 
gemeens  heeft.  Men  verwarde  hem  daarbij  nog  met  een  Peter 
VAN  der  Borcht,  landschapschilder^  geboortig  van  Brussel;  van  dezen 
laatste  vonden  wij  in  het  prentenkabinet  te  Berlijn  eene  fijne  pen- 
teekening,  een  landschap,  met  herder  en  schapen,  zijn  monogram 
dragende  en  het  opschrift  Peeter  van  der  Buercht  uan  Brussel  in 
Ausborch  1615. 


[^ 


Crispun  van  den  Broeck  (1530-1601)  werkte  insgelijks  voor  Plantijn. 
In  de  verzamelingen  der  groote  Antwerpsche  drukkerij  wórdt  van  hem 
eene  teekening  bewaard  van  O.  L.  V,  uan  de  zeven  Weeën y  die  door 
Hieronymus  Wiericx  werd  gegraveerd.  Het  British  Museum  bezit  van 
hem  eene  Besnijdenis  uan  Christus,  dragende  zijn  naamletters  en  het 
jaartal  1570,  eene  Ontmoeting  uan  O.  L.  V.  en  Elisabeth  en  eene  tweede 
Besnijdenis;  de  Louvre,  een  Allerheiligen  vs^n  1576  en  eene  Vlucht  in 
Egypte  van  1586;  de  Uffizi  te  Florence,  een  gewrocht  met  allerlei  dieren 
in  verschillende  kleuren,  gedagteekend  van  1588 ;  het  Rijks-Museum 
te  Amsterdam,  twee  stuks  Bijbelsche  geschiedenis  van  1576  en  zeven 
stuks  Allegorien ;  het  Prentenkabinet  te  Berlijn,  een  Jupiter  en  Pluto 
van  1588.  De  meeste  dezer  stukken  zijn  voor  de  graveurs  uitgevoerd. 
Hij  teekent  met  kleine  trillende  pennetrekjes  en  toetsjes  van  bister  op 
eenen  grond  van  chineeschen  inkt  en  verkrijgt  aldus  eenigszins  zwe- 
vende figuren,  maar  toch  treffende  efifekten. 


55 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


Onder  de  historieschilders  van  dien  tijd  blijven  er  ons  een  drietal 
te  vermelden 

De  eerste  Lambert  van  Nooht  (1520-1571),  Van  hem  bezit  de 
Albertina  twee  belangrijke  stukken,  onderwerpen  van  groote  schilde- 
rijen, de  eene  verdeeld  in  vijf  arcaden,  onder  welke  Onze-Lieve- 
Vrouw  drie  apostels  en  een  bisschop-begiftiger  afgebeeld  zijn;  de 
andere  een  groot  stuk  met  de  pen  en  blauwe  waterverf  Christus  bij 
Caïphas,  beide  onderteekend  i  Lambertus  a  Noort  1559.  i> 

De  tweede  is  Frans  Poürbus  (1569-1622).  Van  hem  vinden  wij  in 
het  British  Museum  een  Zondvloed  in  den  trant  van  Frans  Floris  met 
het  onderschrift  •  F.  Pourbus  fecit.  • 

De  derde  is  Denijs  Calvaert  (1540-1619),  een  Antwerpenaar,  die 
naar  Bolonje  trok  en  werkte  in  den  aard  van  Marten  De  Vos.  De  Louvre 
bezit  van  hem  een  Bekeering  van  Paulus,  onderteekend  «  Dionisis 
Calva  .  .  1579  •  en  een  Elièzer  en  Rebecca  «  1570.Dionisi  Calvart;  •  het 
British  Museum,  de  Bruiloft  van  Canaan  van  1591,  de  Moord  der 
Onnoozele  Kinderen,  een  bijzonder  fraai  stuk  en  een  Agnes  met  den 
draak  van  1589. 

Met  Otto  V.cnius  (1558-1629)  treden  wij  de  zeventiende  eeuw  in  ; 
alle  zijne  prentwerken,  en  hij  vervaardigde  er  verscheidene,  verschenen 
na  1600  :  Horatii  hlacci  Emblemata  in  1607,  Amorum  Emblemata  in 
1608,  Vila  D.  Thomae  Aquinaiis  in  1610,  Batavorum  cum  Romanis 
Bellum  en  Hisioria  Septem  infantium  de  Lara  in  1612,  Amoris  divini 
emblemata  in  1615,  Emblemata  sive  Symbola  a  principibus  viris  Eccle- 
siasticis  ac  Militaribus  aliisque  usurpanda  in  1624.  Van  al  de  teeke- 
ningen  voor  deze  gravurenbundels  is  mij  slechts  een  enkel  blad  onder 
het  oog  gekomen  :  het  hoort  toe  aan  het  Prentenkabinet  van  de  Ermi- 
tage te  St.  Petersburg  en  bevat  vier  zinnebeelden.  Op  een  stuk  berus- 
tende in  het  British  Museum  en  onderteekend  Otto  Ven  f,  beeldt 
de  meester  zich  af  aan  zijn  ezel  zittende  en  een  emblema  teekenende. 
De  Albertina  bezit  van  hem  nog  een  portret  van  Giulio  Romano  (Otto 
Venius  del*  .4"  1600)  en  een  portret  van  den  Aartshertog  Albertus,  die 
hem  tot  zijn  hofschilder  had  benoemd.  In  het  Museum  te  Berlijn 
worden  een  paar  stukken  hem  toegeschreven.  Alles  bijeen  maar  weinig 
voor  een  man,  die  zoo  ontzaglijk  veel  voortbracht.  Hij  teekende  niet 
alleen  veel,  maar  goed;  gemak  van  vinding  had  hij  in  groote  mate;  hij 
maakte  met  de  pen  evenals  met  het  penseel  correct  werk,  glad  in  de 
uitvoering,  behagelijk,  maar  zonder  gespierdheid.  Dat  Rubens  veel  van 
hem  leerde  blijkt  ook  uit  zijn  teeken  werk;  de  hoofden  uit  de  Albertina 
brachten  mij  tot  de  overtuiging  dat  meer  dan  een  der  koppen  van 
onbekenden  aan  Rubens  toegeschreven  en  wat  zoeterig  van  trant  van 
zijn  meesters  hand  is.  Het  portret  van  Aartshertog  Albertus  is  om- 


56 


ringd  door  eene  zinnebeeldige  omlijsting,  zooals  Rubens  er  ook  eene  DE  TEEKE- 
teekende  rond  de  portretten  van  de  Infante  Isabella,  van  Olivarez  en  NINGEN  DER 
van  Charles  de  Longueval.  VLAAMSCHE 


MEESTERS 


Van  een  anderen  van  Rubens'  meesters  Adam  van  Noort  (1562- 
1644)  bezitten  wij  veel  meer  teekeningen  ;  zij  zijn  voor  ons  zooveel  te 
belangrijker  daar  het  de  eenige  werken  zijn  die  wij  hem  met  zekerheid 
mogen  toekennen  ;  al  de  schilderijen  toch  die  op  zijnen  naam  staan 
worden  hem  willekeurig  toegeschreven.  Van  groot  belang  zijn  de 
werken  echter  niet,  alleen  leveren  zij  een  bewijs  onder  meer  andere 
dat  Adam  van  Noort  geen  merkbaren  invloed  op  zijne  beroemde  leer- 
lingen uitoefende.  Het  Museum  Plantin-Moretus  bezit  er  veertien  van; 
negen  werden  geteekend  om  tot  modellen  te  dienen  voor  de  plaatjes 
in  Riverus'  Sacruni  Oratorium  en  vijf  voor  Saillius*  Thesaurus  Precum, 
In  den  Louvre  treflfen  wij  er  achttien  aan  :  verscheidene  kinden-  mans- 
en  vrouwenportretten,  een  paar  onderwerpen  uit  de  fabelleer  en  uit 
den  Rijbel ;  vele  er  van  zijn  gedagteekend  met  jaartallen,  die  loopen 
van  1584  tot  1611.  In  de  Albertina  zijn  er  drie,  een  ervan  geteekend 
«  Adam  van  Oort  fecit ;  *  alle  drie  behandelen  Rijbelsche  onderwerpen. 
Het  Rritish  Museum  heeft  een  Noë  en  dochters ;  het  Museum  te  Dresden 
bewaart  onder  den  naam  van  Cos^teri  een  stuk  dat  zijn  naamletters 
draagt  A.  V.  N.,  alhoewel  het  weinig  overeenkomt  met  de  overige 
teekeningen.  Deze  hebben  niets  gemeens  met  Rubens,  zij  laten  als 
trant  van  bewerking  eerder  aan  Marten  De  Vos  denken. 

Max  Rooses. 


57 


DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK  EN 
COLENBRAN- 
DERS 
ONTWERPEN 


DE    DEVENTER  TAPIJTFABRIEK  EN 
COLENBRANDER'S  ONTWERPEN  = 

lOO  min  als  een  photografie  in  staat  is  het 
IdeureflFect  van  een  tapijt  van  Colenbrander 
sveer  te  geven  zoo  weinig  gelooven  we  in  het 
onderstaande  ook  de  eigenlijke  aesthetische 
waarde  van  dezen  vorm  van  toegepaste  kunst 
te  kunnen  toe  lichten.  Er  is  bovendien  al  be- 
trekkelijk veel  geschreven  over  de  voortreflFe- 
lijkheid  van  Colenbrander's  tapijtontwerpen 
en  de  uitmuntende  manier,  waarop  ze  achtereenvolgens  door  de 
Amersfoortsche  en  Deventer  tapijtfabrieken  worden  uitgevoerd.  Vragen 
we  hieronder  dus  nogmaals  het  woord,  dan  is  het  meer  om  nog  eens, 
en  naar  we  hopen  onder  een  nieuw  publiek,  de  aandacht  te  vestigen 
op  dezen  tak  van  zeer  nationale  kunstnijverheid  en  een  ietsje  bij  te 
dragen  tot  de  trouwens  reeds  zeer  bevredigende  verspreiding  ervan. 
Laten  we  dus  trachten  met  onze  eigene  woorden  te  zeggen  datgene  wat 
anderen  vóór  ons  al  met  de  hunne  hebben  gezegd  :  dat  Colenbrander 
een  tot  nu  toe  waarlijk  onovertroflFen  tapijtteekenaar  is  en  dat  de 
Deventer  fabriek  een  inrichting  blijkt,  waar  zijn  werk  wordt  uitgevoerd 
zoodanig  dat  hij  het  niet  beter  wenschen  kan. 

Het  is  intusschen  niet  gemakkelijk  deze  waarheden,  helder  als 
glas  voor  wie  ze  eenmaal  aanvaardden,  ook  aannemelijk  te  maken  voor 
de  hardhoofdigen,  tot  wie  ze  ditmaal  in  hoofdzaak  zijn  gericht. 

Deze  tapijten  zijn  zoo  zuiver  kunst  en  zoo  uitsluitend  gevolg  van 
den  wensch  iets  moois  te  vervaardigen,  dat  ze  behooren  tot  dat  gebied, 
waar  de  menschelijke  geest  slechts  tot  voertuig  moet  hebben  het 
gelouterd  gevoel  om  er  door  te  dringen.  We  bedoelen  daarmee  nu 
niet,  dat  deze  tapijten  tot  hoogere  gedachten  of  moreele  voortreffelijk- 
heden zouden  opvoeren.  Het  tegendeel  is  juist :  ze  zijn  uitsluitend  ver- 
siering en  al  moet  het  voortgezet  verkeer  er  mee  een  opheffenden 
invloed  hebben  op  den  geest,  betoogen  in  eenigerlei  zin  doen  ze  niet. 
Dit  laatste  is  het  bewijs  van  de  aanwezigheid  eener  eerste  deugd. 
De  grootste  fout  van  een  kleed  is  wel  dat  het  een  voorstelling  bevat  : 


58 


TH.  A.  C.  COLENBRANOER  :  TAPIJTONTWERP. 


kleedjes  met  honden  of  herten,  andere  met  bloemruikers  of  met 
wondere  gelijkmatigheid  verspreide  rozen  zijn  zaken,  die  ieder  van 
ons  nog  wel  kent  uit  den  tijd,  dat  de  menschelijke  banaliteit  vrij  spel 
had  in  de  industrie. 

Een  tapijt  van  Colenbrander  is  een  versiering,  een  rand  in  dezen 
toon  rond  een  veld  in  dien  toon,  en  niets  meer!  De  uitdenker  van  deze 
tapijten  is,  in  dit  opzicht,  er  een  in  de  negativiteit  geweest :  hij  heeft 
bergen  geëlimineerd  op  het  gebied  der  vloerversiering;  en  niets  gela- 
ten dan  wat  kleur  en  lijn,  welke  beiden  in  de  practijk  ten  slotte  zich 
samenstellen  tot  een  enkele  functie :  kleurtegenstelling.  Zijn  kleuren 
hebben  nuancen.  In  catalogi  en  in  kunstrecensies  zien  we  deze  tapijten 
aangeduid  als  Lenle^  Tranen^  Artisjok,  Takken,  en  zoo  voort.  Toch  is 
het,  dunkt  ons,  verkeerd  te  meenen  dat  deze  namen  eenigermate 
zouden  aanduiden  welke  «  stemming  :»  aan  de  verschillende  aldus 
betitelde  tapijten  te  hechten  zou  zijn.  Het  is  onjuist  aan  te  nemen  dat  in 
Tranen  iets  droevigers  zou  zijn  dan  in  Lente,  en  in  Takken  iets  meer 
boomachtigers  dan  in  het  kruidachtige  Artisjokken.  M  die  namen  dui- 
den slechts  op  een  vorm  en  samenstel  van  lijnen,  wier  primaire  vorm 
trouwens  verdwijnt  in  den  overvloed  van  andere,  later  bijgebrachte 
versierings-figuren.  De  titels  zooals  we  er  boven  enkele  gaven  en  zoo- 


DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK  EN 
eOLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 


58 


DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK  EN 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 


als  er  nog  meerdere  in  gebruik  zijn,  zijn  niet  meer  dan  namen.  Ze 
dienen  ter  onderscheiding,  maar  duiden  evenmin  als  Jan  of  Piet  een 
eigenschap  van  het  ontwerp  aan. 

Het  is  van  eenig  belang  om  daarop  de  aandacht  te  vestigen,  opdat 
men  ook  hier  weer  niet  hoogere  bedoelingen  gaat  veronderstellen, 
waar  ze  absoluut  afwezig  zijn.  De  symboliek  en  het  mysticisme  zijn 
de  zwakke  zijden  van  onze  moderne  kunst.  Ze  zijn  het  kenmerk  waar- 
door men  de  zwakkere  geesten  constateert ;  en  op  den  duur  vergroo- 
ten  ze  zich  wellicht  nog  eens  tot  den  factor  die  het  werkelijk  aesthe- 
tische  element  vervangt.  Het  zij  dus  nog  eens  herhaald  dat  men  het 
versieringsmotief  bekend  als  Tranen  niet  uitsluitend  behoeft  te  gebrui- 
ken in  eene  rouwkamer  maar  ook  in  eene  eet-,  of  werk-  of  andere 
kamer,  dat  Lente  niet  bij  voorkeur  verbonden  worde  aan  jeugdige 
vroolijkheid  en  Artisjok  niet  bij  de  keuze  van  een  eetkamertapijt  bij 
voorkeur  in  aanmerking  mag  komen.  Men  zal  zeggen  dat  dit  dingen 
zijn,  die  wel  van  zelve  spreken;  maar  toch  bleek  het  reeds  een  enkele 
maal,  dat  dit  voor  sommigen  niet  het  geval  is.  De  liefhebberij  om  bij 
kunstzaken  er  iets  meer  achter  te  zoeken  is  er  allengs  diep  in  geraakt; 
en  men  kan  niet  zorgzaam  genoeg  zijn  bij  zijn  pogingen  haar  weer  uit 
te  roeien  ! 

Wat  Colenbrander  dan  wel  doet  met  zijn  tapijten,  als  hij  niet 
huilt  met  •  Tranen  »  en  lacht  met  a  Lente  *  ? 

Wel,  hij  verschaft  een  verbazend  hecht  kleurfondament  in  uwe 
kamer,  waarop  ge  met  uw  stoelen,  uw  meubelen,  uw  schilderijen  voort 
kunt  bouwen  !  Hebt  ge  een  tapijt  van  Colenbrander  op  uw  vloer,  dan 
weet  ge,  dat  uw  kamer  iets  dragen  kan,  dan  hebt  ge  als  het  ware 
een  symbool  van  de  hechtheid  der  balken  en  der  fundamenten,  waar- 
mee uw  architect  uw  veiligheid  waarborgde  Dit  is  de  symboliek  die 
aan  Colenbrander's  kleursamenstellen  toegeschreven  kan  worden. 
Een  vergelijking  kan  de  waarheid  daarvan  misschien  duidelijker 
maken.  We  denken  er  natuurlijk  niet  aan  hier  nog  de  waanzin  der 
honden-  en  bloemen-tapijtjes  aan  te  halen.  We  denken  slechts  aan 
dingen  die  althans  passabel  zijn,  bijvoorbeeld  aan  een  lichtgrijs  kleed 
met  een  versierings  motief,  dat  uit  ongeveer  cirkelachtige  figuren  is 
samengesteld.  Zoo  'n  kleed  zal  al  heel  weinig  een  fond  zijn,  ook  al 
kwetsen  kleur  en  teekening  nu  niet  bepaald  het  oog.  Men  zal  er  iets 
in  voelen  van  het  wankelende,  dat  den  eerstbeginnenden  fietsrijder 
belaagt,  het  onzekere  dat  eigen  is  aan  alle  figuren,  die  zonder  daartoe 
genegen  te  zijn  tot  de  functie  der  vlakversiering  worden  gedwongen. 
En  het  grijs,  als  hoofdtoon  van  deze  vloerbedekking  zal  u  bezwaarlijk 
voorkomen  in  verband  met  de  sterkere  kleuren,  die  ge  wel  van  zelve 
in  uw  kamer  brengen  moet.  Het  koper  van  een  lichtkroon,  het  diepe 
bruin  van  een  eiken  kast,  de  gloed  van  een  schilderij   dat  alles  zal   u 


60 


Oereproduoeerd  met  de  welwillende  toeateniinlng  van  «  het  Mudelhain  >,  Amsterdam. 
TH.  A.  C.  COLENBRANDER  :  TAPIJT. 

voorkomen  te  wichtig  te  zijn  om  door  dat  lichte  grijs  met  al  de  hoepel- 
achtige figuren  gedragen  te  worden.  En  als  ge  herhaaldelijk  en  te 
vergeefs  hebt  getracht  een  goed  geheel  te  krijgen,  en  verschillende 
meubelen  zonder  resultaat  hebt  geprobeerd,  dan  zult  ge  eindelijk  tot 
de  slotsom  komen,  dat  uw  lichtgrijze  kleed  geen  kleurfondament  voor 
uwe  meubelen  is,  tenzij  het  lichte  breekbare  en  weinig  bruikbare 
dingetjes  zijn  in  een  van  de  Lodewijkstijlen  ! 

Het  vermogen  veel  kleur  en  kleurtegenstelling  te  dragen  nu  bezit- 
ten Colenbrander-tapijlen  in  zulke  een  mate,  dat  ge  niet  bevreesd 
behoeft  te  zijn  dat  eenig  meubelsoort  er  voor  te  wichtig  zou  wezen. 


DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK  EN 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 


vm 


61 


DE 

DEVENTER 

TAPUT- 

FABRIEK  EN 

COLÈNBRAN- 

DER'S 

ONTWERPEN 


Uitzondering  maken  we  natuurlijk  voor  de  Fransche  salondingetjes, 
die  op  een  Colenbninder-tapijt  zouden  slaan  als  een  lelietje  der  dalen 
op  den  rug  van  een  olifant. 

Opeen  stevige  kast  van  Hollandsche  eikenplanken,  die  veel  eeuwen 
heeft  bestaan  en  nog  een  paar  eeuwen  mee  kan  doen,  zet  men  geen 
Louis  XV-penduletje;  maar  men  neemt  daarvoor  van  dat  zware  vaste 
Delflsche  blauw,  dat  zelf  ook  weegt  als  ijzer  en  lood  !  Dezelfde  hechte 
constructie  als  de  eiken  kast  in  Ylaamsche  of  ander  renaissance-stijl 
heeft  het  kleurengamma  van  Colenbrander's  tapijten.  En  ook  voor  de 
eikenplanken  vindt  men  een  equivalent :  het  zijn  de  krachtige  vaste 
kleuren,  die  in  de  Deventer  tapijt-fabriek  aan  de  wol  worden  gegeven. 
We  bedoelen  voor  het  oogenblik  niet,  al  verdient  dat  ook  wel  vermel- 
ding, dat  het  kleuren  der  wol  geschiedt  met  de  grootst  mogelijke  zorg 
voor  de  vastheid  der  kleuren,  zoodat  eerst  een  lange  reeks  van  zomers 
over  een  kleed  moet  gaan  voor  men  een  spoor  van  de  werking  der 
zonnestralen  ontdekt  ;  maar  wel  de  kracht  der  gebezigde  kleuren  uit 
een  aestetisch  oogpunt.  De  afdeeling  der  Deventer-fabriek,  waarin  aan 
de  kleuren  kwestie  de  noodige  zorg  wordt  besteed,  behoort  onder  dege- 
nen, die  aan  de  directie  het  minste  hoofdbrekens  gekost  hebben. 
Het  geldt  immers  het  verstrekken  van  een  materiaal,  dat  geheel  buiten 
de  controle  van  den  ontwerper  omgaat,  die  dus  ook  niet  in  de  gelegen- 
heid is  door  toevoeging  van  een  tint  of  anderszins  aan  eventueele 
gebrekkigheden  tegemoet  te  komen.  Zoodra  de  teekening  het  atelier 
van  Colenbrander  verlaten  heelt  geschiedt  de  uitvoeringvan  het  kleed 
natuurlijk  geheel  mechanisch.  De  wol  wordt  geverfd,  de  verschillende 
kleuren  worden  verdeeld  over  de  bakjes  van  de  werksters,  die  de 
c  puntjes  •  aan  de  kettingdraden  strikken»  volgens  het  hun  verstrekte 
patroon  ;  de  lade  valt  en  een  geheele  reeks  atoompjes  is  langs  zuiver 
machinalen  weg  aan  het  tapijt  toegevoegd.  Andere  werktuigen  grijpen 
het  kleed  aan  en  het  wordt  geacheveerd,  slechts  door  de  blinde  bewe- 
ging van  ijzer  en  staal.  Het  is  dus  duidelijk  dat  de  atoomen  die  zoo 
snel  door  de  handen  der  werksters  gaan,  vooraf  van  zoodanigen  aard 
moeten  zijn  dat  ze  aan  de  illuzie  die  de  artiest  zich  stelde  in  alle 
opzichten  voldoen.  En  dat  gebeurt  in  de  «  chemische  afdeeling  •  der 
fabriek,  alias  de  ververij,  die  thans  onder  leiding  staat  van  den  Heer 
H.  J.  Peters.  Daar  is  het  dat  die  mooie  kleuren  worden,  die  vervolgens 
worden  overgeleverd  aan  die  lange  reeks  van  werkplaatsen  en  machi- 
nes, en  een  gang  gaan,  die  de  wol  brengt  van  den  rug  der  schapen 
naar  den  salon.  We  zullen  hier  niet  spreken  van  die  aandoening 
welke  men  krijgt  wanneer  men  bedenkt  dat  het  vieze  product  der 
natuur  door  een  reeks  van  bewerkingen  vervormd  wordt  tot  een  voor- 
werp, waarop  het  talent  des  kunstenaars  zijn  onmiskenbaren  stempel 
heeft    gedrukt.   De  wonderen  der   techniek  te  beschrijven   is  onze 


e2 


TH.  A.  C.  COLENBRANDER:  TAPIJTONTWERP. 


bedoeling  niet  :  en  zoo  zwijgen  we  ook  over  de  Deventer  fabriek 
zelve,  die  tegelijk  met  den  tegenwoordigen  directeur,  den  Heer  J.  G. 
Mouton  een  artiest  als  Colenbrander  aan  zich  verbond  en  daarmee 
het  recht  verwierf  zich  te  rekenen  onder  de  eerste  kunstnij  verheid- 
instellingen van  ons  land. 

Het  was  voorzeker  een  moedige  daad  van  deze  fabriek,  die 
dateert  uit  de  2de  helft  der  achttiende  eeuw  en  waaraan  natuurlijk 
allerlei  eerbiedwaardige  maar  ook  sommige  lastige  tradities  vast- 
kleefden, een  modern  kunstenaar  te  verbinden  die  met  zijn  kunst- 
revolutionaire opvattingen  menige  gevoeligheid  moest  kwetsen. 

Aan  den  anderen  kant  mag  niet  worden  vergeten  dat  de  Heer 
Colenbrander  in  deze  fabriek,  berekend  op  een  krachtige  productie  en 
die  in  practischen  zin  toch  haar  verleden  had  dat  voor  haar  pleitte, 
gevonden  heeft  wat  hij  noodig  had. Tapijten  te  teekenen  en  de  gelegen- 
heid te  missen  ze  te  doen  uitvoeren,  tapijten  te  doen  uitvoeren  en  de 
kunst  niet  te  verstaan,  ze  in  de  wereld  te  brengen;  het  zijn  beide 
dingen,  van  zeer  geringe  feitelijke  waarde.  Deze  laatste  werd  dan  ook 
eerst  ten  volle  aan  Colenbrander's  talent  toegevoegd,  toen  met  den 
nieuwen  directeur  der  fabriek  de  practische  factor  zich  aan  de  aesthe- 
tische,  zooals  hij  in  Colenbrander  vertegenwoordigd  was,  huwde.  Daar- 
mee kreeg  onze  moderne  « tapijtkunst  ^  (zullen  me  het  maar  voor  een 


DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK  EN 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 


63 


GrppntdiiMfMil  iiu-t  «!•• 
TH.  A.  C.  CüLliNBUANDKH  :  TAPIJT. 


Mflwilleiuio  t«»f>'t«>niming  van     It^t  Modelhuis  »,  AtnsterdMU 


DE 

DKVENÏER 
TAPIJT- 
FABUIEK  EN 
COLENBRAN- 
DERS 
ONTWERPEN 


oogenblik  noemen)  haar  maatschappelijke  waarde;  en  daarmee  werd 
de  weg  gebaand  naar  de  winkeliers,  de  tentoonstellingen,  de  salons, 
in  een  woord  naar  de  bekendheid  bij  en  de  waardeering  van  het 
publiek. 

Dat  dit  voor  dezen  vorm  van  kunstnijverheid  een  levenskwestie  is 
geweest,  behoeven  we  nauwelijks  te  zeggen.  Er  is  geen  zaak  van 
dagelijksch  gebruik,  waarvan  de  productie  een  zoo  uitgebreide  reeks 
van  bewerkingen  vereischt  als  het  tapijt.  Waar  een  stoel,  een  kast, 
een  stuk  koperwerk  nog  dooreen  werkman  desnoods  met  een  enkel 
exemplaar  te  gelijk  gemaakt  kan  worden,  daar  verlangt  het  tapijt 
verschillende  ervaren  werkers  en  vele  machines.  Het  spreekt  dus  wel 
van  zelve  dat  een  kunstnijverheid  als  deze  zonder  steun  van  de  zijde 
van  het  «  kapitaal  •  —  passez-moi  den  zeer  zakelijken  term  —  niet  tot 
ontwikkeling  kon  komen.  In  de  Deventer-tapijtfabriek  bestaat  de 
mogelijkheid  van  een  bekrompen  productie  in  het  klein  met  hand- 
werk en  al  de  euvelen  van  dien,  waarmee  anders  vaak  de  moderne 
kunstnijveren  nog  dweepen,  eenvoudig  niet.  Het  is  een  moderne 
fabriek  geworden,  niettegenstaande  haar  eerbiedwaardigen  ouderdom ; 
de  laatste  uitvindingen  worden  er  in  practijk  gesteld.  Dat  dit  allerlei 
voordeden  met  zich  brengt,  dat  kunnen  we  verzekeren,  en  geen 
nadeelen,  daarvan  overtuigt  men  zich  bij  de  beschouwing  van  Colen- 
brander s  tapijten. 


64 


Gereproduceerd  met  de  welwillende  toestemming  van  <  het  Modelliuis  •,  AmHterdani. 
TH.  A.  C.  COLKNBRANDKR  :  TAPIJT. 

Maar  we  hadden  het  over  de  atomen,  waaruit  de  Deventer-tapijt- 
tahriek  Colenhrander's  kunstwerken  opbouwt.  Natuurlijk  draagt  de 
vervaardiging  daaraan  veel  bij  tot  de  hechtheid  der  aesthetische  kleur- 
sanienstelling  van  deze  tapijten.   Gebeurde  er  alles  niet  met  die  zorg 


G5 


DE 

DKVKNTliH 

TAPIJT- 

FABRIKK  EN 

COI.KNIilUN- 

DEU'S 

()NT\VE1\PEN 


en  nauwgezetheid  waar  het  erop  aankomt  den  wil  van  den  ontwerper 
te  gehoorzamen,  diens  voortreflfelijke  illusies  zouden  eenvoudig  bedor- 
ven worden.  En  juist  daarom  staan  we  voor  deze  tapijten  als  voor 
kunstwerken,  waaraan  geen  andere  hand  raakte  dan  die  des  meesters. 
Het  is  geen  toegepaste  kunst  meer,  maar  de  wenschen  van  Colenbran- 
der worden  in  die  mate  getrouw  door  de  fabriek  vertaald,  dat  de 
producten  diens  kunst  zelve  worden.  We  kunnen  dus  denken  dat 
het  heel  wat  moeite  heeft  gekost  de  machines,  de  grondstof  en  een 
heel  leger  werklieden  en  beambten  te  drillen  tot  de  discipline,  die  een 
voorwaarde  is,  waar  het  er  op  aankomt  de  uitvoering  der  ontwerpen 
een  bijna  volmaakte  te  doen  zijn.  Ze  moet  aanwezig  zijn  ;  en  vandaar 
dat  we  bij  de  bespreking  van  deze  tapijten  geen  rekening  behoeven  te 
houden  met  het  verschil  tusschen  de  illusie  van  den  kunstenaar  en  de 
werkelijkheid.  Deze  tapijten  zijn  als  schilderijen.  Het  streven  en  trach- 
ten van  den  maker  vindt  men  erin  terug;  en  bij  eenige  nauwlettend- 
heid is  het  zelfs  niet  onmogelijk  den  ontwikkelingsgang  na  te  gaan, 
waardoor  het  eenvoudige  motief  en  den  geest  van  den  ontwerper 
groeide  tot  een  compleete  versiering. 

Men  heeft  eens  opgemerkt  dat  het  wel  steeds  onmogelijk  zal 
blijven  schijnen  de  schoonheid  aan  Colenbrander's  tapijten  met  de 
noodige  scherpte  onder  woorden  te  brengen.  En  inderdaad,  waar  men 
tracht  die  woorden  te  vinden  voelt  men  zich  wel  telkens  nader  komen 
bij  het  doel,  maar  tevens  wordt  men  zich  meer  bewust  ervan,  dat  dit 
dóel  nog  niet  bereikt  is.  Het  blijft,  waar  men  de  schoonheid  zelve  met 
woorden  poogt  aan  te  duiden,  bij  een  noemen  van  de  eigenschappen. 
Misschien  vooral  daarom  is  deze  moeilijkheid  zoo  groot  omdat  de 
aesthetische  hoogte  die  Colenbrander  in  zijn  tapijten  bereikt  een 
impressionistische  blijft.  Het  is  iets  meer  dan  kleurtegenstelling  en  wal 
meer  dan  vlakversiering,  In  de  manier,  waarop  de  kleuren  hier  naast 
elkander  komen,  en  vooral  ook  in  de  wijze  waarop  de  versiering  is 
verdeeld  ligt  iets  spontaans,  dat  in  het  impressionistische  schilderij 
zijn  equivalent  vindt  in  de  lyriek.  Men  voelt  het,  het  is  hier  niet  een 
architect  die  zijn  middelpunten  heeft  uitgezet  en  zijn  verhoudingen 
heeft  verdeeld  en  daarnaar  zijn  motieven  uitwerkt  tot  de  vlakversie- 
ring. Maar  deze  en  de  verdeeling  van  het  vlak  moeten  te  gelijk  zijn 
geworden.  Ze  zijn  niet  te  scheiden;  ze  zijn  erbeide  op  neergeworpen 
door  het  artistiek  gevoel,  nog  vóór  het  verstand  den  tijd  had  de 
mogelijkheid  ervan  na  te  gaan.  Ze  zijn  als  de  natuur,  waarbij  alles 
mogelijk  is.  En  de  kleuren  zijn  van  te  hoog  effect  dan  dat  ze  niet  meer 
dan  een  banale  combinatie  zouden  zijn  van  tonen,  die  goed  bij  elkander 
staan.  Er  bestaat  een  onderlinge  wisselwerking,  die  van  het  kleurvlak 
meerdere  kracht  bijzet  en  aan  de  kleurmengeling  een  diepte  van  toon- 
werking  verschaft  zooals  men  diekentop  het  impressionistisch  schilderij. 


6ü 


Gerepruduceerd  met  d«*  welwillende  toevtemming  van  <  het  Modelhuin  >,  AniRterdaro. 
TH.  A.  C.  COLENBRANDER  :  TAPJJT. 


Het  is  een  fout  Colenbrander  s  tapijten  te  vereenzelvigen  met  de 
«  moderne  Kunstnijverheid  •  en  met  de  moderne  kunst  in  het  alge- 
meen. Al  mag  hij  dan  een  voorlooper  heeten,  die  thans  zijn  plaats  in 
de  vaderlandsche  Kunstnijverheid  open  vindt,  de  synthese  van  zijn 
kunst  is  een  heel  andere.  Voor  hem  moet  er  van  illusie  tol  werkelijk- 
heid, van  fantasie  tot  ontwerp,  maar  éen  afstand  zijn,  zonder  rustpunt. 
Zijn  tapijten  kunnen  niet  het  voortbrengsel  zijn  van  verstandelijke 
overweging,  al  duurt  het  misschien  langen  tijd  voor  de  plannen  tot 
deze  tapijten  tot  werkelijkheid  kwamen.  Bij  de  «  moderne  •  schilder- 
kunst en  de  «  moderne  •  kunstnijverheid  ligt  er  een  beteekenisvolle 
é/ape  tusschen  illusie  en  daad.  Het  is  daar  geen  direct  gevoel;  maar 
integendeel  gevoel  in  den  vorm  eener  gedachte.  Men  ziet  het  in  de 
symboliek  en  zoo  deze  afwezig  is,  in  het  meer  overwogene  van  de 
factuur.  Omdat  dit  onderscheid  ons  voorkwam  van  nogal  beteekenis 
te  zijn,  meenden  we  er  in  den  aanvang  uitdrukkelijk  op  te  moeten 
wijzen,  dat  men  uit  de  namen,  die  aan  deze  tapijten  verbonden  zijn,  niet 
moest  opmaken,  dat  het  des  ontwerpers  bedoeling  zou  zijn  er  eenige 
abstracte  beteekenis  aan  te  hechten.  Ze  zijn  kleur  en  teekening,  zonder 
meer.  Juist  die  beperking  van  eigenschappen  moet  ze  in  die  mate 
expressief  doen  zijn.  Een  kleed  van  Colenbrander  op  den  vloer  spreekt; 
en  het  heeft  wel  het  hoogste  expressie-vermogen  dat  met  louter  kleur 
te  bereiken  is. 

We  komen  hier  nu  zelve  weeron  geveer  bij  ons  uitgangspunt  terug  : 
waar  de  kleeden  van  het  voorgeslacht  ons  allerlei  dwaasheden  lieten 
doen  als  honden  op  hun  kop  trappen,  rozen  vertreden  en  het  gezellig 


DE 

DEVENTER 

TAPIJT- 

FABRIEK  EN 

COLENBRAN- 

DER'S 

ONTWERPEN 


67 


DE 

devi:nti:h 

TAPIJT- 
lABHlEK  i:X 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 


samci>//ijn  vanJierders  en  herderinncn  versloren,  daar  spreken  Colen- 
branders tapijten  slechts  van  de  hechtheid  van  den  vloer,  die  ons 
draagt.  Ze  geven  ruimte  aan  de  kamer  en  kracht  aan  de  atmosfeer  om 
den  gloed  van  allerlei  dingen  van  aesthetische  waarde  te  dragen.  Een 
kleed  van  Colenbrander  is  de  basis,  het  fundament  van  heel  ons  inte- 
rieur, omdat  het,  als  kleur  vast,  krachtig  en  harmonieus  is  en  —  ver- 
der niets. 


We  gelooven  dat,  nu  de  Heer  Colenbrander  aan  de  Deventer  tapijt- 
fabriek  verbonden  is,  de  kunsttraditie  haar  wel  niet  meer  zal  verlaten. 
Ook  al  komen  eenmaal  geen  nieuwe  dessins  van  hem  meer  beschik- 
baar, toch,  gelooven  we,  zal  zijn  beginsel  gehandhaafd  blijven  en  ook 
de  volgende  eeuwen  zullen  tapijten  zien  worden,  die  aan  de  door  Colen- 
brander gestelde  voorwaarden  voldoen.  Daarom  moge  in  het  kort  ver- 
meld worden  hoe  de  tegenwoordige  tapijtfabriek  is  ontstaan.  Het  zal 
velen  verbazen  dat  het  aanvankelijk  een  philantropische  instelling  was. 
Naar  de  vroegere  directeur,  de  Heer  J.  G  van  Schermbeek  bij  gele- 
genheid van  het  honderdjarig  bestaan  der  fabriek,  op  24  Augustus  1897 
mededeelde,  klaagde  men  te  Deventer  in  de  tweede  helft  der  xvuri« 
eeuw  zeer  over  de  heerschende  armoede.  Ter  oplossing  van  dit  vraag- 
stuk besloten  schepenen  en  raad  van  Deventer  in  1776  een  of  andere 
fabriek  op  te  richten,  waar  de  armen  van  de  stad  hun  brood  zouden 
kunnen  verdienen.  Ze  loofden  een  premie  uit  van  200  gulden  voor 
dengeen,  die  het  beste  plan  voor  een  fabriek  van  wollen  stoffen  zou 
indienen.  De  Zwitser  Gautier  Lindel  uit  den  Haag  verdiende  zich 
de  premie  voor  zijn  ontwerp  van  een  katoenfabriek.  Deze  echter  wilde 
niet  bloeien;  want  in  1791  werd  weereen  oproeping  gedaan.  Pieter 
Roers  kwam  toen  aan  met  het  idéé  aan  zijn  reeds  bestaande  dweelen- 
fabriek  een  nieuwe  tak  van  nijverheid  toe  te  voegen.  Hoe  het  met  deze 
onderneming  ging  is  niet  bekend.  Mogelijk  is  het  echter  dat  de  •  Fabriek 
van  tapijten,  zeildoek,  enz.  •  door  de  Heeren  Birnie  en  Sauret  in  1797 
opgericht,  een  voortzetting  was  van  Roers*  zaak.  Men  neemt  althans 
de  mogelijkheid  aan  dat  deze  gevestigd  was  in  hetzelfde  gebouw. 
Eenigen  tijd  later  was  de  armoede  in  de  stad  alweer  zoo  groot  dat  op 
aansporing  van  het  armbestuur  twee  Deventer  burgers  zich  met  boven- 
genoemde oprichters  associeerden,  op  voorwaarde  dat  in  de  fabriek 
aan  «  bedelende  personen  genoegzaam  werk  »  zou  worden  verschaft. 
Een  paar  jaar  later  stond  de  stad  Deventer  een  pand  aan  de  fabriek 
af,  opdat  daar  nog  meerdere  personen  werk  zou  worden  verschaft. 

Sinds  dien  gaat  de  philantropische  draad  in  de  geschiedenis  der 
fabriek  verloren. 

We  zullen  hier  van  het  verleden  der  fabriek  verder  niets  zeggen, 
ledereen  kenl  de  reputatie,  die  haar  fabrikaat  allengs  verwiert  en  den 


68 


TH.  A.  C.  COLENBRANDER  :  TAPIJTONTWERP. 


hoogen  dunk  dien  men  had  na  het  artistiek  gehalte  daarvan.  De  vol- 
heid des  tijds  kwam  echter  eerst  toen  de  Heeren  Mouton  en  Colen- 
brander er  aan  verbonden  werden.  Het  was  in  zekeren  zin  een  durf, 
het  nieuwe  element  in  deze  oude  fabriek  zoo  plotseling  in  te  voeren. 
Maar  het  experiment  blijkt  levenwekkend  geweest  te  zijn.  De  fabriek 
heeft  daarmee  haar  plaats  gekregen  in  de  moderne  kunstslrooming. 
Nederland  mag  er  trotsch  op  zijn  nu  zij  meehelpt  de  jonge  in  vele 
opzichten  zoo  voortreffelijke  kunstnijverheid  ingang  te  doen  vinden  in 
het  buitenland,  en  in  het  binnenland  vooral. 

Ten  slotte  mogen  we  er  hier  misschien  wel  even  op  wijzen  dat  de 
fabriek  onder  goede  leiding  staande  en  onder  goede  voorwaarden 
produceerende  dan  toch  niet  de  verschrikkelijke  vijandin  is  van  de 
kunst,  waarvoor  ze  al  te  vaak  is  uitgekreten.  Is  er  iets  aan  te 
merken  op  de  uitvoering  van  Colenbrander 's  tapijten  ?  En  toch  zijn  ze 


DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK  EN 
COLENBRAN- 
DERS 
ONTWERPEN 


DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK  EN 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 


slechts  het  product  van  dat  louter  machinaal-proces  dat  den  ontwer- 
per alle  controle  ontneemt  zoodra  de  teekening  zijn  atelier  verlaat.  De 
Deventer  tapijtfabriek  is  integendeel  een  nieuw  bewijs  voor  de  waar- 
heid, dat  er  slechts  dan  van  ernstige  kunstnijverheid  sprake  kan  zijn 
als  deze  zich  aanpast  aan  de  voorwaarde  der  moderne  techniek,  en 
ook  daarvan  dat  deze  alle  waarborgen  bieden  kan  voor  de  meest 
conscientieuse  uitvoering. 

Ed.  Thorn  Prikker. 


70- 


irTTXICT^ÜTrUïi^Xn^üXr  ^an  onze  eigen 

JVIJilloXJÖlilvlV^llXlj^ill     CORRESPONDENTEN 


UIT  AMSTERDAM 


[J  BUFFA  >  TEN- 
TOONSÏRLLING 
VAN  35  TEEKRNIN. 
GEN  DOOR  J.  VAN 
OORT  A-^  In  ver- 
voering zal  men  niet 
raken  bij  dit  werk  en 
zells  zal  t.e  eerbied,  die  nu  eenmaal  elk 
vlijtig  doorgevoerd  werk  afdwingt,  niet 
verkeeren  in  bewondering 

De  meesten  zullen  er  wel  een  glimlach 
van  appreciatie  voor  over  hebben,  maar 
feller  aandoening  geloof  ik  niet  dat  hel 
kan  opwekken. 

Eigenlijk  is  dat  jammer,  want  er  is 
ontegenzeggelijk  wat  sympathieks  in 
vanOort'skunst.Al  ware  het  alleen  maar 
de  ernst,  waarmee  hij  zich  aanhoudend 
in  zijn  onderwerp  heeft  verdiept,  de 
volharding  waarmee  hij  het  telkens 
weer  heeft  aangepakt.  Er  spreekt  uit  de 
keuze  van  zijn  stoffen  een  verstandige 
beperking,  die  toch  in  elk  geval  op 
zelfkennis  wijst  en  tevens  op  de  liefde 
voor  zijn  vogel- en  kikkerwereld,  voor 
de  groene  schildbladen  van  de  waterlelie 
en  het  vreemde  gestrengel  der  plompe- 
stelen  in  onze  plassen. 

Maar  daarmee  alleen  is  het  niet  ge- 
daan, van  Oort's  teekenmanier  is  éér 
schoolsch  dan  correct,  eer  braaf-uitvoe- 
rig  dan  rijk.  Zijn  kennis  van  den  aard 
en  den  vorm  der  dieren  is  niet  zoo  groot 
als  eigenlijk  noodig  is  om  van  anato- 
misch juist  geteekende  beesten  levende 
wezens  te  maken  en  vooral  niet  toerei- 
kend om  die  vreemde  schepsels  als 
acteurs  onder  regie  van  den  teekenaar 
een  parodie  op  de  menschenwereld  te 
laten  opvoeren,  zooals  Wenckebach  dat 
met  zijn  muizen  kon.  En  als  de  actie 


pathetisch  of  humoristisch  moet  zijn,   KUNST- 

als  bv.  bij  die  kikkers,  die  aan  de  maan-  «pRTfUT'pM 

lichle   slootkant    hun   dooden    makker 

komen  beklagen,  dan  schiet  zijn  kunnen    ^^^  AMSTERDAM 

geheel  te  kort.  Men  moet  ook  haast  wel 

zoo  onbegrijpelijk  knap  als  Oberlander 

zijnom  dieren  te  laten  lachen  en  weenen, 

minnekozen  en  zingen,  alsof  dat  zoo  hun 

eigen  wil  en  wensch  was. 

Een  schilder  in  den  eigenlijk  Holland- 
schen  zin  van  't  woord  is  van  Gort  niet. 
Het  sappige,  volle  is  niet  wat  hij  zoekt 
en  daardoor  missen  dan  ook  zijn  vogels 
zoo  dikwijls  juist  dat  mooi  wal  alleen 
een  puur  schilder  hen  kan  geven.  Ik 
ben  nooit  een  groot  vereerder  van  den 
fabricatieven  Melchior  d'Hondecoeter 
geweest;  maar  ik  beken,  dat  ik  hem  op 
deze  tentoonstelling  beter  heb  leeren 
waardeeren.  En  bij  de  trap  naar  het 
bovenzaaltje  hangen  een  paar  vogels  van 
Hoytema,  waar  men  dezen  keer  maar 
liefst  niet  naar  moet  kijken,  wil  men  in 
H  belang  van  van  Gort  handelen. 

Zonder  te  willen  ontkennen,  dat  deze 
serie  teekeningen  vaak  blijken  geeft  van 
smaak  en  steeds  van  accuratesse  en  zelfs 
met  genoegen  vermeldend,  dat  sommige 
brokken  van  slootkantjesen  waterplan- 
ten prettig  aandeden  —  waartoe  de 
ivoorachtige  strakheid  van  het  perka- 
ment, waarop  ze  geschilderd  zijn, 
meehielp  moet  ik  er  toch  bij  blijven, 
dat  het  geheel  mij  niet  tot  een  hartelij- 
ken  gelukwensch  aan  den  artiest  heeft 
gestemd. 

Sommige  teekeningen  als  bijvoorb.  de 
Aalscholvers,  op  een  omgevallen  dieren- 
tuin-boomstam in  het  water  gezeten, 
herinnerden  met  het  flauwe  verschiet 
en  die  gezochte  gearrangeerdheid  eigen- 
lijk sterk  aan  de  prentjes  uit  een  leer- 
boekje voor  natuurlijke-historie. 


71 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


BIJ  VAN  WISSKLINGH  yC*^  Twee 
teekeningen  van  M.  Bauer;  herinnerin- 
gen aan  zijn  spaansche  reis,  die  hem 
verrijkte  met  krachtige  nieuwe  indruk- 
ken, die  zijn  werkkracht  schijnt  Ie 
hebben  aangezet  en  wellicht  in  de  ont- 
wikkeling van  dezen  kunstenaar  tot  een 
nieuwe  periode  heeft  geleid. 

Het  zijn  groote  kathedraal-interieurs 
met  machtig-stijgende  kolommen  en 
hoogwelvende  bogen,  ruimten  vervuld 
met  amberen  schemering,  waarin  het 
bewegen  van  kleine  menschen,  van 
geestelijken  in  scharlaken,  van  zangers 
in  blauwe  klecdij  aandoet  als  een  voor- 
spelling van  lerugkeerende  roman- 
tiek. 

De  makelij  is  geserreerder,  dan  we  in 
den  laatsten  tijd  van  Bauer  gewoon 
waren,  de  tonen  lijken  dieper  doorvoed 
en  in  hel  geheel  leeft  een  jonge  vreugde 
en  een  gemak  van  decoratieve  groepee- 
ring als  deze  srhilder  van  weeldige 
schoonheid  ons  tot  nu  toe  slechts  als 
uiting  zijner  gelukkigste  stemmingen 
heefl  kunnen  schenken. 
«♦-5^  Een  mooi  schilderijtje  van  Jong- 
kind van  *t  jaar  1870.  Stil  water  met  een 
paar  schuiten.  Zilver-licht  en  van  een 
techniek  die  aan  eenen  kant  naar  fran- 
sche  schilders  als  Monet  aan  den  ande- 
ren naar  oude  Hollanders  als  Dubbels 
wijst. 


BIJ  VOSKUIL  yc*-  Een  hoogst  merk- 
waardig schilderij  van  Albert  Neuhuys 
toen  hij  nog  modellen  in  crinolines 
schilderde;  van  1867.  Twee  dames  in 
een  kamer  van  den  second-empire  tijd. 
--  Eigenlijk  heel  grappig,  al  die  vreemde 
leelijkheden  als  de  deftige  bronzen 
prullaria  op  den  schoorsteen,  het  por- 
tret van  Richard  Hol  in  ovale  lijst  aan 
den  wand,  de  geborduurde  randen 
der  statiegordijnen  aan  het  raam.  het 
rare  asch-spelden-bonbon-bakje  op  de 
ronde  tafel.  Maar  afgezien  van  die 
uiterlijkheden  is  dit  wat  stijve  werk 
van  degelijke  peinture  zonder  valsche 
kleurtjes  en  niet  buiten  zekere  deftige 
charme.  Dat  wil  voor  67  altijd  nogal 
wat  zeggen.  — 

W  V. 


G.  J.  H.  POGGENBEEK  f  5  JANUARI 
1903  yc-^  Na  lang  sukkelen  is  Poggen- 
beek  gestorven.  Dehoop,  die  veel  zijner 
vrienden  hadden  toen  hij  bij  de  opening 
van  de  laatste  ledententoonstelling  op 
Arti,  als  bestuurslid  in  functie,  bijzonder 
wél  scheen,  de  hoop,  dat  de  levens- 
lustige en  nog  niet  oude  man  nog  weer 
eens  volkomen  zou  herstellen,  is  ijdel 
gebleken.  Een  al  te  vroeg  en  te  droevig 
einde  aan  een  leven  van  zooveel  liefde, 
tot  in  de  laatste  dagen  vol  van  droomen 
over  de  heerlijkheid  van  blauwe  luch- 
ten en  het  rijke  groen  der  HoUandsche 
weide. 

Van  het  geslacht  schilders,  dat  den 
verder  afstnanden  criticus  van  later 
dagen  zal  voorkomen  als  een  geslacht 
van  geestelijke  erfgenamen,  van  ver- 
diepers  en  verbreeders  ook  wel,  van 
telkens  andere  gedeelten  uit  de  kunst 
der  Marissen  en  van  Mauve,  van  die 
generatie  was  Poggenbcek  dunkt  me 
wel  een  der  allerbesten.  Zelfstandig, 
hoewel  in  de  traditie  der  Haagsche 
school,  heefl  hij  bescheiden,  maar  met 
groote  overtuiging,  ingetogen,  maar  met 
pittige  kracht,  vroolijk,  maar  zonder 
vertoon,  beminnelijk,  maar  buiten  alle 
zoelelijkheid  weten  uit  te  zeggen  wat 
hij  voelde  voor  ons  HoUandsche  mooi. 

Zijn  leven  lang  heeft  hij  gehouden  van 
de  voorname  manieren,  die  de  schilder- 
kunst der  groote  Hagenaars  heft  boven 
de  uitingen  van  veel  andere  schilders 
der  nu  afgeloopen  eeuw.  En  zoo  was  hij 
wellicht  de  meest  beschaafde  van  dien 
jongeren  kring,  waarmee  bij  gebrek  aan 
nakomelingschap,  ons  tweede  bloei- 
tijdperk  ten  einde  schijnt  te  gaan.  Meer 
nog  dan  de  onze,  heeft  die  generatie  het 
besef  gehad  van  wat  zonder  alle  schijn- 
originaliteit  zuiver  schilders-mooi  was 
en  wijsselijk  is  zij  tevreden  geweest  met 
de  vertolking  van  wat  onze  natuur  zelve 
gul  geeft  op  lederen  zilveren  morgen 
en  in  den  valen  schijn  van  lederen  dam- 
pigen  avond. 

Later  zal  er  wel  eens  gelegenheid  ge- 
vonden worden  op  Poggenbeek's  werk 
terug  te  komen  en  de  aantrekkelijke 
schoonheid  van  zijn  groene  bongerds, 
zijn  malsche  weiden,  zijn  blank  en 
zwarte  koetjes  breeder  te  bespreken; 
voor  't  oogenblik  voel  ik  alleen  de  be- 


72 


hocfle  er  nog  eens  op  Ie  wijzen  dal  deze 
uiterst  bescheiden  kunstenaar,  gevormd 
in  een  tijd  toen  de  Marissen  en  Mauve 
al  beroemd  werden,  zijn  eigen  stijl  heeft 
bewaard  en  dat  het  hem,  die  willen  en 
kunnen  voortrefTelijk  in  evenwicht  wist 
te  houden,  gelukt  is  eigenlijk  nooit  iets 
uit  handen  te  geven  wal  niet  voldragen 
en  niet  echt  was.  Hij  had  een  hekel  aan 
hel  onrijpe  en  zoo  waren  zelfs  zijn 
studies,  —  ik  denk  vooral  aan  enkele 
koeien  en  de  mooie  brokjes  uit  Norman- 
dié  en  Parijs  —  prachtig  doorwerkt ;  hij 
hield  van  het  materiaal  en  kende  het 
grondig  en  zoo  zijn  zijn  teekeningen  en 
schilderijen  haast  altijd  van  een  ver- 
zorgdheid en  een  weligheid  tevens,  als  de 
jongeren,  misschien  ten  bate  van  andere 
eigenschappen,  niet  meer  hebben  be- 
reikt. Hij  wilde  niet  veel  omvatten,  er 
was  niets  weidsch  in  zijn  talent,  maar 
hij  kon  op  zijn  intiem  gebied  gaaf  en 
volkomen  uitbeelden  wat  hij  zag. Verder 
zocht  hij  niet;  composities  zijn  uit  zijn 
atelier  niet  gekomen.  Het  was  zijn  zaak 
niet  verscheiden  indrukken  van  buiten 
te  verwerken  tot  een  éénheid  die  in  zijn 
eigen  ziel  leefde.  Zoo  mogelijk  koos  hij 
zijn  gevallen  direct  zoo,  dat  ze  een 
evenwichtig  geheel  gaven.  Zoo  komt  het, 
dat  zijn  schilderijen  weleens  ver  opge- 
voerde studies  en  zijn  sludies  telkens 
begonnen  schilderijen  zijn.  Men  moge 
gevoelen,  dat  het  toevallige  bij  zulk  een 
werkwijze  een  te  groote  rol  kan  spelen, 
veel  van  het  frissche,  sappige  in  Poggen- 
beek's  kunst  is  aan  die  methode  te 
danken.  Of  wij  nog  een  nieuwe  periode 
van  hem  hadden  kunnen  verwachten, 
ware  hij  behouden  gebleven,  is  een 
vraag  van  weinig  belang.  Kalme  voor- 
uilgang  was  dunkt  me  voor  hem  meer 
de  aangewezen  weg  dan  verrassende 
ontplooiing  van  nieuwe  eigenschappen. 
Maar  het  is  een  allersmartelijkst  besef, 
dat  we  dezen  sympathieken  artiest 
moesten  verliezen,  dat  zijn  loopbaan 
is  gestuit  op  een  leeftijd,  die  voor  een 
schilder  veelal  de  beste  en  belangrijkste 
wordt. 

W.V 


UIT  BERLIJN  


mi 


|E  BERLIJNSCHK 
SKCESSrON  1902-1903 
ƒ  «ZEICHNENDK 
KÜNSTE  »  A^  De 
vroegere  benaming 
dezer  grafische  expo- 
sities «  Zwart-Witten- 
toonstelling  »  is  sedert  lang  in  onbruik 
geraakt,  omdat  zij  tegenwoordig  buiten 
teekeningen,  etsen  en  gravuren  zelfs 
groote  aquarellen  en  pastellen  omvatten. 
Alleen  bij  bepaalde  olieverfschilderijen 
wordt  de  grens  getrokken.  De  tentoon- 
stelling van  dit  jaar  is  van  buitenge- 
wone beteekenis  omdat  zij  ook  uit  het 
buitenland  uitgebreide  en  belangrijke 
inzendingen  ontving. 

Het  meest  beteekenende  werk  leverde 
wel  Theophile  Steinlen  (Parijs),  die  door 
meer  dan  150  teekeningen,  schetsen, 
gravuren  en  lithographien  vertegen- 
woordigd is;  en  hoewel  zijn  aanplak- 
biljetten, waardoor  hij  misschien  het 
meest  bekend  werd,  geheel  ontbreken, 
krijgen  we  hier  toch  een  voorstelling 
van  den  buitengewonen  omvang  van 
zijn  talent.  Hij  wekt  onze  belangstelling 
met  ieder  blad,  onze  bewondering  door 
de  zeldzame  vastheid  en  juistheid  van 
toets  waarmee  hij  ons  de  menschen 
minder  vaak  het  landschap^  voor  oogen 
stelt;  H  zij  dat  het  werkstakende  arbei- 
ders zijn  met  enkele  flinke  halen  ge- 
schetst, of  verlepte,  hysterische  mon- 
daines,  in  bijna  spookachtig  ijle  litho- 
graphien van  de  teerste  en  wazigste  om- 
trekken, of  Parijsche  artislen,  of  grove 
boerinnen.  —  Wat  zijn  objectiviteit  be- 
treft is  hij  bijna  onovertroffen;  met  mee- 
dogenlooze  scherpte  ziet  en  geeft  hij  de 
menschen  weer.  Dit  heeft  weliswaar 
ten  gevolge,  dat  wij  bij  zijn  voorstel- 
lingen niets  van  warmte  in  ons  voelen 
overgaan  In  zijn  Visioen  van  Victor 
Hngo  bijv.  proeven  wij  nog  geheel  het 
verstandwerk,  dat  er  aan  voorafging. 

Voor  Otto  Greiner  uit  Rome  heeft  men 
eveneens  een  geheele  zaal  ingeruimd. 
Het  best  is  hij  in  zijn  portretten.  Die 
steendrukjes  zijn  verrassend  levendig 
van  effekt.  Ook  als  decoratief  artist  mag 
hij  tot  de  besten  gerekend  worden ;  in 
het  prachtige  blad  Aan  Max  Klinger,  in 


KUNST- 
BERICH'IEN 
UIT  BERLIJN 


73 


KUNST- 
BERICHTEN 
ürT  BERLIJN 


zijn  Cantateproyrammn,  in  zijn  Uitnoo- 
diginyskaarien  voor  arlislenfeesljes,  en 
en  zelf  op  een  zoo  verwaarloosd  gebied 
alsSc/i/i//e/*sd/p/o/im's  ontwikkelt  hij  zulk 
een  talent  dat  aan  al  zijn  producties  een 
nieuw  en  frisch  leven  mededeelt.  In  de 
voortbrengselen  zijner  fantasie  kunnen 
wij  hem  minder  goed  volgen,  ook  bij 
hem  wordt  de  werking  der  verbeelding 
door  het  verstand  overheerscht. 

De  medewerkers  aan  Simplicissimus 
en  Jagend^  de  schild ersbent  Karlsruhe, 
waaronder  meer  bepaald  Hans  von 
Volckmann,  en  de  Worpstveders  zijn 
allen  uitstekend  vertegenwoordigd.  On- 
derde Berlijners  vooral  MaxLiebermann 
met  studies,  schetsen  en  aquarellen  uit 
Italié,  —  Walter  Leistikow  met  een  im- 
portante reeks  teekeningen,  die  ons  een 
goeden  blik  geven  op  hel  werk  van  dezen 
meest  volmaakten  vertolker  der  Mark 
Brandenburg,  —  Ludwig  von  Hofmann, 
met  een  groot  ontwerp  van  een  fries 
voor  de  muren  van  het  Berlijnsche 
Standesamty  en  verder  nog  tallooze  an- 
deren. Slechts  enkele  namen  te  noemen 
zou  ons  tegenover  velen  onrechtvaardig 
doen  zijn,  voor  éen  maar  wil  ik,  omdat 
hij  nog  te  weinig  bekend  is,  een  uilzon- 
dering maken  :  voor  Paul  Baum,  wiens 
landschappen  in  pastel  van  onvergelij- 
kelijke teerheid  en  wazigheid  zijn:  het 
teere,  donzige  waas  van  de  boomen,  is 
recht  van  de  werkelijkheid  afgezien  en 
weergegeven. 

Holland  wordt  vertegenwoordigd  door 
Jozef  Israéls,  die  enkele  voortreffelijke 
etsen  inzond  :  Kinderen  van  de  Zee,  de 
Wieg,  Avonduur,  Nettenboeten.  De  ets 
van  Jan  Velh  Kop  van  een  ouden  Boer  is 
buitengemeen  plastisch  en  wèèr  :  zel- 
den heb  ik  Velh  zoo  slerk  in  de  expressie 
gezien  ;  een  geheele  reeks  gesteendrukte 
portretten  verbleeken  tegenover  deze 
ets,  hoewel  daaronder  ook  uitstekende 
koppen  zijn  te  vinden.  —  De  Engelsch- 
man  John  Whisller  bereikt  in  zijn  etsen 
en  schetsen  de  meest  verbazende  licht- 
effecten met  enkele  weinige  halen  die 
heel  fijn  en  voorzichtig  zijn  gedaan  : 
hij  is  een  meester  in  de  kunst  om  in 
zeer  klein  bestek  ons  een  geheele  haven 
met  schepen,  menschen  en  al  voor 
oogen  te  tooveren.  Onder  de  Skandi- 
naviérs  staat  Anders  Zorus  met  zijne 
portretten  in  de  voorste  rij. 


KUNSTZAAL  KELLER  &  REINER  f 
t  OTTO  FXKMANN  >c^  De  nalaten- 
schap van  Otto  Eckmann  in  het  kunst- 
zaaltje  van  Keiler  en  Reiner  gaf  ons 
slechts  een  zeer  onvolkomen  beeld  van 
het  kunnen  van  dezen  te  vroeg  gestorven 
artist.  Door  het  toeval  alleen  was  bijeen 
gescharreld  wat  hier  op  't  gebied  van 
boekversiering,  tapijten,  schilderijen, 
en  meubelen  ten  toon  was  gesteld.  Niet 
alleen  als  Anreger  op  H  nieuwe  gebied 
van  toegepaste  kunst  heeft  Eckmann 
zich  verdienstelijk  gemaakt,  maar  hij 
heeft  ook  werkelijk  oplossingen  voor 
een  geheele  reeks  vraagstukken  gevon- 
den. Meer  dan  nauwlijks  iemand  anders 
met  fijn  begrip  voor  het  wezen  van 
vormen  en  materiaal  begaafd,  zal  zijn 
invloed  zich  vooral  doen  blijven  gelden 
op  het  gebied  van  boekversiering  en 
binderij.  De  banden,  die  hij  voor  de 
firma  S.  Fischer,  vooral  die  welke  hij 
voorde  uitgaven  van  Ibsen  en  Haupl- 
mann  ontworpen  heeft,zijn  meesterlijk ; 
het  monumentale  van  een  zoo  eenvou- 
dige vorm  als  bijv.  de  7  op  het  tijd- 
schrift die  Woche/is  bijna  onovertroffen. 
In  Duitschland  heeft  de  toegepaste  kunst 
door  zijn  dood  een  onherstelbaar  ver- 
lies geleden. 

KUNSTZAAL  VAN  EDUARD  SCHUL- 
TER  >  GROUP  OF  GLASGOW  LAND- 
SCAPE PAINTERS  /e*.  Waar  we  ook 
de  Schotten  binnen  vier  muren  ontmoe- 
ten, trekken  zij  ons  altijd  door  het 
intieme  in  hun  opvattingen  aan  ;  er 
zijn  maar  weinig  landschappen  die  zoo 
precies  in  het  kader  van  een  behagelijk 
interieur  schijnen  te  passen.  Maar  waar 
we  de  Schotten  zien  optreden  als  groep 
doet  zich  hun  werking  veel  geringer 
gevoelen  :  hun  ontbreekt  de  krachtige 
persoonlijkheid,  die  het  landschap  op 
geheel  eigenaardige  wijze  ziet  en  ons 
dwingt  om  het  op  dezelfde  wijze  te 
bekijken.  Alleen  A.  Brownlie  Duchartie 
schijnt  mij  zulk  een  persoonlijkheid  te 
zijn  die  ook  in  zijn  motieven  meer  dan 
een  der  anderen  naar  het  breede  en 
groütsche  uitgaat,  frisscher  en  scherper 
waait  hier  de  wind,  het  is  maar  niet 
zoo  alleen  zachtjes  wegschemeren  in 
droonien. 


74 


^^^^^^•^^^^     ^^^^^^^^^'^  KUNST- 


PAUL  CASSIRER'S  KUNSTSALON  > 
FRANSCHKN  >o^  Een  twaalftal  schil- 
derijen van  Guslave  Courbet,  zijn  nóch 
voldoende  nóch  geschikt  om  ons  den 
grooten  realist  genoegzaam  te  doen 
kennen,  maar  op  een  zijde  van  zijn  kun- 
nen, het  landschap,  werpen  zij  toch  een 
helder  licht.  Wondermooi  van  harmonie 
zijn  bijv.  :  de  kleuren  op  zijn  groot 
doek  Schimmel  op  hol  In  den  avond- 
schemer  van  het  groene  woud  met  een 
licht  uitkijkje  in  de  verte,  de  appel- 
schimmel met  vier  geheel  zwarte  bee- 
nen  in  geslrekten  galop  en  geelgrauw 
zadel.  De  Sneeuwstorm,  eveneens  in 
groot  formaat,  de  reusachtige  witte 
vlakte,  de  dennenboomen,  de  half  be- 
dolven postwagen,  alles  in  plastische 
helderheid  gezien.  Andere  wintergezich- 
ten die  zich  lot  bruinrood  en  wit  bepa- 
len, maken  een  eenigszins  droogen  in- 
druk ;  daarentegen  zijn  de  kleine  land- 
schapjes  in  */  Bosch,  met  zijn  vroege 
herfststemmlngen  het  dal  van  Inlerlaken 
vol  glanzend  en  doorschijnend  licht. 
De  Kerk  van  Chaillg  van  J.  F.  Millet  is 
een  van  zijn  meest  typische  werken. 
De  voorgrond  :  groene  akkers  met  een 
versch  omgeploegd  brok  grond,  de 
weide  met  schapen,  de  hofsteden,  de 
kerk,  men  voelt  het  leven  in  dit  alles  en 
ademt  letterlijk  de  frissche  lucht.  Van 
Rousseau  is  er  niets  als  een  Gebergte, 
dat  ons  heel  koud  liet,  van  Corot,  hoe- 
wel geen  zijner  intieme  landschappen, 
toch  enkele  goede  stukken  :  Meisje  met 
Tortelduif^  geheel  in  zilvergrauwen 
toon  gehouden,  het  roode  kleedje  los, 
evanals  hel  blauwe  lint  om  de  haren, 
de  Leerlooierij  bij  GisorOj  enkel  in  wit 
en  grauwe  lonen  en  de  Weg  bij  een 
glanzende  Zomerdag,  waar  de  lichtjes 
van  de  zon  door  de  hoornen  heen  naar 
de  groene  aarde  dringen. 

W. 


UIT  BRUSSEL 


IkNT  o  ONSTELLING 
MAURITS  BLIECK  ƒ 
KUNSTKRING  > 
24  NOVEMBER-3  DE- 
CEMBER 1902  yc^ 
Onder  onze  jonge 
schilders  die  recht- 
streeks volgen  op  de  generatie  die  ons 
Victor  Gilsoul  en  Eugène  Laermansgaf, 
is  Maurits  Blieck  één  der  krachtigste 
en  meest  begaafde.  Er  is  kleur  en 
kruim  in  zijn  werk,  twee  dingen  die 
immer  eigen  zijn  geweest  aan  de  goede 
schilders  van  ons  land.  Zijn  penseel- 
streek is  beslist  en  breed.  Hij  schildert 
met  geestdrift  en  in  de  volle  verf, 
maar  niet  ten  koste  van  oprechtheid, 
houding  en  distinctie.  Nooit  verliest 
hij  de  eischen  van  schikking  en  samen- 
stelling uit  hel  oog.  Hij  ordent,  kiest 
uit,  verplaatst,  zelTs  dan  wanneer  hij 
de  heerlijke  natuur  naar  het  leven 
schildert.  Hij  verafschuwt  dat  bande- 
looze,  dal  onsamenhangende,  dat  zoo- 
lang voor  9  impressionnisme  •>  doorging. 
Er  was  verscheidenheid  zoowel  in 
onderwerp  als  in  werkwijze  in  de  drie- 
ën-twintig doeken  welke  hij  in  den 
Kunstkring  te  Brussel  ten  toon  stelde. 
Als  een  oprecht  schilder,  als  een  vol- 
komen kunstenaar,  wenscht  de  heer 
Blieck  uil  te  drukken,  alles  wat  hij  van 
het  heerlijke  schouwspel  van  het 
aardsche  leven  in  zich  opgenomen 
heeft.  Ook  oefent  hij  zijne  penseelen  en 
zijn  oog  tot  het  behandelen  van  alle 
genres.  Hij  beperkt  zich  niet  tot  een 
enkel  vak,  dat  zooveele  handige  en  te 
zeer  ervaren,  om  niet  te  zeggen  al  te 
slimme  specialisten  in  herhaling  doet 
vervallen,  en  vandaar  lot  kunstgrepen 
en  o  chic-  •*  schildering  brengt.  Zoo  hij 
tot  nogtoe  uitmunte  in  het  landschap, 
begint  hij  nu  reeds  de  figuur,  het 
portret,  zelfs  het  naakt  aan  te  durven 
met  een  zelfvertrouwen  en  een  gemak 
van  werken  dat  ons  latere  werken  van 
eersten  rang  belooft.  Ik  wil  hier  enkel 
vermelden  :  zijn  vrouw  in  het  zwart, 
Weemoed,  die  in  de  laatste  tentoon- 
stelling van  Gent  zeer  werd  opgemerkt; 
een  belangrijk  mansportret;  een^  inte- 
rieur met  figuren  getiteld  Schumann  en 


HKRICHTKN 
UIT  BRUSSEL 


75 


•KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BRUSSEL 


een  Vrouw  voor  den  Spiegel,  üit  al  deze 
doeken  blijkt  een  zoeken,  een  liefde- 
volle studie  van  lichtspeling  en  kleur- 
schakeering,  van  tegenstellingen  en 
vervloeiïngen,een  strevenom  mensclien 
en  dingen  te  schikken  tot  een  karakter- 
vol geheel;  een  prijzenswaardige  neiging 
om  den  stijl  van  een  onderwerp  te 
vatten  en  te  doen  uitschijnen,  wat 
Taine  in  deze  drie  punten  bepaalde  : 
de  belangrijkheid  van  het  karakter;  het 
weldadige  van  het  karakter  en  het 
samenwerken  der  indrukken. 

Dit  zijn  nu  nog  maar  pogingen,  maar 
pogingen  die  werken  beloven,  die  zich 
zullen  opdringen.  Wij  juichen  van  harte 
deze  oprechtheid,  dit  streven,  deze 
zelfbeheersching  toe. 

Voor  hel  oogenblik,  zooals  ik  reeds 
zei,  uit  zich  het  talent  van  den  heer 
Blieck  met  den  meesten  luister  en  de 
meeste  kracht  in  het  landschap.  Er 
waren  er  prachtige  tentoongesteld ; 
ik  vermeld  slechts  :  De  Wolk  (toebe- 
hoorend aan  Mevrouw  Osterrieth,  te 
Antwerpen),  Onderde  vluchtende  wolken, 
In  de  heide,  Winter  in  de  Kempen,  met 
prachtige  horizonnen,  luchten,  samen- 
gesmolten tinten,  plans  en  lijnen  — 
zoo  eigenaardig  in  hun  samenstel- 
ling, en  •  een  weelde  van  kleuren,  die 
den  waren  schilder  verraden.  Alleen 
de  titels  van  enkele  dezer  schilderijen 
duiden  reeds  aan  hoeveel  de  heer 
Blieck  houdt  van  ruimte,  licht,  van  de 
vlucht  of  de  trage  optocht  der  fantas- 
tische wolken  door  het  blauwe  hemel- 
veld.  Van  den  bodem  zelf,  vat  de 
schilder  tot  hiertoe  het  zichtbare  en 
soms  wrange  uiterlijke  ;  hij  vertolkt  er 
met  driestheid  de  rijke  en  schilder- 
achtige zijden  van.  Zijne  landschappen 
zijn  wat  men  noemen  mag  «  waag- 
stukken •  en  om  een  vergelijking  aan 
de  muzikale  wereld  te  ontleenen,  schijnt 
me  de  kunst  van  den  heer  Blieck  op 
dit  oogenblik  uit  te  munten  in  het 
scherzo  —  zijn  kunst  zingt  met  een 
jeugdig  lyrisme  dat  nog  geen  verfijnde 
indrukken  zoekt.  Zij  spruit  uit  hem, 
spontaan  onweerstaanbaar.  Het  is  een 
mooi  temparement  dat  zich  geeft  en 
voorbrengt  zonder  tellen.  Men  krijgt 
den  indruk  van  een  eerlijke  visie  en 
een  gezond,  zij  het  dan  ook  nog  wat 
ruw  gevoel.  Zonder  twijfel  zal  hij  later 


wat  dieper  voelen,  en  de  t  ziel  >  van  het 
landschap  ontdekken;  zal  hij  er  het 
innigste  wezen  en  karakter  van  door- 
gronden, en  er  ons,  als  een  Heymans, 
een  Courtens  of  een  Claus  de  trilling  en 
geheimste  gedachte  van  mcdedeelen? 
In  afwachting  dat  hij  ons  aangrijpende 
en  bevende  Adagio's  zingt,  loopt  hij 
over  van  juichende  blijdschap  en  ver- 
wekt onmiddellijke  sympathie. 

De  landschappen  die  hij  zag  in  Hol- 
land, in  Frankrijk  —  vooral  in  de  om- 
streken van  Fontaineblcu  —  in  Vlaan- 
deren, aan  de  boorden  van  de  zee  of  in 
de  Kempische  heide,  trokken  hem  aan 
door  het  frissche,  dadelijk  vatbare, 
levendige  van  hun  mooi,  door  wat  zij 
hem  veropenbaard  hebben  bij  hunne 
eerste  ontmoeting.  Zoo  werd  hij  ook 
geboeid  door  het  schilderachtige,  sugges- 
tieve en  eigenaardige  van  zekere  stads- 
hoekjes. Ik  vermeld  enkel  zijn  Herinne- 
ring uit  Holland  met  een  gezicht  op 
Dordrecht,  met  heerlijk  verzachte  en 
versmolten  tinten  als  van  oostersche 
tapijten,  een  ware  Venitiaansche  in- 
druk door  de  veelkleurigheid  der  gevels; 
en  over  dit  alles  een  hooge  distinctie, 
een  heerlijk  tafereel  waaraan  een  eigen- 
aardige omlijsting  nog  meer  voornaam- 
heid bijzet.  Ik  wil  nog  vermelden  zijn 
Trekschuiten  bij  avond,  eveneens  in 
Holland  geschilderd,  zijn  Zonnige  vaart, 
met  zulke  schitterende,  schakeeringen, 
frische  en  ik  zou  haast  zeggen  schalk- 
sche  tinten,  zoo  zeer  leggen  zij  getuige- 
nis af  van  de  goede  luim  en  de  kleuren- 
weelde  van  den  schilder. 

Ik  heb  ook  met  genoegen  een  aangrij- 
pend zeegezicht  teruggevonden  :  De 
Golf,  gelukkig  door  den  Staat  (d.  w.  z. 
door  den  heer  Ernest  Verlant)  aange- 
kocht. Dit  siuk  bewijst  dat  onze  jonge 
schilder  zich  ineens  verhief  tot  de  hoogte 
van  onze  beste  Noord-Nederlandsche 
marinisten,  als  Mesdag  b.  v.  —  Dit  is 
wel  een  levendige,  ontstuimige  water- 
golf, vloeibaar,  en  niet  van  geschilderd 
blik  of  bordpapier,  zooals  maar  al  te 
dikwijls  het  geval  is  bij  zoogenaamde 
zeegezichten  ;  zij  draait,  zij  kolkt,  zy 
duikelt  neer,  spreidt  zich  open,  schuimt; 
men  hoort  haar  bijna  razen  en  huilen. 

De  Stroom,  een  ander  schilderij  dat 
mij  lief  is,  munt  uit  door  de  pracht  en 
de   aantrekkelijkheid    van    de    streek. 


76 


evenzeer  als  door  de  adel  en  de  sappig- 
heid der  uilvoering,  een  knap  stuk 
werk,  een  museumschilderij. 

Wal  de  tenloonstelling  van  den  heer 
Blieck  vooral  belang  bijzette,  is  dal  hij 
in  al  zijn  werken  heeft  afgebroken  mei 
de  sombere,  gepatineerde,  met  bruin 
overgoten  verf  der  oude  schilderijen. 
Hij  is  nu  helder  en  lichl  als  de  beste. 
Hij  dorst  naar  zon  en  stroomenden 
ether.  Door  zijn  schilderijen  waait  de 
dartele  bries  van  de  zee  en  van  deNoor- 
derlijke  velden.  Ik  mag  zelfs  zeggen  dal, 
vergeleken  bij  de  vorige  tentoonstellin- 
gen van  Blieck  er  nu  een  vooruitgang 
vall  waar  te  nemen,  die  wel  een  her- 
schepping heeten  mag.  Zoo  innig  gevoeld 
zijn  deze  indrukken,  zoo  geestdriftig  en 
overvloeiend  is  deze  schildering,  dat  zij 
het  werk  schijnt  te  zijn  van  een  pas 
genezen  jongeling,  die  spoedig  weer 
herleven  wil,  en  dorst  naar  pantheïs- 
tische vreugde  en  levensweelde. 

G.  E. 

^^^^^^^^^^ 

DE  XLIII«  TENTOONSTELLING  DER 
AQÜARELLISTEN  ƒ  IN  HET  MO- 
DERNE MUSEUM  ƒ  VAN  6  TOT  31 
DECEMBER  1902  ju^  De  tentoon- 
stelling  der  waterverfschilders  is  eiken 
winter  een  aangename  verpoozing  tus- 
schen  de  bestendige  en  overvloedige 
uitstallingen  van  olieverfschilderijen. 
De  oogen  zijn  verblind,  vermoeid  door 
zooveel  kleurenschittering,  en  rusten 
gaarne  op  de  meer  bescheiden  en  inge- 
togen uitingen  der  aquarel.  Zoo  ge- 
voelt men  ook  na  het  machtig  jubelen 
van  het  volle  orkest,  een  behoefte  aan 
de  zachte  droomerige  en  teedere  kamer- 
muziek. De  schilders  zelve,  na  den 
kunststrijd  die  ze  streden  vóór  hun  doek, 
zoeken  rust  en  uitspanning  in  de  minder 
geweldige,  minder  hartstochtelijke  proe- 
ven op  het  whatmann-papier.  Déze 
kunst  is  een  verpozing  voor  gene. 

Onder  de  werken  die  het  meest  mijne 
aandacht  trokken  op  de  43«(e  tentoon- 
stelling  der  Waterverfschilders,  wil  ik 
naar  mijn  beste  herinnering  de  volgende 
aanstippen  :  prachtige  marinen  van 
A.  Marcette,  een  kloek  en  volhardend 
kunstenaar,  wiens  talent  steeds  vooruit- 
gaat en  die  zich  heden  reeds  uitdrukt 
met  het  gezag  van  een  meester;  de  wer- 


ken van  Stacquet,üytterschaut,Cassiers, 
Hagemans,  die  sinds  lang  aan  het  hoofd 
der  Belgische  school  staan  en  die,  zon- 
der ons  iels  nieuws  te  laten  zien,  zoo 
flink  hunne  geliefkoosde  onderwerpen 
omwerken,  dat  deze  zich  steeds  zoo 
frisch  en  zoo  levendig  voordoen  als  in 
den  aanvang;  de  gevoelde  kerk-inlérieurs 
van  Delaunois,  een  jong  kunstenaar  dien 
men  vaak  bij  den  Nederlander  Bosboom 
vergeleken  heeft  en  wiens  werk  inder- 
daad trekken  van  overeenkomst  met  de 
kunst  van  dezen  meester  heeft,  voor 
zoover  het  mogelijk  is  de  gevoelvolle 
en  droomerige  katholieke  godsdienst 
van  onzen  landgenoot  met  het  ernstige 
protestantisme  van  wijlen  den  beroem- 
den Nederlander  te  vergelijken  ;  de 
smakelijke  en  flink  opgevatte  landschap- 
pen van  Theodore  Hannon,  dien  schit- 
terenden schilder  die  ook  een  waar 
dichter  is;  de  aantrekkelijke  en  krach- 
tige aquarellen  van  Amedée  Lijnen .;  een 
Asschepoester  van  Evariste  Carpentier ; 
de  Zonnebloemen  en  Intérieur  van  Jacob 
Smits,  een  zeer  eerlijk  kunstenaar,  die 
zijn  werk  bestudeert  en  medeleeft,  en 
er  een  aandoening  en  passie  weet  in  te 
leggen  als  in  een  akte  van  geloof;  de 
interieurs  en  landschappen  geleekend  : 
Frans  van  Leemputten,  een  ander  eer- 
lijk vertolker  van  het  buitenleven,  wiens 
werken  door  hun  karakter,  hun  uit- 
drukking, en  hun  poëzie  zoo  suggestief 
zijn,  zoo  innemend  door  hun  juist-gc- 
zienheid,  zoo  persoonlijk  en  zoo  malsch 
in  hunne  uitvoering;  Het  geheim  van 
Fernand  Khnopff,  die  steeds  de  meester 
is  der  aristocratie  en  van  het  dandysme  ; 
levendige,  kranige  militaire  tooneelen 
van  Joseph  Van  Severdonck ;  ten  slotte 
het  merkwaardige  werk  van  Isidoor 
Verheyden  die  ons  met  kracht  het  inge- 
togen Vlaanderen  toont,  de  Vlaamsche 
ziel  doet  oprijzen  en  zingen,  en  voor 
onze  oogen  den  ruigen  en  sappigen 
bodem  van  het  geliefde  land  doet  tril- 
len, waar  de  gorige  maar  vruchtbare 
atmosfeer  wasemt ;  enkel  wil  ik  van 
dezen  meester  aanstippen  :  De  Winter^ 
de  oude  Molen^  de  oude  Hofstede^  Trek- 
schuiten op  de  Schelde  en  het  Moeras. 

Onze  Belgische  waterverfschilders 
maken  uitstekend  figuur  naast  hunne 
geduchte  collega's  uit  den  vreemde. 
Hieronder  een  heele  groep   Italianen  : 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BRUSSEL 


77 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BRUSSEL 


Brugnoli,  Cabriani,  Cipriani,  Luigini  en 
Tarenghi;  dan  de  te  recht  beroemde 
Hollanders:  Van  der  Waay,  Hendrik 
Mesdagh,Oppenoortb,Rink  en  Melchers ; 
de  Amerikaan  Robinson,  die  als  een 
ware  Vlaming  marktlooneelen  te  Brugge 
behandelt ;  de  Engelschman  Charles 
Bartlett,  steeds  een  fijn  opmerker  en 
bescheiden  humorist;  de  Franschman 
Gaston  La  Tombe  wiens  drie  stukken 
ver  boven  die  van  zijne  landgenooten 
staan ;  eindelijk  talrijke  Duitschers, 
waaronder  Skarbina  en  Deltman. 

^  ^^  ^^^^  ^^^ 

TENTOONSTELLING  WILLEM  VAN 
STRIJDONCK  EN  FRANS  TAELMANS 
IN  DEN  KUNSTKRING  >  DECEMBER 
1902  yC^  Een  vleiend  succes  in  den 
Kunstkring  voor  de  tentoonstellingen 
der  werken  van  Willem  Van  Strydonck 
en  Frans  Taelmans.  De  eerste  is  een 
volbloed  Vlaming,  kunstenaar  door  zijn 
oorsprong  en  door  zijn  temperament, 
en  die  bij  zijn  eerste  slappen  zich  op- 
drong, in  die  heldhaftige  dagen  van 
het  ontstaan  van  den  Es^or  en  de  Twin- 
tigen. De  heer  Van  Strijdonck  is  ge- 
bleven wat  hij  was  vóór  twintig  jaar ; 
ongeschonden  behield  hij  zijn  oorspron- 
kelijke gaven;  de  juistheid,  de  waar- 
heid, het  gepaste  in  de  visie,  het  goede 
begrip  van  de  kleur,  met  kracht  in 
den  breeden  toets,  sappigheid  en  be- 
valligheid in  de  interpretatie.  De  heer 
Van  Strijdonck  verrijkte  nog  deze  merk- 
waardige gaven.  Hij  verliet  de  baan  niet 
die  hij  in  den  beginne  koos,  maar  hij 
maakte  ze  breed,  helder,  prachtig  zelfs 
edel,  naarmate  hij  vooruitging.  De  kuns- 
tenaar heeft  met  éen  bijzondere  voor- 
liefde die  hij  hoe  langer  hoe  meer  aan- 
stekelijk maakte,  het  karakter  van  het 
landschap  en  het  type  van  zijn  land- 
lieden doen  uitschijnen.  Bij  een  uitste- 
kende uitvoering  voegt  hij  heden  dat 
diepe  gevoel  dat  het  kenmerk  is  van  een 
volledige  kunst.  Hij  bezielt  zijn  weel- 
drige  stoffelijke  scheppingen;  hij  blaast 
er  een  adem  van  leven  in.  Na  als  een 
nieuwsgierige,  als  een  vriend  van  het 
schilderachtige,  de  boeren  van  Mache- 
len,  het  lieve  dorpje  tusschen  Brussel  en 
Vilvoorde,  geschilderd  te  hebben,  ging 
hij  voor  goed  belang  stellen  in  die 
decoratieve  en  plastische  figuren,  ging 


hij  ze  van  nabij  ontleden  en  hij  heeft  er 
iets  hoogers  en  aangrijpenders  van  aan- 
getoond dan  het  eenvoudige  en  ruwe 
uiterlijke.  Een  twintigtal  werken  expo- 
seerde  hij  in  den  Kunstkring  ontleend 
aan  de  heerlijke  Brabantsche  boeren- 
wereld,  vol  blijde  licht,  kranig  gekleurd, 
uitstekend  samengesteld,  gestoffeerd, 
met  de  gezonde  aandoening  en  echte 
poëzie  van  een  Vlaamsch  hart.  Hel  meest 
bevielen  mij  naast  zijn  groot  stuk  Ramp, 
twee  zeer  volledige  schilderijen  :  Bezoek 
bij  Grootmoeder  en  Kegelbaan. 

Bij  Taelemans  vinden  we  minder 
drift,  minder  passie  maar  meer  gevoel, 
meer  bestudeerde  emotie.  Als  een  Hol- 
landsch  klein-meesterder  besle  periode, 
behandelt  hij  zijne  tafereelen  met  liefde, 
met  een  gewetensvolle,  bijna  gods- 
dienstige zorg.  Het  is  een  Vlaming,  maar 
een  Vlaming  met  een  innig  gevoelvol 
karakter.  Hij  koestert  zijn  indruk,  hij 
verfijnt  zijn  genot  van  fijnproeverden 
schilder.  Hij  beeldt  niet  enkel  de  natuur: 
hij  geniet  ze  en  neemt  haar  als  het  ware 
godsdienstig  in  zich  op.  Terwijl  Van 
Strydonck  ons  het  klankvolle  landlied 
zingt,  fluistert  Taelmans  ons  de  lieve 
en  streelende  idylle  toe  Hij  is  meer  de 
herderlijke  dan  de  boerendichter. 

Maar  beiden  zijn  volbloedschilders, 
echte  mannen  van  hun  vak;  de  eerste 
in  zijn  breede,  de  tweede  in  zijn  meer 
intieme  manier.  Van  Taelmans  bewon- 
derde ik  vooral  een  maanefTekt,  dat 
door  de  techniek  en  door  de  overtuiging 
een  zijner  besle  werken  is.  Voor  zulk 
een  uilslag  vergeet  men  het  procédé, 
om  geheel  overwonnen,  te  bewonderen. 
Het  is  hooge  kunst,  in  alle  opzichten  van 
een  onbelwistbaren  meester. 

G.  E. 


78 


UIT  DEN  HAAG  = 

|rJDF  FIRMA  F.BÜFFA 
&  ZONEN  >  ETSEN 
VAN  J.  M.  GRAADT 
VAN  ROGGEN  >c^ 
Ik  geloof  wel  dat 
Graadt  van    Roggen 

als  etser  reeds  eene 

goede  reputatie  geniet,  dat  zijn  werk 
vooral  op  reproduceerend  gebied  van 
eene  algemeene  bekendheid  is,  ten 
minste  het  behoorde  ie  zijn.  Hij  heeft  met 
zijne  etsen  naar  den  Delftschen  Vermeer, 
Ruysdael  en  Jacob  Maris  de  bewonde- 
ring van  alle  technici  verwekt.  Waren 
reeds  eenigc  van  zijne  oorspronkelijke 
etsen  bekend  en  in  den  handel,  nu  komt 
hij  zich  het  publiek  vooral  voorstellen 
als  iemand  die  de  schepper  is  van  een 
niet  gering  aantal  oorspronkelijke  wer- 
ken En  ten  eenenmale  heeft  hij  daar- 
mede het  vertrouwen  dat  men  in  den 
reproduceerenden  kunstenaar  stelde, 
versterkt. 

Velen  toch  zijn  geneigd  de  beteekenis 
van  dezen  etser  vooral  op  reproducee- 
rend gebied  te  zoeken.  Hij  heeft  daarop 
werkstukken  geleverd  die  waarschijn- 
lijk alles  wat  in  deze  kunstsoort  geleverd 
werd,  overtreffen.  Aan  die  etsen  is 
gewerkt  met  hel  geduld  en  de  aandacht 
van  een  kloosterling.  Aan  de  elsnaald 
is  hare  volle  beteekenis  gelaten.  En 
zonder  in  een  minitieus  gedoe  te  ont- 
aarden, heeft  hij  met  versmading  aan 
moderme  trucs,  als  het  wrijven  van 
een  toon  op  de  plaat  (waarvan  ik  de 
waarde  hier  niet  wil  verkleinen),  de 
oorspronkelijke  schilderijen  met  toon 
en  kleur,  met  al  de  stevigheid  en  de 
soepelheid  der  factuur  en  al  de  kenmer- 
kende eigenaardigheden  teruggegeven. 
Dit  is  geen  bekwaam  werk  meer,  dat  is 
het  werk  van  een  virtuoos,  die  zich  zelf 
in  de  sfeer  der  oorspronkelijke  schep- 
ping verliezende  er  bovendien  het  vor- 
menschoon  wonderlijk  van  weet  te  ver- 
tolken. Zoo  heeft  Jacob  Maris  in  enkele 
van  zijne  schilderijen  in  eene  donker- 
tonige  waterpartij  op  een  oneffen  onder- 
vlak  breede  lichtvegen  aangebracht. 
Men  vindt  ze  bij  Gr.  v.  R.  weer  als 
waren  ze  geschilderd.  Op  deze  wijze, 
alles  ziende  en  toch  overzichtelijk  te 


werk  gaande,  schijnt  zijne  weergave 
nauwkeuriger  dan  die  van  een  toch 
altijd  eenigszins  onbewogen  doode  foto- 
graphie,  terwijl  dit  zijn  werk  het 
levenwekkende  heeft  van  eene  directe 
voordracht. 

Is  dus  in  H  algemeen  zijne  beteekenis 
als  reproduceerend  kunstenaar,  groot, 
in  zooverre  hij  de  verspreiding  van  de 
intenties  der  groote  geesten  verzorgt, 
zoo  kan  zijne  beteekenis  het  nog  meer 
zijn  ten  opzichte  van  oude  kunst.  Door 
in  te  dringen  in  de  kunstsfeer  der  ouden, 
wat  niet  ieder  op  eene  ingaande  wijze 
vermag,  kan  hij,  die  in  zijne  (repro- 
duceerende)  els  getuigenis  aflegt  van 
zijn  doorvoelen  en  begrijpen  van  dit 
oude,  het  voor  het  groote  publiek 
genietbaarder  maken.  Men  begrijpe  mij 
goed  :  niet  eene  populariseering  is  't. 
die  ik  hier  voorsta.  Maar  ik  bedoel,  dat, 
evenals  een  tooneelspelers-ensemble  den 
geest  van  een  oud  werk  ons  klaarder 
kan  maken,  ook  een  reproduceerend 
etser,  door  nadruk  te  leggen  op  het 
algemeene  en  het  eeuwige  en  door  het 
verwaarloozen  van  het  bijzondere  en 
tijdelijke  —  wijl  hij  uit  den  aard  der  zaak 
toch  niet  anders  kèn  doen  en  doel  — , 
dit  oude  als  van  zelf  meer  binnen  onze 
levensfeer  brengt  en  binnen  de  aan- 
dacht van  het  groote  publiek,  welks 
assimilatie-vermogen  tot  nog  toe  stellig 
niet  te  groot  is. 

Waar  ik  nog  vooral  op  wil  wijzen  — 
in  den  aanvang  van  mijne  bespreking 
doelde  ik  er  reeds  op  —  is  het  feit,  dal 
hel  oorspronkelijk-kunstenaarschap  de 
beteekenis  van  dezen  etser  als  repro- 
duceerend kunstenaar  verhoogt,  maar 
levens  weer  op  onze  hoede  doet  zijn. 
Toont  hij  aan  den  eenen  kant  zelf  het 
land,  waaraan  de  kunstenaar  wiens  werk 
hij  reproduceert,  zijne  motieven  ont- 
leent, stellig  beter  dan  een  leek  en  waar- 
schijnlijk beter  dan  een  bloot  repoducee- 
rend  etser  te  kennen,  zoo  geeft  dit  ver- 
trouwen. Als  men  weet  dal  hel  volledig 
begrijpen  van  een  kunstwerk  veronder- 
stelt, dat  men  de  levensverschijnselen 
waarvan  het,  spiegelbeeld  is,  zelve  of 
ten  minste  door  ttaanvoelingoof  a  priori 
kent,  dan  wordt  dit  vertrouwen  ver- 
sterkt Bedenkt  men  aan  den  anderen 
kant  dat  elk  oorspronkelijk  artist  de 
vertegenwoordiger  is  van  eene  bepaalde 


KUNST- 

BERICHTKN 
UIT  DEN  HAAG 


79 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


of  onbepaalde  geestesstrooming  die 
noodwendig  geheel  of  len  deele  met 
eene  andere  in  strijd  is,  dan  aanvaarde 
men  het  reproductieve  werk  van  zoo 
iemand  voorzichtiger;  men  heeft  na  te 
gaan  of  eene  subjectieve  opvatting  wel 
genoeg  objectiviteit  bezit  om  meer  te 
zijn  dan  eene  persoonlijke  opvatting 
van,  of  een  «  eigen  kijk  •  op  een  mees- 
terwerk. 

Maar  ik  geloof  niet  dat  de  groote 
gerustheid  waarmee  we  Graadt  van 
Roggen's  reproductief  werk  aanvaar- 
den, zijne  beteekenis  als  oorspronkelijk 
kunstenaar  daarom  aanstonds  behoeft 
te  verkleinen.  Er  zijn  zeer  meegaande, 
elastische  kunstenaars-naturen. 

Dat  meegaan  met  de  intenties  van 
een  ander  is  overigens  ook  in  zijn  eigen 
werk  bespeurbaar.  Ik  wijs  daardoor  op 
zijne  etsen  naar  de  représentanten  eener 
vroeger  eeuwsche  bouwkunst.  Zoo  zeer 
is  in  deze  gothiek  het  karakter  aange- 
zien, dat  zelfs  de  lucht  in  een  aanver- 
wante stijl  door  den  etser  schijnt  opge- 
bouwd. Maar  tevens  wilde  ik  in  dit  (en 
ook  in  hel  overige;  werk  enkele  leeke- 
nen eener  bepaalde  geestes-strooming, 
die  zich  na  het  inpressionisme  ontwik- 
kelende, erkennen.  Behalve  een  nauw 
merkbaar  decoratief  element,  bemerk 
ik  een  vermogen  dat  zich  vooral  ken- 
merkt door  typeering,  wat  zich  weer 
wonderwel  aansluit  bij  zijne  beteekenis 
als  reproduceerend  kunstenaar.  Dat  is 
dus  eene  geaardheid  meer  episch  dan 
lyrisch.  Zij  zou  bijzonder  kenmerkend 
kunnen  zijn  voor  een  acteur  die  zich  in 
1  voordragen  van  een  anders  schepping 
vermeit.  In  dit  verband  wilde  ik  nog 
wijzen  op  eenige  invloed  van  Dürer,  die 
zich  meer  in  de  techniek  van  enkele 
etsen  verraadt.  Op  het  verschijnsel 
dat  motieven  aan  oude  (z.  g.  doode) 
steden  ontleend  werden  zal  ik  na  het 
voorgaande  niet  te  zeer  ingaan. 

Door  zijne  omgang  met  het  werk  van 
Jacob  Ma  ris  schijnt  gedurende  de  oogen- 
blikken  dat  hij  voor  zichzelf  werkte, 
ook  eenige  invloed  hiervan  te  zijn  nage- 
bleven.  De  sporen  hiervan  vinden  we 
in  Buiig  weer  (met  mooi-werkende 
lucht)  en  in  een  achterbuurtte,  dat  bijna 
een  reproductie  naar  den  grooten  mees- 
ter zou  kunnen  zijn.  Maar  bespeuren  we 
hier  niet  een  mysterieus  bewegen  der 


verschijnselen,  de  adem  van  den  chaos, 
zoo  blijft  toch  vast  in  onze  herinnering 
ken  grimmige  lichten  van  de  kalkbrok- 
het  eener  door  den  tijd  geteisterden 
muur  uit  den  diepen  zonneschAuw,  als 
het  (roebel  wit  van  een  ontdaan  oog. 

Gr.  V.  Roggen's  gezichten  op  Haar- 
lem (tegen  *t  licht  ingezien)  zijn  meester- 
stukjes van  doorvoerdheid,  even  als 
het  Kasteel  Westhoven.  Als  bijzonder 
leeken  ik  aan  de  fluweel- tin tige  ets  : 
Rue  du  Marais  te  Brugge,  het  stem- 
mige Graue,  de  intieme  Oude  Pastorie 
te  Bergen  (N.  H.)  en  de  Watermolen 
bij  Schoort,  eene  ets  vol  verheffing 
waarin  hij  zich  in  de  eenheid  van  sub- 
jectiviteit en  objectiviteit  een  absoluut 
kunstenaar  toont.  Ik  zou  dan  nog 
kunnen  noemen,  als  zich  naar  't  aspect 
mee  aansluitend  bij  't  zuivere  inpres- 
sionisme, eenige  nummers,  waaronder 
ook,  om  de  compositie,  het  Sluisje  te 
Bergen  valt.  Hiermee  heb  ik  eenige 
kanten    van   den    etser  belicht. 

Er  wordt  hem  wel  eens  vragend  ver- 
weten, dat  bij  het  werken  met  tinten 
achterwege  laat.  Beide  manieren  hebben 
hunne  voordeden.  Maar  de  door  Gr. 
van  Roggen  toegepaste  heeft  als  ken- 
merk eene  grooter  eenheid  wat  de  wijze 
van  bewerking  betreft. 

Slechts  enkele  etsen  hebben  het  luch- 
tige, speelsche,  ragge  en,  zoo  noodig,^ 
diepe,  mysterieuze,  zware,  pittige  en 
omschrijvende  van  b.  v.  Rembrandts 
etsen.  Er  zijn  er  die  enkele  van  deze 
eigenschappen  beslist  aan  een  ets  willen 
zien,  zeggende  dat  de  etsnaald  niet  als 
een  graveernaald  gebruikt  mag  worden. 
Maar  dit  alles  is  niet  volkomen  waar  en 
daarom  eveneens  onwaar  te  noemen. 

Met  dit  al  geloof  ik  dat  Gr.  v.  R.  onder 
de  moderne  etsers  (oorspronkelijk  en 
reproductief)  eene  niet  geringe  plaats 
waardig  vervult. 

BIJ  DE  FIRMA  PREYER/l^  De  Firma 
Preyer  opende  in  de  Paleisstraat,  tegen- 
over het  Koninklijk  Paleis,  haar  nieuw 
ruim  huis  met  eene  expositie.  Uit  archi- 
tektonisch  oogpunt  won  bij  eene  kleine 
verandering,  dit  stadsgedeelte  zeer.  Van 
Rastert,  Bosboom,  Du  Chattel,  Jozef 
Israéls,  Kever,  Klinkenberg,  W.  Maris, 
Albert  Roelofs,  van  der  Weele  en  Wijs- 


80 


muller  zijn  er  goede  eii  uil  nemende 
aquarellen.  Blommers,  Le  Conite,  Jacob 
Maris,  Mauve,  Ter  Meulen  en  Neuhuys, 
zijn  zelfs  goed  vertegenwoordigd.  Van 
Poggenbeek  is  er  behalve  een  schilde- 
rijtje, dat  wel  een  goed  doorgevoerde 
studie  gelijkt,  een  ietwat  romantisch 
getinte  €  schemering!  (teekening).  Wat 
in  de  uitstekende  teekeningen  van 
Blommers  en  Neuhuys  weer  duidelijk 
wordt,  is  dat  bij  Blommers  het  dich- 
terlijke, lyrische  overwegend  is,  bij 
Neuhuys  het  schildermatige.  In  het 
werk  van  den  eerste  voelen  we  zelfs 
soms  iets  waaien,  dat  ons  aandoet 
als  had  de  mysterieuse  adem  van  het 
leven  deze  dingen  beroerd.  Neuhuys 
daarentegen  is  opener,  forscher  en 
breeder  en  geeft  zich  meer  rekenschap 
van  het  <  doen  »  der  dingen,  hij  is  een 
knapper  «  schilder  o ;  wat  niet  belet  dat 
er  van  beiden  hier  een  paar  teekeningen 
zijn,  die  èn  wat  het  ideêele  èn  wat  de 
factuur  aangaat,  tegen  elkaar  gewogen 
kunnen  worden.  Van  Jacob  Maris  noteer 
ik,  behalve  een  Melkmeid  (een  meerma- 
len behandeld  onderwerp),  een  Stadsge- 
zicht bij  avond.  Naar  men  mij  vertelde 
was  dit  het  ontwerp  voor  zijn  laatste 
schilderij,  dat  velen  zich  van  de  Maris- 
expositie  in  Pulchri  zullen  herinneren. 
Het  is  een  tonige  teekening,  bij  al  het 
schetsmatige  volkomen  de  intenties  van 
den  schilder  weergevende.  Ze  doel  den- 
ken aan  het  gezegde,  dat  Maris  een  doek 
of  vel  papier  met  atmosfeer  had  en  er 
de  dingen  in  teekende,  of  er  teekenend 
in  drenkte.  Onder  Mauve's  teekeningen 
is  er  vooral  belangrijk  :  Ploegen,  Dat  is 
een  zeldzaam  compleet  werk,  volmaakt 
van  factuur,  zonder  een  enkele  fout  of 
hinderlijkheid  in  een  zeer  moeilijk 
samenstel  van  verhoudingen,  een  onder- 
werp dat  in  zijn  eenvoud  verre  van  leeg 
of  onbelangrijk  is. 

We  vermelden  tot  nog  toe  slechts  één 
schilderij,  dat  van  Poggenbeek  hetwelk 
met  rouwfloers  omgeven,  geëxposeerd 
wordt  voor  H  raam.  Maar  we  zagen  er 
verder  nog  een  prachtige  Daubigny, 
Opkomende  maan,  in  veel  aan  de  oude 
Hollanders  doende  denken,  in  sentiment 
en  lichtverdeeling  zelfs  een  weinig  aan 
Rembrandt.  Dan  wijs  ik  nog  op  de  aan- 
wezigheid van  een  paar  zeer  compleete 
schilderijen  van  Jacob  Maris  De  twee 


Molens  en  Strandgezicht,   naar  vinding   KUNST- 
en  bereiken  lol  zijn  goede  of  beste  wer-    ouoi/'ot^ukt 
ken  behoorende.  BLRILH 1 LN 

UIT  DEN  HAAG 

^^^^^^^^^^ 

PULCHRI  STUDIO  >  GROKPENTEN- 
TOONSTELLING  1»  SERIE  ƒ  13-28 
DECEMBER  >c*.  Dat  Pulchri  er  weer 
is  toe  gekomen  groepcntentoonstellingen 
te  houden,  zal  velen  mei  mij  verheugen. 
Het  ligt  in  de  geest  maar  ook  in  de 
noodwendigheid  van  den  tijd.  Het  is  de 
aangewezen  manier  om  in  de  gewone 
slem  een  nieuw  opwekkende  verande- 
ring te  brengen  en  om  weer  eenigszins 
tol  klaarheid  te  komen  omtrent  de 
toestand  onzer  huidige  schilderkunst, 
die  men  toch  altijd  in  de  vertegenwoor- 
digers der  verschillende  slroomingen 
weerspiegeld  wil  zien. 

Niet  voor  één  schilderij  kan  men  om- 
trent de  beleekenis  van  een  schilder  Ier 
klaarheid  komen.  Om  hel  begrip  van 
deze  beleekenis  te  verkrijgen,  is  het 
noodigdat  men  zijne  kunst  kent  in  hare 
evolutie,  en  van  dit  besef  is 't  weer,  dat 
het  juiste  begrip  van  een  harer  momen- 
ten afhangt. 

Men  kan  niet  zeggen  dat  in  deze  expo- 
sitie, waarop  Anna  Abrahams,  Akkerin- 
ga,  Arnlzenius,  Rastert,  BaufTe,  C.  Bis- 
schop, R.  Bisschop,  Mevr.  S.  Bisschop- 
Robertson,  Bleckmann,  De  Bock,  Bou- 
dewynse,  Broedelel,  Mevr.  Mesdag- Van 
Houten,  Imes  Browne  en  Willy  Sluyler 
exposeeren,  zoo  aanstondseene leidende 
gedachte  zichtbaar  wordt.  Er  had  met 
het  eenmaal  gegeven  materiaal  meer 
bereikt  kunnen  worden. 

Maar  voor  hoevelen  niet  biedt  overi- 
gens eene  expositie- wijze  als  deze  eene 
ongezochte  gelegenheid  om  eens  flink 
omschreven  voor  den  dag  te  komen, 
voor  hoevele  anderen  en  ouderen  om 
zich  nog  eens  in  volle  glorie  te  vertoo- 
nen. 

De  neiging  tot  het  stil  leven  is  een 
verschijnsel,  waarop  we  in  dezen  tijd 
van  verloopend  impressionisme  de 
aandacht  mogen  vestigen.  Op  deze 
expositie  is  dit  genre  nog  al  sterk  ver- 
tegenwoordigd Bij  Mej.  Abrahams 
wordt  duidelijk  hel  streven  merkbaar, 
om  tot  eene  wijdsche,  hooge  en  sleni- 
mingsvolle  voordracht  te  komen.  Van 
C.   Bisschop  noteer  ik  met  voorliefde 


81 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


een  vruchten  stilleven,  dat  de  gelegen- 
heid, de  kracht,  het  sonore  van  oude 
stillevens  heeft.  Verder  zijn  er  stil- 
levens van  Mevr.  Mesdag- Van  Houten 
en  Arntzenius.  Het  is  opmerkelijk  dat  bij 
geen  van  deze  allen  het  resultaat  onbe- 
langrijk is.  Arntzenius  vooral  komt  hierin 
zeer  bijzonder  voor  den  dag  en  even  als 
bij  Mevr.  Mesdag  schijnt  dit,  zoover  dat 
hier  op  te  maken  is,  zijn  sterke  kant  te 
zijn  of  althans  te  kunnen  worden  Zon- 
dert men  zijn  uitnemend,  café-interieure 
uit,  dan  blijft  in  al  zijne  pogingen  om 
het  publiek  of  soms  om  het  massale  der 
huizengroepen  te  geven,  veel  te  loven, 
vooral  wat  kleur-ziening  betreft,  maar 
bij  het  werk  van  I.  Israêls  en  Breitner, 
die  tot  een  meer  organisch  geheel  ko- 
men, blijft  dit  werk  nog  te  onbelangrijk. 

Bastert  zou  men  na  de  Bock  kunnen 
noemen,  wilde  men  een  lijn  van  ont- 
wikkeling vaststellen.  Zij  beiden  zijn 
uitnemend  vertegenwoordigd.  Bastert 
komt  voor  zijn  doen  zelf  buitengewoon 
voor  den  dag  met  eenige  winters.  Er  is 
in  een  paar  dezer  eene  neiging  naar  het 
genre  op  te  merken,  terwijl  in  «  Sneeuw 
en  Zon  »  het  warme  der  voordracht,  in 
een  factuur  die  volzwaar  en  toch  plooi- 
baar als  fluweel  is,  opvalt. 

De  jonge  Bisschop  schildert  kerken 
die  men  —  met  *t  oog  op  het  vermogen 
der  jongeren  —  na  Bosboom  liefst  niet 
meer  geschilderd  zou  willen  zien.  Maar 
Bisschop  gaat  toch  wee*-  een  eigen  kant 
op,  gaat  weer  op  't  bijzondere  in.  Hij 
dringt  niet  door  in  de  raysterieuse 
diepten  van  deze  architekturale  schep- 
pingen, maar  zijne  aandacht  meer  tot 
het  ornemenlale  bepalende,  is  hem  o. 
m.  de  beteekenis  van  het  gods-licht  dat 
door  de  beschilderde  ramen  valt,  wel 
duidelijk.  Bij  Akkeringa  bespeuren  we 
steeds  weer  de  neiging  tot  verdieping 
en  het  grooter  wordende  vermogen  om 
tot  een  juister  samenvatting  van  het 
kleurgehalte  der  verschijnselen  te 
komen. 

Als  opmerkelijk  vertegenwoordigd 
heb  ik  dan  nog  te  noemen  :  Willy  Sluiter 
met  pastelteekeningen.  En  ook  hier 
waar  de  oude  karikaturist  der  mon- 
daine wereld  zich  in  het  schilderachtige 
van  de  gewone  binnenhuis-  en  buiten- 
gevalletjes vermeit,  doet  hij  't  ook  zon- 
der grandiose  allures  aan  te  nemen.  En 


toch  zou  men  bij  zoo'n  fantastisch  ver- 
licht geheel  als  Vuur  aanmaken  is,  mei 
den  dans  der  reuzige  schaduwen  op  de 
wanden,  wel  iets  van  het  wonderbaar- 
lijke tot  definitiever  uitdrukking  ge- 
bracht willen  zien,  en  in  het  wijf  dat  er 
pookt  of  stookt,  minstens  iets  hekserigs, 
zooals  dat  de  oude  Israéls  wel  weet  ie 
doen.  Het  schilderen  van  deze  onder- 
werpen heeft  eene  gevaarlijke  zijde, 
waar  ouderen  en  grooteren  reeds  voor- 
gingen. Wat  zou  b.  V.  een  Daumier  in 
dezen  al  niet  gepresteerd  hebben.  Willy 
Sluiter  zoekt  het  nog  altijd  niet  te  diep, 
wat  wel  met  zijne  oude  neiging  tot 
karikatuur  strookt  Zoo  werd  ook  in  de 
bekende  types  als  c  Aalt  en  Jacob  Kulk » 
het  individuêele  en  daarmee  het  diepe, 
ie  zeer  gemist  Maar  wellicht  nog  zoe- 
kende, is  er  veel  in  het  huidige  streven 
van  dezen  artiest  te  prijzen.  In  de  Os 
alleen  zien  we  een  gevaarlijken  kant. 
Hieruit  komt  iets  van  het  walmige  der 
romantiek  waarvan  het  vuurtje  of  lie- 
ver ;  vuur  nog  steeds  door  onze  ooste- 
lijke naburen  onderhouden  wordt.  Met 
het  overige  werk  komt  anders  Sluyter 
wel  in  de  lijn  der  jongeren. 

Het  bestek  is  hier  te  eng  om  verder 
op  het  bijzondere  van  deze  groepen- 
tentoonstelling,  die  wat  gehalte  betreft 
ver  boven  de  gewone  exposities  staat, 
in  te  gaan. 

2^2^  28^  S^J8^2^  28^  S^  S^  S^ 

HAAGSCHE  KUNSTKRING  >  TEN- 
TOONSTELLING VAN  TEEKENINGEN 
DOOR  OUDE  HOLLANDSCHE  MEES- 
TERS, UIT  DE  VERZAMELING  VAN 
Dr  CORN.  HOFSTEDE  DE  GROOT  > 
16-24  DECEMBER  EN  VAN  28  DECEM- 
BER-2  JANUARI  >c^  Rembrandt's  en 
Adriaan  Brouwer's  teekeningen  maken 
de  attractie  van  deze  tentoonstelling  uit. 
De  eerste  is  er  met  een  46-tal  nummers, 
waaronder  ik  een  Winterlandschap  in 
't  bijzonder  wilde  memoreeren.  Het  is 
eene  gewasschen  bruinige  penteekening. 
We  zien  op  een  vaart  met  huizen, 
boompjes,  brug  en  een  schip  aan  den 
overkant ;  rechts  is  nog  gedeeltelijk  een 
schip  zichtbaar.  Hiervoor  staande  heb 
ik  me  afgevraagd,  «  wie  van  de  moder- 
nen teekende  zoo?  »  Dit  schijnt  mo- 
derner dan  hun  werk,  ook  omdat  het 
langer  zal  leven  ;  hel  is  modern  omdat 


82 


't  zoo  klassiek  is.  En  welk  eene  eenvoud 
overigens,  zonder  ^(rooldoenerij.  Maar 
de  innige  hartstocht  die  deze  kleine 
teekening  tot  een  zoo  levend  iels  maakte 
maakt  ze  dieper,  Hollandscher  dan  ik  't 
ooit  in  een  teekening  naar  een  winter 
zag,  en  tevens  is  ze  zoo  universeel,  een 
zoo  algemeen  natuur-  of  levensbeeld, 
dat  elke  niet-Hollander  er  genoegen  mee 
zal  nemen.  Zoo'n  teekening  zou  voor 
iemand,  die  een  Hollandsche  winter  lief 
heeft,  een  schat  zijn  die  hij  zou  savou- 
reeren  als  een  droombeeld  van  den 
winter  zelf. 

De  breede  en  forsche  teekeningen  van 
Adriaan  Brouwer  toonen  den  genialen 
te  vroeg  gestorven  meester  van  een 
mooien  kant.  Daar  is  al  de  grootheid  in 
aanwezig,  in  *t  geheel  en  in  enkele 
figuren,  reeds  volledig  of  nog  in  kiem, 
die  —  men  zal  voor  alle  groote  genre- 
schilders  nu  wel  langzamerhand  tot 
deze  erkenning  komen  —  hen  met  vele 
grooten  op  één  lijn  stelt.  Een  schilde- 
rijtje, ook  aan  hem  toegeschreven,  is 
van  minder  rang.  —  Zoo  er  omtrent  de 
oude  genre-schilders  een  spijt  aanwezig 
kan  zijn,  dan  is  't  zeker  wel  deze  dat 
deze,  anders  door  de  natuur  zoo  bij- 
zonder uitgeruste  schilder,  met  dat 
eene  :  een  langen  en  hechten  levenstijd, 
zoo  poo verlij k  bedeeld  werd. 

Verder  is  hier  eenig  werk  uit  de 
school  van  Rembrand t,  teekeningen  van 
Abraham  Bloemaert,  van  Albert  Cuyp, 
van  J.  van  Goyen,  Philips  Koning,  J. 
Lievens,  A.  van  Ostade(?),  Isaac  van 
Ostade.  Verder  vindt  ik  in  mijn  catalo- 
gus aangeteekend  :  H.  Uylenburgh,  W. 
van  de  Velde  (de  Jonge)  en  A.  van  de 
Venne,  Jac.  de  Gheyn  ^de  Oude),  L. 
Doomer.  (Landschap  met  bergen,  een 
rivier  en  een  vrouw  op  een  ezel;  wat  ik 
noteerde  om  de  sterk  sprekende  invloed 
van  Rembrandt).  Vervolgens  zijn  hier 
nog  veel  teekeningen  van  R.  Roghman, 
meest  al  gebouwen  tot  onderwerp  heb- 
bende ;  uit  picturaal  oogpunt  is  dit 
werk  doorgaans  onbelangrijk.  Noem 
ik  dan  nog  C.  Berensteyn,  A.van  Borsum, 
C.  Dusart,  Josua  de  Grave,  J.  Porcellis, 
A.  Rutgers  (de  oude),  F.  Saenredam, 
H.  Saftleven,  P.  Santvoort,  J.  van  der 
Ulfl  en  A.  Verboom,  dan  heb  ik,  op  een 
enkele  onbekende  meester  na,  alle  expo- 
santen genoemd.  H.  D.  B. 


^^^^^^^^^^   VARIA 


VARIA 


Langzamerhand  wordt  de  verza- 
meling van  vroegere  Nederlandsche 
Meesters  in  den  Louvre  uitgebreid.  Niet 
lang  geleden  vond  het  prachtige  stuk 
van  Geertgen  tot  Si.  Jans,  de  Opwekking 
van  Lazarus  er  een  plaats;  nog  vóór  het 
einde  van  verleden  jaar  werd  een  lezende 
Vrouwenfiguur  (heilige?;,  van  een  onbe- 
kenden Vlaming  aangekocht  in  de  ver- 
kooping  der  verzameling  C.  Lelong.  Het 
stuk  stond  op  naam  van  Jan  Mostaert 
(alweer!)  maar  moet  waarschijnlijk  tot 
de  school  van  den  z.  g.  Meester  van 
Flémalle  worden  teruggevoerd.  Er  werd 
fr.  20.200  voor  betaald.  Verder  gaf  de 
heer  Lucien-Claude  Lafontaine  een  luik 
van  een  triptiek  ten  geschenke  :  de  Drie 
Heilige  Vrouwen,  (met  SI,  Barbara  in 
grauwschildering  op  de  keerzijde)  dra- 
gende den  naam  van  den  schilder : 
Colijn  de  Coler  en  de  stad  ;  Brussel.  Deze 
aanwinst  is  voor  den  Louvre  van  des  te 
grooter  waarde,  daar  het  middenstuk 
van  dit  drieluik,  de  Drievuldigheid  zich 
reeds  in  het  dépöt  van  dit  Museum  be- 
vond. De  heer  Camille  Benoit  houdt 
zich  met  de  studie  van  dezen  kunstenaar 
bezig  en  is  nu  ook  op  zoek  naar  het 
nog  ontbrekende  luik.  —  Ten  slotte 
werd  in  de  verkooping  der  Verzame- 
ling Otlet  te  Brussel,  een  Maria  mei 
Jesus  en  SL  Jan  van  Barend  van  Orley 
voor  fr.  13.500  aangekocht.  Het  stuk  is 
geteekend  en  draagt  het  jaartal  1521 ;  het 
is  herkomstig  uit  de  verzameling  van 
James  H  van  Engeland,  en  behoorde 
later  toe  aan  den  markies  van  Peralta. 
«♦^  Voor  het  Berlijnsche  Museum  werd 
een  zeer  belangrijk  stuk  van  Rubens 
aangekocht :  de  Bekeering  van  Paulus 
(Hoog  2  m.,  breed  3,5  m.)  geschilderd 
omstreeks  1617  en  herkomstig  uit  Leigh 
Court  in  Engeland,  waar  het  in  het  bezit 
was  van  de  familie  Miler. 
<^^c  Het  Binnenhuis  »  zal  na  aftreden 
van  den  Heer  W.  Hoeker  als  directeur  op 
1  Januari  j.1.,  voortaan  onder  directie 
staan  van  L.  Simons  en  H.  P,  Berlage  Nz, 
♦V  De  heer  J.  Del  vin,  kunstschilder, 
werd  benoemd  tot  Directeur  der  Aca- 
demie voor  Schoone  Kunsten  te  Gent. 
•^^  In  December  van  verleden  jaar 
werd  te  Parijs  in  het  «  Petit  Palais  »  de 


83 


VARIA 


verzameling  ingehuldigd,  welke  Rugène 
Dutuit  (met  een  som  van  4  raillioen  voor 
inrichting  en  onderhoud)  per  testament 
aan  die  stad  vermaakte,  op  voorwaarde 
dat  de  aanvaarding  binnen  de  twee 
maanden  na  zijn  dood  (tl  Juli  1902),  en 
de  ofüciéele  opening  binnen  de  vier 
maanden  na  de  aanvaarding  zou  ge- 
schieden ;  bleef  Parijs  in  gebreke,  dan 
zou  het  legaat  toekomen  aan  Rome.  Dat 
dit  laatste  niet  gebeurde,  spreekt  van 
zelf.  —  Deze  verzameling,  in  1832  reeds 
aangelegd  door  Eugène  en  zijn  broeder 
Auguste  Dutuit,  is  dan  ook  een  der 
rijkste  welke  ooit  door  particulieren 
werd  gevormd.  Zij  bevat  kunstwerken 
uit  alle  tijdperken  van  de  kunstgeschie- 
denis :  egyptische  beelden  in  brons  en 
basalt,  grieksche  marmers,  oostersch 
^leiswerk,  ivoor  en  zilver,  beelden  en 
schilderijen  uit  de  Renaissance,  meu- 
bels, tapijten,  juweelen,  een  prachtige 
bibliotheek  met  prentenkabinet,  enz. 
—  Voor  ons  is  echter  van  bizonder 
belang  de  keurige  collectie  van  Hol- 
landsche  Meesters  uit  de  xvii«  eeuw, 
welke  de  Dutuit's  met  fijnen  smaak 
wisten  bijeen  te  brengen.  In  de  eerste 
plaats  verdient  hier  vermelding  een  col- 
lectie etsen  van  Rembrandt  welke  om 
de  fraaiheid  der  afdrukken  en  zeldzaam- 
hein der  staten  haast  onovertrofTeu  is ; 
een  afdruk  van  het  Honderd  Guldenblad 
o.  a.  werd  voor  frs.  100.000  aangekocht. 
Van  Rembrandt  ook  een  geschilderd 
portret  in  Oostersche  kleedij.  Verder 
een  klein,  bizonder  kostbaar  schilde- 
rijtje van  Metsu,  twee  meesterlijke 
Terburg^s,  een  kleine  maar  ook  weer 
precieuse  Cuyp,  een  typige  Brouwer, 
een  paar  merkwaardige  Hobbema's, 
stukken  van  Ruysdael,  de  Hooch,  Th. 
De  Keyser,  Maas,  Is.  en  Adr.  van  Ostade, 
van  de  Velde,  enz. 


'  De  Bibliothèqne  Nationale  te  Parijs 
is  in  het  bezit  gekomen  van  de  nage- 
laten handschriften  en  de  briefwisseling 
van  Eugène  Müntz  —  waaronder  ver- 
scheiden bijna  voltooide  werken,  o.  a. 
over  da  Vinci,  Rubens  en  Rembrandt, 
Dürer  en  Holbein,  over  verschillende 
takken  van  kunstnijverheid  enz. 

Deze  papieren  zullen  binnen  enkele 
maanden  gerangschikt  en  gebonden, 
voor  het  publiek  beschikbaar  gesteld 
worden. 

-♦^  In  de  Hoyal  Academy  te  Londen 
wordt  een  tentoonstelling  gehouden  van 
een  aantal  stukken  van  Alb.  Cuyp,  naast 
werken  van  Engelsche  meesters  als 
Turner,  Wilson,  Gainsborouh  en  Con- 
stable. 

«♦^  De  twee  luiken  van  het  bekende 
Baumgartner-altaar  van  Dürer  (in  de 
Pinakolheek  te  München)  hebben  een 
belangwekkende  restauratie  onder- 
staan. De  twee  mooie  ridders,  als  dona- 
leuren  op  de  luiken  afgebeeld  waren 
waarschijnlijk  reeds  in  de  XVII«  eeuw 
gedeeltelijk  overschilderd  ;  deze  over- 
schildering is  weggenomen,  en  onder 
de  helmen  die  ze  droegen  zijn  de 
oorspionkelijke  kappen  te  voorschijn 
gekomen,  een  schild  is  een  draak  ge- 
worden en  bovendien  zijn  ook  de  land- 
schappen en  paarden  uit  den  achtergrond 
verdwenen,  die  nu  effen  zwart  is.  Reeds 
lang  bestond  het  vermoeden  dat  aan 
die  stukken  iets  niet  in  den  haak  zat. 
Men  kreeg  echter  volle  zekerheid  toen 
men  onlangs  het  werk  met  oude  copieén 
vergeleek.  Op  den  achterkant  van  een 
der  luiken  is  een  Madonna  onder  een 
effen  verflaag  te  voorschijn  gebracht; 
ook  het  middenpaneel  schijnt  over- 
schilderd te  zijn,  en  zal  misschien  ook 
worden  onder  handen  genomen.  Prof. 
Hauservoertdit  zeer  gevaarlijk  werk  uit. 


84 


DIRK  NIJLAND 


IE  algemeene  indruk  van  de  kunst  van  Dirk  DIRK 
Nijland  is  deze  :  dat  we  hier  te  doen  hebben  NIJLAND 
met  een  zeer  bizondere  persoonlijke  uiting, 
die  niet  onder  praedomineerende  inlandsche 
of  exotische  invloeden  staat.  Dus  gerekend 
kan  worden  tot  de  artistieke  begaafdheid,  die, 
eigen  weg  gaaande,  nationaal  is  en  een  ware 
verheuging  voor  het  vaderlandsche  hart. 
Het  persoonlijk  kachet,  Dirk  Nijland  van  den  aanvang  af  eigen, 
voor  zoo  ver  ik  zijn  werk  zag,  maakt  hem  tot  iemand,  die  stellig 
belooft  het  eigenaardige  hooger-op  te  zullen  voeren,  te  zullen  verfijnen 
en  verdiepen,  te  zullen  verlevendigen  en  versterken,  zonder  van  den 
hak  op  den  tak  te  gaan  door  zijsprongen;  zonder  zichzelf  en  zijn  be- 
wonderaars in  de  war  te  brengen  door  telkens  ander  werk,  andere 
opvattingen,  andere  sfeer-  of  milieu-uitingen,  waardoor  zoovelen  zij- 
ner tijdgenooten  aan  het  publiek  teleurstellingen  brengen  inplaats 
van  stijgende  vreugde. 

Of  het  nu  niet  mogelijk  is  tusschen  hem  en  anderen  verwantschap 
te  ontdekken? 

Zeker  is  het  dit.  Houden  we  in  het  oog ;  of  wil  men  liever  : 
bedenken  we,  dat  overal  wisselwerkingen  zijn,  overal  saamhang  is,  min 
of  meer  duidelijk,  min  of  meer  bemerkbaar,  dan  zal  men,  bij  menig 
stuk  werk  van  dezen  artiest,  denken  aan  dezen  of  dien  beroemden 
voorganger  of  bekenden  tijdgenoot  :  vooral  wanneer  men,  be-voor- 
invloed  door  kennis  van  milieu,  haast  van  zelf  of  onwillekeurig  tot 
vergelijkingen  komt. 

Zóo  zag  ik  van  onzen  artiest  een  stilleven  —  ik  herinner  mij  niet 
meer  of  het  in  't  openbaar  indertijd  te  zien  was  —  zoo  teer  en  fijn 
gevoeld  als  menigeen  zich  dat  denkt  bij  de  droomerige  kunst 
van  Wiggers ;  of,  wil  men  een  anderen  beroemden  tijdgenoot, 
bij  Thys  Maris.  Ik  zou  nog  eenigen  kunnen  noemen.    Ik   zag    een 


Onze  Kunst  1903,  Afl.  3,  XI 


85 


DIRK  penteekening,  zoo  uitvoerig  en  konscientieus,  met  zooveel  aan   de 

NIJLAND  lucht    besteede    zorg,    zoo    zeer    elk    wolkje    gerond    of   lang-dun 

gestreept  of  sluierachtig  uitwaaiend  en  daartegen  van  een  prachtige 
gothische  torenspits  den  karteltop  met  zijn  doorzichtige  boogvormige 
zuil-openingen  en  door  kolonnaden  omvatte  verdiepingen,  elk  de- 
tailtje  vol  groote  toegewijde  zorg,  dat  ik  terstond  naast  deze  teekening 
de  visie  kreeg  van  een  els  van  Dürer.  Bij  eenig  nadenken  zou  men 
ook  Lukas  van  Leiden  kunnen  noemen  of  menig  ander  oud-duitsch 
of  oud-nederlandsch  graveur.  Maar  wat  wil  dit  nu  zeggen  ?  Alleen  dal 
Dirk  Nijland  werkt  met  ongeveer  dezelfde  opvattingen  van  kunst  ; 
maar  niet  met  de  hunne. 

Het  goede  moet  terugkomen  ;  en  dan  daaruit  de  kunst,  de  nieuwe 
kunst^  die  het  publiek,  zonder  twijfel  terecht,  door  massaal  spontaan 
gevoel  juist  geleid,  in  de  toekomst  verwacht. 

Van  deze  komende  lente  is  Dirk  Nijland  mei  eenige  anderen,  bij 
ons  en  in  het  buitenland,  een  groote  verwachtingen  opwekkende 
boodschapper. 

Waarom  ik  dit  alles  nu  zoo  vind? 

Omdat  het  mij  duidelijk  is  geworden  uit  het  werk  door  mij  van 
Dirk  Nijland  gezien. 

Waarom  dacht  ik,  heeft  hij  niet  gedaan,  zooals  bijna  elk  beginnend 
schilder,  die  behoefte  gevoelt  zijn  uitingen  te  brengen  onder  aandacht 
van  het  groote  publiek  ? 

De  olie-verf-techniek !  Hierop  toch  leggen  de  nieuwelingen  in 
kunst  zich  van  meet-af  het  liefst  met  de  borst  toe.  Maar  in  deze 
techniek  verfijning  te  bereiken,  is  voor  iemand  die  de  kleur  fijn  ziet 
juisl  verbazend  moeilijk  in  onze  dagen.  De  meeste  schilderijen  van  de 
beginners  blijven  dan  ook  studies ;  slaan  wat  kleur  betreft  niet  hooger ; 
zijn  geë:npateerd,  verf  legen  verf,  zonder  diepte  of  doorschijnendheid ; 
met  schaduwen  van  stopverf  en  lichlschijningen,  die  truc-achtig  glans 
krijgen  door  reflexie  van  het  buitenlicht  in  de  olieachtige  verfkorsl. 
Met  deze  ónkunst  verwarre  men  niet  het  pointillé-procédé.  Dit  is  zoo 
oud  als  de  schilderkunst,  als  de  graveerkunst  :  en  zal  blijven  waar 
men  licht  en  leven  goed  wil  uitdrukken,  zooals  dit  ook  in  olie- verf 
o  a.  door  den  Delflschen  Vermeer  zoo  dikwijls  is  gedaan.  Dit 
pointillé  wordt  ook  door  Dirk  Nijland  in  zijn  penteekeningen  herhaal- 
delijk toegepast  en,  voor  zoo  ver  ik  zag,  deed  hij  het  overal  goed. 
Maar  waarom  gebruikt  hij  nu  geen  olie  ?  Omdat  hij  de  fijnheid  van 
kleur,  waaraan  hij  behoefte  gevoelt,  niet  zoo  fijn  weet  uit  te  drukken 
met  olie  als  —  met  de  pen. 


86 


f 


U3 

17 


2      S 


De  zoogenaamd  primitieve  of  de  golhieke  kunst  wijst  op  een  DIRK 
aanvankelijk  zeer  sterke  inwendige  verdieping,  reiigieuse  levensbe-  NIJLAND 
hoefte,  die  blijkt  niet  uil  de  onderwerpen  alleen,  maar  ook  door 
technisch  zeer  volmaakte  middelen,  tot  uitwendige  verschijning 
gekomen  in  gelaatsuitdrukking,  gebarenspel,  houding;  in  één  woord  : 
in  vastgelegde  emotie  :  ziels-emotie  of  geestelijk  leven  :  geestelijke 
smart  of  geestelijke  vreugd.  De  uiting  van  den  artistiek  gevoelige  kon 
niet  anders  dan  dit  alles  geven  :  het  kwam  onwillekeurig  waar  het 
onderwerp  het  eischte.  Men  wist  bijna  niet  dat  het  komen  moest,  het 
hoorde  er  bij.  En  daar  men  toen  nog  niet,  zooals  nu,  hel  materiëele 
en  ónmateriëele  verstandelijk  scherp  scheidde,  volgde  hieruit  tevens 
scherpe  waarneming  van  het  uitwendige,  waaraan  men  al  zijn  zelf- 
bewuste zienskracht  kon  geven,  zoodat  aan  elk  onderdeeltje  van  het 
geheel  dezelfde  teeken-  of  fixeer-kunst  werd  gewijd  :  zoodat  het  van- 
zelf-sprekende  plicht  werd  elk  gebouwtje,  kerkje,  spitsje,  wegje, 
watertje  ;  elk  heestertje,  boompje  of  bosch ;  in  één  woord  elk  landschap 
minutieus  met  al  zijn  kleine  stof-verschillen  even  juist  weer  te  geven  als 
hel  uitwendig  oog  het  zag.  Maar  altijd  nog  als  achtergrond,  als  iets 
bijkomstigs  :  omdat  de  ziels-uiting  toch  altijd  het  sterkst  spreekt  uit 
den  mensch,  uit  den  persoon  :  en  deze  daarom  hoofdzaak  moest 
blijven.  Nu  heeft  inwendige  geestelijke  verfijning,  verfijning  tengevolge 
van  het  stoff'elijk  oog.  Van  daar  in  zooveel  primitief  werk  de  juweel- 
achtige schittering,  zuiverheid  en  diepte  :  die  men  met  de  tegenwoor- 
dige hulpmiddelen  niet  meer  kan  bereiken  :  vooral  omdat  het  gros 
der  artiesten  tegenwoordig  niet  meer  zoo  geestelijk  verfijnd  ziet. 

Waar  zijn  fijnere,  voor  het  gewone  oog  haast  onmerkbare,  kleur- 
wisselingen  dan  —  in  de  lucht  ?  Waar  zijn  ze  fijner,  onspeurbaar  haast, 
dan  —  in  het  water? 

En  juist  in  zijn  luchten,  in  zijn  waters  drukt  Dirk  Nijland  de 
meeste  kleur  uit —  met  de  pen.  Benijdenswaardige  gave  ;  —  maar  ook 
werk  van  groote  studie,  van  taai  geduld.  Van  studie...  ja;  want  niet  op 
eenmaal  is  hij  hiertoe  gekomen.  Ik  zag  van  hem  een  aquarel,  een 
gezicht  uit  een  zoldervenster  van  het  ouderlijk  huis  over  daken, 
tusschen  ijl  voorjaarsgroen  op  een  tegen-overliggende  gracht  met  dun 
gewasschen,  in  voorjaars-atmosfeer  wegdroomende  huizen.  Een  mooie 
leekening,  waarvoor  ik  lang  bleef  kijken  en  met  aandacht;  maar  de 
lucht  nog  zwak  :  omdat  het  werk  was  van  eenige  jaren  geleden.  Ik 
zag  ook  een  paar  olie-schetsen;  en  zie  :  hier  alle  studie,  alle  aandacht 
gewijd  aan  de  lucht;  met  nauwelijks  eenige  duimen  ondergrond;  want 
de  lucht  was  hoofdzaak,  de  lucht,  de  lucht!  Zooiets  exposeert  hij  niet, 


87 


DIIiK  NIJLAND  :  DE  BOOM 
(Teekening). 

DIRK  en  terecht.  Maar  bewijs  voor  mij,  dat  die  lucht,  die  wonderbaar  fijne, 

NIJLAND  esquise  Hollandsche  polderland-Iuchl  hem   prikkelde  tot  studie,  tot 

inspanning.  En  nu  heeft  hij  van  de  luchten  op  zijn  teekeningen  werk, 
veel  werk,  een  enkele  maal  te  veel  werk  gemaakt.  Dan  komt  er  iets 
pijnlijk  nauwkeurigs  in;  en  dit  is  uit  het  bovenstaande  te  verklaren  en 
zal  bij  grooter  techniek-beheersching  geheel  verdwijnen. 


«8 


2    ^ 
^    < 

Q     Q 


Maar  tegenover  dit  soms  pijnlijk  nauwkeurige  staat  dan  weer  het  DIRK 
spontaan-breede,  het  grootsche  in  lijn  en  massa,  waaruit  zoozeer  de  NIJLAND 
echtheid  blijkt  van  zijn  artistiek  gevoel.  Hoe  knoestig,  hoe  gegroeid, 
hoe  in-eens  vang-armen  de  takken  door  elkaar  als  lijn-kluwens  van 
het  berceau,  van  het  bladerlooze  laantje,  waaronder  men  ver  door- 
kijkt, tot  het  wordt  symbool  van  ruimte,  van  atmospheerische  einde- 
*  loosheid. 

In  welk  een  verre  ruimte  staat  het  molengevaarte,  alsof  het  met 
zijn  stuggen,  stierig  gebogen  kop  wil  aanstooten  tegen  het  onbereikbare. 
Ook  die  teere  Gothische  spits,  die  als  een  Madonna  zich  rein  voelt 
boven  den  rookwalm  uit  de  schoorsteenen  rond-om  zich  en  haar  voet... 
ook  zij  is  symbool  in  anderen  zin,  in  zin  van  ópstrevings-zucht  naar 
het  oneindige  die  de  kunstenaarsziel  gevoelt.  De  bootwerker  weer,  taai, 
mager  en  gespierd  en  alles  koncentreerende  tot  uiterlijke  kracht  in 
den  strijd  om  het  bestaan,  symbool  van  de  inspanning,  van  't  levens- 
verlies  dat  de  kunstenaar  zich  moet  getroosten  terwille  van  zijn  groot 
doel.  Soms  ook  wordt  de  bootwerker,  waar  hij  meedoet  aan  't  politieke 
tinnegieten,  tot  karikatuur,  lot  KaaUphilosoof;  teekeningen  met  zwart 
en  een  weinig  rood  krijt,  en  soms  met  een  weinig  rood  gewasschen 
achtergrond.  Met  de  pen  is  weer,  ernstig  symbolisch,  een  deftige 
jonge  man;  een  sludie-mensch,  een  portret  van  een  vriend,  die  aan- 
dachtig zit  te  lezen  Inet  de  linkerhand  aan  't  hoofd,  terwijl  éen  der 
vingers  de  regels  volgt  van  het  boek.  Hierin  is  ook  alweer  de  stof  mooi 
uitgedrukt  en  tot  groote  verscheidenheid  gebracht  :  stof  van  -boek, 
lamp,  licht,  achtergrond  en  kleeding.  Dit  uitdrukken  van  de  stof-ver- 
scheidenheid  met  de  pen  is  één  der  strevingen  van  den  artiest,  die 
groote  waardeering  verdient  en  zeer  moeiHjk  te  bereiken  is.  Kunst-/i>/y(? 
is  hier  de  groote  motor.  En  ik  zag  dit  hel  duidelijkst  in  een  uitvoerige 
teekening  De  Tuiiiy  tuin  rondom  hel  ouderlijk  huis;  met  achter  een 
tuinmuur  het  huis  zelf  in  al  zijn  verscheidenheid  van  panne-  en 
steenrood;  kozijn-stijl-hout  en  gegordijnde  ramen,  waarlangs  een  paar 
stammen  opgaan  tusschen  heesters,  elegant-slank  van  vorm  en  in  al 
hun  bladverscheidenheid  afgebeeld. 

Alles  is  hier  mooi  en  zelfs  het  kiezel  langs  het  tuinpad.  En  dit 
beter  voor  te  stellen  dan  min  of  meer  poinlilleerend  met  de  pen,  zal 
wel  niet  mogelijk  zijn  :  althans  niet  op  een  teekening  als  deze,  waar- 
voor geen  ander  hulpmiddel  dan  de  pen  is  gebruikt.  Mooi  vooral  ook 
is  hier  het  wegwazende,  teer  uitgewerkte  loofhout,  achter  hel  lagere 
huisdeel  links  opgaande.  Anders  is  weer  Rumoer :  ik  herinner  mij  hel 
van  de  exposities  in  Rotterdam  en  Den  Haag.  De  wegwaaiende  rook- 


DIRK  pluimen  uit  de  hooge  schoorsteenen  tegen  de  zwaarbewolkte  avond- 

NIJLAND  lucht   doen    mij    weer   zien,     zinrijk,    de    groote    tegenstelling    van 

het  zichtbare  en  onzichtbare,  tastbare  en  ontastbare,  materieéle  en 
ónmaterieële,  waarmee  de  groote  industrieële  bestaans-slrijd  ons 
dagelijks  in  aanraking  brengt.  Van  liefde,  groote  liefde  tot  kunst 
getuigt  weer  de  Brusselsche  achterbuurt,  waar  in  het  oude  hout  elke 
noest  is  uitgewerkt,  elke  steen  een  individu  is  geworden  en  de  lucht 
ver^  mooi  ver  gaat.  Jaagpad  is  weer  anders;  weer  meer  zinrijk,  waar 
de  lijntrekkende  man  naast  de  kalm  spiegelende  hoornen,  molen-  en 
huizen-silhouetten  stil  tégen  de  gestamde  avondlucht,  sterk  de 
Jegenslelling  aangeeft  van  het  tot  rust  gekomene  en  bijna  nooit  rust 
krijgende.  Dan  zag  ik  nog  een  Oude  Stal^  weer  met  sterke,  zinvolle 
tegenstelling,  die  van  licht,  en  donker.  Het  is  een  akwarel.  Of  er  met 
de  pen  in  gewerkt  is,  heb  ik  niet  kunnen  zien.  Maar  als  akwarel  is 
het  een  goede  getuige  van  wat  de  kunstenaar  in  dit  opzicht  reeds 
kan.  Mooi  valt  door  de  open  deur  het  licht  met  een  lange  breede  lijn 
over  de  steenen,  aan  wier  kleur-verandering  in  dat  licht  groote  zorg 
is  besteed ;  terwijl  het  grijsachtig  verweerde  hout  van  de  steunbalken 
op  den  voorgrond  goed  is  van  lijnen.  Door  de  open  deur  ziet  men, 
over  een  watertje  en  een  molen  met  hout  er  achter,  de  lucht. 

Ik  zag  nog  een  paar  akwarellcn.  De  éen  is  een  Maasgezicht  met 
gelig  golvend  water  op  den  voorgrond  en  verderop  saamvloeiïng  met 
paarsblauwig.  Daarin  zeilen  een  drietal  schuiten  achter  elkaar;  terwijl 
tegen  het  gele  aan  een  sleepstoomer  eenige  andere  trekt,  leek  het  mij. 
Hier  boven  eenige  blank-rondgerolde  wolken  in  de  blauwe  ruimte 
Alweer  dat  trekken  en  zwoegen  onder  de  sereniteit  van  den  pol- 
derlandschen  hemel  —  zinrijk  als  in  zoo  vele  andere  teekeningen 
van  den  artiest.  De  tweede,  even  groote,  is  een  dergelijk  riviergezicht, 
met  veel  water  op  den  voorgrond  en  aan  den  einder  niets  als  een 
blank-groen  polder-verschiet.  Hierin  vooral  is  ruimte  aangeduid  en 
het  geeft  een  gevoel  van  het  grootsche  wat  aan  het  Dordtsche  landschap 
eigen  is. 

Het  picturale  van  het  oude  Dordt  is  natuurlijk  van  invloed  geweest 
op  de  artistieke  vorming  van  Dirk  Nijland.  Wil  men  van  invloed 
spreken,  dan  is  hier  punt  van  uitgang  :  Dordt  en  het  ruime  water- 
landschap rondom  de  stad.  Numero  twee  :  het  ouderlijk  huis.  Dit,  in 
artistieke  kringen  zeer  bekend,  bergt  schatten  van  kunst,  die  Dirk  reeds 
jong  voor  oogen  kreeg.  Bescheidenheid  verbiedt  hier  in  bizonderheden 
te  treden.  Maar  zou  hij,  reeds  zoo  jong,  tot  die  breede,  vrij-aangezette, 
spontaan  uitgevoerde  lijn  zijn  gekomen,  waarvan  onder  anderen  een 


00 


M^ 


<     H 

J     CS 

2     O 


lithografie  getuigt,  die  ik  er  zag,  een  Veluwsche  watermolen,  als  hij  DIRK 
niet  rondom  zich  de  voorbeelden  had  gezien,  dagelijks  gezien  van  NULAND 
datzelfde  sponlaan-vrije,  in-eens  uitgedrukte  gevoel,  waarvan  die  door 
hem  op  steen  geleekende  molen  spreekt?  Toch  is  het  zoo  mooi  en 
getuigt  hel  van  zijn  conscientieuse  opvatting,  wanneer  hij,  niettegen- 
staande dit  breede  en  dikwijls  al-te-vrije,  de  teekening  verwaarloo- 
zende  exempel,  lot  het  tegenovergestelde  is  gekomen  :  alleen  om  de 
stol  uit  te  drukken,  juist  uit  te  drukken;  waartoe  hij  niet  anders  dan 
door   inspanning  van  studie  geraken  kon. 

Maar  zoo  teekent  hij  niet  altijd.  Aardige  typen  zijn  de  achter-elkaar 
te  voorschijn  komende  koppen  met  de  schreeuwmonden  van  eenige 
kiezers  op  een  kiezersvergadering,  breed  aangezet  met  krijt,  zwart-op- 
wit.  Met  welk  werk  is  dit  nu  te  vergelijken?  Het  is  een  teekening  naar 
het  leven;  en  karikatuur  geworden,  omdat  de  teekenaar  van  het  ver- 
gaderen van  dergelijke  lieden  het  lachwekkende  het  sterkst  voelde. 
Had  van  Gogh  zooiets  kunnen  maken?  Nooit.  Het  belachelijke  bestond 
voor  hem  niet.  Als  men  zijn  werk  slechts  even  ziet,  weet  men,  dat  hij 
het  sterkst  de  ellende  voelde;  het  vermagerde,  afgetobde,  verzwoegde; 
de  ontzettende  inspanning  hem  bij-bleef,  die  het  leven  van  zoo  velen 
vordert.  In  Baymans  is,  ik  erken  het,  een  prachtige  raapster,  een  buk- 
kende vrouw,  naar  het  leven  in-eens,  heerlijk  van  lijnen  van  Vincent. 
Maar  in  de  meeste  van  zijn  teekeningen  geeft  hij  zich  den  tijd  niet  om 
te  teekenen  :  omdat  hij  meeleeft  met  Les  Humbles,  met  Les  Misérables 
en,  wat  ze  ook  doen,  hij  zich  dadelijk  sterk  in  hun  lijden  verdiept, 
waardoor  de  teekenaar,  en  ook  de  kolorist,  op  den  achtergrond  geraakt. 
Hier  en  daar  kleurt  hij  slechts  even  zijn  wit  en  zwart,  met  een 
weinigje  rood,  een  weinigje  bruin,  een  weinigje  geel.  En  altijd  weer 
zijn  het  zwoegers,  tobbers,  die  we  te  zien  krijgen,  lichamelijk  verloope- 
nen, ouden  van  dagen  of  door  huiselijke  zorgen  geplaagde  ellendigen. 
Maar  dit  altijd  ernstig  ;  nooit  met  een  zweem  van  spotternij  ;  wat  hij 
niet  kón,  omdat  hij  meeleefde  met  hen. 

Waar  daarentegen  Dirk  Nijland  de  zwoegenden  op  het  papier 
brengt,  doet  hij  dit  bijkomstig  :  als  middel  niet  als  doel ;  om  een 
gedachte  uit  te  drukken.  Ook  Toorop  doet  dit;  maar  heel  anders. 
Hier  het  symbool  om  het  symbool.  Het  wordt  gezocht,  saamgesteld, 
raadselachtig ;  het  is  uniek  en  wordt  beschouwd  als  iets  a-parts  van 
de  werkelijkheid  rondom  ons.  Als  in  een  Zerr-  of  Hohlspiegel  zien  we 
de  dagelijksche  dingen  om  ons  anders  worden  :  alleen  om  ze  pasklaar 
te  maken  voor  een  symboliesche  gedachte.  Daar-en-tegen  in  vele 
van  Dirk  Nijland*s  teekeningen  treedt  het  symbool  ons  voor  oogen 


91 


DIRK  zooals  de  werkelijkheid  dit  geeft,  zooals  het  in  alle  natuur-dingen 

NIJLAND  rondom  ons  besloten  ligt,  zichtbaar  is,  qï  onbewust  tot  ons  komjt. 

Trekt  een  onderwerp  den  kunstenaar,  laat  een  ander  hem  koel^  dan 
komt  dit  omdat  hij  de  mindere  of  meerdere  volheid  als  bij  ingeving 
gewaar  wordt.  Te  Katwijk  schilderde  Dirk  Nijland  naar  de  natuur. 
De  oude  witgrijze,  verweerde  kerk  alweer  trok  hem  ;  maar  het  strand 
en  de  pinken,  en  de  zee  zelfs,  liet  hij  weg. 

De  groote,  tot  dus  ver  de  grootste  zijner  teekeningen,  Bomkade^ 
pleit  alweer  voor  deze  opvatting.  Voor  den  gewonen  beschouwer  is  dit 
gewirwar  van  door-elkaar  slingerende  lijnen,  van  uitwaaiende  wimpels, 
opgestapelde  tonnetjes,  langs  dekken  van  met  allerlei  kleinigheden 
beladen  schepen,  tusschen  duc-d'alves  door,  langs  kade-keien  en 
scheepsplanken  en  over  krinkelend  water,  wat  druk.  Maar  tusschen  al 
dat  touwwerk  door,  en  over  die  schepen  heen,  ziet  men  de  huizen 
in  rijen,  waar  de  zwoegende  menschen  kunnen  rusten.  En  boven  deze 
omgeving,  reeds  kalmer  dan  de  voorgrond  is,  steekt  hoog  op  de 
vierkant  breede,  grijs-grauwe  torenreus,  met  eigenaardig  gekroonden 
uurwerk-top;  waarlangs  de  wijzers  schuiven  dag-in  dag-uit...  als  een 
eeuwigheids-memento  voor  het  menschen-bedrijf  aan  zijn  voet...  als 
een  waarschuwing  om  als  het  getij  verloopt  niet  te  vergeten  het  baken 
te  verzetten. 

Voorburg  bjd  Haag.  J^    WiNKLER   PrINS. 

6  Febr.  1902. 


92 


I 


d   ^ 


a  ^  ^ 

-<  C/3  § 

2  cc  5 

y^  '^  •^ 

\4  ^  t 

E  3  -2^ 

5  c  '^ 


DE  TEEKENINGEN  DER 


VLAAMSCHE  MEESTERS 


DE  KLEINMEESTERS  DER  XVP  EEUW 


E  Vlaamsche  kleinmeesters  van  de  xvie  eeuw  DE  TEEKE- 
ondergaan  in  mindere  mate  den  invloed  der  NINGEN  DER 
Italianen ;  zij  blijven  in  hoofdzaak  fijnschilders,  VLAAMSCHE 
zooals  onze  middeleeuwsche  kunstenaars  het  MEESTERS 
waren.  Wel  worden   hunne  figuren  leniger, 
hunne   tonen   smeltender   en    zoeken   zij    te 
behagen  door  aanvalligheid ;  maar  zij  volgen 
geen    vreemden   na,    zij  zoeken    naar  geen 
Academische  regelmaat;  zij  stofifeeren  zoo  rijk  mogelijk  hunne  toonee- 
len  en  plaatsen  deze  gaarne  in  landschappelijke  omgeving. 

Hendrik  met  de  Bles  en  Joachim  de  Patinir  (1490?-1524)  vormen 
den  overgang  van  de  oudere  tot  de  nieuwere  school.  Van  den  eerste 
kennen  wij  geene  teekening;  van  den  tweede  bezit  het  British  Museum 
een  blad,  waarop  verscheiden  hoofden  uitmuntend  geteekend  zijn,  op 
den  rug  staat  in  geschrift  van  den  tijd  te  lezen  «  Joachim  de  Patinir  ». 
In  tijdsorde  volgt  Marten  van  Cleve  (1527-1581),  die  in  kleine 
tafereeltjes  tooneelen  uit  de  Bijbelsche  geschiedenis  of  uit  het  volks- 
leven schilderde.  Al  zijne  werken  zijn  verloren  gegaan,  behalve  een 
Vlaamsch  huishouden^  dat  het  Rijksmuseum  van  Weenen  van  hem 
bezit  en  dat  voortkomt  uit  de  verzameling  van  Aartshertog  Leopold- 
Wilhelm.  Een  Boerenkermis  en  een  landschap,  dat  vroeger  te  Weenen 
was,  werd  in  1877  door  Woltmann  te  Praag  gezien.  De  Albertina  bezit 
van  hem  eene  teekening  in  den  aard  van  Pieter  Breughel,  verbeeldende 
eene  Boerenbruiloft. 

Van  Hendrik  van  Cleve  (1525-1589)  zijn  broeder,  van  wien  ons 
ook  nog  slechts  één  schilderij  bekend  is,  namelijk  de  Verloren  Zoon  in 
het  Rijksmuseum  te  Weenen,  in  den  trant  van  Peter  Aertsen,  kennen 
wij  verscheiden  teekeningen  :  een  landschap  met  puinen  in  den  Louvre 

met  zijn  naamteeken   l^JT   ;  in  de  Albertina  nog  een  landschap  met 

veel  gebouwen,  waarvan  de  afbeelding  hierbij  gaat;  als  slofifeering  :  een 


xu 


93 


DE  TEEKE-^ 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


JOACHIM  DE  PATINIR:  SU' DIEHOOFDEN 
(Londen,  Brilish  Museum). 

stroom  met  brug  en  een  boot.  Het  is  een  zeer  fijne  teekening  met  de 
pen  uitgevoerd  en  met  blauw  getint,  zijn  naamteeken  en  het  jaartal 
1588  dragende.  In  dezelfde  verzameling  een  andere  teekening,  waarop 
van  later  hand  zijn  naam  Herri  van  Cleve  geschreven  is;  te  Amsterdam, 
een  mansportret  met  zijn  naamteeken  en  het  jaar  1582;  te  Berlijn, 
drie  stuks  :  een  zeestrand  met  water  en  schepen  in  denzelfden  trant  als 
de  stukken  uit  de  Albertina;  een  bouwval  op  een  hoogte,  wat  vaster 
van  teekening  met  bruin  en  blauw  opgehaald;  een  bouwgevaarte  aan 
zee,  met  de  pen  en  gewasschen  met  bister.  Alle  drie  dragen  het  naam- 
cijfer  van  den  kunstenaar;  het  eerste  is  gedagteekend  van  1585,  het 
tweede  van  1584,  het  derde  van  1582. 

In  de  Albertina  troffen  wij  eene  teekening  aan  gemerkt  van  later 
hand  Cornelius  van  Cleve,  *  verbeeldende  Saters,  die  een  pedestaal 
maken  voor  een  vrouw,  die  een  bloemenkorf  op  het  hoofd  draagt.  Een 
drager  van  dezen  naam  is  ons  alleen  bekend  uit  de  Liggeren  der  Ant- 
werpsche  Lucasgilde,  die  hem  onder  1659-1660  vermelden  als  leer- 
jongen. 


Jacob  Grimmer  (1526?-1590)  schilderde  volgens  van  Mander  hoofd- 
zakelijk landschappen;  dit  moge  waar  zijn,  even  zeker  is  het  dat  hij 
gaarne    zijne    veldgezichten    stoffeerde    met  gebouwen  en   ook    wel 


91 


r^   *^ 


iri\ 


•  o 

;;;  ca 

>  ^ 

X  ^      ^ 


>  i  =2 

'^  X  ^. 

1 1 1 

a  j  ? 


tooneelen  uit  hel  gewone  leven  en  uit  den  Bijbel  in  den  volksirant  DE  TEEKE- 
schilderde.  Zijne  leekeningen  zijn  ongemeen  fijn  en  fraai.  De  Albertina  NINGEN  DER 
bezit  \an  hem  een  Stalleken  nan  Bethleem;  hel  Brilish  Museum,  een  VLAAMSCHE 
gezicht  op  Anlwerpen  langs  den  Scheldekanl  en  een  zeer  fraai  land-  MEESTERS 
schap  met  woningen  en  mei  een  boer,  die  een  kar  voortdrijft,  onder- 
teekend Jac.  Griemaer. 

De  twee  voornaamste  teekenaars  onder  de  kleinmeesters  van  dien 
tijd  zijn  Hans  Bol  en  Jan  Breughel  I. 

Hans  Bol  werd  geboren  te  Mechelen  den  16^"  December  1534.  In 
zijne  jonge  jaren  bezocht  hij  Duitschland,  verbleef  daar  eenigen  tijd 
en  keerde  omstreeks  1560  terug  naar  Mechelen.  In  1572  verliet  hij 
opnieuw  zijne  geboortestad  en  vestigde  zich  te  Antwerpen,  waar  hij 
drie  jaar  later  het  poorterrecht  bekwam.  In  1584  begaf  hij  zich  naar 
Holland,  woonde  daar  in  verscheiden  sleden  en  eindelijk  te  Amsterdam, 
waar  hij  den  20"  November  1593  overleed.  Hij  schilderde  eerst 
landschappen  met  figuren,  later  ook  walerverfstukken  en  miniaturen. 
Er  werd  veel  naar  zijne  werken,  die  gewoonlijk  van  kleine  afmetingen 
waren,  gegraveerd;  hij  zelf  was  een  eiser  van  talent. 

Een  groot  aantal  teekeningen,  altijd  in  zijn  keurigen,  fijnen 
trant  gemaakt,  zijn  ons  bewaard  gebleven.  De  Louvre  bezit  van  hem 
twee  landschappen  dragende  zijn  naam;  een  ervan  is  gedagteekend 
van  1586.  De  Albertina  bezit  er  veel  meer;  de  gedagleekende  zijn  van 

1572,  1580,  1582  en  1588.  De  Uffizi  te  Florence  hebben  een  landschap 
met  jagers  te  voet  en  te  paard  van  1568,  een  bergachtig  landschap  van 

1573,  een  gezicht  op  een  kasteel  met  velerlei  personages  van  1580.  Het 
Prentenkabinet  van  Amsterdam  een  Belhsahé  van  1568,  een  bergachtige 
streek  en  op  de  achterzijde  «  hel  huys  leBorgvliet  toten  Ossenheuvel,  » 
een  heuvelachtig  landschap  met  gebouwen  van  1570,  en  drie  land- 
schappen met  figuren  van  1573;  het  Museum  te  Dresden,  een  heer  en 
eene  dame  voorafgegaan  door  muziekanten  van  1573;  het  Prenten- 
kabinet te  Berlijn  een  zeer  uitvoerige  teekening  met  de  pen,  het 
Huwelijk  van  Joseph  en  Maria,  vóór  een  tempel  in  Renaissance-stijl, 
op  een  groote  markt  vol  huizen  en  menschen  van  1565;  een  gezicht  op 
land  en  stad  van  1569,  een  ander  van  1570  en  een  gezicht  op  een 
kasteel  met  mannen,  die  in  den  tuin  werken,  van  1573.  Verscheiden  van 
die  stukken  zijn  zoo  zorgvuldig  bewerkt  dal  zij  klaarblijkelijk  bestemd 
zijn  om  tot  modellen  voor  den  graveur  te  dienen;  zij  zijn  met  de  pen 
geteekend,  meestal  met  bister,  enkele  met  blauwe  of  purperen  water- 
verf  gewasschen. 

Jan  Breughel  I  of  Fluweelen  Breughel  werd  te  Brussel  geboren  in 
1568 ;  al  vroeg  kwam  hij  naar  Antwerpen ;  in  zijne  jongelingsjaren 
begaf  hij  zich  naar  Italië,  van  waar  hij  in  de  tweede  helft  van  1596  naar 
hel  vaderland  terugkeerde ;  hij  vestigde  zich  te  Anlwerpen,  waar  hij  in 


95 


I 


H.CT 

lONSTICH 


SEBASTIAAN  VRANCX  :  Titelblad  van  het  register  der  Rederijkkamer  c  de  Violieren  > 
(Archief  der  Koninklij  ke  Academie,  te  Antwerpen). 


96 


1625  overleed.  De  datum,  dien  sommige  zijner  teekeningen  dragen  en  DE  TEEKE- 
hun  onderwerp  bewijzen  dat  liij  na  zijn  aankomst  te  Antwerpen  nog  NINGEN  DER 
menige  reis  in  den  vreemde  ondernam.  Zijne  fijne  miniatuurachtige  VLAAMSCHE 
stukjes,  gewoonlijk  landschappen    gestoffeerd    met    personages,   zijn  MEESTERS 
algemeen  gekend  en  bewonderd  ;  buitendien   schilderde  hij  allerlei 
dieren  in  geringe  afmeting  en  keurigen  trant,   bloemen  en  velerlei 
doode  natuur. 

Belangrijk  voor  zijne  geschiedenis  zijn  de  opschriften,  die  zijne 
teekeningen  dragen.  Het  British  Museum  bezit  van  hem  het  gezicht  op 
eene  ruïne  gedagteekend  H  October  159i  Roma  fecil  BrueghelJ'';  een 
ander  met  de  woorden  :  In  Roma  november  159i  van  zijne  hand  en 
flu  Bruegel  fe  van  lateren  tijd.  Te  Rotterdam  in  het  Museum  vinden 
wij  een  rotsig  landschap  onderteekend  BRVEGHEL  1596.  Hij  moet 
later  een  paar  malen  in  Duitschland  geweest  zijn;  een  zijner  teekenin- 
gen inliet  British  Museum  draagt  het  opschrift :  BRVEGHEL  fecit  in 
Praga  i60^;  op  een  stuk  te  Amsterdam,  een  echte  miniatuur  in 
kleur,  met  blauw  en  groen  gewasschen,  leest  men  :  «  St,  Jopskerck 
Joan  Brueghel  1616  ten  10  october  in  Neurenberg.  »  Te  Berlijn  vinden 
wij  een  zeestrand  met  schepen ;  de  figuren  zijn  zeer  vettig,  de  booten 
in  lichte  tint,  het  water  blauw,  alles  zeer  breed  en  flink  gedaan,  getee- 
kend  B...g hel  fecit  primo  decembri  16Hj  een  bewijs  dat  hij  ook  kleinere 
studiereisjes  ondernam. 

Het  is  waarschijnlijk  dat  op  Breughel's  naam  tal  van  landgezichten 
in  zijnen  aard  geplaatst  zijn  ;  hij  was  toch  de  voorganger  en  bleef  de 
meest  gekende  vertegenwoordiger  van  een  heele  groep  schilders  van 
landschappen,  gestoffeerd  met  personages,  fijn  en  wat  magertjes  van 
bewerking,  tooneelen  uit  het  werkelijk  leven  of  ideale  natuurgezichten 
voorstellende.  Behalve  de  hooger  vermelde  vonden  wij  door  hem 
onderteekende  stukken  :  in  den  Louvre,  een  landschap  met  het 
woord  BrugelOy  wellicht  een  veritalianiseerde  vorm  van  zijn  naam  ; 
in  de  Albertina,  een  rotsige  plek  met  een  Siby Hen  tempel  en  den  naam 
/  brSgel ;  in  het  British-Museum,  een  vaas  met  bloemen  met  Jan  Breu- 
ghel^  de  naam  met  eu  geschreven  zooals  de  Breughel's  wel  eens  meer 
deden ;  te  Haarlem,  in  het  Teylers-Museum,  een  riviergezicht  met 
J.  Breughel ;  te  Amsterdam  nog  vijf  stuks,  waaronder  een  rivier- 
gezicht met  J,  B  reugel  fecit;  en  een  overval  van  eenreiswagen  met 
Andere  stukken  van  hem,  die  echt  zijn,  ofschoon  zij  zijn  naam  niet 
dragen,  bezitten  de  openbare  verzamelingen  te  Dresden,  te  St.  Peters- 
burg, te  Stockholm  en  de  Albertina  te  Weenen.  Berlijn  vooral  is  rijk 
aan  teekeningen  van  hem  :  buiten  de  reeds  genoemde  bevinden  er 
zich  daar  vijf  latidelijke  tafereelen,  een  studie  van  karren  en  paarden 
en  een  IJsvermaak. 

In  de  groote  Fransche  verzamelingen  der  achttiende  eeuw  kwam 


3 


97 


l 
f 


SEBASTIAAN  VRANCX  :  Zinnebeeldig  ))lnd  in  het  register  der  Redcrijkkamer  <  de  Violieren  » 
(Archief  der  Koninklijke  Academie  te  Antwerpen). 


98 


< 


y. 


^  :i^  •= 

5  ^'  t 

-  ö-  £ 

2  5  < 

« i  i 

^  %  l 

■ï  "3  c 


SEBASTIAAN  VRANCX  :  CARTOUCHE 
(St.  Petersburg,  Ermitage). 

men    vele  teekeningen   van    Jan  Breughel  tegen.   De   Catalogus  van  pvg  TEEKE- 
Crozat,  opgesteld   door  Mariette,  beschrijft  er  niet  minder  dan  68;  jjivrpjj  npp 
onder  deze  komen  er  vier  landschappen  en  drie  gezichten  op  Puzzoli  VLAAMSCHE 
voor,  die  door  Gilles  Sadeler  werden  gegraveerd.  Een  der  stukken  is  \ieeSTERS 
gedagteekend  van    1593,  een    van  1596,   een   van  1597,  dat  bij  aan 
Theodoor  Galle  ten  geschenke  gaf,  een  van  1611  ;  een  Gezicht  op  de 
brug  van  Heidelberg  en  een  Prediking  van  den  H.  NorbertuSy  een  onder- 
werp, dat  hij  behandelde  in  een  schilderij,  die  het  Museum  te  Brussel 
bezit. 

Van  de  kleinmeesters  geboren  in  de  laatste  jaren  der  XVI®  eeuw 
hebben  wij  nog  te  vermelden  Hendrik  van  Balen  (1575-1632),  van 
wien  de  Albertina  eene  Aanbidding  der  Herders,  gedagteekend  H.  v. 
Balen  1617  en  geheel  in  Rubens'  trant  opgevat,  bezit.  In  de  TT^ 
Ufïizi  vinden  wij  nog  een  Europa  op  den  stier  geteekend  113^ 
162i^j  hem  toegeschreven,  maar  zeer  twijfelachtig. 

Willem  Nieulant  (1584-1633;  maakte,  zooals  wij  weten,  vele  tee- 
keningen in  Rome  en  op  andere  plaatsen  in  Italië.  Daarvan  getuigen 
verscheidene  stukken  :  een  Triomfboog  in  puin  gedagteekend  A"  1610 
en  twee  andere  teekeningen  van  vervallen  gebouwen  in  het  prenten- 
kabinet van  het  Rijksmuseum  te  Amsterdam  ;  een  brug  met  gezicht  op 
puinen,  gedagteekend  Adi  10  September  1603^  ie  Dresden',  de  Triomf-  , 
boog  van  Simplicius  Severus  met  het  opschrift :  In  Roma  il  20  Septem- 
bre  1609  en  een  rotsachtig  landschap  geteekend  WILLIAM  NIEVLANT 
1609,  beide  te  Berlijn.  Al  deze  stukken  zijn  met  de  pen  geteekend  met 
zorg,  maar  zonder  groot  talent  bewerkt. 


99 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


Van  zijn  broeder  Adriaan  Nieuwlant  (1587-1658)  bezit  de  Albertina 
een  bergachtig  landschap,  een  landschap  met  stadsgezicht  en  een 
derde  met  vier  zingende  en  op  de  rinkeltrom  spelende  vrouwen, 
geteekend  A.  Nieuivlandt. 

Sebastiaan  Vrancx  (1573-1647),  was  een  bijzonder  smaakvol  tee- 
kenaar van  cartouches  en  omlijslingen  in  den  Renaissance-trant, 
die  den  overgang  vormt  tusschen  den  stijl  van  Vredeman  de  Vries  en 
dien  van  Rubens.  Staaltjes  van  zijn  talent  vinden  wij  in  een  cartouche 
toebehoorende  aan  de  Ermitage  te  St.  Petersburg,  gemerkt  Anno  ^609^ 
S.  V.  en  in  een  paar  bladen  in  waterverf,  die  hij  vervaardigde  voor  het 
register  der  Violieren,  nog  berustende  in  het  Archief  der  Koninklijke 
Academie  te  Antwerpen.  Het  eene  vormt  het  titelblad  van  dit  register; 
het  andere  omlijst  een  van  die  zinnebeeldige  schilden,  waar  de  Rede- 
rijkkamers toen  veel  liefhebberij  in  hadden  en  waar  in  de  Landjuwee- 
len  prijzen  werden  voor  uitgeloofd.  Sebastiaan  Vrancx,  die  ook  aan 
letterkunde  deed,  schilderde  er  zoo  nog  wel  meer.  Dat,  welk  wij  hier 
afbeelden  geeft  terzelfder  tijd  als  het  schild  de  uitlegging  van  den  rebus 
in  een  vierregelig  gedichtje,  beiden  door  onzen  kunstenaar  vervaar- 
digd. 

{Wordt  voortgezet).  MaX    RoOSëS. 


100 


EEN  NIEUWE  VAN  DER  GOES 


IN  HET  BERLIJNSCHE  MUSEUM 


iT  Berlijnsche  Museum  heeft  weer  een  slag  EEN  NIEUWE 
geslagen,  die  we  met  bewondering  (en  laten  VAN  DER 
we  ook  maar  zeggen  met  een  beetje  afgunst)  GOES 
meesterlijk  mogen  heeten  :  de  aankoop   van  IN  HET 
een  tot  nu  toe  vrij  onbekend  hoofdwerk  van  BERLIJNSCHE 
I  lugo  van  der  Goes.  De  uitgelezen  verzameling  MUSEUM 
werken  van  vroege  Nederlandsche  meesters, 
welke  dit  museum  reeds  bezit,  wordt  hierdoor 
op  even  schitterende  als  onverwachte  wijze  verrijkt.  Wij,  Vlamingen, 
mogen  het  betreuren  dat  nu   voor  goed  alle  kans  verloren  is,  een 
werk  van  zoo  groote  beteekenis  nog  ooit  binneji  onze  grenzen  te  krij- 
gen, —  maar  we  kunnen  ons  troosten  met  de  gedachte,  dat  dit  kind 
van  onzen  bodem  aan  goede  handen  is  toevertrouwd.    Het  Berlijnsche 
Museum-bestuur  zij   dan  ook  met  deze  nieuwe   aanwinst  van  harte 
geluk  gewenscht. 

Dat  de  waarde  van  dit  werk,  niet  enkel  op  zichzelf  en  voor  zich- 
zelf, maar  ook  als  document  in  de  geschiedenis  onzer  schilderkunst, 
niet  licht  te  overschatten  is,  blijkt  vooral  wanneer  wij  nagaan  hoe 
bitter  weinig  ons  aan  scheppingen  en  levensbijzonderheden  van  dien 
schilder  is  toegekomen.  Zijn  leven  is  vol  mysterie  en  verschrikking. 
Met  volle  zekerheid  is  maar  heel  weinig  over  hem  geweten.  Van  Mander 
was,  zooals  hij  het  trouwens  zelf  erkent,  over  hem  zeer  onvoldoende 
ingelicht,  en  putte  zijn  gegevens  uit  weinig  vertrouwbare  bronnen.  Er 
bestaan  slechts  een  paar  oorkonden  waaruit  iets  stelligs  is  op  te 
maken.  Zoo  staat  het  nu  vast  dat  van  der  Goes  te  Gent  geboren 
werd;  in  1467  belast  werd  met  de  artistieke  leiding  der  feesten  voor  de 
intrede  van  Karel  den  Stoute,  en  het  volgend  jaar,  te  Brugge  aan  der- 
gelijke werkzaamheden  deelnam,  ter  gelegenheid  van  het  huwelijk  van 
den  Hertog  van  Burgondië;  in  1468  onder-deken,  en  van  1473  tot  1475 
deken  was  van  de  St.  Lucasgilde  te  Gent ;  —  rond  1476  als  leekebroer 
in  het  Klooster  Roodendale  of  Roode  Klooster^  bij  Audeghem  (in  het 
Zoniênbosch)   trad,  en  er  in  1482  stierf,  na  een-  of  tweejarige  geestes- 


xiu 


101 


I 


EEN  NIEUWE    ziekte.  Over  het  laatste  gedeelte  van  zijn  leven  bezitten  we  een  kostbaar 
VAN  DER  bericht  in  een  latijnsche  kroniek,  (*)  opgesteld  door  een  kloosterbroe- 

GOES  der,  Gaspard  Ofhuys  van  Doornik,  die  gelijktijdig  in  het  klooster  leefde. 

IN  HET  Breedvoerig  wijdt  deze  uit  over  de  levenswijze  van  den  schilder  als 

BERLIJNSCHE   kloosterling,  en  vertelt  hoe  hij  omstreeks  1480-81  een  reis  naar  Keulen 
MUSEUM  ondernomen  hebbende,  op  den  terugweg  door  de  kwaal  werd  aangetast, 

waarvan  hij  niet  meer  genezen  zou.  Onder  de  wijdloopige  beschouwin- 
gen van  den  kroniekschrijver  willen  we  de  volgende  naïeve  en  eigen- 
aardige opmerking  aanhalen  :  •  Deze  broeder  was,  als  uitstekend 
schilder  zooals  hij  toen  genoemd  werd,  door  een  overmatige  verbeel- 
dingskracht aan  droomerij  en  afgetrokkenheid  ten  prooi  :  hierdoor 
werd  een  ader  in  zijn  brein  getroffen.  In  de  nabijheid  van  dit  laatste, 
is  er,  naar  men  zegt,  een  kleine  en  teedere  ader,  beheerscht  door 
scheppingskracht  en  droomerij.  Wanneer  onze  verbeelding  te  veel 
werkt  en  wij  veel  droomen,  wordt  die  ader  gekweld  en  wanneer  zij 
zoozeer  geschokt  en  geteisterd  wordt  dat  ze  breekt,  ontstaat  er  waanzin 
en  razernij.  Ten  einde  ons  voor  zulk  noodlottig  en  onherstelbaar 
kwaad  te  vrijwaren,  moeten  we  niet  toegeven  aan  onze  droomerijen, 
inbeeldingen,  achterdocht,  of  andere  ijdele  en  onnoodige  gedachten, 
die  onze  hersenen  kunnen  versloren.  ».... 

Deze  treurige  bijzonderheid  uit  het  leven  van  den  kunstenaar, 
krijgt  voor  ons  echter  haar  volle  beteekenis,  wanneer  wij  haar  in 
verband  brengen  met  het  eigenaardige  karakter  van  zijn  kunst.  In  al 
zijne  werken,  die  we  als  authenthiek  mogen  beschouwen,  leeft  iets 
heel  a-parts,  dat  we  in  geen  enkel  zijner  voorgangers  of  tijdgenooten 
wedervinden.  Ik  bedoel,  om  het  met  één  woord  te  noemen  :  een  hef- 
tigheid, een  hartstocht,  een  woestheid,  een  ongebreideldheid,  die  wars 
is  van  overlevering  en  conventie  en  gretig  nieuwe  banen  zoekt.  Hij 
streeft  naar  intensiteit  van  uitdrukking,  naar  levendigheid  van  bewe- 
ging ;  hij  kiest  sterk  sprekende  types,  die  hij  bijna  als  karikaturen 
weergeeft.  Als  een  da  Vinci  haast,  schept  hij  behagen  in  een  gerimpelde 
tronie,  trekt  scherp  een  profiel,  laat  domheid  of  hartstocht  om  de 
monden  spelen.  Wanneer  hij  een  portret  schildert,  vermooit  hij  het 
niet,  maar  verzwaart  de  trekken,  doet  ten  koste  van  het  aanvallige  de 
uitdrukking  luider  spreken,  legt  balken  onder  de  oogen,  holt  de  wangen 
uit,  laat  haar  en  baard  liefst  ordeloos.  En  ook  zijn  handen  dragen  dat 
karakter  :  —  het  zijn  handen  waar  men  den  meester  aan  herkent  — 
knoestige  werkhanden,  of  fijnere  vrouwenhanden,  maar  altijd  duide- 
lijk gekarakteriseerd,  hoewel  een  enkelen  keer  misschien  misteekend, 
sprekende    handen,    die  de   heele   figuur  kenschetsen.  —  Zijn    uit- 

(*)  Medegedeeld  en  in  het  Fransch  vertaald  door  Alph.  Wauters  :  Hugues  van 
der  Goes,  sa  uie  et  ses  ceuureSy  Bruxelles,  F.  Hayez,  1872,  p.  12  vgg.,  ook  overgeno- 
men door  H.  Hymans :  Le  Liures  des  Feintres  de  Carel  van  Mander,  Paris,  J.  Rouam, 
1884,  T.  I,  p.  57,  vgg. 


102 


drukking  van  vreugde  of  smart  is  bandeloos,  —  hij  geeft  zich  geheel,  EEN  NIEUWE 
ten  volle,  met  diepgevoelde  passie.    Men  voelt  dat  hij  door  zijn  oplei-  VAN  DER 
ding,  zijn  omgeving  nog  niet  over  de  middelen   beschikt  om  zijn  GOES 
denkbeelden  volledig  te  uiten,  om  alles  uit  te  zeggen  wat  hij  in  zich  IN  HET 
heeft  —  en  daarom  blijven  zijn  voorstellingen  dan    ook   soms  wat  BERLIJNSCHE 
onbeholpen,   wat  links.  Zijn  lyrische  drang  wordt  nog  gekortwiekt  MUSEUM 
door  de  opvattingen  van  zijn  tijd,  waaraan  hij  nog  niet  ontkomen  kon 

—  maar  hij  voelde  reeds  dat  de  kunst  weldra  nieuwe  en  andere  vor- 
men zou  brengen.  Zoo  zijn  werk  reeds  duidelijk  den  weg  wijst  naar 
Quinten  Massys  ^^zijn  zijne  herders  niet  even  levendig  en  sterk  gety- 
peerd als  de  stokende  beulen  op  het  groote  drieluik  van  Quinten  ?) 

—  zien  we  er  ook  reeds  den  geest  ontkiemen,  die  bij  Dürer  zou  ont- 
luiken in  zijn  Geheime  Openbaring  van  Johannes,  bij  Baldung  Grien 
zelfs  in  zijne  fantastische  teekeningen,  —  tot  bij  Breughel  toe,  den 
sappigen  •  Peer  den  Drol »,  in  zijne  boerentooneelen .... 

Heftige  expressie  kon  hij  geleerd  hebben  van  Meester  Rogier  van 
der  Weyden  —  maar  deze  gaf  meer  pathetische  smartuitdrukking, 
smartmimiek,  luid  klinkende  ontboezeming,  zuiver  en  vol  van  toon, 
maar  koud- verheven,  als  gekristallizeerd  tot  ideale,  onschendbare  mooi- 
heid. Van  der  Goes  geeft  meer  de  diepere  gemoedstroomingen,  men 
voelt  in  zijn  werk  meer  den  levenden  mensch,  men  voelt  zijn  warme 
hartebloed  kloppen  —  hij  spreekt  direkter  tot  ons,  —  raakt  dadelijk 
de  gevoeligste  snaren  van  onze  ziel. 

En  als  tegenstelling,  maar  toch  in  den  grond  parallel  met  de 
hartstochtelijk  en  soms  ruw  geteekende  menschentypes  —  zien  we 
zijn  Madonna's  en  engelen,  teedere,  droomfijne  figuurtjes,  van  hoo- 
gen  adel  en  bevalligheid.  Maar  hierin  vinden  we  weer  de  uiting  van 
's  kunstenaars  eigen  inborst  en  karakter  :  hij  dweept  met  het  mooi 
van  teedere  vrouwen-  en  kindergezichtjes,  evengoed  als  hij  dweept 
met  het  typische,  het  grove  en  zinnelijke  van  manstronies;  —  waar  hij 
deze  verleelijkt,  verscherpt, — vermooit  en  verzacht  bij  gene.  Hij  houdt 
evenveel  van  een  engelenvleugel  met  duivenpennen  of  pauwenoogen, 
als  van  een  ruige  herders-  of  heremij tenpij,  —  hij  schept  evenveel  beha- 
gen in  een  parelenkroon  op  zijzachte  blonde  haren,  als  in  een  grove 
muts  op  een  stekeligen  haarbos.  —  Hij  is  een  dweeper,  een  enthousiast, 
een  lyricus,  die  uit  moest  zingen  wat  hij  in  zich  had,  die  genieten 
wou  door  zijn  kunst,  van  zijn  kunst,  en  van  zijn  leven. 

En  is  het  zoo  heel  vreemd,  dat  een  man  met  dezen  aanleg  en  dit 
temperament,  vol  illuzie  en  droombeelden,  vol  behoefte  aan  expansie, 
aan  krachtverbruik,  —  niet  geschikt  was  voor  het  kloosterleven  —  en 
dat  de  schitterende  vlam  van  zijn  vernuft  allengs  verteren  moest  bij 
gebrek  aan  't  rijkere  voedsel  waaraan  zij  behoefte  had?... 


103 


EEN  NIEUWE  Deze  Aanbidding  der  Herders,  nu  te  Berlijn,  behoort  lot  de  zeer 

VAN  DER  weinige  werken,   die  met   voldoende  zekerheid  aan   van   der  Goes 

GOES  kunnen  worden  toegeschreven   Zooals  men  weet  bestaat  er  eigenlijk 

IN  HET  maar  één  stuk,  waarvan  de  echtheid  door  historsche  oorkonden  is 

BERLIJNSCIIE  geslaafd  :  het  groote  drieluik,  ook  een  Aanbidding  der  Herders  (*)  om- 

MUSEUM  streeks  1476  geschilderd  voor  Tonimaso  Porlinari,  zaakgelastigde  der 

Medici  te  Brugge  —  en  tot  vóór  een  paar  jaren  nog  bewaard  door  het 

gasthuis  van  St.  Maria  Novella  te  Florence,  waarvoor  het  oorspronkelijk 

bestemd  was  —  en  nu  definitief  geplaatst  in  het  Museum  der  Uffizi. 

De  toekenning  van  alle  andere  werken  van  dien  meester  moet  naar 

hun  uiterlijke  kenteekenen  aan  dit   standaardwerk  worden  getoetst 

—  en  niet  meer  dan  een  half  dozijn  schilderijen  hebben  de  harde 

proef    doorstaan,    waaraan    de    moderne   kunstgeleerden    —   o.    a. 

L.  Scheibier  —  ze  onderworpen  hebben.  Hier  zij  gezegd  dat  we  toch 

in  het  Museum  te  Brugge  een  stuk  hebben  bewaard,  dat  wel  degelijk 

van  's  meesters  hand  is  :  de  Dood  van  Maria,  hoewel  we  dit  niet  meer 

in  zijn  oorspronkelijk  koloriet  kunnen  bewonderen.  Verder  worden 

als  echt  erkend  een  kleine  Aanbidding  uil  de  verzameling  Liechtenstein, 

Weenen,  (op  de  Brugsche  Tentoonstelling  van  verleden  jaar  aanwezig) 

twee  zeer  eigenaardige,  kleurige  en  uiterst  teeder  bewerkte  luikjes  uit 

het  Museum  te  Weenen,  Adam  en  Eva  en  de  Graflegging y  twee  groote 

luiken  met  donateurs  in  Holyrood  Palace  te  Edinburgh,  (*)  en  een  paar 

minder  belangrijke  stukken  te  Frankfurt  en  te  Neurenberg. 

Het  sluk  dat  we  hier  op  het  oog  hebben  (•)  sluit  zich  rechtstreeks 
aan,  zooweldoorhel  onderwerp  als  door  de  behandeling,  bij  het  beruchte 
Porlinari-altaar  te  Florence.  Bij  den  eerslen  aanblik  springt  de  overeen- 
komst in  het  oog  —  ook  al  zijn  dan  hoogst  waarschijnlijk  eenige  jaren 
tusschen  het  onlstaan  van  beide  werken  verloopen.  Wat  het  eerst 
opvalt  zijn  de  buitengewone  verhoudingen  van  het  stuk  :  2.46  m.  lang 
bij  slechts  0.97  m.  hoog.  Heeft  de  kunstenaar  uit  eigen  beweging  deze 
afmetingen  gekozen,  of  had  hij  slechts  deze  ruimte  lot  zijn  beschikking? 
Of  is  het  schilderij  een  fragment,  een  predella,  van  een  veelluik  waar- 
van de  overige  deelen  verloren  zijn  gegaan?... 

Hoe  dan  ook,  de  schilder  heeft  zijn  lang  panneel  op  zeer  eigen- 
aardige wijze  weten  te  vullen.  Hij  slelt  ons  het  tooneel  voor,  als 
gebeurde  het  achter  een  gordijn,  dat  door  twee  halflijfsche,  levens- 
groote  figuren  (profeten),  in  de  beide  hoeken  staande,  wordt  openge- 

(•)  Afgebeeld  in  Onze  Kunst,  1902,  I^halfj.  blz.  42-43. 

(*)  O.  a  besproken  door  W.  von  Seidutz  in  het  Repertorium  für  Kunstwissen- 
5c/ia/]f;XIIblz  399. 

(3)  Algebeeld  in  het  Jahrbuch  der  Kgl.  Preussischen  Kunstsammlungen,  (Berlin, 
G.  Grote'sche  Verlagsbuchhdlg.)  1903,  blz.  100-101,  bij  een  opstel  van  Wilhelm 
Bode,  waaraan  we  enkele  gegevens  ontleenen,  evenals  in  het  tijdschrift  Kunst  und 
Künstler,  (Berlin,  Bruno  Cassirer),  1903,  blz.  145,  waarin  het  door  Max  J.  Fried- 
LANDER  besproken  wordt. 


104 


schoven.  Deze  schikking  geeft  aan  het  geheel  iets  vreemds,  fantastisch  EEN  NIEUWE 
haast,  waarin  we  weer  ten  volle  het  origineele  karakter  van  den  mees-  VAN  DER 
ter  weervinden.  Het  beeld  dat  ons  op  die  wijze  door  de  profeten  ont-  GOES 
huid  wordt,  heeft  hoog-dichterlijke  bekoring;  er  is  een  eenheid  van  IN  HET 
gevoel,  van  handeling  in,  die  we  haast  in  geen  enkel  ander  werk  van  BEIRLIJNSCHE 
dien  aard  in  zoo  hooge  mate  aantreffen,  en  waarbij  ook  het  Floren-  MUSEUM 
tijnsche  stuk  van  den  schilder  ver  ten  achter  blijft.  Alles  concentreert 
zich   om   het   middenpunt   van   het  geheele  tooneel  :   het   schamele 
Christuskindje  in  zijn  kribbeken.  Ter  linke  zijde  knielt  de  Moeder,  — 
een  der  zuiverste,  teederste  Madonna-figuren  uit  onze  vroege  schilder- 
school  —  ter  rechte  zijde  de  mooi-getypeerde  St.  Jozef,  en  daartusschen 
en  daar  rond,  dicht  om  het  Kindje,  de  vroom-aandachtige  engeltjes. 
En  van  links  komen,  gehaast,  nieuwsgierig,  de  herders  hunne  hulde 
brengen,..  Al  de  figuren  zijn  blijkbaar  naar  het  leven  geteekend,  met 
een  waarheidsliefde,  die  wel  in  de  van  Eycken  een  voorbeeld  had, 
maar  zich  toch  nooit  te  voren  zoo  driest,  zoo  recht-op-den-man-af 
had  voorgedaan.  Wat  van  het  naïeve  natuur-gevoel  der  aanbiddende 
herders  in  het  Portinari-lriptiek  reeds  meermaals  elders  gezegd  werd, 
is  ook  hier  ten  volle  van  toepassing;  —  die  figuren  zijn  zóó  portret- 
achtig behandeld,  dat  men  ze  nog  iederen  dag  in  levenden   lijve  zou 
kunnen  ontmoeten;  de  ééne  fluit-spelende  man  achterin,  waarvan  men 
alleen  het  hoofd  ziet,  heeft  iets  in  zich,  dat  ons  misschien  niet  zonder 
eenige  reden  tot  het  vermoeden  zou  kunnen  brengen,  dat  de  kunste- 
naar hier  zichzelf  heeft  afgebeeld...  Ook  het  détail  werd  met  liefde 
behandeld :  zoo  de  teedere  grasplanten  die  op  de  muurtjes  groeien  waar- 
door de  profetengestalten  van  het  overige  van  de  voorstelling  werden 
afgezonderd,  de  engelenvlerken,  de  kroontjes,  de  rijke  brokaatstoffen 
waarmee  de  profeeten  zijn  gekleed... 

Het  stuk  is  herkomstig  uit  Spanje  —  een  land  dat  voor  onze  oude 
schilderschool  een  ware  goudmijn  is  —  en  werd  gekocht  uit  de 
nalatenschap  der  Infante  Maria  Cristina  van  Bourbon.  Rond  hel 
midden  der  XlXe  eeuw  werd  het  een  tijdlang  in  het  Museo  Nacional  te 
Madrid  tentoongesteld,  waar  het  door  Crowe  en  Cavalcaselle  werd  opge- 
merkt ;  het  werd  het  eerst  op  naam  van  Van  der  Goes  gezet  door 
Carl  Justi,  volgens  wiens  mededeeling  het  vermeld  werd  door  Ed. 
Firmenich-Richartz  in  een  studie  over  den  meester,  met  critische  lijst 
zijner  werken.  (*) 

De  gelukkige  aankoop  van  het  Berlijnsche  Museum  heeft  weer 
eens  te  meer  de  algemeene  aandacht  op  dezen  zoo  hoogst  merkwaar- 
digen  kunstenaar  ingeroepen.  Moge  er  aanleiding  tot  verdere  opsporing 
over  zijn  nog  zoo  duisteren  levensgang  en  weinig  gekende  werken  in 
gevonden  worden  !  P.  B.  Jr. 


(«)  Zeitschrift  für  Chrisüiche  Kunst,  1897,  p.  225,  289  en  371. 


105 


KUNSTBERICHTEN 


VAN   ONZE   EIGEN 
CORRESPONDENTEN 


UIT  AMSTERDAM 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


IJ    DE    FIRMA   WIS- 
SELINGH    ƒ    TEN- 
TOONSTELLING M. 
BAUER>c^Wat  uit 
de  beide  groote  lee- 
keningen  van  de  ka- 
thedraal   te  Toledo, 
die  ik    te    dezer    plaatse    signaleerde, 
reeds  bleek,  is  nu  stelliger  nog  bevestigd 
door  de  schilderijen  uit  Spanje :  een 
kleine  collectie  uit  één  zelfde  fase.  Er  is 
iets  nieuws  in  Bauer's  werk.  Wie  vrees- 
den,  en  er  waren  er  zelfs  onder  zijn 
beste  vrienden  en  bewonderaars,  dat 
zijn  gemakkelijke  peinture  en  zijn  gave 
zonder  alle  gedwongenheid  te  charmee- 
ren,  hem   misschien   ten  langen  leste 
dien  hechten   grondslag  zouden  doen 
verliezen,  waarop  ook  de  meest  virtuoze 
artiest  moet  kunnen  bouwen,  wie  bang 
waren  voor  al  te  lenige  buigzaamheid, 
voor  een  gereedelijk  toegeven  aan  uiter- 
lijke bekoring  en    elegantie,  dezulken 
kunnen   nu   hun  angst    voor   anderen 
reserveeren.    Hier    toch   is    weer   zoo 
groote  kracht  en  zooveel  taaie  energie 
^an  den  dag  gelegd,  is  in  het  braveeren 
van  tallooze  moeilijkheden  zoozeer  ge- 
toond hoe  een  Bauer  er  op  bedacht  was 
zijn  kunst  jong  en  frisch  te  houden,  dat 
ik  sedert  lang  niet  zulk  een    prettige 
expositie  gezien   heb  —  Gelijk  is  ook 
dit  werk  natuurlijk  niet.  Bauer  is  nooit 
een  van  die  halflndustrieéle  schilders 
geweest,  wier  uitingen  op  elkaar  lijken 
als  twee  tegels  uit  dezelfde  pers,  daar- 
voor heeft  hij  nooit  het  vervelende  van 
de  onfeilbare  berekenbaarheid  gehad. 
Grootsch  van  aanleg  is  het  avondlijke 
berglandschap  uit  Spanje  :  Onder  de 
donkere  lucht,   aan  den  horizont,  ge- 


kleurd als  na  lange  regens,  strekken  de 
bergruggen,  van  een  nog  hooger  punt 
op  den  voorgrond  af  gezien,  vér  weg 
tot  waar  hun  brokken  en  lijnen  ver- 
schemeren  in  het  avondgrouw;  daar 
staan  kaal  en  dachtzwart  de  rotswanden 
zich  voegend  tot  één  majestueuzen  om- 
trek tegen  den  hemel ;  en  voor  over  het 
kale  steenige  terrein  een  ruiterfiguurtje 

—  Don  Quichotte  met  Sancho  ?  —  voor- 
zichtig neerstappend  naar  de  fluweelbe- 
hangen  droomvalleien,  gapend  uit  duis- 
tere, onpeilspellende  diepten,  geheim- 
zinnig onheilbaar.  ~~  En  de  Drug  van 
Toledo,  die  haast  zooveel  schilders 
heeft  gelokt,  als  het  c  Canale  Grande  » 
is  hier  opnieuw  gezien,  zonder  alle  ba- 
naliteit. Brokkelig  staan  de  vervallen 
torens,  zacht  beschenen  door  een  mild 
gouden  licht  -~  Spanje  gezien  door  hol- 
landsche  oogen  —  de  vervallen  groot- 
heid der  hooge  bruggewelven,  waart 
door  het  geheel  als  een  weemoedige 
melodie.  En  die  brug  is  geteekend  met 
naarstige  uitvoerigheid  wel,  maar  toch 
met  vlotten  streek.  Teekenend  met  de 
richting  mee,  is  alles  geborsteld  en  in 
tegenstelling  gehouden  met  een  eenvoud 
als  aan  Daumier  eigen  is.  Iets  fransch' 
is  er  in  al  deze  stukken,  niet  alsof  Bauer 
aan  fransche  meesters  gedacht  zou  heb- 
ben, maar  in  hemzclven  leeft  iets  van 
de  hooge  allure,  die  het  opus  van  Dela- 
croix  maakt  tot  wat  het  is  —  Romantiek 

-  zeker  aangekondigd  reeds  in  die  ka- 
thedraal-teekeningen,  voorspeld  door 
de  wierook  omsluierde  stoeten  van  pra- 
lend priesterrood  en  smeulend  goud, 
maar  nu  volmondig  uitgezegd,  eerlijk 
bekend  als  diepste  confessie.  Is  er  een 
onder  de  Hollanders,  die  ons  die  sensa- 
ties zou  kunnen  geven,  die  onze  neigin- 
gen, ons  geheim  verlangen  naar  het  oude 


106 


i 


romantische  land  zou  kunnen  bevredi- 
gen ?  Thys  Maris'  romaniiek  is  intiem, 
meer  gerniaansch,  mystiek  en  vol  van 
tooversproken ;  maar  uit  dit  werk  klinkt 
de  poëtische  illuzie  van  het  grandioze, 
voor  het  trotsch-reusachlige. 

Daar  is  een  smal  schilderij  Het  Paleis 
Ambir,  wellicht  het  duidelijkst  docu- 
ment voor  deze  gevoelens ;  tegen  de  ber- 
gen vér  breiend  onder  een  zilver-waai- 
erende lucht,  is  het  kasteel  gebouwd 
door  vele  geslachten,  door  duizenden 
op  den  roep  hunner  vorsten.  Maar  de 
tijden  zijn  er  meedoogenloos  overheen- 
getrokken  en  nu  staat  H  daar,  groezelig 
wit  met  ontelbare  torenstompen  en 
muurbrokkels,  met  honderden  myste- 
rieuse  ramen  en  deurgaten,  als  een 
vizioen  uit  vervlogen  dagen.  Het  licht 
van  een  eden  dag  strijkt  over  den  ouden 
rooden  muur,  die  als  een  verroeste 
kroon  kartelt  op  den  bergkam.  —  En 
daarbij  is  de  voorgrond  zoo  raak  van 
behandeling  en  zoo  overtuigend  van 
expressie,  dat  een  onomstootelijke  rea- 
liteit dit  gevaarlijke  sujet  vrijwaart  van 
alle  banale  Ruinen-Seiüimentalilat^  dat 
in  weerwil  van  de  zeer  sobere  kleuren- 
schaal,  die  Bauer  ook  nu  niet  verrijkt, 
het  werkelijke  echte  buiten  hier  rond 
ons  heen  luwt. 

Ik  zou  nog  wel  lang  willen  beschrij- 
ven, maar  op  gevaar  af,  dat  men  mij 
verkeerd  zou  verstaan.  Niet  de  sensatie 
van  het  onderwerp  is  bij  de  meeste  van 
deze  schilderijen  de  hoofdzaak,  maar 
het  zuiver  picturale,  de  oneindige  nuan- 
ceering van  toon,  de  roode,  modelee- 
rende  toets,  het  zeer  eigen  sentiment 
voor  kleur,  waarin  veel  aan  oude  Hol- 
landers herinnert,  maken  boeiend  wat 
hier  boven  zwak  omschreven  is. 

Overal  waar  de  strijd  met  de  stugge 
materie,  de  korstige,  vette  olieverf  door 
den  schilder,  wien  de  volle,  gesmijdige 
waterverfpenseelen  tot  nu  toe  een  ge- 
makkelijker instrument  waren,  niet  is 
gewonnen,  waar  de  makelij  nog  niet 
beantwoordt  aan  de  pracht  der  gegevens 
daar  helpen  ook  de  stoffen  niet  -  zoo 
bv.  bij  het  Kasteel^  in  groote  brokken 
van  nr  3  Tanger.  —  Maar  over  't  geheel 
is  de  tentoonstelling  een  verblijdend 
feit  en  een  prachtige  belofte  voor  de 
toekomst. 

Van  andere  schilderijen  in  den  loop 


der  maand  bij  de  firma  te  zien,  noem 
ik  alleen  een  kleine  Monticelli.  Een 
feeénkring  op  hoogcn  bergtop.  De  wol- 
ken drijven  in  snelle  vaart  voorbij  de 
bleekc  maan,  rakelings  langs  de  ijle 
elfen  gewaden,  die  in  dien  zilveren 
schijn  zich  vereencn  tot  een  wonderen 
tuil  van  frambozenrood  en  citrocngcel, 
van  flikkerend  blauw  en  voornaam 
paarsch,  heerlijk  naast  elkaar  en  tegen 
den  kruimigen,roestigen  grond,  waarop 
de  tooverwezens  luisterend  gezeten  zijn 
rond  de  blauwe  zuster,  die  zangerig 
voorleest  uit  een  opengeslagen  wonder- 
boek. 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


IN  DE  KUNSTZAAL  VAN  GOCH 
Twee  schilders  met  nog  weinig  uitge- 
breide reputatie.  C.  F.  L.  de  Wild  en 
G.  C.  Haverkamp.  De  éérste,  door  2 
aquarellen  en  16  schilderijen  en  studies 
vertegenwoordigd  is,dat  dient  onmiddel- 
lijk te  worden  gezegd,  van  een  knapheid 
die  vaak  aan  het  virtuoze  raakt.  Zelden 
heb  ik  iemand  zijn  publieke  loopbaan 
zien  beginnen  met  zooveel  vaardigheid, 
met  zulk  een  beheerschen  van  alle 
metier-geheimen.  Maar  tot  nog  toe  kan 
ik  met  den  besten  wil,  dien  men  niet 
licht  verliest  bij  't  zien  van  zooveel  rij- 
pen smaak  en  zoo  degelijke  zelf-kritiek, 
weinig  bespeuren  van  dat  ééne  noodige, 
waar  wij  het  van  moeten  hebben,  't  Is 
of  alles  wat  zóó  en  zooveel  halve  schil- 
ders gemaakt  hebben,  alles  wat  bij  de 
diminores  nog  herinnert  aan  de  groote 
Haagsche  meesters,  of  dit  heele  reper- 
toire hier  is  samengetrokken  en  opge- 
voerd tot  het  hoogste  wat  een  smaakvol 
compilator  met  groote  behendigheid 
kan  bereiken.  Ik  geef  onmiddellijk  toe, 
dat  in  de  Omnibushalte  —  de  malsch  en 
pittig  geschilderde  wagentjes  in  den 
regen  —  dingen  zijn  van  een  charme 
als  ze  in  het  werk  van  Arntzenius  mis- 
schien wel  gezocht  maar  zelden  gevon- 
den zijn,  dat  andere  brokken  de  zwarte 
stukken  in  sommige  opzichten  vooral 
door  de  minder  klonterige,  lichtere 
toets  overtreffen.  Maar  met  dat  al  spelen 
me  toch  al  weer  twéé  namen  door  't 
hoofd  en  als  ik  dan  verder  wandelend 
bij  elke  studie,  bij  elk  verder  gebracht 
geval  haast  wéér  een  nieuwen  naam  in 
gedachten  hoor,  dan  verlaat   ik   toch 


107 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


UIT  BERLIJN 


zoo'n  tentoonstelling  eindelijk  niet  zon- 
der wrevel.  Iemand  die  zooveel  kan, 
want  men  moet  er  heel  wat  voor  in  zijn 
mars  hebben  om  een  vischslilleven  zoo 
te  schilderen,  dat  het  gerust  naast 
Adriaansen  of  van  Beyeren  in  een  Mu- 
seum zou  kunnen  hangen,  iemand  die 
de  techniek  zoo  meester  is,  voor  dien  is 
het  gemis  aan  eigen  klank  in  't  werk  een 
droevig  feit.  Toch  hebben  de  enkele 
schilderijtjes  als  Aan  de  Staalsspoor,  de 
OmiubushaUey  bij  Kranenburg  iets  zelt- 
standigs.  De  diepere  tonen  zijn  mooi 
doorvoed,  het  zwart  is  rijp,  de  in  loon 
geschilderde  plekken  getuigen  van  eigen 
studie.  Als  deze  stukken  van  den  tateren 
tijd  zijn,  wat  ik  niet  weet,  dan  is  het 
altijd  nog  mogelijk,  dat  de  schilder  van 
een  gedistingeerd  en  smaakvol  compila- 
tor, van  iemand  wien  het  maar  al  te  dui- 
delijk is  aan  te  zien,  dat  hij  meer  aan 
gezonde  kritiek  dan  aan  een  volwellend 
talent  dankt,  ten  slotte  nog  een  eigen 
onbetwistbare  plaats  zal  mogen  inne- 
men. Maar  bescheiden  zal  het  altijd  wel 
moeten  blijven. 

Het  werk  van  Haverkamp  is  in  veel 
opzichten  het  tegendeel.  Niet  dat  het 
van  een  sterke  persoonlijkheid  zou  ge- 
tuigen. Het  is  ook  niet  anders  dan  een 
deel  uit  een  bepaalde,  door  krachtiger 
voorgangers  als  Van  der  Valk  en  Ver- 
ster gevormde  groep.  Maar  terwijl  De 
Wild  zich  overal  als  een  habiel  techni- 
cus vertoont,  die  zijn  talrijke  voorbeel- 
den soms  in  détail  overtreft,  blijft  Haver- 
kamp in  de  meeste  gevallen  daar  bene- 
den. Terwijl  b.v.  bij  Verster,  hoe  strak 
hij  ook  soms  alles  tracht  te  omschrijven, 
toch  altijd  nog  de  volle  ronding  der  voor- 
werpen tegenover  elkaar  geobserveerd 
blijft,  zijn  de  groote  massas  bij  Haver- 
kamp al  te  vaak  ten  achtergesteld  bij 
't  minutieus  en  ohgeloofelijk  geduldig 
besludeeren  der  bijzondere  eigenschap- 
pen van  ieder  ding.  De  boomschors  is 
groef  voor  groet,  kloof  voor  kloof  ge- 
photografeerd  maar  de  loonwaarde  van 
den  stam  tegenover  het  muurtje  dat  er 
op  eenige  meters  afstand  achter  moet 
staan  is  er  bij  ingeschoten.  Dat  kunnen 
kleine  tekortkomingen  zijn,  waar  ze 
een  enkelen  keer  worden  gevonden, 
maar  hier  zijn  ze  telkens  weer.  Boven- 
dien de  pure  klaarheid^  door  de  boven 
bedoelde  groep  gezocht  als  reactie  op 


de  uermoffelende  groezeligheid  der  im- 
pressionisten behoejt  geen  onrijpheid 
te  worden.  Op  de  waterverfleekening 
Uit  mijn  Venster  en  op  menige  andere 
is  de  lucht  papierachtig  transparant, 
onaangenaam  glazig  gebleven,  zooiets 
van  dat  waterachtig  gekleur,  waarmee 
de  architecten  op  hun  gewasschen  tee- 
keningen  de  lucht  recept-matig  plegen 
aan  te  duiden.  —  Kortom,  want  het 
werk  is  nog  niel  op  een  hoogte  dié 
lange  uitweidingen  zou  rechtvaardigen, 
er  is  bij  eenlijke  bedoeling  en  prijzens- 
waardig geduld  nog  heel  wat  onbehol- 
penheid te  bespeuren  en  er  zal  nog  veel 
van  het  allereenvoudigste  moeten  ge- 
leerd worden  voor  we  eigenlijk  kunnen 
oordeelen. 

De  conscientieuse  etsen  zijn  tot  nu  toe 
verreweg  'l  beste,  in  N»"  19,  Op  de  boer- 
derij, is  heel  veel  moois  in  het  fijn 
doorwerkte  muurtje. 

W.  V. 


UIT  BERLIJN 


lUNSTZAAL  EDÜARD 
SCHULTE  >c^  Bij 
Schulte  werden  in 
deze  maand  een  ta- 
melijk groot  aantal 
schilderijen  en  beeld- 
houwwerken  van 
Frunz  biücR  uil  München  geëxposeerd. 
De  algemeene  indruk,  dien  wij  er  van 
ontvingen,  was  die  van  een  zéér  weinig 
sympathieke  persoonlijkheid,  met  bui- 
tengewoon groote  technische  gaven, 
bedeeld,  die  den  kunstenaar  meer  en 
meer  tot  gezochtheid  en  half  bewust, 
half  onbewust  —  tot  effektbejag  hebben 
verleid.  Zijn  beste  werk  bewonderen 
we  wel  in  zijn  bronzen  :  de  Aihleet  bijv. 
met  den  machtigen  bol,  is  van  verwon- 
derlijk grondige  bewerking  en  zijn 
Amazone  is  zéér  bekoorlijk. 

a^^  a^  iê^  a^  a^  a^^a^a^  a^ 

KUNSTZAAL  PAUL  CASSIRER.  /lj^ 
Er  bestaan  tegenwoordig  maar  weinig 
kunstenaars,  die  geen  profeeten  voor 
hun  leer  kunnen  vinden,  mits  ze  in  hun 
buitenissigheid  maar  «  primitief  »  ge- 
noeg weten  te  zijn.  Met  dit  mooie 
bijvoeglijk  naamwoord  worden  tegen- 


108 


woordig  alle  technische  capaciteiten 
verontschuldigd,  welke  een  artist,  en 
we  spreken  hier  niet  alleen  van  beel- 
dende kunstenaars,  niei  bezit.  Ook  de 
Noor  Edvard  Munch,  heeft  zoo  zijn  pro- 
feeten gevonden,  die  ons  de  leer  ver- 
konden dat  we  hier  aan  de  bron  der 
toekomst-kunst  staan.  De  groote  ten- 
toonstelling van  zijn  geheele  oeuvre 
bewijst  ons  echter  dat  dit  absoluut  niei 
het  geval  is.  Zeker  primitief  is  hij,  als 
primitief  zijn  beteekent  om  landschap- 
pen en  menschen  met  kinderachtige 
omtrekjes  en  gillende  kleuren  op  H 
papier  te  gooien.  Hij  bereikt  daarmee 
misschien  enkele  decoratieve  effecten, 
maar  stellig  ook  niet  meer  dan  dat.  Eén 
kwaliteit  moeten  we  echter  in  hem  be- 
wonderen :  we  voelen  de  eerlijkheid 
van  den  kunstenaar  overal ;  en  dat  zijn 
manier  niet  aan  technische  onbekwaam- 
heid toegeschreven  moet  worden,  zien 
we  't  best  in  die  reeks  portretten  van 
minutieus,  fijne  teekening  en  buitenge- 
wone levendigheid. 

KUNSTZAAL  KELLER  EN  REINER  ƒ 
TENTOONSTELLING  VAN  WERK  VAN 
HANS  THOMA  >c^  Een  reine,  groote 
vreugde  hebben  we  genoten  bij  dit 
overzicht,  dezen  algemeenen  blik  op 
het  werk  van  dezen,  meer  dan  zeventig- 
jarigen meester.  Wat  hij  ons  geeft  is 
Kunst  van  Eigen  Land,  in  den  edelsten 
zin  van  't  woord,  maar  ook  binnen  haar 
eigen  eigenaardige  grenzen.  Men  moet 
haar  alleen  in  U  nauwste  verband  met 
den  bodem  van  het  Middel-Duitsche 
landschap  beschouwen.  Maar  dan  heeft 
hij  ook,  als  geen  ander,  de  lieflijkheid 
van  de  vruchtbare  Main-vlakte  ver- 
staan —  van  de  zachtgroene  hellingen 
van  de  bergen  —  van  het  Odenwald  met 
zijn  schilderachtige  ruinen,  van  de  wijde 
velden  in  broeiende  middagzoelte,  bij  de 
eerste  gouden  stralen  van  de  zon  of  in 
den  moeden  avondschemer.  Er  ligt  iets 
van  't  karakter  van  Eichendorf  in  zijn 
geheele  persoonlijke  verhouding  tot  de 
natuur,  die  altijd  zijn  goede  vriendin 
geweest  is,  die  hij  nooit  op  eenige  wijze 
van  zich  heeft  vervreemd.  De  vrede 
van  een  Idylle  ligt  ei-  in  al  deze 
stukken,  waar  eenvoudige  menschen  bij 
gezonden  arbeid  een  behagelijk  leven 


ÜIT  BERLIJN 


leiden.  In  de  accoorden,  die  de  natuur  KUNST- 
er  in  aanslaat,  mengen  zich  begeleidende  3EJ\JCJJTEN 
tonen,  droomerig,  lang  aangehouden 
verlangende  tonen  van  een  viool;  en 
ook  de  goede  dieren  sluiten  zich  bij  de 
natuurstemming  aan.  Men  zou  Thoma 
een  romanticus  van  de  werkelijkheid 
kunnen  noemen.  Want  waar  hij  zich 
van  haar  losmaakt,  waar  hij  zijn  fanta- 
sie, zonder  aanknoopingspunt  in  het 
ijle  laat  zweven,  krijgen  we  stukken 
als  die  in  zijn  jeugdmanier,  onmogelijk 
als  compositie  —  onmogelijk  van  kleur, 
zoo  iets  wat  wij  Duitschers  Schahlonen- 
haft  noemen,  als  een  doortrekje  van 
een  borduurpatroon.  Afschrikkende 
staaltjes  van  deze  wijze  van  behande- 
ling zijn  zijn  Stoei  van  Amptiiiriie  en 
uit  de  laatste  jaren  Siegfried,  die  Brun- 
hilde  wekt  en  Jezus  met  de  Samaritaan- 
sche  Vrouw,  Hoezeer  is  hij  niet  aan 
zichzelf  gelijk  gebleven,  ook  in  zijn 
gebrek  aan  bekwaamheid  in  het  afbeel- 
den van  het  levend  model.  Zijn  Christus 
draagt  bijv.  geen  geraamte  onder  zijn 
kleed.  Maar  ook  aan  zichzelf  gelijk  in 
zijn  ernstig  streven  om  aan  dat  wat  hij 
te  zeggen  heeft  den  besten  vorm  van 
zijn  uitdrukking  te  geven. 

Daarenboven  pakt  hij  ons  dadelijk 
met  het  intime  van  zijn  portretten  en 
dit  geldt  op  de  tegenwoordige  tentoon- 
stelling vooral  voor  de  prachtige  buste 
van  de  Dame  in  liet  Rosé,  die  met  beide 
handen  een  boeket  geurige  Erica  vast- 
houdt. Een  wezenlijke  verdienste  van 
Hans  Thoma  ligt  in  zijn  energieke 
krachtsinspanning  om  aan  de  verschil- 
lende vormen  van  reproductiekunst 
nieuwen  bloei,  nieuw  leven  mee  te 
deelen.  Zijn  mannelijke  houtsneden, 
zijn  prachtige,  oorspronkelijke  litho- 
graphien,  hebben  er  veel  toe  bijgedra- 
gen dat  kunstenaars  van  naam  zich  van 
deze  te  lang  verwaarloosde  kunstvor- 
men hebben  meester  gemaakt. 

De  tegenwoordige  tentoonstelling  was 
een  gelukkige  keuze  uit  het  oneindig 
verscheiden  werk  van  Thoma. 

W. 


XIV 


109 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DRN  HAAG 


UIT  DEN  HAAG  E 

|IJ  DE  FIRMA  BUFFA 
y  TENTOONSTEL- 
LING VAN  GABRIÊL 
>  24  JANUARM4  FE- 
BRUARI A^^  Wan- 
neer deze  expositie 
niet  enkele,  uit  een 
bizonder  oogpunt,  maar  daardoor  te- 
vens in  algemeenen  zin  belangrijke 
werken  bracht,  dan  zou  men  haar  be- 
staansrecht niet  aanstonds  willen  erken- 
nen. Want  ik  geloof  niet  dat  hier  veel 
actueels,  of  dat  er  genoeg  is,  waaruit 
men  het  materiaal  zou  kunnen  putten 
om  den  schilder  alomvattend  te  karak- 
teriseeren  —  Er  is  eenig  werk  uit  zijn 
Belgischen  tijd,  o  a.  eene  Korenoogst, 
waaruit  duidelijk  Fransche  invloed 
spreekt.  Maar  de  Hollander  doet  zich 
in  eene  verre  doorvoerdheid,  te  samen 
gaande  met  groole  eenvoud,  kennen. 
Het  heeft  al  reede  iels  van  een  dier 
werkjes  die  hunne  (idiéele)  inhoud  niet 
opdringen,  die  treffen  als  een  gelaat  vol 
ingehouden  hartstocht.  Speurt  men  een- 
maal den  diepen  zin,  dan  trekt  deze 
ingetogenheid  voor  immer  en  ze  is 
voortaan  elk  uur  uw  gezellin.  -  Er  is 
hier  ook  een  genre-sluk  van  Gabriél, 
eveneens  uit  zijn  Belgischen  tijd.  Men 
wil,  dat  een  onzer  landschapschilders 
den  schilder  het  doorgaan  in  eene  rich- 
ting als  deze  ontraadde.  Men  is  geneigd 
dit  jammer  te  vinden,  met  dit  scliilderij 
voor  oogen.  Want  hèd  Gabriél  werkelijk 
voor  altijd  het  vermogen  bezeten  in 
deze  richting  door  te  gaan,  dan  waren 
we  stellig  een  uitnemend  genre-schilder 
rijk  er  geweest.  Dit  stuk  ademt  sentimen- 
ten, die  het  brengen  in  de  dichterlijke 
sfeer  van  Adriaan  van  Ostade.  Dit  is 
maar  eene  aanduiding.  Want  Van  Ostade 
was  veel  als  van  verstoken  geheimenis 
vol  en  dit  werk  schijnt 'eerst  open  en 
klaar  en  blijft  het  immer,  trots  de 
poëtische  dracht.  Het  ademt  hier  al  de 
wonne  van  een  rosblonden  zomerschen 
dag,  waarvan  de  stemming  het  geheel 
draagt  en  aan  H  spreken  brengt,  de 
vrouwelijke  figuren  en  het  huis  met  zijn 
wit  gepleisterden  muur  en  nog  groenen 
wingerd.  —  Dan  is  erGabriél's  bekende 
l'Aube  du  Jour,  Maar  kon  een  werk  als 


dit,  bij  al  zijne  zuivere  doorvoerdheid 
niet  levens  grooler  van  eenvoud  zijn? 
Dit  laatste  bereikt  Gabriél  't  meest  in 
zijne  kleine  stukjes  :  een  plas  of  een 
vaart  met  riet,  met  eendekooien,  of 
netwerk.  Men  heeft  in  verband  met  dit 
werk  gedacht  aan  de  eenvoud  en  manier 
der  groote  Japanners  maar  heeft  dan 
tevens  te  bedenken  dat  Gabriél  nimmer 
decoratief  wordt.  Hij  houdt  zich  over 
't  algemeen  dicht  bij  de  natuur,  dichter 
dan  de  meeste  schilders  van  zijne 
periode.  Dat  blijkt  wel  het  duidelijkst 
uit  eenige  dorpshuisjes  met  groente- 
akkers. Hier  spreekt  in  de  blakende 
stilte  van  den  dag,  de  natuur  zelf,  de 
schilder  is  er  vér  van  zich  zelven  op  te 
dringen.  En  niet  Ie  min  weel  hij  u  won- 
derwel slemmingen  te  suggereeren.  Zijn 
werk  is  over  't  algemeen  van  een  dich- 
terlijk realisme,  het  is  geïdealiseerde 
realiteit  en  minder  het  omgekeerde.  De 
schilder  is  eenig  in  het  uitbeelden  van 
de  fijne  doortintelde  en  doortochtte 
polderatmosfeer  boven  rimpelend  of 
rimpelloos  water  en  ruischend-stil  of 
zangerig  riet,  over  de  verre  strekking 
der  bedijkte  polderlanden  naar  den 
horizont,  soms  onderbroken  door  een 
weg  of  dijk  met  schrale  boompjes,  een- 
tonig gereid.  En  het  liefst  is  hij  mij  bij 
dit  al  in  zijne  lumineuse  morgens, 
waarin  we  het  ruchtend  aanbreken  van 
den  dageraad  meenen  te  hooren,  in  zijne 
avonden,  waar  in  de  stilte  over  de  riet- 
landen het  wonderlijk  geroep  van  den 
roerdomp  :  d'onzichtbare,  verluidt,  of 
in  een  zijner  molenstukken  :  'n  morgen, 
'n  geheimzinnige  avond,  of  een  dier 
doornevelde  dag-stonden  als  de  zon 
hoog  en  ver  in  de  lucht  verwijlt  — 
zooals  er  hier  een  is,  groot  van  suberbe 
eenvoud,  met  een  meesterlijk  gecon- 
centreerd diffuus  licht  en  met  een  lyriek 
zóo  wijdsch  en  hoog,  dat  zij  —  op  een 
middag,  als  een  warm  licht  de  deelen 
als  magisch  verbindt—  u  zeldzaam  kan 
verrassen  bij  dezen,  wel  veel  als  pittig, 
krachtig,  frisch  en  misschien  ook  wel 
als  dichterlijk,  maar  toch  zelden  als 
groot  geprezen  meester. 

BIJ  DE  FIRMA  PREYER  >  TENTOON- 
STELLING VAN  ARN.  KONING  ƒ 
JANUARl-21  FEBRUARI  yc.^  Het  werk 
van  Arn.  Koning  maakt  op  het  eerste 


110 


gezichl  al  den  indruk,  als  te  zijn  ge- 
schilderd in  een  eigenaardig  gamma; 
verder  dat  het  zici:  niet  volkómen 
bij  de  traditie  der  Haagsche  school 
aansluit.  De  Hagenaars  toch  bewogen 
zich,  in  eene  volkomen  vrije  opvatting, 
op  eene  universeeler  wijze.  Hun  natuur- 
visie was  er  weinig  eene  die  op  verbi- 
zondering  uitging.  J.  Maris  b.  v.  gaf  een 
zoo  algemeen  natuurbeeld  van  Holland, 
dat  een  vreemdeling  de  onderwerpen 
die  liij  schilderde  te  vergeefs  in  levenden 
lijve  zou  vinden.  Zoo  zochten  de  Ame- 
rikanen in  het  Gooi  met  evenveel  succes 
naar  de  gevalletjes  die  Mauve  schilderde. 
Ik  verbeeld  me  dat  men  de  onderwer- 
pen van  Arn.  Koning  eerder  zou  kunnen 
thuis  brengen.  Er  zal  natuurlijk  ook 
gecomposeerd  zijn  ;  maar  de  aard  dezer 
schilderijen  doet  vermoeden,  dat  de 
schilder  zich  trouwer  aan  het  natuur- 
voorbeeld hield  Dat  bijzondere  gamma 
is  't  verder  wat  hem  van  de  Hage- 
naars onderscheidt.  Zijn  groen,  rood, 
een  soms  wel  fluweelig,  maar  over 
'l  algemeen  te  zwarl  donker,  bruin  er. 
grijs,  mee  de  sterkst  domineerende  kleu- 
ren in  het  vaste  van  zijne  onderwerpen, 
vinden  we  waarschijnlijk  bij  geen  ander 
huidig  schilder  zoo.  Hij  brengt  én  in  de 
(eenigszins  decoratieve)  strekking  der 
plans  en  in  dit  gamma  het  kenmerkende 
van  eene  heidestreek  tot  ons.  Maar, 
vragen  we  ons  af,  spreekt  dit  locale 
niet  te  sterk  in  zijne  overigens  episch 
geaarde  landschappen,  en  zou  zelfs  bij 
eene  ruimere  opvatting  de  waarheid 
van  het  voorgestelde  ons  niet  tevens 
sterker  aandoen?  Al  dit  bijzondere 
heeft  als  tegendeel  van  het  algemeene 
een  minder  ware  schijn.  Zoo  brengt 
ons  J.  Maris  altijd  eenigszins  omtrent 
de  zuivere  opvatting  der  andere  land- 
scliapschilders  aan  het  twijfelen,  en  *t  is 
voor  zijne  werken  dat  we  eerst  uilroe- 
pen :  «  dat  is  de  natuur!  «  Ik  waag  H  — 
in  dit  gedachle-verband  —  het  vermoe- 
den uit  te  spreken,  dat  deze  schilder 
zich  misschien  te  eenzelvig,  te  speciaal 
in  direct  contact  met  eene  natuurstreek 
beweegt,  die  op  zich  zelf  misschien  al 
niet  zoozeer  aangewezen  is  tot  een  leve- 
ren van  algemeen  interesseerende  stof. 
Het  is  dan  wel  opmerkelijk  te  zien,  dat 
juist  die  onderwerpen  welke  binnen  de 
universeeler  sfeer  der  Haagsche  school 


en  hare  traditie  vallen,  stellig  niet  de 
slechtste  zijn.  Ik  bedoel  en  de  koeien 
op  den  weg  en  de  stadshoekjes  in  den 
winter.  Deze  kenmerken  hem  niet  zoo 
zeer,  maar  zij  hebben  vóór  zich  dat 
algemeene  dat  ze  in  aansluiting  met  eene 
bestaande  traditie,  eene  zuiverder  scha- 
keering van  eene  groote  kunstsoort 
doet  zijn.  En  juist  de  weg  met  koeien 
doet  vermoeden,  dat,  bijeene  mogelijke 
toekomstige  vereeniging  van  beide  soor- 
ten, de  weg  gevonden  zou  kunnen  zijn 
tot  eene  glorieuzer  verdere  ontwikke- 
ling. 

^^^^^^^^^^ 

PULCHRI  STUDIO  >  GROEPENTEN- 
TOONSTELLING  2^  SERIE  >  25  JA- 
NUARI-8  FEBRUARI  >c^  Wat  men 
hier  bijeen  heeft  gebracht,  vormt  een 
zuiverder  geheel,  dan  dat  wat  de 
vorige  expositie  te  zien  gaf.  Ik  geloof 
dat  Du  Chattel  de  eenige  is,  die,  naar 
den  aard  van  zijn  werk,  te  rangschikken 
zou  zijn  onder  de  groote  generatie.  Van 
al  zijn  werk  hier  verkies  ik  het  Dorps- 
buurtje.  Dit  vertegenwoordigt  wat  men 
eenigszins  de  epische  beschrijving  van 
een  landschap  zou  kunnen  noemen.  Het 
is  in  dit  soort  zoo  aantrekkelijk  —  wijl 
de  stemming,  die  men  in  een  landschap 
vooral  liefst  niet  mist.  aanwezig  is  — 
dat  *t  mij  begeerenswaardiger  lijkt  dan 
b.  V.  het  grootere  Dordrecht,  dat  welis- 
waar van  dramatischer  spanning  is.  — 
Toon  Dupuis  is  o.  m  vertegenwoordigd 
met  het  interressante  kopstuk  naar 
Haverman  en  met  een  portret  van 
Bouwmeester;  vermoedelijk  in  een  rol 
uit  diens  klassiek  repertoire?  Het  schijnt 
eene  mooie  opgave  voor  een  beeldhou- 
wer, eene  klassieke  flguur  uit  te  beel- 
den (uit  een  van  Shakespeare's  dramas?) 
En  toch  kon  om  zeer  veel  niet  in  .den 
geest  der  ouden  gewerkt  worden. 
Immers  deze  stelden  op  den  voorgrond 
het  type,  Shakespeare  (en  ook  wij)  het 
individuéele,  het  karakter.  Een  gezicht 
uit  te  beelden  dat  bewogen  is  geweest 
door  de  meest  verschillende  hartstoch- 
ten. Wel  is  waar  waren  deze  slechts 
schijnbaar,  maar  de  spier-  en  zenuw- 
werkingen  hebben  dit  gelaat  toch  bij- 
zonder gestempeld.  Nu  is  het  karakteris- 
tieke immer  eene  afwijking  van  den 
norm.  Ziedaar,  wat  het  met  de  opvatting 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


111 


KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT  DEN  HAAG 


UIT  LEIPZIG 


der  ouden  in  strijd  zou  gebracht  hebben. 
Hoe  verstandig  gaat  van  Wijck  te  werk 
die  het  ideéele  voorop  stelt,  hel  typi- 
sche niet  verwaarloost  en  naar  atmosfe- 
rische werking  tracht,  waar  hij  boeren- 
arbeiders enz.  uitbeeldt.  Het  verweerde, 
het  be-leefde  uitgesproken  door  middel 
van  het  blanke  marmer?  Dan  is  brons 
of  zelfs  klei  of  graniet  een  nog  zuiverder 
materieel,  meer  aangewezen  hier,  om 
tragische  werking  te  bereiken.  Dupuis' 
Bouwmeester  is  eveneens  in  brons  en 
zeker  een  opmerkelijk  werk.  Maar  in 
zijn  Visscher  b.  v.  (hoewel  in  brons) 
weet  hij,  zich  houdende  aan  de  tradio- 
neele  werkwijze,  weinig  tot  uitdruk- 
king te  brengen. 

Als  représentante  van  eene  verfijnde 
geestesrichting  noemen   we  Mej.  Anna 
Fles.  Hare  Chimère  de  Notre  Dame  ken- 
schetsten we  reeds  vroeger.  Maar  het 
overige  werk   is   over  't  algemeen   te 
onbelangrijk.  Het  zou  later  op  zichzelf 
wellicht    onvoldoende    en     alleen     in 
samenhang  met  het  andere  werk  van 
dezen  tijd  begrepen  worden.  —  Met  de 
twee     beste    van    zijn    figuurstukken 
levert  Van  der   Haar     hier    goed    en 
eerlijk   werk.   In  Zware  Arbeid  is  het 
doen  der  arbeiders  niet    bloot    uiter- 
lijke, maar    tot    gevoels-actie    gewor- 
den. Als  geheel  is  evenwel  Naar  huis 
beter.  De  drie  koppen  leenden  zich  tot 
eene  interessanter  compositie.  Hier  is 
niet  gestreefd  naar  de  overdreven  voor- 
stelling van  een  vaag  levend  beeld.  Het 
is  de  werkelijkheid  gezien  zonder  charge 
in  de  uitbeelding,   welke  nochtans   ty- 
peerend genoeg  is  om  de  belangstelling 
voor  deze  menschen  op  te  wekken.  — 
Het  is  werkelijk  een  innerlijk  genoegen  te 
zien,  welk  een  minnaar  Gruppé  is  van 
ons  Holland  « het  paradijs  der  schilders,» 
zooals  ik  't  zijne  vrouw  wel  eens  heb 
hooren  noemen.  Buitenlander  van  ge- 
boorte, zag  hij  eerst  in  Holland  vooral 
het  typische  en  immer  was  zijne  com- 
positie interessant.  Nu  verdiept  hij  zich 
steeds,  het  interessante  blijft,  maar  ook 
het  individuéele  dat  men  van  een  land- 
schap kan  zien  (en  dat  de  weerspiegeling 
is  van  een   eigen  individuahteit)  komt 
nu  hoe  langer  hoe  meer  tot  uitdrukking, 
en   dit  alles  ten  voordeele  ^natuurlijk) 
van  zijn  werk,  waarvan  het   genieten 
nu  meer  is  dan  eene  aangename  ver- 


poozing.  Dan  heeft  zijn  verf  gewoonlijk 
niet  die  vervelende  droog-  en  stug-heid, 
waarmee  dikwijls  buitenlanders  ons 
plegen  te  vervelen. 

Gratama  exposeert  o.  a.  zijn  bekend 
portret  van  den  cigaretrookenden  jon- 
gen man  (ten  voeten  uit^.  Zelden  zien 
wij  van  onze  schilders  portretten  waar- 
van het  idiêele  zich  zoozeer  losmaakt 
van  de  voorstelling.  In  deze  gestalte  is 
een  verfijnd  intellektualisme  overwe- 
gend. En  zoo  werd  de  opgave  in  juist 
begrip  mooi  vervuld.  Gratama's  stil- 
levens zouden  bij  zuiverder  teekening 
nog  zeer  winnen. 

Verder  is  hier  o.  m.  nog  interressant 
werk  van  Jan  van  Essen  (de  knapste). 
Franken  (de  innigste).  Frankfort  (de 
compleetsteschilder)  en  Gorter  (de  meest 
analyseerende).  Afzonderlijk  noemen  we 
nog  Haverman's  portret  van  professor 
Rosenstein.  De  ontleder  en  de  uitbeelder 
doen  bij  Haverman  dikwijls  meer  het 
werk  dan  de  eigenlijke  t  schilder  ».  En 
toch  bloeit  uit  dit  portret  eene  zoo 
schoone  zuiverheid  van  met  innerlijk- 
heid doordrongen  kleur  op,  dat  ge  u 
gevangen  geeft  met  uwe  overwegin- 
gen. Het  is  bij  al  deze  doordringendheid 
breed  en  open,  breeder  dan  men  het 
gewoonlijk  in  een  samengaan  van  deze 
eigenschappen  ziet. 

H.  D.  B. 


UIT  LEIPZIG 


EDERLANDSCHE 
BOUWKUNST  IN 
DUITSGHLAND>c^. 
Op  de  Augustüsplatz, 
te  Leipzig,  heeft  de 
Amsterdamsche 
B  e  u  r  s  b  ou  wmeester 
H.  P.  Berlage,  een  kantoorgebouw  in 
baksteen  neergezet  voor  de  Amster- 
damsche Algemeene  Maatschappij  van 
Levensverzekering  en  Lijfrente  aan  het 
Damrak  aldaar.  Van  het  gebouw  geven 
we  een  afbeelding  en  laten  hier  de  ver- 
taling volgen  van  een  artikel,  door  een 
Duitscher,  Dr.  Paul  Kühn,  in  de  Leip- 
ziger  Neueste  Nachrichten  van  Donderdag 
22  Jan.  1.1.  geopenbaard,  't  Heeft  waarde 
zoowel  om  de  daarin  uitgesproken  prin- 
cipiéele  opmerkingen  over  onze  nieu- 


112 


H.  P.  BEKLAGE  Nz.  :  Kantoorgebouw  te  Leipzig, 


were  bouwkunst,  als  om  hel  feil  dal  ze 
door  een  duitscher  in  een  Duilsch  blad 
zijn  neergeschreven,  en  hel  beleekent 
voor  onze  kunst  dus  meer  dan  het 
oordeel  van  naar  deze  of  gene  richting 
zoo  licht  bevooroordeelde  landgenoo- 
ten. 

«  Aan  den  hoekbijde  Johannisgasse  is 
de  Augustusplalz  nu  afgesloten  door  het 
nieuwe  gebouw  der  Nederlandsche 
Levensverzekeringsmaatschappij,  en  dit 
op  een  wijze  waartegen  men  om  de 
harmonie  van  dit  schoone  en  ruime 
plein,  terecht  Leipzig's  trots,  moet  pro- 
testeeren. Men  moet  dit  doen,  ook  al 
ontvangt  men  van  dit  gebouw,  zoodra 
men  het  nauwkeuriger  en  op  zichzelf, 


van  de  omgeving  los,  gaat  bekijken  den 
aangenaamslen  indruk.  Wil  men  tot  het 
bewustzijn  komen  van  de  eigen  schoon- 
heid ervan,  dan  moet  men  het  zich  gaan 
voorstellen  in  de  omgeving  van  zijn 
HoUandschen  oorsprong,  de  straten  van 
Amsterdam,  en  hooge  boomgroepen  er 
om  heen.  —  Zooals  hel  hier  slaat,  werkt 
hel  als  beleedigende  smakeloosheid,  en 
de  schreeuwende  disharmonie  van  dit 
bouw-complex  loont  wel  duidelijk  aan 
hoe  in  ons  overgangstijdperk  alle  ver- 
houdingen uiteengereten  worden.  Groo- 
ler  tegenstelling  is  moeilijk  denkbaar 
dan  tusschen  den  monumentalen  bouw- 
Iranl  van  ons  Museum,  in  rijke  Italiaan- 
sche  Renaissance,  met  zuilen  en  beeld- 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  LEIPZIG 


113 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  LEIPZIG 


bouwwerk,  en  dit  moderne  kantoorge 
bouw  met  zijn  vele  vensters,  zijn  rooden 
baksteen  en  spaarzaam  toegepaslen 
zandsteen,  dat  zicb  in  zijn  slrakken  geo- 
metriscben  vorm  schijnt  op  te  bouwen 
uit  niets  dan  lijnen,  borizontale,  verti- 
cale en  een  paar  in  de  scbuinte,  lerwijl 
in  bet  Museum,  de  Universiteit,  de 
naastliggende  kantoorgebouwen  der 
scbeppende  fantaisie  baar  vrij  spel  ge- 
laten is.  Docb  deze  veroordeeling  van 
bet  gebouw  als  dissonant  in  bet  gebeel 
van  de  Augustusplatz  beeft  niets  uit  te 
sta^n  met  zijn  zelfstandige  kunstwaarde. 
Bij  bet  bescbouwen  ervan  geraakt  men 
in  bet  weinig  aangenaam  dilemma,  aan 
den  eenen  kant  te  moeten  veroordeclen, 
anderzijds  te  prijzen.  Want  boe  meer 
men  zicb  inwerkt  in  dit  gebouw,  dat  op 
bet  eerste  gezicbt  aldus  afstoot,  des  te 
meer  wint  bet,  en  men  eindigt  met  te 
erkennen,  dat  we  bier  een  brok  moderne 
bouwkunst  van  voornamen  eenvoud  en 
waaracbtigbeid  voor  ons  bebben.  Wijst 
bet  ons  terug  naar  een  ontstaan  uit 
boUandscbe  tradities,  bet  is  tocb  wel 
waarlijk  een  modern  bouwwerk,  en  de 
arcbitectoniscb-artislieke  grondbegin- 
selen, die  den  Amsterdamseben  bouw- 
meester H.  P.  Berlage  geleid  bebben, 
gelden  voor  altoos.  Zoo  sterk  staan  we 
nog  onder  den  invloed  van  de  Renais- 
sance-fagade  en  de  na-aperij  van  vorste- 
lijke pracbt,  dat  men  zicb  in  H  algemeen 
geen  scboonbeid  denken  kan  zonder 
Renaissance-pronk  en  barokke-wcel- 
derigbeid,  en  niet  inziet,  boe  dit  diep 
ingeworteld  misverstand  tot  systcmati- 
scbe  barbaarscbbeid  ontaard  is.  Voor- 
gevels, die  tegen  de  Italiaanscbe  paleizen 
UIT  ROTTERDAM  der  xv«  en  xvi»^  eeuw  volkomen  de  be- 
scbaving  van  dat  tijdperk  uitdrukken, 
worden  aan  een  modern  buurbuis  of 
kantoorgebouw  tot  leege  ombulsels  van 
een  weggestorven  bestaansvorm.  Docb 
een  buis  als  dit  Hollandscbe  weerspie- 
gelt bet  levensbegrip  van  onzen  eigen 
tijd  en  getuigt  van  de  veranderingen 
welke  we  beleven.  De  burgerij  begeert 
niet  langer  zicb  uit  te  dosscben  met  de 
restjes  van  oud- vorstelijke  pracbt.  Zij 
speelt  niet  langer  leentje-buur  docb 
openbaart  zichzelf  in  haar  bouwtrant  in 
eenvoudigen,  gewonen,  eerlijken  vorm. 
Hoe  voornaam  doet  bier  niet  juist  dat 
verzaken  van  alle  in  bet  oogloopende 


versiersels.  Het  fijn  geometri.scbe  orna- 
ment der  boven-zandsteen-omlijsting 
van  de  vensters  is  volkomen  voldoende 
om  het  gansche  buis  een  aanzien  van 
vriendelijkheid  en  stille  blijheid  te  (te- 
ven. De  bouwmeester  beeft  de  vensters 
gegroepeerd  in  drieën  op  de  eerste  ver- 
dieping, in  tweeën  op  de  twee  volgende. 
—  De  benedenverdieping,  voor  winkel- 
ruimte bestemd,  wordt  doorgedrongen 
en  met  bogen  verbonden  granietpilasters 
verdeeld.  Boven  deze  verheffen  zich  de 
fa^aden,  die  door  de  aantrekkelijke,  in 
fijn  aanzwellende  lijnen  uitbuikende 
erkers  op  bet  lieflijkst  verlevendigd 
worden  en  die  van  boven  uitloopen  in 
twee  geveltoppen  en  een  hoektorentje 
en  naar  beide  zijden  in  pilonen-achtige 
fronten.  —  De  schoonheid  van  het  ge- 
bouw ligt  in  de  fijn  bezonnen  verhou- 
dingen en  in  de  vaste  lijnen  vol  uitdruk- 
king, die  bovenal  aan  den  stompen  boek 
op  de  Augustusplatz  van  een  krachtige 
lieflijkheid  zijn.  De  figuren  (van  Zijl), 
links  en  rechts  van  den  ingang  uitgebei- 
teld, zijn  in  hun  vorm  gebeel  architecto- 
nisch verbonden  en  herinneren  aan 
soortgelijk  werk  van  Minne. 

»  Het  dissoneerende  met  het  afgesloten 
gebeel  van  de  Augustusplatz,  dat  nu  van 
het  gebouw  opvalt,  zal  gaandeweg  ver- 
zwakt worden,  als  eenmaal  de  Groote 
nivelleur  van  Leipzig,  de  roest,  op  bet 
frissche  rood  van  den  baksteen  en  het 
krachtig  contrast  tegen  den  grauwen 
zandsteen  zijn  werk  gedaan  zal  hebben. 
En  dat  zal  niet  lang  duren. » 

^^^^^^^^^^ 

UIT  ROTTERDAM  ^^^^ 

lUNSTZAAL  OLDEN- 
ZEEL  y  VINCENT 
VANGOGH^MAAND 
JANUARI  /.♦►  Dat 
is  wel  een  verrassing, 
deze  verzameling, 
voor  wie  meende  Vin- 
cent van  Gogh  te  kennen.  Het  is  al 
jaren  geleden,  dat  Mevr  Oldenzeel  het 
schilderwerk  uit  zijn  Franseben  tijd 
exposeerde  en  —  herinnert  men  zich 
nog  dat  doekje,  -  zoo  karakteristiek 
voor  die  periode  van  zijn  leven,  toen 
de  hartstocht  met  zoo  felle  vlammen 
uitsloeg,  —  waar  bij  gaat,  gebogen 
onder  den   last  van   zijn  schilderkist, 


l-ia-t 


114 


midden  door  den  da  verenden,  bijna  pij- 
nigenden  zonneschijn,  onder  die  groene, 
starre  luctit?  Ik  moest  daaraan  terstond 
denken,  toen  ik  dit  zoo  gelieel  andere 
werk  zag. 

Het  is  een  vroegere  periode  ('82-'86), 
zijn  HoUandsche.  Den  Haag,  Sctievenin- 
gen,  het  Brabantsche,  —  een  enkel 
werkje,  een  eenzaam  kerktorentje  op 
een  hooge  vlakte,  onder  een  zonderling 
onheilspellende  lucht,  lijkt  me  reeds 
beslist  on-Hollandsch.  Maar  overigens  : 
de  Schenk  weg  met  de  lage  huisjes,  wel- 
bekend uit  een  teekening  in  de  collectie 
Hidde  Nijland,  de  zee  en  het  strand, 
een  Westlandsch  boerenhuisje,  Brabant- 
sche  vrouwtjes  en  wevers  aan  hun 
getouw.  Aan  de  teekeningen  is  hij  ge- 
makkelijk genoeg  te  herkennen  :  zijn 
figuren  die  soms  als  in  hout  uitgesneden 
lijken,  omdat  hun  hockigheid,  het  lede- 
poppige  hunner  bewegingen  het  sterkst 
gezien  is:  zijn  ongelijke  techniek,  die 
van  bewonderenswaarde  vaardigheid 
tot  kinderachtige  onbeholpenheid  wis- 
selt. Dat  is  het  wel,  wat  ook  aan  de 
schilderijen  het  eerst  opvalt,  vergelijk 
me  b.  V.  dat  prachtig-gedane  Stilleven, 
No  11,  dat  van  de  kool  en  de  klompen 
met  de  visscherskarikaturen,  die  naast 
de  deur  hangen.  Maar  vooral  :  zijn 
grijsheid,  ja  kleurloosheid  op  het  eerste 
gezicht ;  hij  stelt  te  leur  in  den  begin, 
het  is  niet  de  Vincent,  dien  we  gewoon 
waren.  Het  is  alles  zooveel  stiller,  effe- 
ner,  rustiger.  Geen  schallende  fanfares 
van  krasse,  ongebroken  kleuren  in  min- 
der tonige  atmosfeer  dan  de  onze,  — 
maar  een  algemeene  grijze,  bruinige, 
groenige  toon,  waaronder  de  weinig 
sprekende  lokale  kleuren  schuilgaan. 
Weinig  sprekend  —  op  het  eerste  ge- 
zicht. Want  —  en  dit  is  de  gemeene 
eigenschap  van  dit  zoo  ongelijke  werk 
—  het  blijkt  weldra,  dat  er  een  groote 
kleurenkracht  achter  steekt.  Neem  N»  2, 
den  Watermolen,  twee  bruingeteerde 
schuren  met  roode  pannen  gedekt, 
waartusschen  het  scheprad,  dat  een 
opstaandeo  schuimkant  in  het  water 
snijdt.  Hoe  weinig  gedecideerd  echter 
deze  kleuren  onder  de  bruine  atmosfeer, 
die  zelfs  het  hemelblauw  versombert ! 
(Het  lijkt  wel  een  Van  Goyen  in  de 
bruine  manier.)  Maar  één  oogenblik,  — 
en  hoe  vult  zich  de  ruimte  met  zonne- 


goud,    hoe  gaan    de   verschietboomen    KUNST- 
schuil  achter  den  tintelenden  gloed,  hoe    dltpiz-utpm 
voelt  men  de  eenheid  van  belichting,    DbKlCMlt.I\ 
de  zaligheid  van  dat  rijplichte  zomer-    ^'^  ROITI^RDAM 
middaguur.  Grijzer  zijn  andere  en  so- 
berder, zoo  de  Aardappelrooister  (N"  30) 
en   hel    Heigehuchlje    met    zijn    hooge 
stroodaken,  groenig  is  de  atmosfeer  in 
de  Aardappelrooisters  (No  13),  een  Millet- 
achtig  ding,  waarin  de  lijven  der  spit- 
tende vrouwtjes  zoo  wonderlijk  tegen 
de  blanke  lucht  afsteken,  —  maar  in 
alle  is  een  diepe  hartstocht  voor  kleur, 
die  zich  weldra  ontdekt  aan  wie  zich 
niet  door  den    uiterlijken  schijn    van 
kalmte  laat  misleiden. 

O,  het  brandde  en  kookte  in  hem, 
toen  als  later,  —  maar  het  sloeg  nog 
niet  uit,  of  zelden  maar.  Is  het  wee- 
moed, is  het  resignatie,  wat  de  heilig- 
heid van  zijn  werk  besluiert?  Waarom 
is  de  doffe,  verholen  gloed  van  den 
watermolen  niet  in  het  tegenoverge- 
stelde omgeslagen  ?  Spiegelde  hij  zich 
aan  de  gedweeen,  de  nederigen,  de 
gevangenen  der  met  schuttinkjes  om- 
hokte  bleek  veldjes  van  de  woningen 
aan  den  Schenkweg,  of  de  stille  ge- 
kromde slaaQes  op  het  weefgetouw,  — 
zag  hij  zijn  leven  zich  bewegen  langs 
dien  eindeloozen  rechten  weg  met  de 
trieste,  spichtige  boompjes  tot  aan  den 
onzichtbaren  horizont?  Trachtte  hij 
wijsheid  van  onderwerping  te  leeren 
van  dien  subliemen  B/c/c/enc/en  oude,  om 
*s  avonds  de  handen  gevouwen  over  het 
dampend  papschoteltje,  den  kalen  sche- 
del ootmoedig  gebogen,  God  te  danken 
voor  het  schrale  maal  en  den  doorge- 
sjouwden  dag?  In  anderen  zag  hij  hef- 
tiger levenstragedie,  als  in  die  Boeren- 
vrouw, met  haar  al  te  schitterende 
zwarte  oogen  in  het  taankleurige,  leer- 
achtige gezicht,  —  hoe  de  onrustige 
ziel,  brandend  in  gestagen  onvrede, 
daaruit  kijkt !  En  niet  minder  dat  Osje, 
alleen  gelaten  in  den  naren  mist,  terwijl 
kraaien  zijn  karretje  omfladderen,  hoe 
het  lijdzaam  wacht,  gevangen  io  het 
span,  —  maar  welk  een  smeekende 
onrust  uit  zijn  navrante  oogen  kijkt, 
stomme-dieren-oogen,  maar  die  ver- 
volgen ! 

Gevangenen,  gevangenen  die  allen  en 
zag  hij  zichzelf  zoo  ook?  Is  hij  in  dezen 
tijd  nooit  vrij  en  blij  geweest  en  zal  men 


115 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT ROTTERDAM 


hem  dan  den  ongelukkigen  naam  van 
«  zoeker  »  geven,  wat  gewoonlijk  een 
«  nooit  vinden  >'  beduidt?  Zie  dan  de 
n»*»  17  en  18,  twee  Strandgezichten.  Het 
laatste :  de  zee  hoog  van  het  duin  af 
gezien,  het  machtige  rollen  der  bran- 
dingen naar  het  strand  en  van  de  wolken 
daarboven.  Vóór,  waar  een  pink  op  de 
uiterste  schuimkammen  rijdt,  een  kalme 
vloedplas,  die  de  hooge,  Ojngrijze  lucht 
weerspiegelt.  Wat  een  beweging  zit 
daarin  !  De  groote  golvenkudden  komen 
van  den  horizont,  onophoudelijk,  de 
een  na  de  ander,  hun  rumoerige  stem- 
men roepen  in  de  ruimte.  Wat  vrij  en 
wijd  is  dat,  hoe  waait  de  frissche  wind 
daardoor!  Nog  mooier  misschien,  van 
een  groolsche  rust  is  dat  andere,  stille 
Zee,  met  die  voorname  harmonie  van 
drie  fijne  kleuren :  roodachtig  zandgrijs, 
het  geelgroen  der  zee,  een  prachtig-gave 
kleur,  en  het  delicate  grijs  van  de 
reflexrijke  lucht,  waarvan  de  factuur 
zoo  sterk  herinnert  aan  een  Constable 
in  het  Louvre.  Een  ding  van  klare 
kalmte  en  gelijkmoedigheid,  van  vol- 
komen zichzelf  bezitten.  En  een  prach- 
tig staaltje  van  zijn  magistraal  kunnen. 

Want  het  gaat  niet  aan,  nu  nog  maar 
altijd  over  van  Gogh's  €  onbeholpen 
techniek  »  te  spreken.  Hij  had  er  een, 
en  enorm,  als  hij  wilde,  —  in  deze  beide 
laatste  werkjes,  in  al  zijn  komisch- 
samengelapte  stillevens,  die  zuivere 
kleurstudies  zijn  (men  zie  het  bierglas 
in  het  kruikenstilleven,  n<>  8),  in  de 
aquarel  van  den  Schenkiveg  (de  geveltjes 
van  de  uilgebouwde  keukentjes  b.  v. !) 
Als  hij  onhandig  lijkt,  is  het  hem  om 
wat  anders  te  doen.  Zijn  sterk  gevoel 
voor  het  karakteristieke  in  de  actie  van 
een  wezen  trekt  zijn  figuren  soms  in  het 
karikatuurachtige.  Het  is,  of  hij  zijn 
sujet  altijd  van  dien  kant  aanpakt,  —  of 
zijn  oog  daaraan  blijft  hangen  en  het 
andere  zijn  aandacht  ontgaat.  Een  lech- 
niek,  altijd  vaardig,  die  in  de  hand  zit, 
buiten  het  oogenblikkelijk  gevoel  om, 
bezat  hij  nu  eenmaal  niet. 

Dat  is  jammer  voor  de  liefhebbers 
van  correctheid.  Maar  het  was  zóó  met 
grooteren  dan  hij.  Rembrandt  om  er 
maar  een  te  noemen. 


Rotterdam,  2A  Jan.  i903. 


R.  Jacobsën. 


ROTTERDAMSCHE  KUNSTKRING  > 
TENTOONSTELLING  VAN  GEBRUIKS- 
KUNST  UIT  €  'T  BINNENHUIS  *  TE 
AMSTERDAM  >  VAN  18  JANUARI  AF 
Het   zijn  voor  het   grootste  ge- 


deelte voorwerpen  van  de  Turijnsche 
tentoonstelling  afkomstig.  Het  uitvoe- 
rig artikel  van  Dr.  W.  Vogelsang  over 
Hollandsche  Gebruikskunst  in  het  Ja- 
nuari-nummer  van  Onze  Kunst,  ont- 
slaat me  van  de  verplichting  over  deze 
tentoonstelling  uit  te  weiden.  Of  zal 
ik  zijn  ervaring  met  de  mijne  komen 
bevestigen,  dat  de  crapeauds  van 
Van  den  Bosch  en  de  armstoeltjes  van 
Berlage  werkelijk  lekker  zitten,  en  mee- 
deden, dat  ik  niet  door  het  krijgshaftig 
pantser  van  een  klokje  geërgerd  ben,  — 
maar  dat  Jac.  v.  d.  Bosch  zijn  haard  me 
te  veel  op  het  met  klinknagels  bezette 
harnas  van  een  landsknecht  lijkt?  Ik 
vind  het  ook  heel  wat  aangenamer  op 
een  tentoonstelling  als  deze  rond  te 
loopen  en  al  kijkende  over  de  dingen  te 
redeneeren,  dan  erover  te  schrijven. 

Maar  een  paar  dingen  wilde  ik  toch 
nog  memoreeren.  Ten  eerste,  het  bind- 
werk  van  J.  A.  Loebèr.  Het  lijkt  me,  of 
hij  als  vakman  het  hoogst  staat  van 
allen.  Zijn  werk  is  zoo  eenvoudig,  zoo 
vanzelf-sprekend,  zoo  vrij  van  alle  mooi 
doenerij.  Vooral  zijn  royale  perkament- 
banden met  de  eenvoudige  versiering 
van  het  doorgestoken  bindreepje  vind 
ik  kostelijk.  Niet  minder  leent  zich  dit 
materiaal  voor  beschildering,  zooals  een 
paar  andere  boekbanden  bewijzen.  Dan 
een  mohair  tapijtje  van  Colenbrander, 
dat  schittert  in  oriëntale  pracht.  De 
batiks  blijven  altijd  aantrekkelijk  werk, 
vooral  als  het  karakter  der  dessins  zich 
niet  te  ver  van  dat  der  Indische  voor- 
beelden verwijdert,  d.  w.  z.,  dat  het 
fijn  en  arabeskachtig  blijft.  Wonderfijn 
van  teekening  en  uitvoering  zijn  die  van 
Ghr.  Lebeau  in  een  kamerschut  van 
Van  den  Bosch. 

Over  het  algemeen  is  de  waar  nog  te 
duur.  Maar  dat  zal  wel  verbeteren  met 
de  grootere  afname.  Misschien  is  de 
toekomst  niet  zoo  ver,  dat  het  verschil 
tusschen  « mooie  •>,want  duurdere,  onge- 
bruikte voorwerpen  en  wansmakelijke 
dingen  des  dagelijkschen  gebruiks  zal 
verdwijnen.  Hoe  spoedig,  dat  zal  afhan- 
gen van  de  wisselwerking  tusschen  den 
smaak  van  het  publiek  en  de  artistieke 
kracht  der  producenten. 

Rotterdam,  5  Febr.  R.  J. 


116 


DE  VERZAMELING  PACULLY 


TE  PARIJS 


|P  het  einde  der  maand  Februari  11.  bracht  ik  DE  VERZA- 
eenige  dagen    te  Parijs   door   en   had   toen  MELING 
gelegenheid  de  verzameling  Pacully  Ie  bezoe-  PACULLY 
ken,  waarvan  ik  enkele  stukken  op  de  ten-  TE  PARIJS 
toonstelling  te  Brugge  gezien  had.  Ongeluk- 
kigerwijze waren  de  schilderijen  opgestapeld 
in  het  werkhuis  van  den  heer  Petit,  die  ze  met 
het  oog  op  de  aanstaande  veiling  aan  het 
reproduceeren  was.    Ik  zag  ze  dus  niet  alle,  maar  nam  den  korten 
tijd  te  baat,  waarover  ik  beschikte,  om  de  voornaamste  stukken  van 
Vlaamsche  en  Hollandsche  meesters  in  oogenschouw  te  nemen. 

Van  de  vijf  stukken  primitieve  Vlaamsche  meesters,  die  te  Brugge 
aanwezig  waren,  herzag  ik  er  drie.  De  H,  Maagd  een  kazuivel  aan  den 
H.  Ildefons  breng ende^  O,  L.  V.  den  dooden  Christus  omhelzende  en 
de  lezende  Jonge  Vrouw  van  den  Meester  der  halve  vrouwenfiguren. 
Van  deze  drie  schijnt  mij  te  Brugge  enkel  het  halve  vrouwen- 
figuur naar  waarde  geschat  te  zijn.  Het  is  inderdaad  een  uitgelezen 
werk  van  den  meester,  die  in  de  laatste  tijden  zoo  druk  besproken 
werd.  Liefelijk  harmonieus  doet  het  ons  aan  :  de  stemmige  kleedij, 
donkergroen  onderkleed  en  rood  bovenkleed,  het  groene  tafelkleed, 
hel  stille  licht  passen  zoo  goed  bij  het  fijne,  effen,  zalvige  gelaat  en  de 
lange  lichtbruine  haarvlechten,  die  langs  de  wangen  neerdalen,  dat  er 
uit  het  geheel  een  figuurtje  ontstaat,  rein  zonder  ingetogenheid,  gelukkig 
zonder  uitgelatenheid,  een  overgang  tusschen  hel  mysticism  van 
vroeger  en  hel  heidensch  behaagzuchlige  van  later. 

Dat  de  schilder  van  Nederlandschen  oorsprong  is  blijft  onbetwist; 
dat  hij  aan  het  Fransche  Hof  werkte  staat  even  vast;  dat  het  de  Antwer- 
penaar Jan  Clouet,  de  hofschilder  van  Frans  I  was,  heeft  Franz 
Wickhofl*  op  stevige  gronden  hoogst  waarschijnlijk  gemaakt.  Ik  zou  de 
vraag  van  den  naam  niet  aangeroerd  hebben,  ware  hel  niet  dal  onder 
al  diegene,  welke  bij  de  nasporingen  over  de  eenzelvigheid  van  den 


Onze  Kunst  1903,  Afl.  4,    XV 


117 


DE  VERZA-        kunstenaar  aangehaald  werden,  er  niet  een  vergeten  was,  die  volgens 
MELING  mij  zich  onmiddellijk  opdringt,  die  van  Jan  Massys,  Quinten's  zoon, 

PACULLY  namelijk.  Niet  alleen  Jan  Clouet  wordt  genoemd  als  vervaai'diger  van  de 

TE  PARIJS  halve  vrouwenfiguren,  maar  ook  verscheiden  anderen,  hetzij  men  ze 

opgeeft  als  de  eenige  of  de  voornaamste  vervaardigers  der  bevallige 
freules,  hetzij  men  hun  werken  toeschrijft,  die  met  deze  zooveel  over- 
eenkomst in  de  keuze  der  onderwerpen  en  in  den  trant  der  uitvoering 
vertoonen,  dat  zij  samen  een  zelfde  groep  uitmaken. 

Jan  Massys  was  zeker  geen  trouwe  volgeling  zijns  vaders,  maar  er 
blijven  in  zijn  werk  sporen  genoeg  van  den  invloed  van  zijn  grooten 
voorganger  over,  om  de  verwantschap  hunner  kunst  te  bewijzen.  Dat 
ook  de  meester  der  halve  vrouwenfiguren  van  Quinten  Massys  afstamt, 
valt  niet  te  be wisten.  Onder  zijne  werken  lelt  men  een  Geldiveegster 
en  een  paar  Lucretia's^  twee  onderwerpen  die,  zooals  men  weet,  ook 
door  Jan  Massys  behandeld  zijn.  In  meestal  de  gekende  stukken  van 
dezen  laatste  vindt  men  daarbij  jonge  mooie  vrouwen,  zoo  in  Susaima 
en  de  twee  boeven,  Lolh  en  zijne  dochter,  een  Lustig  Gezelschap.  Men 
kent  betrekkelijk  zeer  weinige  stukken  van  hem,  ternauwernood  een 
dozijn,  zoodat  men  zekerheid  bezil  dat  er  vele  verdwenen  of  verkeerd 
genoemd  zijn.  Van  1544  tot  1558,  den  tijd  ongeveer  waarop  de  halve 
vrouwenfiguren  geschilderd  zijn,  was  Jan  Massys  uitlandig  om  geloofs- 
zaken, zonder  dat  men  wete  waar  hij  zich  ophield,  en  best  mogelijk 
is  het  dat  hij  toen  te  Parijs  verbleef.  Zijn  trant,  ja,  verschilt  tamelijk 
sterk  van  dien  van  Jan  Clouet,  hij  is  matter  en  grauwer  van  kleur, 
minder  verfijnd  van  bewerking,  maar  hiertegen  valt  dan  weer  aan  te 
merken,  dat  zijn  gedagteekende  stukken  behooren  tot  zijn  laatste 
levensjaren  en  dat  zijn  Lucretia,  die  wij  te  Brugge  zagen,  wel  zijn 
naam,  maar  geen  jaartal  draagt,  dat  deze  glanzend  van  kleur  en  van 
een  bij  hem  ongekende  keurigheid  van  bewerking  is.  Deze  Lucretia, 
zooals  de  jonge  vrouwen  in  zijn  latere  werken,  heeft  eene  treffende 
overeenstemming  met  de  halve  vrouwenfiguren :  dezelfde  gladde  gelaats- 
tint,  de  smal  gespleten  en  half  toegeloken  oogen,  de  fijne  teerstrepige 
wenkbrauwen,  de  kleine  puntige  kin.  Ik  dring  niet  verder  aan  en  stel 
geen  nieuwe  kandidatuur  voor  het  vaderschap  van  de  aanminnige 
vrouwenschaar,  maar  wilde  alleen  het  verwantschap  van  Jan  Massys 
met  den  vermoedelijken  auteur  doen  uitkomen. 

Het  belangrijkste  der  werken,  dat  wij  te  zien  kregen  in  PacuUy's 
verzameling,  is  de  H.  lldefons  den  mirakuleuzen  kazuivel  ontvangende 
van  de  H.  Maagdj  een  werk  van  Memlinc  of  van  zijne  school,  maar  in 
elk  geval  een  werk  van  belang.  In  eene  kathedraal  van  fantazie- 
gothischen  bouwtrant  zit  de  H.  Maagd  op  eenen  troon.  Vóór  haar 
knielt  de  heilige ;  een  engel  helpt  de  Moedermaagd  den  begenadigde 
het  priesterkleed  over  het  hoofd  heff'en,  een  tweede  engel  houdt  den 


118 


DE  MEESTER  DER  VROUWELIJKE  HALFFIGUREN  : 
LEZENDE  JONGE  VROUW,  (Verzameling  Pacully,  Parijs). 

staf,  een  derde  den  mijter.  Wij  zijn  verre  van  de  voorstelling  der  DE  VERZA- 

legende.  De  H.  Ildefons  was  een  warme  voorstander  van  het  dogma  MELING 

der  onbevlektheid  der  H.  Maagd.   Op  zekeren  dag,  toen  hij  in  den  PACULLY 

vroegen  morgen  de  kerk  van  Toledo  binnentrad,  voorafgegaan  door  TE  PARIJS 

den  diaken,  den  onderdiaken  en  de  koorknapen  die  toortsen  droegen, 

werden  zij  getroffen  door  de  straling  van  een  hemelsch  licht,  waarvan 

hun  oogen  den  glans  niet  konden  verdragen.    De  gezellen  van  den 

heilige  werpen  hunne  lichten  weg  en  gaan,  meer  dood  dan  levend, 

aan  hunne  makkers  verhalen  wat  zij  gezien  hebben.  Allen  begeven 

zich  nu  naar  de  kerk  om  getuigen  te  zijn  van  het  mirakel.  Maar  de 

H.  Ildefons  voortgegaan  zijnde  tot  aan  het  altaar  van  O.  L.  V.,  ziet 

Maria  in  zijn  eigen  zetel  zittende  en,  boven  haar,  heel  het  gewelf  der 

kerk  vol  santinnen,  die  psalmen  zingen.  De  H.  Maagd  overreikt  hem 

nu  een  gewaad,  van  haar  eigen  hand  gemaakt,  zeggende  :  •  Strijd  te 

mijner  eere,  moedige  dienaar,  en  ontvang  uit  mijne  hand  het  kleine 

geschenk  dat  ik  u  breng  uit  den  schat  van  mijn  Zoon.  y> 


119 


DE  VERZA-  Kr  is  geen  zweem  meer  van  verrassende  verschijning,  van  schrik, 

MELING  van  verbazing,  zelfs  niel  meer  van  ontroering  in   onze  schilderij  : 

PACULLY  O.  L.  V.  is  heel  bedaard  gezeten  op  den  bisschoppelijken  troon,  even 

TE  PARIJS  bedaard  knielt  de  heilige  en  leenen  de  engelen  hunnen  dienst.  Maar 

prachtig  ^s  hel  stoffelijk  deel  van  het  tafereel  geschilderd  :  de  achter- 
grond der  kerk  met  hare  opeenvolgende  gronden  en  haar  afnemend 
licht  in  l^et  verschiet ;  de  rijke  kleedij  der  engelen,  een  in  scharlaken 
rood,  een  andere  in  het  groen  ;  zoo  nog  de  troon  in  groen  en  goud. 
Overheerlijk  is  de  uitvoering  van  den  kazuivel  en  van  den  mijter. 
De  heilige  in  zijn  wit  gewaad  en  de  stillichtende  achtergrond  maken 
met  die  hooge  tonen  en  met  Maria's  blauw  kleed  en  rooden  mantel 
een  tegenstelling  van  kleuren  meesterlijk  harmonieerende. 

Maarzoo  van  de  stoffelijke  zijde  het  werk  een  prachtstuk  heeten 
mag,  dan  is  de  weergeving  van  het  onstoffelijke,  de  aandoening  van 
de  ziel,  uitgedrukt  in  gelaat  en  beweging,  veel  minder.  Er  ligt  in  den 
H.  Ildefons  iets  zoo  kinderlijks  dat  het  figuur  er  ongevoelig  door  wordt 
en  onbekwaam  schijnt  zoowel  om  de  rol  te  spelen  die  hem  wordt  toege- 
kend als  ^m  te  begrijpen  wat  er  met  hem  omgaat.  Ook  de  Lieve  Vrouw 
wordt  houterig  en  gratieloos ;  de  engelen  handelen  werktuigclijk.  En 
wanneer  wij  de  vraag  stellen  :  Memlinc  of  niet?  dan  antwoorden  wij  : 
niet  de  meester,  maar  stellig  een  zijner  beste  volgelingen.  De  hoofden 
hebben  niet  meer  de  lichtende  doorschijnendheid  in  de  verf,  de 
teederheid  in  de  uitdrukking,  de  natuurlijke  aanvalligheid  in  de 
beweging ;  ook  de  gelaatstrekken  zijn  gewijzigd  en  minder  ideaal 
schoon  geworden.  De  verwantschap  blijft  bestaan,  de  uitvoering  van 
het  levenlooze  is  eerder  volmaakter  dan  bij  den  grooten  meester,  maar 
het  hoogere  zieleleven  is  merkelijk  gedaald. 

Het  laatste  stuk  der  merkwaardige  primitieven  is  de  Maria  den 
dooden  Christus  omhelzende.  De  bedrukte  moeder  heeft  het  hoofd  van 
haren  zoon  met  de  twee  handen  omvat  en  drukt  het  tegen  haren 
mond  :  dikke  tranen  rollen  over  hare  wangen,  dikke  bloeddroppels 
vloeien  uit  Christus'  voorhoofd,  ontdaan  van  de  doornenkroon.  Het 
hoofd  van  O.  L.  V.  is  gehuld  in  een  roomwitten  doek.  Scherp  is  het 
contrast  tusschen  het  innig  bedroefde  gelaat  van  Maria  met  het  starre 
hoofd  van  Christus,  tusschen  haar  rozige  huid,  waar  het  warme  bloed 
door  schijnt,  en  zijn  doodsbleek  en  groenachtig  grijs  getinte  wezen.  De 
schildering  is  met  groote  keurigheid  en  gevatheid  uitgevoerd  ;  haar  en 
baard  van  den  doode  zijn  pijltje  voor  pijltje  geschilderd,  de  handen 
zeer  fijn,  met  lange  adellijke  vingers,  de  tranen  doorschijnend  als 
kristal. 

Wie  is  de  maker  van  dit  zeer  verdienstelijke  stuk?  Men  zegt 
Geeraard  David  of  een  zijner  volgelingen.  Ik  geloof  het  niet.  De 
verwantschap  met  de  bloedende  en  tranende  Christushoofden,  met  de 


120 


2    <    .£. 


CS 

H 
< 


§  i 


rouwklagende  Maria  van  Quinlen  Massys  zijn  Ie  IrefiFend  om  geioo-  DE  VERZA- 
chend  te  worden.  De  penseeling  is  Ie  scherp,  te  kleurig,  te  hoog  om  MELING 
aan  een  Bruggeling  te  laten  denken.  Het  werk  is  wel  Antwerpsch,  niet  PACULLY 
echter  van  Quinten    zelf,    daarvoor   ook   zijn   de    gelaatstrekken   te  TE  PARIJS 
snijdend,  de  kleur  van  den  doode  te  hard,  alles  te  emailachtig ;  maar 
alles  verraadt  de  school  van  den  laatstgenoemden  meester  en  het  werk 
van  een  zijner  beste  volgelingen,  misschien  wel  van  zijn  zoon  en  dan 
uit  dezes  eersten  tijd.  Men  denke  alweer  aan  zijne  glanzende,  weiver- 
zorgde,  emailachtige  Lucretia  om  het  aannemelijke  dier  toeschrijving 
te  wettigen. 

.Onder  de  verdere  Antwerpsche  meesters  komt  natuurlijk  in  de 
eerste  plaats  in  aanmerking  de  grootste  van  alle.  Twee  stukken  van 
Rubens  verdienen  vermelding  :  de  Israëlieten  het  Manna  rapende  in  de 
Woestijn  en  Thetis  haren  zoon  Achilles  badende  in  den  Styx. 

Het  eerste  stuk  behoort  tot  de  reeks :  de  Triomf  en  de  Figuren  van 
hel  /ƒ.  Sacrament  des  Allaars,  Er  bestaan  verscheiden  exemplaren  der 
schetsen  van  dit  grootsche  werk.  Vooreerst  maakte  Rubens  er  vluch- 
tige krabbelingen  met  het  penseel  in  grauwverf  van.  De  meeste  dezer 
kleine  stukjes  bevinden  zich  in  het  Museum  der  Universiteit  van 
Cambridge,  twee  die  daar  ontbraken  :  Elias  in  de  Woestijn  en  de  Israë- 
lieten  het  Manna  rapende^  waren  op  hel  einde  van  1901  in  bezit  van  den 
heer  Kleinberger  te  Parijs.  Dan  volgden  er  grooter  schetsen  in  kleur. 
De  meeste  dezer,  namelijk  acht  van  de  dertien  stukken,  bevinden 
zich  in  het  Museum  te  Madrid  :  onder  de  ontbrekende  lelt  men  de 
schets  der  Israëlieten  het  Manna  rapende,  In  den  Inventaris  der  nala- 
tenschap van  den  schilder  Victor  Wolfvoet,  leerling  van  Rubens, 
opgemaakt  den  23«n  October  1652,  worden  vermeld  vijf  •  schetskens 
van  Rubens  »  voor  de  hier  besproken  reeks  «  op  paneel  in  ebbenhouten 
lijstkens.  -»  Onder  deze  bevindt  zich  dat  «  daer  het  hemelsbroot  regent. » 
Maakt  dit  laatste  deel  van  het  exemplaar,  waarvan  het  Museum  te 
Prado  er  acht  bezit,  en  is  het  hetzelfde  als  dat  wat  wij  in  de  verzame- 
ling Pacully  aantreffen  ?  Ziedaar  eene  vraag,  die  wij  niet  met  zekerheid 
kunnen  beantwoorden.  Waarschijnlijkst  is  het  dat  de  schets,  welke 
wij  hier  bespreken,  eene  is  uit  het  exemplaar,  waarvan  de  meeste  zich 
te  Madrid  bevuiden  en  dat  de  stukken,  die  Victor  Wolfvoet  bezat,  niet 
behooren  tol  die  reeks,  vermits  de  onderwerpen  van  enkele  hunner 
ook  behandeld  zijn  op  paneelen,  die  in  1652  reeds  in  Spanje  waren. 
Dat  onze  schets  behoorde  tot  het  exemplaar  van  Madrid  wordt  des  te 
aannemelijker,  daar  zij  er,  evenals  de  stukken  uit  het  Prado-Museum, 
meer  uitziet  gelijk  een  half  afgewerkte  kleine  schilderij  dan  gelijk  een 
gewone  schets  van  Rubens. 

Zij  is  niet  meer  in  haren  oorspron keiijken  toestand  van  afzon- 
derlijk paneel,  maar  gevat  in  een  bijgetimmerde  omlijsting,  waarop  een 


121 


DE  VERZA-         krans  van  bloemen  en  vruchten  geschilderd  is.  Deze  is  niet  van  de 
MELING  hand  van  fluweelen  Breughel,  maar  wel  van  een  laleren  Anlwerpschen 

PACULLY  bloemenschilder,  vermoedelijk  Pieter  Gysels.  Ik  herinner  mij  niet  ooit 

TE  PARIJS  een   dergelijke  samenvoeging  aangelrofTen  te  hebben.  Het  stuk  van 

Rubens  neemt  een  veel  gewichtiger  plaats  in  dan  dit  gewoonlijk 
gebeurde  met  de  omkranste  cartouches,  en  zijn  aanvallige  samen- 
stelling en  rijk  koloriet  paren  zich  bijzonder  wel  met  den  keurig 
geschilderden  bloemenkrans. 

De  tweede  Rubens  is,  evenals  de  eerste,  gemaakt  om  te  dienen 
als  karton  voor  een  tapijtwerk.  Hel  is  het  eerste  van  de  reeks  van  acht 
stukken  de  Geschiedenis  van  Achilles,  verbeeldende  Thetis  die  haren 
zoon  in  den  Styx  dompelt.  Rubens  maakte  eerst  de  schetsen  ;  twee 
exemplaren  dezer,  een  van  zeven  en  een  van  acht  stukken,  worden 
vermeld,  maar  ik  heb  geen  van  beiden  gezien.  Naar  die  schetsen 
werden  schilderijen  gemaakt  van  halve  natuurgrootte  en  naar  deze 
werden  waarschijnlijk  de  grootere  modellen  voor  de  wevers  uitgevoerd. 
De  schilderijen  van  halve  natuurgrootte  hoorden  in  de  verleden  eeuw 
toe  aan  den  hertog  van  Infantado  en  later  aan  den  hertoa  van  Pastrana 
te  Madrid.  In  de  tweede  helft  der  laatste  eeuw  werd  de  reeks  verbrok- 
keld :  een  paar  stukken  werden  aan  het  Museum  van  Pau  geschonken, 
twee  andere  werden  vroeger  verkocht  in  de  veiling  Salamanca  (Parijs, 
1867»,  de  vier  overige  werden  door  de  hertogen  van  Pastrana  met  het 
paleis  dat  ze  bevatte  aan  de  Damen  van  het  Heilig  Hart  geschonken. 
Tot  deze  laatste  behoorde  de  Thetis  en  Achiiles  der  verzameling 
PacuUy. 

De  indompeling  heeft  plaats  bij  het  licht  eener  toorts,  dat  zijn 
bruinen  schijn  over  het  tooneel  werpt.  De  handeling  is  door  Rubens 
geschilderd  met  zorg,  de  figuren  van  Thetis  en  haar  kind  zijn  zeer 
fraai,  aan  Cerberus  heeft  hij  de  koppen  gegeven  van  de  twee  honden, 
zwart  met  witte  vlekken,  die  hij  schilderde  in  de  Kroning  van  Maria 
van  Medici.  De  omlijsting,  Pluto  en  Proserpina  met  de  vedermuis- 
vlerken  in  de  hoogte,  is  van  de  hand  van  een  leerling,  wellicht  Erasm 
Queilin. 

Verder  belangwekkende  stukken  van  Vlaamsche  Meesters,  zijn 
behalve  een  landschap  met  herberg  en  drinkende  boeren  vanTeniers, 
een  drietal  stukken  door  denzelfden  meester  gemaakt  om  als  modellen 
Ie  dienen  voor  kartons  van  tapijten,  die  wel  eenig  in  hunnen  aard  in 
het  werk  van  onzen  schilder  zullen  zijn.  Zij  verbeelden  het  Vertrek 
van  Don  Juan,  bastaard  van  PhiHp  IV,  die  in  1656  aartshertog  Lode- 
wijk- Willem  als  landvoogd  onzer  gewesten  kwam  vervangen,  zijn  Reis 
op  zee  en  zijn  Aankomst  op  onze  kust.  De  zeegezichten  zijn  van 
Teniers'  hand,  evenals  de  omlijstingen,  samengesteld  uit  scheepstuig, 
visschen  en  andere  voortbrengsels  der  zee,  samengebonden  door  kleine 


122 


P.  P.  RUBENS ! 

THETIS  ACHILLhS  IN  DEN  STYX  DOMPKLKNDE 
[Omlijsting  van  Erasmus  Quellijn  ?J 
(Verzameling  Pacully,  te  Parijs). 


H 


123 


REMBRANDT :  EIGEN  PORTRET  OP  JEUGDIGEN  LEEFTUD 

(Verzameling  Pacully,  Parys). 

geniussen,  echte  Tenierskinderen  :  alles  mei  de  handvaardigheid  en  DE  VERZA- 
de  bevallige  vlugheid  van  onzen  veelkunslenaar  gemaakt.  MELING 

Nog  hebben  wij  aan  te  stippen  een  zeer  interessant  stuk  van  PACULLY 
Alexander  Adriaensen,  den  visschenschilder,  verbeeldende  bij  uitzon-  TE  PARIS 
dering  een  schotel  vruchten  :  peren,  pruimen,  vijgen,  druiven,  met  veel 
talent  in  Snyders'  trant,  maar  niet  zoo  schitterend  als  deze,  geschilderd 
en  dragende  het  handteeken  en  hel  jaartal  1634.  Eindelijk  twee  goede 
stukken  van  Fyt  in  zijn  bruinen  toon,  elk  een  hond  en  patrijzen  voor- 
stellende. 

Onder  de  Hollanders  valt  met  lof  te  vermelden,  in  de  eerste  plaats 
een  Rembrandt  :  het  eigen  portret  van  den  grooten  meester,  toen  hij 
vooraan  in  de  twintig  jaar  oud  was.  Op  het  kroezelend  haar  draagt 


XVI 


125 


DE  VERZA-         hij  een  platte  muts,  om  den  hals  een  stalen  kraag  en  een  donkere  sjerp, 
MELING  een  vroege  proef  van  fantastische  opsmukking.  Heel  verstandig  ziet  hij 

PACULLY  er  niet  uit  met  zijn  half  geopenden  mond,  zijn  bobbelneus,  zijn  ver- 

TE  PARIJS  wonderd  opkijkende  oogen,  maar  de  glanzende  lichtslag,  die  hem  op 

de  wang  valt,  de  fijne  bewerking  van  de  schemerige  deelen  geven 
hooger  leven  aan  het  figuur  en  waarde  aan  de  schildering. 

Van  Jan  van  Goyen,  is  er  een  waterkant  bij  vallenden  avond,  goed, 
alhoewel  wat  zwaar  van  wolken  en  donker  van  toon.  Van  Ruysdael  ten 
slotte  een  heerlijk  tafereel,  een  waterval.  Het  water  springt  over  twee 
rotsbanken;  boven  is  het  kalm,  spiegelglad,  fijn  getint  en  het  blauw  des 
hemels  weerspiegelend ;  bij  den  eersten  val  bruischt  het  witschuimend 
op,  dan  dwarrelt  het  tusschen  brokken  steen  en  rotsklompen  en  baant 
zich  hortend  en  kokend  een  weg.  Op  de  effen  hoogte  spreidt  zich  een 
zonnig  plein  uit  en  daarboven  is  de  hemel  helder  met  witte  wollige 
wolken,  malsch  en  doorschijnend,  en  tusschen  dat  licht  en  dat  leven 
verheffen  de  rotsen  en  boomen  hun  donkeren  bruingroenen  decor 
en  helpen  mede  tot  het  vormen  van  een  der  heerlijkste  natuurtooneelen 
die  men  droomen  kan. 

Max  Rooses. 


12G 


D.  WIGGERS 

(Een  indruk) 


|OEN  Wiggers  het  op  de  kantoorkruk  niet  D.  WIGGERS 
harden  kon,  besloot  hij  in  elk  geval  de  kwast 
te  zullen  hanteeren.  En  hij  ging  als  gewoon 
schildersknecht  aan  hel  werk,  verfde  in  het 
voorjaar  en  in  den  zomer;  en  dan  in  het 
najaar  trok  hij  naar  buiten,  om  er  te  teeke- 
nen en  later  te  schilderen. 

Deze  korte  samenvatting  van  zijn  wor- 
dingsgeschiedenis tot  kunstenaar  lijkt  mij  een  zeer  aannemelijke  ver- 
klaring voor  de  keus  van  onderwerpen,  waartoe  we  hem  zich  zelf 
heel  lang  bepalen  zien.  Niet  de  natuur  in  haar  volheid  schijnt  tot  hem 
te  spreken.  Er  is  geen  weelderigheid  van  bladergroen  en  geen  uitstra- 
ling van  kleur,  't  Is  de  natuur  in  haar  verstorven heid  als  de  blaren  van 
de  takken  zijn  weggewaaid  en  de  heel  fijne  takvingertjes  waaiervormig 
zich  in  de  lucht  spreiden,  in  hun  donkerheid  scherp  afgeteekend  tegen 
de  witte  luchten,  't  Is  de  natuur  in  de  verfijning  van  haar  wegtering, 
droomerig  weemoedig  van  komende  verlatenheid;  alle  vormen  vlak- 
getrokken;  alle  kleur  weggezogen;  de  stammen  eenzaam  staande 
in  dorre  knoestigheid,  hoog  opgaand  tot  in  de  oneindigheid  verloren ; 
woningen  staan  stil  pensief  in  de  dorpsrustigheid  en  in  de  verte 
vloeien  water  en  vlakte  weg,  in  kalme  gedweeheid  om  de  onvermijde- 
lijkheid van  het  einde. 

Van  velerlei  teekeningen,  silverpoints,  etsen  en  waterverven  door 
Wiggers  op  papier  gezet  is  dit  wezenlijk  het  grondmotief  en  de  ziele- 
stemming :  —  een  groote  rust,  een  stille  aangedaanheid,  een  meditatie 
die  zich  uit  in  heel  weinig  geluid  en  nog  zachter  beweging.  Heel  eer- 
biedig wordt  de  natuur  aangekeken,  heel  zorgvuldig  haar  vormen 
bestudeerd,  en  met  zachte  hand  haar  leven  neergezet  in  de  stemming, 
welke  de  schilder  zelf  haar  verleende.  De  fluweelen  teerheid  van  het 
potlood  is  nog  bijkans  te  hard,  om  er  haar  verdrooming  op  papier 
mee  te  verwezenlijken.  De  zilveren  punt,  die  het  voorbereid  papier 
bestrijkt  om  er  enkel  vage  herinnering  van  zijn  tegenwoordigheid  op 


127 


D.  WIGf;ERS  :  MAANNACHT,  (aquarel,. 
(Eigendom  ttan  den  lieer  G.  H,  Muller,  RoUerdamJ. 

I),  WKIGERSJ  achter  te  laten,  is  welkomer  uitingsmiddel.  Of  met  de  etsnaald  wordt 
het  plaatbedeksel  zoo  fijntjes  weggepikt,  dat  de  duizenden  vertak- 
kinkjes  van  bladerlooze  boomen,  dat  de  grassprietjes  en  de  wilgen- 
takjes, de  plantjes  en  de  waterrimpeling  elk  heel  stilletjes  gaan  mee- 
neuriën  in  het  dommelig  zwijgen  der  inslapende  natuur.  En  wordt 
verf  benut,  het  is  om  er  heel  vlakke  tinten  mee  uit  te  wasschen,  wèl 
diep  en  strak  soms  van  toon,  maar  ongebroken  in  rustigheid  en  slui- 
merig  van  stemming  in  den  waaknacht  der  klare  maan. 

In  al  dit  ceuvre  van  Wiggers  voelen  we  een  zich  afwenden  van 
druk  werkdagelijkschheid,  van  de  onrust  van  ons  leven,  de  rumoerig- 
heid onzer  steden.  Zijn  gaan  naar  de  natuur  is  er  niet  om  er  het  licht 
te  zoeken,  of  de  vochtigheid  van  onzen  dampkring,  of  de  hooge  wel- 
ving onzer  wolkenluchten.  Niet  om  met  haar  te  worstelen,  haar  kracht 
te  breken  in  zijn  verf,  en  dan  haar  weer  op  te  bouwen  tot  een  eigen 
macht  naar  's  kunstenaars  wil.  Stemmingsschilders  zijn  de  groote 
Haagsche  meesters  waarlijk  niet  minder  geweest  dan  hij  ;  de  lyriek  van 
Jacob  Maris  was  er  niet  minder  lyriek  om,  wijl  ze  sprak  met  harts- 
tochtelijkheid, en  van  Mauve  omdat  ze  graag  wegvloeide  in  teederheid. 
Doch  met  onze  jongeren,  met  wie  Wiggers  éen  voelt,  is  een  nieuw 
element  in  die  lyriek  gekomen  :  de  contemplatie.  De  stemming  wordt 
niet  meer  dadelijk  geuit;  ze  gaat  eerst  lósworden  uit  den  kunstenaar, 
een  ding  op  zich  zelf,  een  fijn  nevelgordijn,  waarin  het  aanschouwde 


128 


o 
cc 


••  2  E 
«^  S  b 
gis 

t5    ^    E 

ö    99 


Q 


N     S 


D.  WIGGERS  :  HERFST,  (aquarel). 
(Eigendom  uan  Mej.  M.  Mees,  Rotterdam), 

en  het  doorvoelde  tot  een  eenheid  worden.  Thys  Maris  is  de  eerste  D.  WIGGERS 
geweest  onder  ons,  om  dit  te  zoeken ;  het  klinke  niet  oneerbiedig  voor 
zoo  grooten  meester  die  voorging,  nu  te  zeggen  dat  hij  zoekende  is 
gebleven;  dat  bij  hem  het  nevelgordijn  inderdaad  een  ding  bleef, 
zichtbaar  in  zijn  werk  gematerialiseerd,  waaronder  hel  sensuëele  leven 
bleef  woelen,  en  waar  de  zielestemming  overheen  streek.  Zelden  heeft 
een  kunstenaar,  die  het  nog  onuitgesprokene  zocht  weer  te  geven,  ook 
dadelijk  de  zuivere  uiting  er  voor  gevonden ;  meestal  gaat  hij  te  vèr  in 
zijn  pogen  toch  alles  te  zeggen  wat  hij  voelt  dat  nog  ontbreekt.  —  Eerst 
wie  na  hem  komen  zijn  gelukkiger,  meestal,  en  zij  slagen  in  het  vinden 
der  preciese  uiting  buiten  het  opzettelijke  zoeken.  Zoo  heeft  Wiggers 
zijn  contemplatie  kunnen  maken  tot  het  onzichtbare;  heeft  hij  de 
werkelijkheid  in  haar  kunnen  doopen  zonder  wegneveling;  heeft  hij 
strakke  en  eenvoudige  klaarheid  kunnen  laten  doorstralen  door  de 
stilheid  zijner  stemming,  en  eerbiedig  naklanken  van  het  fijnste  en 
teederste  van  't  buiten  kunnen  doen  hooren  zonder,  als  andere  jonge- 
ren, te  verraden  het  raderwerk  van  zijn  instrumentatie.  Er  is  in  zijn 
werk  een  heel  zuivere  vormenspraak ;  de  lijnen  en  omtrekken,  hoe 
fijntjes  ook  neergezet,  verliezen  zich  nooit  in  de  impressie  van  het 
geheel;  uit  de  stemming  maakt  de  expressie  zich  altijd  los  met  onmis- 
bare duidelijkheid.  Maar  hoe  peulerig  haast  of  hij  detailleeren  mag, 
het  onderdeel  overheerscht  nooit,  maakt  zich  niet  los,  dringt  zich  niet 


129 


D.  WIGGERS 


D.  WIGGERS  :  NA  DR  ZON,  (aquarel). 

{Eigendom  van  Jhr.  Mr.  B.  W.  F.  van  Riemsdijk^  AmsierdamJ. 

uit;  gaat  integendeel  óp  in  de  contemplatie,  die  des  schilders  stemming 
weer  in  rustig  bedwang  houdt. 

En  alweer  is  het  geen  toeval  dat  dezen  teekenaar  en  schilder  niet 
onze  hollandsche  weiden  met  hun  vochtig  licht,  noch  onze  hollandsche 
steden  met  hun  sterk  gebaar,  zoomin  als  onze  vlakte  met  haar  hoog 
overwelfde  hemelruimte  hebben  geboeid.  Dat  hij  liefst  wijlt  in  ons 
heuvelland,  waar  een  kerkje  mag  staan  op  een  hoogte,  den  omtrek 
beheerschend  en  alle  denken  tot  zich  trekkend  als  levensmiddelpunt; 
of,  zelf  van  de  hoogte  neerziet  over  de  wijde,  heel  langzaam  ver- 
glooiende  vlakte,  door  welker  eenzaamheid  de  witte  glans  van  een 
kronkelende  rivier  zwemt,  met  statige  zwanenvaart  èn  rust  èn  gang 
naar  de  wegzwemelende  wijdte  aanduidend.  Hier,  rond  die  heuvels, 
vindt  het  zoeken  rust;  hier,  in  die  verdwijnende  verheid,  kan  het 
droomen  meegaan  de  oneindigheid  in.  Hier  gaat  het  denken  langzaam 
naar  boven ;  hier  deinst  het  zoeken  ongestoord  verder,  naar  de  onzicht- 
baarheid en  de  onbekendheid  toe.  —  Er  ligt  een  stillieve  huiselijkheid 
om  de  woningen  onder  hun  rieten  dak  ;  een  strakke  weemoed  over  de 
ontblaarde  boomen,  die  trouw  als  wachters,  om  en  bij  die  huizinkjes 
staan,  heel  het  kerkje  beschermen  met  hun  gespreide  vleugelen.  — 


Het  droomerig  staan  voor  de  dingen  en  het  gevoelig  zich  verliezen 
in  stemming  blijft  alevel  gevaarlijk.  De  droom  kan  tot  slaap  en  de 
gevoeligheid  tot  zwakheid  worden.  Dan  doet  reactie  deugd :  het  hèl 


130 


I 


3 

I 

s: 
e 

•g 

s: 


12    d 


wakker  wezen,  het  ongevoelig  indrinken  van  de  felheid  des  levens.  D.  WIGGERS 
Zoo'n  losschudingstijdperk  is  ook  voor  Wiggers  gekomen.  Toen  is  hij 
gaan  werken  met  de  rauwere  werkelijkheid,  en  haar  kleuren  hebben 
zijn  oogen  nog  feller  aangedaan  dan  een  die  gewend  was  in  de  zon  te 
staren.  Met  waterverf,  dekverf  en  olie  is  hij  toen  gaan  neerzetten  het 
land  in  zijn  schelle  waarheidstonen.  Groen  en  geel  en  rood;  en  blauwe 
luchten  er  boven  als  krachtglanzing  van  licht ;  de  wolken  hard  droog 
erin.  Het  decoratieve  van  vroeger  alleen  nog  bewaard  in  de  lijnen,  en 
in  het  verdeeld  houden  der  kleurvlakken,  meer  naast  dan  door  elkan- 
der. Toen,  weer  terug  tot  zijn  vroegere  sujetten  :  weer  de  ijle  wilgen 
en  popels,  de  glooiende  heuvels,  het  wegvlietende  water  in  kronkel- 
rivier.  Maar  dit  nii  niet  in  de  afgestorvenheid  van  het  najaar  en  in  de 
stilte  van  zijn  zieleschouwing  ;  nü  nog  in  de  zon,  geelglansend  in  de 
lucht,  en  voor  het  eerst  schaduwkrachtig.  Nü  sterk  uitlaaiend  de  blijde 
plekken  kleurig  geel  van  het  rijpende  land  ;  nü  contrastwerking  van 
lijn  en  licht  en  toon.  En  toch  dit  alles  wèl  ingehouden,  en  nooit  de 
vormen  geofferd  aan  het  uitstormend  gevoel.  (Eigendom  van  den  heer 
Drucker). 

Op  de  vierjaarlijksche  te  Arnhem  van  1902  heeft  Wiggers  zijn 
eerste  groote  *  schilderij  »  doen  zien.  En  vooral  na  de  gedeeltelijke 
omwerking  ervan,  voornamelijk  van  den  voorgrond,  mag  dit  zijn 
rijpste  en  volste  werk  heeten,  dat  ik  in  onze  Amsterdamsche  verzame- 
ling van  moderne  kunst  zou  willen  opgenomen  zien.  Weer  zijn 
geliefkoosd  onderwerp  van  een  wijd  rivier-panorama,  van  boven 
gezien,  in  de  lichtne veling  van  verkwijnenden  zomerdag  bij  het  opkla- 
ren der  maan.  De  hooge  lucht,  die  strak  over  de  ruimte  welft,  beeft 
na  van  het  verdwijnende  en  komende  licht  in  een  klare  onbevlekte 
strakheid,  gansch  buiten  alle  verf  gebracht.  Het  water  der  verglijdende 
rivier  vangt  lichtglans  op  van  het  hemelwelf,  die  in  het  zachte  nevel- 
waas,  over  de  vlakte  gespreid,  wordt  verdofd.  In  de  wordende 
toonloosheid  van  het  avondgetij  gloeien  de  roode  daakjes  der  in  de 
verte  neergehurkte  dorpjes  stil-intiem  na  ;  warme  huiselijkheid  broeit 
over  het  stedeke  aan  de  rivier,  dichter  bij  ons  gezichtspunt.  —  Een 
werk,  alweer  van  contemplatie,  doch  van  eene  die  heeft  meegetrild 
van  het  hartstochtelijke  schoonheidsleven  ;  nü  üitvibreert  in  blijgenie- 
tend  berusten.  Niets  van  wat  is  in  die  wijde  uitgestrektheid  vóór  ons  is 
verwaarloosd ;  alles,  integendeel,  is  eerbiedig  in  zijn  eigen  waarde 
gelaten  van  lijn  en  tint,  vorm  en  kleur.  Maar  alle  waarden  zijn 
zachtkens  gedempt  onder  het  zachte  zielespreken  van  den  kunstenaar. 
En  niet  hém  hooren  wij,  maar  de  stilte. 

Wiggers  is  geen  snel  werker,  en  zijn  oeuvre  mist  daardoor  nog  den 
omvang  van  dat  van  gelijk-ouderen.   Hij  is   ook  niet  veelstemmig, 


131 


D.  WIGGERS 


doch  in  de  betrekkelijke  eenheid  van  zijn  uitingen  ligt  toch  veel  ver- 
scheidenheid. Het  voornaamste  blijft  trouwens,  dat  wat  geopenbaard 
wordt  van  's  kunstenaars  zielestemming,  uiting  is  in  zuiverheid  en 
echtheid.  En  wij  vinden  in  hem  niet  het  minste  pogen  tot  uitzetting 
van  zijn  geluid,  of  tot  aanstellen  van  wat  niet  in  hem  is.  Er  is  geen 
mooi-doenerij,  geen  modern-doenerij,  geen  anders-willen-doen  in  zijn 
werk,  en  het  gevaar  van  oververfijning,  dat  in  zacht  sprekende  droom- 
lyriek  als  de  zijne  voor  de  voeten  ligt,  is  hij  gelukkig  ontkomen.  Bij  al 
de  finesse  van  zijn  toets  wordt  die  nooit  precieus  ;  en  in  het  eerbiedig 
weergeven  van  het  soms  oneindig  kleine  blijft  zijn  visie  zelve  breed. 
Omdat  hij  de  wijde  ruimten  en  den  breeden  zwaai  van  het  water  zoo 
lief  heeft ;  omdat  hij  achter  het  stil-intieme  het  oneindig  verlorene  niet 
vergeet,  doet  zijn  meeste  werk  ons  ook  de  grootheid  voelen,  die 
opstijgt  uit  de  onbegrensdheid  van  het  hooggeziene.  Een  kunstenaar 
niet  van  ons  hardlevend  westelijk  Holland,  maar  de  vertolker  van  het 
stilvergetene  heuvelland  in  het  Oosten  van  ons  kleine  vaderland. 


Amaterdam,  Februari  1903 


L.  Simons. 


D.  WIGGERS:  KERKJE  TE  HEELSUM,  (els). 
{Eigendom  uan  den  Heer  L.  Simons,  Amsterdam). 


132 


.a     c 


'i  t  1 

^  ë  .1 


DE  DRUIVEN  PERSENDE  BOSCHGOD 
MET  TIJGERIN  DOOR  RUBENS  ^^= 

EK  der  weinige  om  niet  te  zeggen  het  eenige  DE  DRUIVEN 
der  werken  van  Rubens,  die  bewaard  gebleven  PERSENDE 
zijn  in  een  oude  Antwerpsche  familie,  is  de  BOSCHGOD 
Druiven  persende  Boschgod  mei  tijgerin.  Van  MET  TIJGERIN 
^^eslaehl  tot  geslacht  ging  het  over  in  het  adellijk  DOOR 
huis  der  de  Pret's.  In  onzen  tijd  hoorde  het  toe  RUBENS 
aan  den  heer  Jos.  de  Pret  Roose  de  Calesberg 
en  na  hem  aan  zijn  zoon  Arnold,  den  welge- 
kenden  kunstliefhebber.  Na  den  dood  van  dezen  laatste  kwam  het 
in  bezit   van    zijne   erfgenamen,  gravin  Constantin    de  Bousies    en 
mevrouw  Gaston  de  Kerckhove  d'Ousselghem.  De  heer  Jos.  de  Pret 
bezat  benevens  dit  stuk  een  kopie  ervan.  Het  oorspronkelijk  werk 
bewaarde   hij    met    groote  zorg    in    een   gesloten   vertrek    waarvan 
hij  den  sleutel  bij  zich  droeg  en   wanneer  iemand  zich  te   zijnent 
aanbood  om  zijne  schilderijen  te  zien  en  hij  niet  te  huis  was,  toonde 
de  dienstbode  die  den  bezoeker   rondleidde  de   kopie,  die  nu   aan 
graaf  de  Pret  Roose  de  Calesberg  toehoort.  Deze  kreeg  ik  ruim  twintig 
jaar  geleden  in  een  slecht  verlichte  kamer  te  zien,  toen  ik  de  bouw- 
stoffen voor  mijn  (Euvre  de  Rubens  verzamelde  en  vermeldde  ik  in  mijn 
werk  met  een  paar  regels  als  een  herhaling  van  het  stuk,  dat  zich  in  het 
Museum  te  Dresden  bevond,  niet  vermoedende  dat  in  hetzelfde  huis 
het  oorspronkelijke  werk  bewaard  werd.  Op  het  oogenblik  dat  de  erf- 
genamen van  den  heer  Arnold  de  Pret  de  verzameling  van  dezen  laatste 
naar  Brussel  overbrachten,  verschaften  zij  mij  welwillend  de  gelegen- 
heid de  oorspronkelijke  schilderij  in  uitmuntend  licht  te  zien  en  nu 
bevond  ik  dat  zij  de  oorspronkelijke  bewerking  door  Rubens'  hand 
was  en  dat  de  schilderij  van  Dresden,  zooals  ik  het  vroeger  reeds  had 
vastgesteld,  eene  herhaling  was  door   een  leerling,  hertoetst  in   de 
vleezen  van  den  boschgod  en  van  de  jonge  saters. 

Ik  maak  van  de  gelegenheid  gebruik  om  terug  te  komen  op  de 
beschrijving  van  Rubens'  schilderij  en  ze  beter  te  doen  kennen.  Zij 
is  geschilderd  op  doek  en  meet  1,35  m.  in  de  hoogte  en  0,95  m.  in  de 


xvu 


133 


Sf.HOOÏ.  VAN    at  aENïi     DHUl VEN   l'ïiHSKKDE  BUÏïClIGOD.  tteekcoingj* 
(Ei^ttiaat :  Mux  ïiooses^  Antwerpen}, 


'M 


DE  DRUIVEN  breedte.  Zij  is  dus  merkelijk  kleiner  ditn  tic  hcrluiling  te  Dresdetl. 
PERSENDE  (H.  2,23  m.  en  B.  l,4ü  ni).  Üu  boschgod  /M  op  eene  hoogte;  hij  is 
BOSCHGOD  naakt  en  draagt  enkel  een  geilenvel  op  den  rug  eii  oui  hel  niiddeiüijfj  ea 
MET  TIJGERIN  een  wijngaardrank  in  liet  giijze  haar.  Tiisseheii  de  handen  perst  hij 
DOOR  druiven  en   laat  het  sap  in  een  gulden  kan  druppelen,  die  een  jonge 

RUBENS  sater  vasthuudl;  een  tweede  saterskind  knabbelt  aan  een  tros  druiven; 

lager  op  den  grond  ligl  een  tijgerin,  die  hare  welpen  zoogt  en  een 
druiventros  tusschen  de  voorpooten  houdt.  In  de  hoogte  ziet  men 
een  boom  tusschcn  %viens  takken  wijngaardrankeii  slingerenj  daar 
achter  een  i)lau\\e  hemel  inel  witgrijze  wolken.  De  schildering  is  ge- 
heel van  Rubens'  hand.  Hel  gelaat  van  den  boscbgod  is  dik  in  de  verf 


134 


4      J^i 


y 


•^ 


met  gloedtonen  op  de  warme  kleuren.  Hij  heeft  pret  in  het  spel,  zijn  DE  DRUIVEN 
mond  vertrekt  zich  tot  een  lach  van  tevredenheid,  zijn  kleine  oogen  PERSENDE 
glimmen  onder  zijn  neergezakte  wenkbrauwen,  een  puntige  bakke-  BOSCHGOD 
baard  volledigt  zijn  guitige  uitdrukking.  Borst  en  buik  zijn  ferm  en  MET  TIJGERIN 
breed  gepenseeld,  met  forsche  plooien  in  de  vleezige  deelen  en  warme  DOOR 
lichten  in  de  doorschijnende  schaduwen  ;  de  armen  pezig,  de  handen  RUBENS 
knoestig.  De  bokspooten  zijn  vinnig  gekleurd,  heel  het  figuur  komt 
lichtend  uit  op  den  stemmigen  hemel  en  tegen  de'  matte  tonen  van 
den  boom.  De  kleine  sater,  die  de  vaas  houdt,  is  blond  van  haar  en 
rozig  van   vleesch,  hier  en  daar  wat  ontsierd  door  weekere  rozige 
hertoetsingen ;    de   andere   zit  in  de  halve  schaduw  te  knabbelen. 
De  tijgerin  is  een  stuk   meesterlijke  schildering,   de  kop  is  samen- 
gevat in  eenige  forsche  kladden ;  de  zwarte  strepen  op  de  bruine  huid, 
de  witte  pels  op  het  onderlijf  zijn  met  breede  vegen  geborsteld;  het 
heele  dier  springt  vooruit  met  hooge  kracht  en  toch  harmonieerend 
met  de  figuren,  een  staaltje  van  wat  Rubens,  de  grootste  der  dieren- 
schilders,  vermag. 

Het  werk  dagteekent  uit  den  tijd  der  Silenusstukken,  1618-1620. 
Het  werd  nooit  gegraveerd;  dat  Rubens  op  een  gegeven  oogenblik 
voornemens  was  het  in  plaat  te  laten  brengen,  blijkt  uit  eene  tee- 
kening  in  bezit  van  den  schrijver  dezes.  Zij  is  hierbij  afgebeeld  en 
werd  klaarblijkelijk  in  dezelfde  jaren,  door  of  voor  den  graveur 
Vorsterman  gemaakt.  Men  ziet  er  den  boschgod  met  de  twee  kleine 
saters  met  veel  zorg  en  gevatheid  weergegeven  in  den  veltigen  glansen- 
den trant,  die  soortgelijke  teekeningen  kenmerkt;  de  tijgerin  is  slechts 
aangegeven  met  eenige  strepen  in  waterverf  in  een  omtrek  met 
potlood ;  de  boom  ontbreekt  nog  in  den  achtergrond.  Het  werk 
moet  begonnen  zijn  toen  alleen  de  figuren  voltooid  waren,  de  tijgerin 
enkel  aangelegd  was  en  de  boom  nog  geheel  ontbrak.  Het  werd  nooit 
afgewerkt  en  nooit  op  koper  gebracht. 

Max  Rooses. 


135 


KUNSTBERICHTEN 


VAN   ONZE   EIGEN 
CORRESPONDENTEN 


UIT  AMSTERDAM 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


!J  VAN  WISSELINGH 
&  Co  is  een  nieuwe 
aquarel  van  W.  Wil- 
sen  te  zien.  Over  de 
natbesneeuwde  ach- 
terstevens van  twee 
logge  turfsch  uiten, 
vlak  vooraan  in  den  hoek,  kijkt  men 
heen  naar  de  wegschuinende  overkant 
van  een  Amsterdamsche  gracht  bij  dooi- 
weer.  Een  bolle  wind  flapt  door  de 
goorgele  wasch  opgehangen  in  het 
tuig  en  stuwt  vér  aan  de  lucht  de 
grijze  wolkenflarden  over  elkaar  heen. 
Het  geval  is  op  de  massa  der  schuiten 
en  een  enkel  brok  van  de  huizen  ge- 
concentreerd, al  het  overige  is  daar- 
tegen wat  teruggehouden  en  ook  niet 
zoo  loodrecht,  monumentaal-vast  ge- 
bouwd als  Witsen  dat  anders  wel  kan. 
Het  donkere  water  met  smeltend-gele 
ijsschotsen  is  maar  zeer  ondergeschikt. 
De  schuiten  met  de  fluweelig-diepe  brui- 
nen van  den  turfstapel,  den  druiligen 
plankenrommel  van  het  dek,  het  nal- 
zwarte  tuig  en  de  wegviezende  sneeuw- 
vlekken  zijn  bedoeld  als  importantste 
deel.  De  factuur  is  ongeloofelijk  verfijnd 
en  doordacht.  Wat  enorme  bedreven- 
heid is  er  noodig  om  die  uitgesponsde 
en  gespaarde  plekken  papier  buiten 
alle  schraalheid  te  houden  en  er  alle 
zichtbare  eigenschappen  van  de  natte 
sneeu wlaag  aan  te  geven;  wat  moet 
men  er  voor  kunnen  om  zonder  alle 
droogte  en  krijterigheid  de  aquarel- 
bruinen  tot  zulk  een  gevelouteerden 
rijkdom  op  te  voeren  en  hoezeer  moet 
men  de  toevalligheden  der  vloeiende 
verf  weten  te  beheerschen  om  de  kleur- 
grenzen  tusschen  sneeuwdak  en  lucht- 
grijs  in  zoo  brozen  omtrek  aan  te  duiden 


als  ontstaat  uit  het  stremmen  en  opdro- 
gen der  materie  zelve. 

Maar  niettegenstaande  slechts  de 
voortreffelijkste  werken  van  Witsen 
door  zóó  hoogopgevoerde  techniek  ver- 
bazing en  bewondering  gaande  maken, 
is  mij  dit  laatste  specimen  toch  geens- 
zins het  liefste—  Witsen's  kunst  is  door- 
drongen van  een  hooghartige  zelfbe- 
wustheid, ze  is  er  eene  van  voornaam- 
strakke  allure.  Het  werk  is  altijd  af  en 
met  kennelijke  bedoeling  tot  in  onder- 
deden verzorgd,  doch  meest  zonder 
schoolsche  dorheid.  Witsen  maakt  u 
niet  wrevelig  als  de  ondermeester  die 
zuiver  wil  spreken  en  met  hinder- 
leik  en  kinder/ei/r  aankomt ;  zijn  taal  is 
gesoigneerd  en  zonder  hiaaten  of  ver- 
wardheden,  ook  zonder  de  kruidende 
specerij  van  tusschenwerpsels  en  ver- 
rassende wendingen ;  klankrijk,  gebon- 
den en  bovenal  van  gedegen  inhoud. 
Nu  vind  ik  in  dezen  forschen  opzet  wel 
veel  van  al  deze  eigenschappen  terug, 
maar  het  is  als  ware  bij  het  zoeken  naar 
meerdere  bewegelijkheid  een  zweem 
van  de  oude  soliditeit  prijsgegeven.  Hoe 
kloek  ook  die  schuitenrompen  in  elkaar 
zitten  en  hoe  teer  de  grijze  muurtjes 
van  het  gindschc  dwarsstraatje  wijken, 
de  meer  naar  de  lijst  toegeschoven 
gevels  zijn  niet  volkomen  vast  van  doen 
en  in  de  blauwgrijze  verschieten  met 
het  torensilhouetje  is  iets  plomp-opaaks. 
En  waar  zooals  hier,  zonder  impressio- 
nistisch wegmoffelen,  de  structuur  der 
dingen  wordt  blootgelegd,  daar  stelt 
men  bij  intuïtie  hoogere  eischen  aan  de 
correctheid  van  teekening  en  doet  het 
dubbel  onaangenaam  aan  als  in  een  uit- 
voerig bewerkt  roeibootje  op  het  aller- 
eerste plan  een  ton  is  neergelegd  met 
kinderachtigen  teekenfout  in  het  ver- 
kort. Niet  dat  zulk  een  nalatigheid  in 


136 


het  werk  van  een  meester  over  *t  alge- 
meen als  iets  heel  ernstigs  gegispt  mag 
worden ;  maar  juist  bij  den  stijl  van 
Witsen  hindert  dit  nietige  foutje  in  het 
toch  al  niet  rustige  geheel.  Mocht  de 
schilder ;  hetzij  in  geheel  nieuwen  opzet, 
hetzij  door  verandering  van  het  be- 
staande, nogeens  op  een  en  ander  terug- 
komen, mij  dunkt  onze  dankbaarheid 
voor  zijn  werk  zou  er  slechts  op  kun- 
nen vergrooten. 

«♦y  Van  een  jongen  Schot  Duff  is  er 
een  pastelteekening  —  en  er  waren  er 
meer,  die  grif  zijn  verkocht  voor  wij  ze 
mochten  zien  —  zwartkop-schapen  in 
een  chromaatgeel-bloeiend  mosterd  veld. 
De  zwarte,  zachte  snoeten  vlekken  don- 
ker tusschen  het  sterrelend  bloessem- 
gewemel ;  habiel  gemodeleerd  en  met 
smaak  verdeeld.  Alleen  de  groene  boo- 
menwand  in  de  verte  is  niet  buiten  de 
verf  en  ik  weet  niet  of  op  den  duur  dit 
effect  van  het  gele  gewas  en  de  zwarte 
wol  wel  genietbaar  zal  blijven  en  niet 
als  gezocht  zal  vervelen. 
In  elk  geval  knap  en  frisch ! 

^^^^^^^^^^ 

IN  DE  KÜNSTZAAL  VAN  VOSKUIL  zag 
ik  een  heistudie  van  Poggenbeek,  nau- 
welijks grooter  dan  een  handlengte  in 
't  vierkant,  't  Moet  al  van  wat  ouderen 
datum  zijn  en  behoort  ook  niet  tot  het 
werk  waarmee  het  groote  publiek 
Poggenbeeks  naam  pleegt  te  verbinden. 
Er  zijn  haast  geen  groenen  in  en  heel 
geen  koeien,  maar  er  gaat  door  die  lucht 
van  windgedreven  wolkenstoeten, 
paarschgrijs  en  wit,  een  blij  geschat  en 
op  één  plekje,  langs  een  geul  bleekgeel 
heizand  is  het,  tintelt  de  even  ontsluier- 
de zon,  kaatst  de  luchtvreugde  neer 
op  de  zware  paarsbruine  heidevacht. 
Spontaan  en  zonder  alle  bijbedoeling, 
als  ter  herinnering  van  een  blij  oogen- 
blik,  geschilderd  op  een  haastig  voor 
den  dag  gehaald  oud  stukje  doek,  zoo- 
dal de  onafgeslepen  moet  van  een 
bloemstudie  nog  duidelijk  onder  de 
dunne  verf  te  zien  is. 

Dan  was  er  een  curieus  waterverflee- 
keningetje  van  den  gestorven  broer  van 
Albert  Neuhuys,  Jozef.  Kinderen  onder 
aartsvaderlijke  parapluie  op  een  kron- 
kelend wegje  met  kale  regenboomen 
ter  weerszij.  Neemt  men  in  aanmerking. 


dat  de  teekening  77  gemerkt  is,  dan  is 
het  nog  meer  te  apprecieeren,  dat  het 
onderwerp  van  die  saamgescholen  kin- 
deren niet  meer  illustratief  naar  voren 
gehaald  is,  maar  de  triestige  regen- 
floersen, de  slorpende  grond  en  het 
doordrenkte  grasgroen  den  schilder  tot 
vreugd  werden.  De  figuurtjes  zijn  wat 
vluchtig  en  van  al  te  transparante  kleur. 
Niet  een  grandioos  lyrisch  talent  heeft 
dit  geschilderd,  maar  het  is  al  geboren 
uit  een  gevoelig  gemoed  en  voor  dien 
tijd  met  veelbelovende  vrijheid  gedaan. 

Van  Louis  van  Soest  zijn  er  sinds 
eenigen  tijd  twee  karakteristieke  land- 
schappen ;  een  voorjaarsavond  aan  de 
drassige  oevers  van  een  wereld  vergelen 
slootje  en  een  intiem  gezien  winter- 
stukje. Van  het  jongere  geslacht  is  van 
Soest  een  der  meest  serieuzen,  die  zon- 
der flair  en  kunstjes,  alleen  door  solied 
aaneenvoegen  van  doorwerkte  plans 
een  prijzenswaardige  degelijkheid  in 
zijn  werk  weet  te  houden.  Droog  is  het 
nog  wel  eens  even,  maar  misschien 
alleen  om  weionderlegd  te  wezen  als 
eenmaal  de  krachten  voor  een  kraniger 
stijl  toereikend  moeten  zijn.  Droog  wijl 
zakelijk  en  precies  in  hoofdzaken,  niet 
om  als  velen  uit  het  slinkende  kamp  der 
«  puren  en  trouwen  »,  die  van  geen  ge- 
zonde weligheid  willen  weten,  duizend 
onbelangrijke  dingen  met  photografi- 
sche  verveling  te  noteeren. 

Verder  noem  ik  nog  vun  Tholen  een 
aan  den  dijk  gemeerde  schuit;  wat  heet 
van  den  rooster  naar  't  mij  lijkt;  de  gele 
lichtspranken  en  verwiegelende  reflexen 
van  de  zon  in  het  water  en  op  de  schuit 
zijn  ten  minste  erg  verfachtig  gebleven. 
Misschien  een  studie  voor  iels  heel  rijps, 
dat  we  hier  niet  te  zien  kregen.  Of  men 
hierThol^  niet  begrijpt?  Hoelang  heeft 
zijn  heerlijkste  sneeuwgezicht  niet  bij 
allerlei  kunsthandelaars  gehangen  zon- 
der een  kooper  te  vinden  ! 

^  S^  S^  a^  ^  a^^^S^  S^ 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


BIJ  BÜFFA/i^^  Een  mooi  schilderij  van 
Albert  Neuhuys  werd  op  't  zaaltje  der 
firma  Buffa  getoond.  Het  valt  ook  den 
volslagen  leek  als  iets  bijzonders  voor 
Neuhuys  op.  Immers  hier  was  niet  die 
roostende  zomergloed  van  zijn  anders 
zoo  rosse  palet.  Door  een  groot  stuk 
beddegordijn  op  den  achtergrond  van 


137 


KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT  AMSTERDAM 


ÜIT 

ANTWERPEN 
ÜIT  BERLIJN 


het  boerenhuis  kwam  er  een  vreemde 
noot  blauw  in;  kranig  ultraraijn  met 
een  spel  van  pauwenstaartgroen.  Met 
het  mooie  wit  van  den  muur  er  tegen 
aan  vormt  dat  een  contrast  dat  zonder 
mankeeren  heel  even  de  herinnering 
aan  Vermeer  van  Delft  wakker  roept 

—  wat  trouwens  bij  nader  toezien  toch 
niet  dan  een  zeer  vage  associatie  bleek. 

—  Maar  ook  zonder  zulk  een  hoogen 
peet  is  dit  stuk  van  Neuhuys  vol  ver- 
rassende kwaliteiten.  Alsof  het  ééne 
nieuwe  element  aan  heel  de  peintuur 
fierder  dracht  kon  verleenen  is  het  oude 
sujet  van  de  moeder,  gebogen  staande 
over  haar  boersche  jungske  in  de  wieg 
met  buitengewone  jonste  geschilderd. 
Het  groene  lapje  over  de  wiegekap,  de 
({oudelende  biezen,  het  brabbelend 
kindje  zelve,  de  bestorven  roode  vloer 
alles  ademt  de  lust  van  het  maken. 
Alleen  het  kopje  van  de  moeder,  strak 
in  profiel  tegen  den  blauwen  fond,  is 
tegen  al  't  overige  wat  modelachtig 
doodsch.  Zou  wellicht  de  gedachte  aan 
Vermeer  ook  even  bij  den  meester  zelve 
opgekomen  zijn  en  hem  van  de  wijs 
hebben  gebracht?  Op  dit  eene,  jammer 
genoeg  gewichtige,  plekje  heeft  hij  zijn 
natuurlijk  voor  de  vuist  weg  schilderen 
tegen  leege  compositie  geruild. 

Van  Jozef  Israêls  noem  ik  twee  groote 
aquarellen  :  Oud  Vrouwtje  aan  het  raam 
en  een  Badende  jongen  't  Laatste  ook 
om  het  onderwerp  voor  Israëls  belang- 
rijk; met  groote  meesterschap  is  het 
rijke  naakt  van  den  mijmerenden  jon- 
gen man  tegen  de  gobelintonen  van  een 
droomen-bosch  gewogen. 

Uit  den  laatsten  tijd  ook  een  heel 
klein,  guitig  teekeningetje.  Een  boeren- 
dreumes  leidt  een  stijfbeenigen  zwart 
naar  de  wei.  Kleinduimpje  met  zijn 
paard  mocht  *t  wel  heeten.         W.  V. 

^^^^^^^^^^ 
UIT  ANTWERPEN  ^^^^= 

I^NTOONSTELLING 
EDGARD  FARASIJN, 
INDEVERLATZAAL 
>  VAN  7  TOT  15 
j  MAART  1903  yc^ 
Eenvoudig,   eerlijk 

werk  —    niet  over- 

welüigeud,  niet  medesleepend,  maar  in 
zijne  bescheidenheid  des  te  aantrekke- 


lijker. Farasijn  is  sedert  jaren  stil  zijn 
weg  gegaan,  geleidelijk  zich  ontwikke- 
lend, zijn  gaven  tot  volle  ontluiking 
brengend  —  vreemd  blijvend  aan  het 
onrustige  dat  er  woelde  en  gistte  in  onze 
jonge  kunstwereld.  Farasijn  heeft  nooit 
erg  meegedaan  met  deze  of  gene  nieuwe 
bent,  die  het  alleen-zaligmakend  recept 
meende  gevonden  te  hebben,  luid  eigen 
voortreffelijkheid  uitkrijtend.  —  Hij 
heeft  gezocht  en  gewerkt,  in  zij  eentje, 
voor  eigen  rekening  —  bestudeerend 
zichzelf  en  de  natuur,  en  er  naar  stre- 
vend in  de  eerste  plaats  zoo  oprecht  en 
eerlijk  mogelijk  te  vertolken  wat  zijn 
kunstenaarsoog  vermocht  te  boeien. 

Zoo  heeft  hij  thans  op  een  zeer  belang- 
wekkende tentoonstelling  zijn  werk  uit 
de  laatste  jaren  bijeengebracht.  —  Een 
veertigtal  landschappen  en  interieurs: 
gezichten  op  de  heide,  op  de  kust,  op 
het  platteland  —  eenvoudige  natuurtoo- 
neeltjes  van  de  werkelijkheid  afgekeken, 
met  liefde  voor  de  roalsche,  Vlaamsche 
kleur  en  geestdrift  voor  het  heerlijke 
Hollandsche  licht.  Het  licht  is  in  Fara- 
sijn*s  schilderijen  een  steeds  grooter  rol 
gaan  spelen  —  in  dit  opzicht  mag  deze 
tentoonstelling  verrassend  heeten  :  er 
schittert  en  straalt  een  zonnevreugde 
zooals  hij  die  vroeger  niet  gekend  heeft ; 
het  zonnevuur  verheldert  en  vervroo- 
lijkt  zijn  tooneelljes,  ontsteekt  er  een 
lichte  laaie  brand  die  de  kleuren  fel 
doet  opleven.  Zoo  mag  deze  verovering 
weer  gevoegd  worden  bij  degene  welke 
de  schilder  geleidelijk  behaalde  gedu- 
rende zijn  reeds  eerbiedwaardige  loop- 
baan :  de  verovering  van  't  zonnelicht. 
Door  deze  tentoonstelling  heefl  Farasijn 
eens  te  meer  bewezen  met  reeht  te 
mogen  geplaatst  worden  in  de  voorste 
rij  van  onze  hedendaagsche  landschap- 
schilders.  X. 

^c^S^  ^  ^S^S^  2^  S^  2^ 

UIT  BERLIJN  — 

|AüL  CASSIRER'S 
KÜNSTSALON  yc^ 
In  November  1898 
kwam  de  groep  der 
Fransche  Neo-Im- 
pressionisten  ten  eer- 
sten male  naar  Ber- 
lijn :  over  hun  tentoonstelling  bij  Keiler 
en  Reiner  is  destijds  veel  te  doen  ge- 


138 


weest,  temeer  toen  Paul  Signac  de  school 
ook  theoretisch  met  groote  energie  be- 
gon aan  te  vallen.  Wij  zelf  legden  er 
toen  nadruk  op,  dat  men  bij  dezen  strijd 
over  de  techniek,  niet  vergeten  mocht 
dat  ze  slechts  van  secundair  belang 
is,  en  dat  wat  de  persoonlijkheid  van 
den  kunstenaar  zeil  ons  biedt  in  de 
eerste  plaats  in  aanmerking  behoort  te 
komen.  Nu  zijn  ze  andermaal  in  ons 
midden  verschenen  en  brengen  in  hun 
gevolg  eenige  Duitsche  kunstenaars  mee, 
die  zich  een  ongeveer  gelijke  techniek 
hebben  eigen  gemaakt  en  in  H  algemeen 
kunnen  we  ons  over  die  schilderijen 
verheugen.  Van  Rijsselberghe,  die  in 
*tjaar  1898  met  zijn  reuzengroot  beeld 
Badende  meisjes  aan  de  Zee  en  enkele 
landschappen  en  portretten  een  der 
ijverigste  profeeten  van  de  daad  van 
het  Neo-Impressionisme  of  Pointillisme 
was,  wordt  ditmaal,  behalve  door  een 
studie  en  een  portret,  slechts  door  een 
wazig  strandgezicht  Le  Cap  Grisnez 
vertegenwoordigd,  dat  in  vochtigheid 
schijnt  te  zijn  gedrenkt;  in  deze  schil- 
derij komt  hij  zeer  dicht  bij  Paul  Signac, 
die  wellicht  van  de  gansche  groep  der 
landschap-  en  vooral  van  de  waterland- 
schapschilders  de  allerintiemste  bekoor- 
lijkheden openbaart :  ^  hoe  nauwelijks 
zichtbaar,  een  teedere  nevel  over  het 
water  ligt,  hoe  de  rook  van  den  stoom- 
boot zich  daarmee  vereenigt  —  hoe  de 
schuitjes  door  het  water  glijden,  dat 
den  hemel  weerspiegelt  en  het  strand. 
De  meeste  zijner  schilderijen  zijn  in 
Samois  ontstaan.  Een  tweede,  Mac  Luce 
die  eveneens  zijn  hoofdelTecten  aan  het 
water  dankt,  is  veel  krachtiger,  forscher 
en  plastieker;  alleen  verliezen  zijn 
schilderijen,  zoodra  men  ze  in  groot 
getal  aantreft,  omdat  hij  alles  op  dezelf- 
de grondtonen,  een  lilaschemerend 
blauw  en  een  blauwschemerend  rood 
terugvoert:  zooals  bijv.  in  zijn  Pont 
SuUg  en  sur  la  Seine,  terwijl  we 
hetzelfde  kleurenprobleem  in  zijn 
Femme  se  peignant  terugvinden.  Bon- 
nard  zoekt  vooral  den  toover  van  kunst- 
lichteffekt  Scène  de  Thédire  e.  m.  a., 
Cross  laat  de  zon  op  boomen  en  water 
en  kinderen  spelen,  Denis,  minder  ge- 
compliceerd in  zijn  techniek,  zet  in 
breedere  penseelstreken  zijn  Toüeiie  de 
VEnjanl^  Le  Déjeuner,  enz.,  op  het  doek, 


Roussel  heeft  een  serie  landschappen 
tentoongesteld.  Een  geheel  eigenaardige 
plaats  wordt  door  Vuillard  ingenomen, 
wiens  geraiflnecrd  voorname,  discrete 
kleurmenging  vaak  aan  de  Japanners 
doet  denken.  Onder  de  Duitschers  heb- 
ben zich  vooral  Paul  Baum,  Curt  Herr- 
mann,  Christian  Rohlfs  op  de  pointil- 
leermethode  toegelegd,  maar  alleen  bij 
Baum  komt  zij  geheel  met  zijn  eigen 
temperament  overeen:  zijn  Lenleland- 
schappen,  evenals  zijn  Schetsen  uit  den 
Bosporus  geven  in  bekoorlijk  schemeren 
van  de  lucht  en  geurigheid  van  teere 
kleuren,  niets  toe  aan  de  schilderijen 
van  Signac. 

De  Nco-Impressionisten  werden  bij 
Cassirer  door  een  der  oudste  en  hecht- 
ste  steunpilaren  van  het  Impressio- 
nisme :  Claude  Monet  gevolgd.  Enkele 
van  zijn  stukken,  bijvoorbeeld  het  oud- 
ste, het  groote  portret  van  Madame  M 
(1866)  waren  hier  reeds  bekend :  de 
groote  trek  der  lijnen,  de  volstrekte 
soberheid  der  kleuren  helpen  ons  toch 
maar  bezwaarlijk  over  dat  zekere  harde 
en  drooge  heen  ;  in  het  geheel  waren  er 
17  tafreelen  uit  verschillende  perioden 
tentoon  gesteld,  die  biezonder  leerrijk 
zijn  voor  het  nagaan  van  de  ontwikke- 
ling van  den  kunstenaar :  de  tendenz 
voert  tot  immer  sterker  wegvagen  van 
de  omtrekken,  tot  altijd  subtieler  pen- 
seelvoering, die  eigenlijk  niet  meer  de 
voorwerpen  zelf,  maar  enkel  hun  weer- 
kaatsing in  de  luchten  —  om  het  heel 
kort,  zij  't  ook  niet  heel  juist  —  uit  te 
drukken,  tracht  vast  te  houden.  —  Van 
Robert  Breger  eenige  zeer  bekoorlijke 
stillevens.  Waar  hij  vroeger  bij  voorkeur 
frissche  bruine  tonen  behandelde,  voelt 
hij  zich  nu  meer  aangetrokken  door  een 
helder-doorzichtig  koloriet;  de  Verloren 
Zoon  van  Mac  Slevogt  was  ons  al  uit 
de  Secession  bekend.  Het  is  een  prachtig 
onvermoeibaar  talent,  dat  nog  niet  tot 
volkomen  ontwikkeling  is  gekomen ;  dat 
bewijzen  o.  a.  zijn  Japansch  Tooneel 
(Sada  Ajacco),  zijn  Naaklstudie  en 
Voor  7  Café  Bauer.  Van  Leistikow  zijn 
er  een  paar  schitterende  Sneeuwland' 
schappen  uit  het  Reuzengebergte,  van 
Liebermann  een  HoUandsche  Dorpsma- 
goog  en  een  Boerenmeisje,  welke  verdie- 
nen te  worden  opgemerkt 


KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT  BERLIJN 


m 


KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT  BERLIJN 


UIT  BRUSSEL 


KUNSTSALON  KELLER  &  REINER 
/u^  De  luide  reclame,  die  er  voor  de 
23  jarige  beeldhouwer  Arnold  Rechberg 
uit  Leipzig  gemaakt  is,  zal  naar  we 
hopen  geen  nadeeligen  invloed  op  zijn 
talent  uitoefenen,  want  dat  zou  inder- 
daad doodjammer  zijn,  omdat  hij  is  een 
van  de  uitstekende  talenten.  Acht  groote 
cartons  en  eenige  beeldhouwwerken 
worden  hier  van  hem  tentoongesteld ; 
de  meeste  er  van  figuren,  die  hem  door 
werken  Van  Nietsche  werden  geïnspi- 
reerd. Door  allen  loopt  éen  groote  trek, 
die  hier  en  daar  echter  van  het  pathe- 
tische naar  het  theatrale  afdwaalt  bijv  : 
op  het  Karton  «  het  Genie  »,  dat  als  mar- 
telaar is  voorgesteld.  Maar  het  sterkst  is 
hij  juist  dèar,  waar  hij  lijden  heeft  uit 
te  drukken :  bijv.  op  het  karton  De 
Weg  naar  den  Roem  waar  op  een  smal 
pad  tusschen  hooge  rotswanden  een- 
zaam omhoog  stijgt,  de  gedaante  van 
den  Nood,  een  oude  vrouw.  Zoo  ook 
op  het  kleinere  karton  «  Eenzaam  «,  de 
man,  die  rechtop,  als  versteend,  het 
hoofd  slechts  een  weinig  voorovergebo- 
gen, achter  de  kist  gaat  van  die  hem  de 
liefste  was :  hier  niets  van  affectatie  of 
van  pose :  in  de  stijt  toegeknepen  lip- 
pen, den  ver  voor  zich  uitstarende  blik, 
de  vast  ineengeperste  handen,  wordt 
alleen  de  diepe  zielesmart  uitgedrukt. 
Wondervol  van  eenvoud  is  de  buste 
Noodlotstar  en  onverbiddelijk ;  van  zeer 
krachtige  werking  de  Vorst  der  Duister- 
nis^ de  hoogopgerichte  heerschersge- 
stalte  van  een  ftnsteren  jongeling,  met 
reuzenvleugelcn,  die  heel  het  tengere 
lijf  omhullen  kunnen. 

Ludwig  von  Hofmann,  een  der  weinige 
werkelijk  veelbeteekenende  Berlijnsche 
schilders,  vormt  met  hem  de  scherpst 
mogelijke  tegenstelling :  dèar  lijden  en 
nood,  —  de  onverbiddelijke  worsteling 
in  de  duisternis  —  en  hartstocht,  die 
geen  erbarmen  kent :  hier  de  Lente  met 
haar  zonnenschijn,  de  innigste  vreugde 
van  't  bestaan  in  harmonisch  samenle- 
ven met  de  natuur—  en  zalig  —  gelukkig- 
makende  liefde.  Alles  is  bij  Hoffmann  in 
schitterend  lichte,  helle  kleuren  ge- 
drenkt,  —  een  biezonder  vroolijk,  hei- 
rood  gewaad,  keert  op  bijna  al  zijn 
schilderijen  weder.  Zijn  grootste  schil- 
derij «  Idylle  >  is  tevens  ook  zijn  beste. 


Naast  den  vijver,  waarin  zich  van  den 
achtergrond  de  herfstgetinte  boomen 
spiegelen,  ligt  een  naakte  jonge  man 
uitgestrekt,  —  levensgroot ;  —  naast  hem 
staal  een  meisje,  met  niets  bedekt  dan 
haar  roode  rokje,  dat  zich  met  beide 
handen  de  haren  tegen  't  kopje  steekt 
Het  bij  elkander  passende  van  deze 
beide  nienschen  en  bij  de  vredige  na- 
tuur, de  kleurenharmonie,  de  plastische 
klaarheid,  waarmee  de  naakte  lijven 
aflossen  tegen  de  lichte  lucht,  het  jui- 
chende rood  van  het  rokje,  dat  door 
de  naaste  omgeving  toch  weer  tot  stil- 
lere vreugde  wordt  gedempt :  dat  alles 
is  eenvoudig  wonderbaar.  Al^  Hofmann, 
zooals  in  zijn  Idylle,  de  natuur  onmid- 
delijk wedergeeft,  o.  a.  ook  in  zijn 
Paarden  die  naar  het  Wed  gereden  wor- 
den —  als  hij  het  zonlicht  op  de  zee,  — 
de  blauwzwarte  en  witte  paarden,  de 
naakte  jongens,  in  zeldzame  glanzen 
spelen  laat,  dan  geeft  hij  ons  het  beste 
van  alles  wat  hij  geven  kan.  Minder 
kunnen  we  hem  volgen  in  zijn  decora- 
tive  schilderijen,  zooals  bijv  zijn  trip- 
tiek t  Freude  schoner  Götter/unken  », 
omdat  hij  hier  niet  de  noodige  stappen 
tot  styliseering  van  het  geheel  heeft 
gedaan  :  wel  styliseert  hij  enkele  figuren 
om  een  zeker  ornamentatief  effect  te 
bereiken,  maar  hij  is  blijkbaar  schuw 
om  daar  geheel  realistische  motiven 
mee  te  verbinden.  En  zoo  kunnen  wij 
ons  bij  deze  stukken,  alleen  vermeien 
in  de  details. 

W. 

UIT  BRUSSEL  = 


ILEINE  TENTOON- 
STELLINGEN TE 
BRUSSEL  >  (POUR 
L'ART  —  LIBRE 
ESTHÉTIQUE- 
WIJTSMAN  —  JEF 
LEEMPOELSyC.» 
In  de  zalen  van  het  Moderne  Museum 
deed  de  Kring  pour  VArt  ons  vooral 
werken  bewonderen  van  de  schilders : 
Ciamberlani,  Fabry,  Verhaeren,  Amédée 
Lijnen  en  van  den  beeldhouwer  Victor 
Rousseau.  Ciamberlani  en  Fabry  behan- 
delen vooral  het  decorative  en  zeer  plas- 
tische naakt.  De  eerste  doet  denken  aan 
Poussin  en  aan  Puvis  de  Chavannes,  de 


140 


tweede  aan  Primalice.  In  een  Elysee- 
sche  omgeving,  als  genomen  uit  een 
bladzijde  van  Vondel's  Lucifer,  schept 
Ciamberlani  figuren  van  sereene  en 
rustige  schoonheid,  in  goed  getroffen, 
eenvoudige  en  haast  peinzende  houdin- 
gen. Fabry  teekent  wondermooie  mo- 
dellen, ware  voorbeelden  van  schoon- 
heid, met  een  kennis  der  anatomie, 
welke  aan  de  slankheid  geen  afbreuk 
doet,  wel  integendeel ;  als  bij  de  Floren- 
tijnsche  meesters,  schilders  of  beeld- 
houwers, schijnt  het  of  de  volmaakte 
kennis  van  het  menschelijk  lichaam 
hem  de  macht  geeft  zijn  scheppingen 
een  ideale  gratie  te  verleenen  ;  hij  ver- 
sterkt en  vervast  de  spieren  zijner 
modellen,  met  een  door  en  door  Vlaam- 
sche  sensualiteit  verheerlijkt  hij  er  het 
weefsel  en  de  kleur  van. 

Alfred  Verhaeren  is  te  zeer  bekend 
om  hier  lang  uit  te  wijden  over  zijn 
schitterende  stillevens  en  heerlijke  Bin- 
nenhuizen. Amédée  Lijnen  legt  zooveel 
gratie  en  geest  in  zijn  archaike  tooneel- 
tjes  dat  ze  springlevend  worden  en  met 
den  stempel  van  verleden  tijden  of  van 
een  denkbeeldige  omgeving,  sappig, 
Vlaamsch,  en  jong  blijven.  Want  men 
vindt  er  al  de  beste  hoedanigheden  van 
de  Kleinmeesters  uit  dit  land  :  een  dui- 
velsche  humor,  de  juiste  en  smakelijke 
kleur,  het  fijneen  bescheiden  gevoel,  ver- 
borgen onder  overvloeiende  schalksch- 
heid,  —  en  bovenal  de  vaste  potlood-  of 
penseelstreek.  Niets  is  zoo  bekoorlijk 
bijv. :  als  de  volksmassa,  die  te  Yper- 
damme,  de  fabelachtige  en  toch  zoo 
waarschijnlijke  door  Eugène  de  vlolder 
geschapen  stad,  een  van  die  optochten 
ziet  voorbijtrekken,  die  onze  goede 
landslieden  zoo  gaarne  op  de  been 
brengen. 

In  Pour  VArl  stelde  de  beeldhouwer 
Victor  Rousseau  een  reeks  kleine  figuur- 
tjes ten  toon,  stevig  en  flink  van  stijl, 
van  gespierde  slankheid  en  verfijnd 
gevoel. 

"♦^  De  Libre  Esthéiique  heeft  Pour  VAri 
vervangen  in  de  zalen  van  het  Modern 
Museum.  Deze  tentoonstelling,  waaraan 
de  Heer  Octave  Maus  evenals  vroeger 
veel  zorg  heeft  besteed,  is  zeer  belang- 
wekkend, zoo  niet  opgangmakend.  Naast 
meesterlijke  maar  niet  onverwachte 
werken  vindl  men  er  de  vrucht  van  veel 


inspanning,  van  veel  zoeken,  welke  ver- 
dient geprezen  of  ten  minste  vermeld  te 
worden.  Het  geslippel  en  de  lichte 
tonen  worden  er  zeer  getapt.  Ik  wil, 
o.  a.  Theo  Van  Rijsselberghe  vermel- 
den, met  portretten,  schitterend  van 
kleur,  en  trillend  van  licht,  waaronder 
die  van  Drie  Meisjes  en  dat  van  Mevrouw 
Clara  de  Molder  tot  de  beste  werken  van 
den  meester  kunnen  gerekend  worden; 
George  Morren  en  Alois  de  Laet,  twee 
Antwerpenaren,  waarvan  het  werk 
frisch  en  vroolijk  is.  Van  den  eersten 
bewonderen  wij  een  overvloeiende 
Kermis  te  Berchem ;  de  tweede  heeft  een 
Zondag^  die  ons  doet  denken  aan  de 
bloemige,  mystische.  onnoozele  zonda- 
gen van  een  anderen  Antwerpenaar, 
den  teederen  dichter  Max  Elskamp. 
George  Lemmen,  die  sedert  lang  niet 
meer  had  tentoongesteld  heeft  gezellige 
Interieurs,  stevig  en  gewetensvol  behan- 
deld, rijk  van  kleur  en  onberispelijk 
van  uitvoering. 

Degouves  de  Nunques  heeft  van  een 
lang  verblijf  te  Mojorca  (Balearen)  land- 
schappen met  wasemend,  helder  licht 
medegebracht,  waarin  de  kleur  vervaagt 
en  versmelt  in  smorzandi  van  onbe- 
schrijfelijke zacht-  en  teerheid,  zooals 
bijv. :  in  zijn  Amandelboomen^  dat  rosé, 
dat  blauw,  dat  amandelgroen,  die  berg- 
toppen, die  heuvelen  aan  den  boord  der 
zee  verdonzen,  verwalten.  Fritz  Thau- 
low  heeft  slechts  één  schilderij  tentoon- 
gesteld, een  wonder,  het  glanspunt  der 
tentoonstelling :  de  Marmeren  Poort. 

Vermelden  we  nog  de  inzendingen 
van  Baertsoen,  Le  Brun,  Baisnard, 
Blanche,  —  der  beeldhouwers,  Alexan- 
der  Charpentier,  de  Vreese,  Minne, 
Paul  Dubois,  enz. 

«♦yin  het  Kunstverbond  waren  de  laat- 
ste tentoonstellingen,  —  om  de  tien  da- 
gen afgewisseld,  —  die  van  den  Heer  en 
Mevr.  Wijtsman  en  van  Jef  Leempoels. 

De  Heer  en  Mevrouw  Wijtsman  zijn 
nu  algemeen  erkende  artisten,  die  zich 
onderscheiden  door  de  teerheid  van 
hun  visie  en  de  distinctie  van  hun  fac- 
tuur. 

Jef  Leempoels  hield  een  uiterst  be- 
langrijke en  zeer  afgewisselde  tentoon- 
stelling, getuigenis  afleggend  van  zijn 
ernst,  zijn  werkkracht,  zijn  volharding 
maar  ook  van  zijn  onbetwistbare  gaven 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BRUSSEL 


xvni 


141 


KUNST- 
BERICHTKN 
ÜIT  DEN  HAAG 


als  teekenaar,  en  dikwijls  van  zijn 
gevoel  als  dichter.  Leempoels'  factuur 
moge  sommigen  mishagen,  maar  het  is 
onbetwistbaar  dat  ze  past  bij  zijn  kunst 
en  haar  uitstekend  dient.  En  hier  toch 
komt  het  vooral  opaan.  Hij  haalt  er 
beslist  voordeel  uit.  En  op  zich  zeli' 
beschouwd  is  zijn  techniek  zelfs  mees- 
terlijk. 

Leempoels  gebruikte  vroeger  een 
bruine  en  onaangename  kleur;  tegen- 
woordig heeft  hij  zijn  palet  erg  verhel- 
derd en  verrijkt,  zoodat  hij  thans  in 
menig  landschap  onze  beste  luministen 
nabijkomt  en  dat  zijn  Doode  Natuur 
{bibelols)  even  kleurig  en  sciiilterend  is 
als  van  onze  beste  koloristen.  Zijn  por- 
tretten zijn  treilend  van  waarheid.  Het 
zijn  wonderen  van  teekening,  dat  van 
Imbart  de  la  Tour  bijv. 

De  wijze  waarop  Leempoels  zijn 
schilderijen  samenstelt,  zijn  figuren 
plaatst  en  schikt,  verdient  ook  lof:  hij 
vindt  de  meesi  ongedwongen  houdingen, 
de  natuurlijkste  en  meest  iiarmonieuse 
standen. 

Onder  de  meest  bewonderde  werken 
van  den  kunstenaar  vermeld  ik  Droo- 
merij,  Leerjoiiyeiiy  de  Oude  Vaart,  Ver- 
helderiny,  Oude  Kade  in  Vlaanderen, 
Begijnhof,  Jezus  Christus,  liustend  Modet, 
Herinneringen,  alle  werken,  welke  met 
zijn  portreileu  en  zijn  wonderbaar  stil- 
leven den  schilder  een  mooie  plaats  in 
onze  jongere  school  verzekeren.  Om 
Leempoels  in  alle  eerlijkheid  op  prijs  te 
kunnen  stellen,  is  het  noodig  de  mode, 
de  actualiteit,  —  en  laten  we  't  maar 
zeggen  —  het  snobbisme  te  vergeten, 
men  moet  « Ie  dernier  Bateau,  Ie  der- 
nier cria)  vergeten  en  dan  kan  men  niet 
anders  als  dezen  eerlijken  en  hoogbe- 
gaafden kunstenaar  al  de  waardeering 
en  bewondering  verleenen,  waarop  hij 
aanspraak  mag  maken.  Hij  belioort  lot 
dezulken,  waarvan  de  werken  winnen 
door  herzien  en  bestudeerd  te  worden. 
Anderen  steken  schitterende  vuurwer- 
ken af,  maar  Leempoels  doet  een  deug- 
delijk kool-  of  houtvuur  branden,  waar 
men  zich  aan  warmen  kan,  wanneer  de 
laatste  luidruchtige  en  veelkleurige 
vuurpijl  in  den  nacht  verdwenen  is. 

G.  E. 


UIT  DEN  HAAG  = 


ITSEN  EN  LITHO'S  ƒ 
«  ARTS  &  CRAFTS  d 
>ó^  Bijna  alles  is 
werk  van  Fransche 
meesters  als  Steinlen, 
Leandre,  Carrière 
enz.,  een  enkele  vroe- 
ger in  Frankrijk  wonende  Hollander  : 
Dupont,  exposeert  mede.  Wat  wij  uit  een 
niet  stichtend  wijl  onzakelijk  samenge- 
steld geheel  kunnen  opmaken  is  o.m.  het 
volgende.  Het  Parijsche  leven  beweegt 
zich  in  grooter  tegenstellingen  dan  bij  ons 
en  in  de  wonderlijkste  schakeeringen. 
Dat  is  ons,  die  gewend  zijn  aan  een  groo- 
ter eenvoud,  aanstonds  duidelijk.  Deze 
Fransche  artiesten  beschikken  over  eene 
ervaring  en  eene  kennis  van  het  leven, 
al  is  die  dan  ook  misschien  veelal  eene 
objectieve,  of  eene  a  priori,  die  het  hen 
mogelijk  maakt  tot  eene  ware  en  niet 
troebele  voorstelling  ervan  te  komen. 
Maar  deelen  ze  ons  die  groote  levens- 
wijsheid mede,  die  gezien  wordt  in  het 
mysterie '?  Ik  weel  mij  ademend  in  hunne 
sfeer,  in  een  wonderlijk  rijk  verplaatst, 
maar  ik  mis  er  de  oer-groote  verhou- 
dingen, die  onze  groote  meesters  en  die 
ook  den  Franschen  Millet,  kenmerken. 
Wel  is  er  in  dit  werk  grootheid,  maar 
hel  is  eene  die  door  Daumier  verre 
overtroffen  werd.  Het  heeft  niet  de 
dramatische  grootheid  die  de  grootheid 
van  het  universum  zelve  is.  Maar  dil 
strookt  met  de  geaardheid  van  dit  werk. 
Het  is  werk  van  verfijnde  geesten,  wier 
intenties  de  grenslijnen  der  artistieke 
verbeelding  raken;  dit  doelt  vooral  op 
de  meer  middelmatigen.Hetiseen  kunst 
van  steeds  hevig  gehouden  spanning, 
soms  van  overspanning.  En  nochtans  is 
zij  bij  de  schijnbaar  heftig  aangeziene 
werkelijkheid  eenigermate  onreéel. 

Zij  neigt  soms  naar  hel  karikatureele 
en  door  het  locale  en  tijdelijke  der  toe- 
standen, mist  deze  kunst  dikwijls  dat 
universeele,  dat  in  hare  groote  lijnen  de 
eeuwiger  verhoudingen  toont,  die  voor 
den  aanschouwenden  geest  de  grootste 
werkelijkheid  zijn.  Het  is  eene  kunst 
die  aan  lijdelijker  nooden  voldoet,  die 
meer  anecdotisch,  voor  de  kennis  van 
haar  tijd  belangwekkend  kan  zijn  en 


142 


die  slechts  zelden  het  onzienlijke  ademt 
van  eenen  in  en  uit  zich  zelf  bewegen- 
den,  geordenden  chaos.  Het  is  eene 
absolute  kunst,  die  in  een  harer  laatste 
stadia  verkeert  en  in  hare  grootere  be- 
trekkelijkheid zich  -dienstbaar  gaal  ma- 
ken. 

^^^^^^^^^^ 

HAAGSCHE  KUNSTKRING  >  TEN- 
TOONSTELLING VAN  SCHILDERIJEN, 
TEEKENINGEN  EN  BEELDHOUW- 
WERKEN VAN  THÉRÊSE  VAN  HALL, 
VICTOR  HAGEMAN,  A  H.  KONING  EN 
H.  J.  WOLTER  y  FEBRÜARI-MAART 
1903  ju^  Men  wordt  in  de  expositie- 
zaal van  het  jongste  Haagsche  genoot- 
schap niet  altijd  plezierig  gestemd.  Was 
de  vorige  keer  het  werk  van  Rembrandt, 
Brouwer  e.  a.  in  staat  ten  minste  ons 
innerlijk  te  koesteren,  ditmaal  maakt 
met  het  verwarmings-toestel  ook  het 
geëxposeerde  ons  niet  bijster  behage- 
lijk.  Zou  de  legende  toch  waar  zijn, 
die  fluistert  dat  het  verval  langs  de 
wanden  van  den  Kunstkring  waart? 
Bij  eene  gelegenheid  als  deze  kan  men 
een  huiverig  gevoel  niet  van  zich  af- 
zetten en  alleen  de  wetenschap  dat  dit 
genootschap  leden  heeft  die  met  goed 
gevolg  werkzaam  zijn  in  de  richting  der 
steeds  meer  en  algemeen  ontluikende 
gebruikskunsten,  kan  werken  als  een 
troost. 

Ph.  Van  Hall,  Hageman  en  Koning, 
ook  zij  hebben  neigingen  naar  het  deco- 
ratieve. De  eerste  met  haar  beeldhouw- 
werken, die  invloeden  toonen  van 
Oostersche  kunst,  wel  het  meest.  Er  kan 
bij  dit  werk  natuurlijk  geen  groote 
diepte  geêischt  worden,  wel  eene  meer 
symetrisch  en  stijlvolle  verder-door- 
voering van  een  architektonisch  be- 
ginsel. Dat  dit  staat  bij  werk  als  dit 
immer  op  den  achtergrond,  wordt  ten 
minste  als  zoodanig  gedacht.  En  is  er 
éen  kunst  waar  zoozeer  als  bij  deze  met 
volkomen  absolute  beeldhouwkunst 
naar  eene  uitdrukkingsvolle  zuivere 
proportie-werking  moet  worden  ge- 
tracht? Om  dat  Mej.  Van  Hall  juist  in 
deze  richting  zich  (met  anderen  nog) 
van  de  massa  onderscheidt,  meenden 
we  hierop  eenigen  nadruk  te  mogen 
leggen.  Er  is  van  haar  ook  werk  dat  als 
meer  absolute  kunst  aan   meer  alge- 


meene  nooden  zou  kunnen  voldoen. 
Maar  waar  we  hierin  het  beteekenis- 
volle  der  Oostersche  beelden  die  een 
begrip  verpersoonlijken,  het  ideale  der 
Grieksche,  die  veralgemeenden,  niet 
mogen  veronderstellen,  zoeken  we  toch 
ook  te  zeer  naar  iets  dat  eene  idéé  vol- 
doende verwerkelijkt.  Inmiddels  willen 
we  door  deze  opmerkingen  hare  betee- 
kenis  niet  verkleind  zien. 

Over  het  werk  der  anderen  kunnen  we 
kort'  zijn.  Het  belangrijkste  van  Hage- 
man  —  het  moge  zijn  talent  misschien 
niet  het  meest  juist  kenschetsen  —  Man 
en  Vro//a;,  schijnt  eenigszins  op  religieuze 
schilders  geïnspireerd.  —  Niet  immer  als 
in  Kleilossen  verheft  Wolter  zich  vol- 
doende boven  de  bloole  werkelijkheid. 
Zijn  schildering  is  zelden  kernachtig  of 
uitdrukkingsvol  In  zijn  Haven  bij  Zons- 
ondergang, bedoelt  hij  iets  groots,  maar 
geeft  dit  evenmin  volkomen.  Ook  hier 
is  het  middel  (pastel)  door  volmaakte 
of  schoone  toepassing  niet  onstoffelijk. 

De  teekeningen  van  Arn.  Koning  zijn 
te  beschouwen  als  eene  aanvulhng  van 
zijn  door  ons  als  episch  beschreven 
schilderwerk  bij  Preyer.  We  vinden 
hierin  dikwijls  eene  grootere  klaarheid 
van  voorstelling  en  zuiverheid  van 
kleur,  en  soms  eene  meer  lyrische  nei- 
ging. 

BIJ  DE  FIRMA  BÜFFA  &  ZONEN  > 
EXPOSITIE  VAN  MEVR.  MESDAG  VAN 
HOUTEN  y^  18  FEBRUARM4  MAART 
yc^  De  eerste  groepenlenloonslelling 
bracht  ook  werk  van  deze  schilderes. 
Maar  hier  vinden  we  haar  completer 
vertegenwoordigd.  Wel  zou  nog  een 
enkel  werk  kunnen  worden  gemist  en 
door  een  beter,  dat  haar  dan  tevens 
veelzijdiger  deed  kennen,  vervangen 
kunnen  worden,  maar  wat  hier  bijeen 
gebracht  is  kan  mogelijk  naar  omstan- 
digheden zeer  voldoende  zijn. 

Mevr.  Mesdag  van  Houten  is  sterk 
door  de  Franschen  van  '30  beïnvloed 
geweest.  Maar  deze  invloeden  zijn  zoo 
goed  verwerkt,  dat  haar  beste  en  gave 
werk  een  volkomen  eigen  cachet  heeft. 
Er  is  hier  werk,  er  zijn  hier  stillevens 
van  een  zoo  rijpe  dracht  dat  het  woord 
uitbloei,  u  door  uwe  gedachtengang 
ingefluisterd,  u  aanstonds  op  de  lippen 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


143 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


besterft.  Want  waar  een  vrouwelijk 
artistiek  vermogen  zich  zoo  krachtda- 
dig, maar  bij  een  wijs  bestier  op  zoo 
ingetogen  wijze  zich  kond  geeft,  daar 
kan  van  uilbloei  in  de  eigenlijke  betee- 
kenis  van  het  woord  geen  sprake  zijn. 

Ook  is  hier  een  zeer  beschaafd  portret- 
stuk, wat  toch  op  veelzijdig  kunnen 
wijst. 

In  haar  landschappen  —  ik  bedoel 
hier  niet  de  Avond  op  de  hei,  koslelijk 
van  kleur,  of  het  uitstekende  Maaneffekt 
—  wordt  een  onderling  verbandhouden 
der  dingen  wel  eens  te  zeer  gemist ;  in 
haar  stillevens  weet  een  smaakvol  arran- 
gement en  een  bekwaam  compositie- 
vermogen de  deelen  goed  bijeen  of  aan 
eengesloten  te  houden.  —  Dat  superbe 
stilleven  van  Millet  uit  de  collectie 
Mesdag,  kan  als  een  eeuwig  voorbeeld 
gelden.  Hoe  dikwijls  vragen  we  ons 
niet  af  voor  een  stilleven  :  wat  bracht 
die  dingen  bij  elkaar  f  Welke  diepe  in- 
nerlijke noodwendigheid  zit  achter  dit 
toevallig  samenzijn?  Deze  noodwendig- 
heid, we  vinden  ze  in  dit  schijnbaar 
eenvoudige  werk  van  Millel.  Daar  zit 
een  wereld  achter  die  meer  doet  ver- 
moeden, dan  direct  zegt.  Ook  dit  samen- 
zijn wordt  bewogen  door  de  myste- 
rieuze adem  van  het  onzichtbare. 

We  hebben  in  den  laatsten  tijd  op 
veel  goede  stillevens  kunnen  wijzen  en 
dit  verschijnsel  in  verband  gebracht 
met  het  stadium  waarin  het  impres- 
sionisme zich  bevindt.  Ten  onzent  heeft 
in  den  nieuweren  tijd  Bisschop  de 
meesterlij kste  stillevens  geschilderd, 
maar  die  van  Floris  Verster  waren  het 
meest  bcteekenisvol.  De  laatste  gaf  o.  a. 
bloemstukken  —  die  eigenlijk  geen 
5///levens  meer  zijn  —  waarin  het  leven, 
de  mysterieuze  groei  dezer  bestaans- 
wijzen  geopenbaard  werd  op  eenc  wijze 
als  na  de  primitieven  en  den  al-weten- 
den  Rembrandt  niet  geschiedde.  En 
toch  gunnen  we,  naast  dezen,  met  cenige 
anderen  nog,  Mevr.  Mesdag  gaarne  eene 
plaats.  Haar  beste  werk  neemt  in,  stemt 
behagelijk,  verheugt  door  de  weligheid, 
de  sappigheid  der  factuur.  Het  is  door- 
voed van  kleur,  die  smeltend  tot  toon- 
kleur  wordt.  En  soms  zelfs  verrast  het 
u  dooreen  wezen-lijke  uitdrukking  (als 
in  een  enkel  appel-  en  peren-stilleven) 
of  brengt  u  een  dieper  bestaan  der  din- 


gen nader  (als  in  Uien),  —  Er  is  hier  no'f 
een  werk  een  Antieke  Vaas,  waarlangs 
zich  zeepaardjes  slingeren,  dat  velen 
omtrent  haar  schildersvermogen  kan 
gerust  stellen,  mocht  men  veronder- 
stellen, dat  bij  haar  eenig  onvermogen 
achter  eene  te  gelukkig  de  dingen  sa- 
menvoegende en  -houdende  losbandige 
schilderswijze  schuil  ging.  In  dit  werk 
is  voldoende  die  gevoelig  berekenende 
toets,  die  bekwaam,  plan-vol,  maar 
natuurlijk  de  verschijnselen  in  eene  be- 
grensde, maar  juist  in  hare  schematische 
afgepastheid  als  oneindig  aandoende 
ruimtelijkheid,  weet  te  zetten. 

PULCHRI  STUDIO  >  GROEPENTEN- 
TOONSTrXLINGEN  3^  SERIE  >  21  FE- 
BRUARI-8  MAART  >:.»  Met  het  werk 
van  Jozef  Israêls,  Isadc  Israéls  en 
Bernard  Hoppe  en  het  beste  van  Van 
Hoytema  en  De  Jonge,  zou  wat  deze 
serie  onderscheidt,  genoemd  zijn. 

Jozef  Israéls  —  zijn  werk  is  immer 
belangrijk,  evenals  dat  van  Isadc  Israêls 
en  Van  Hoytema  —  hoewel  in  mindere 
mate  —  het  gewoonlijk  is.  Aan  de  Jood- 
sche  Weischrijver,  dat  sublieme  werk, 
hebben  we  in  dit  tijdschrift  alreeds  een 
bespreking  gewijd.  Overdenking,  heer- 
lijk van  verve  en  schildering,  maar 
niet  zoo  wezenlijk  als  de  Studiekop,  is 
geen  recent  werk.  Deze  studie  naar  een 
arm  sjovel  man  is  buitengewoon,  een 
werk  van  diep  realisme,  dat  levens  de 
puurste  idealiteit  is.  Deze  onaanzienlijke 
man,  bij  al  zijne  plaatselijke  onbewo- 
genheid, doemt  hij  op  als  eene  geestver- 
schijning. Het  schijnt  de  verwerkelij- 
king van  een  visioen  door  den  schilder 
ergens  aanschouwd  toen  zijn  geest 
reizen  ging  in  het  rijk  der  droomen. 
A  Wij  zijn  dan  dezelfde  stof  waarvan 
droomen  gemaakt  zijn  »  Iemand  die  de 
diepe  waarheid  van  deze  woorden  door- 
voeld heeft,  is  in  staat  de  ware  werke- 
lijkheid van  het  leven  in  deze  in 
waarheid  uil  het  onzienlijke  opgeroepen 
verschijning  te  beseffen. 

Wat  is  er  mooi  na  een  werk  als  dit  ? 
Vlak  tegenover  Israéls  in  de  uitbouw 
der  zaal  hangt  het  werk  van  Van 
Hoytema.  Het  schijnt  het  tegendeel  van 
dat  van  Israéls.  De  laatste  is  een  teeke- 
naar in  de  ruimte  zooals  de  wereld  er 


144 


na  Rembrandt  geen  voort  heeft  ge- 
bracht. Hoytema's  kunnen  zit  in  *t  deco- 
ratieve. Teekent  hij  portretten  dan  faall 
hij  wel  eens  en  de  menschen  komen  er 
door  eenige  charge  op  de  werkelijkheid 
op  eene  wijze  geidealiseerd  af,  die  den 
teekenaar  en  ons  meer  zal  behagen  dan 
den  afgebeelde  zelf.  Zoo  krijgt  een  Laar- 
sche  boer  iets  van  een  krombekkigen 
vogel.  Ook  zijn  kleurzin  neigt  naar 
't  decoratieve  en  in  een  enkele  prent 
van  zijn  kalenders  kan  hij  ons  aandoen 
met  eene  zoo  weldadige  warmte  en  met 
eene  al  zoo  volle  innerlijkheid,  dat 
ook  uw  gevoel  —  al  deed  ge  het  al  lang 
redelijk  —  deze  kunst  direct  na  het 
genieten  van  Israéls*  werk  vermag  te 
erkennen.  Dit  is  geen  losbandigheid, 
maar  de  oneindige,  diviene  vrijheid  van 
den  geest,  die  twee  kunst-uitersten  in 
beider  waarheid  erkent.  Hoytema's 
talent  —  het  is  benijdbaar  in  dezen  tijd 
van  ontbloeienden  decoratieven  zin. 
Hii  is  al  verwonderlijk  compleet  voor 
dezen  tijd,  en  een  meester  die,  wanneer 
geest  en  hand  in  de  juiste  richting 
werkzaam  zijn,  zelden  faalt. 

Isaac  Israêls  toont  vooral  in  drie  schil- 
derijen, onderwerpen  uit  de  café-chan- 
tant-wereld,  verwantschap  met  zijn 
vader.  Het  is  als  bij  dezen  een  op  den 
voorgrond  stellen  van  atmosferische 
werking,  die  de  draagster  is  van  het 
innerlijk  leven  en  de  boodschapster  van 
het  onzienlijke  dat  hij  niet  in  even  rijke 
mate  tot  u  weet  te  brengen  dan  Jozef 
Israêls.  Maar  zijne  intenties  zijn  over 
't  algemeen  ook  andere.  Zijne  psycholo- 
gie is  over  H  algemeen  evenals  bij  zijn 
vader  verrassend  juist  en  zuiver.  Er  is 
hier  nog  een  pastel  van  hem  Orkest, 
waar  we  in  de  duizeling  van  klank-  en 
kleurstemming  even  het  werken  voelen 
van  een  onzichtbaar  heerschende macht, 
die  deze  schijnbare  warreling  in  zeld- 
zame harmonie  beweegt.  Dit  is  werk 
van  spontaan  orgasme  maar  tevens  van 
zeldzame  organiek. 

Bcrnard  Höppe's  inzending  bestaat 
uit  degelijk,  niet  immer  in  alle  deelen 
*  deugdelijk  werk.  Hij  is  een  origineel 
schilder,  die  meer  aandacht  verdient 
dan  hij  tot  nog  toe  genoot.  Als  vele 
schilders  heeft  hij  eene  voorliefde  voor 
witte  paarden.  Maar  ziet  hoe  ongezocht 
hij  in  zijn  stemmige,  aan  oud-HoUand- 


sche  schilderijen  herinnerende  Maan-  KUNST- 
avond  dit  paard  als  een  sterk  meewer-  nc«nTr>i:r'T'i7XT 
kend  motief  in  de  stenimuig  weet  te 
doen  versmellen.  —  De  Jonge  exposeert  ^^'^  ^^^  HAAG 
o.  m.  verdienstelijke  portret-stukken 
en  aantrekkelijke  landschapjes,  waar- 
onder een  frische  fijn-atmosferische 
Lentedag ;  Hijner  o.  m.  een  Zeeuwsch 
Binnenhuis  waarin  goed  de  binnenhuis 
stemming  tegen  den  vollen  Zon-dag 
buiten  is  uitgedrukt.  Ook  het  andere 
werk  kenmerkt  zich  door  werkelijk 
ongemeen  zware  en  diepe  dracht  van 
kleur.  Maar  van  verstrekkende  of  uni- 
verseele  beteekenis  is  dit  niet  voor- 
name werk  nog  niet.  Van  Jansen  wil- 
len we  een  Wintermiddag  te  A  msterdam 
niet  ongenoemd  laten.  Daar  zit  in  dit 
bar-wintersche  geval  met  die  rook- 
scheuten  uit  zoo'n  kuchenden  stoom- 
pijp  wel  een  kracht  van  diepe  beteeke- 
nis. Ook  van  Van  Horsen  is  hier  eenig 
goed  werk,  evenals  van  Hoynck  van 
Papendrecht,  een  illustratief  talent  met 
goede  zaakkennis.  De  overige  exposan- 
ten zijn  (alphabetisch)  de  Hrn  Hemkes, 
Horrin,  Ph.  Windt  en  de  dames  Sara 
Hense,  Pruys  van  de  Hoeven  en  van 
Hagendorp  's  Jacob  ;  de  laatste  met  een 
nog  niet  onknap  druiven-stilleven. 

H.  D.  B. 


UIT  ROTTERDAM 


USEÜM  BOYMANS  ÜITROTTERDAM 
^r/  Een  mooie  aan- 
winst voor  de  prent- 
je verzameling  van  ons 
museum  zijn  een 
twintigtal  etsen,  klein 
en  groot,  van  J.  M. 

Graadt    van    Roggen.    Fijngevoeld,  in 

hooge  mate  stemmingsvol  werk. 
Wat  is  hel  toch,    dat    deze    nobele 

kunst  altijd  en  opnieuw  zoo  kostelijk 

voor    ons   maakt?  Wat   lijnengespeel, 

wat     fluweel-donkere    schaduw,    wat 

atmosfeer,  —  maar  de  hand  volgt  de 

bevingen    der    fijnste    zielemelodieén, 

schrijft  hiéroglyphen  en  geheime  tee- 

kens    in  het   koper,  overweeft  ze  met 

andere    arabesken ;    de    aandoeningen 

trillen  uit,  als  krinkels  in  stil  water  of 

toontjes  in  de  lucht.  Het  licht  ontbindt 

zich  in  stralende  lijnen  en    schaduw 


145 


KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT ROTTERDAM 


wemelt  als  zichtbare  stof  in  een  ver- 
loren hoekje.  Hel  is  de  kunst  der  rag- 
fijne, en  daarom  vaagste  aandoeningen. 
Het  is  als  het  trillen  van  violensnaren... 
Zóó  —  vol  van  die  stilste,  teerste  stem- 
ming —  zijn  hier  dingen,  als  dat  Gezicht 
op  een  verre  stad  tegen  licht  gezien,  — 
een  atmosfeer,  doorweven  van  licht, 
waarin  de  torens  der  stad  als  een 
luchtheveling  slaan  ;  —  hel  oude  kas- 
teeltje aan  de  watergracht,  oud  ge- 
steente, geen  steenen  meer,  maar  een 
bouwsel  van  schemering ;  —  een  paar 
zeeuwsche  huisjes,  éen  blank  in  schaduw 
met  zonlichljes  beplekt,  waarvoor  slok- 
rozen  parmantig  opstaan,  een  ander, 
zoo  vol  van  licht,  dat  het  is,  of  de  jonge, 
jolige  kleuren  zóó  voor  den  dag  zullen 
komen.  Er  zijn  kostelijke  verloren  hoek- 
jes van  oude  stadjes,  met  gewichtige 
daken  en  eigenwijze  schoorsteenen,  — 
of  een  boschje  van  vreemden  groei,  als- 
of het  sierlijker  boomen  van  een  andere 
wereld  waren,  waaronder  de  grond  be- 
dekt is  met  een  miniatuur-woud  van 
zware  bladeren  en  palmachtige  varens. 

Strenger  wordt  zijn  stijl,  met  strakke 
lijnen,  in  een  heigezicht,  een  ruw  en 
hoog  land  met  daken  van  lage  huisjes 
daarboven,  voor  een  duisteren  bosch- 
gevel,  een  land  van  aarzellooze  conlou- 
ren  onder  de  ernstige  buienlucht.—  Zijn 
wolken  zijn  altijd  karakteristiek,  — 
soms  zijn  ze  luchtig  en  hoog,  fijngeve- 
derd  als  drijvende  vlokken  van  licht, 
dan  schijnen  zij  bedachtzaam  te  groeien, 
rand  boven  rand,  van  den  horizont  op- 
gedreven als  door  een  geheimzinnige 
kracht,—  of  als  in  een  echt-Rembrand- 
tieke  ets,  waar  een  sterk  licht  in  het 
midden  uitschijnt,  daar  is  het  omgeven 
van  nijdige,  striemende  krassen,  als 
bevochten  de  wolken  het  licht  met  felle 
hagelslagen. 

Een  zeer  groote  en  fraaie  ets  is  een 
gezicht  op  de  Groote  kerk  te  Nijmegen, 
tegen  het  zuider-portaal.  Een  ding  als 
een  oude  koperprent,  van  een  echt 
historischen  kijk  en  techniek.  Die  opeen- 
stapeling van  oude  grauwe  steenen,  hoe 
zij  samen  nog  nauwelijks  de  door  den 
tijd  geknauwde  profielen  vormen  !  Nog 
houdt  het  muurverband  ze  bijeen,  maar 
straks  zullen  ze  tot  hun  oorspronke- 
lijken  staat  van  ruwe  brokken  terug- 
keereu;  de  door  elkander-geslagen,  laat- 


gothieke  lijnen  om  de  poortopening 
lijken  wel  versteende  boomtakken  ge- 
worden, heel  dat  open  portaal  staat  te 
draaien  en  te  wankelen  op  zijn  door 
weer  en  wind  vervreten  kolommen. 
Een  vrouwtje  met  een  paar  emmers  aan 
een  juk  wordt  den  hoek  omgewaaid. 

Boven  de  dakmassa  ziet  men  den 
hoogen  klokkentoren  met  zijn  rijen  van 
klokjes  in  het  chineesch-achtige  koe- 
peltje.  Daar  om  heen  wringen  zich  de 
ornaméntale,  stijlvol-behandelde  wol- 
ken. Zijn  het  wolken,  of  zijn  het  klank- 
galmen  uit  den  toréntop  ? 

Deze  ets  is  niet  alleen  een  indruk  van 
hoe  die  oude  kerk  op  dat  oogenblik 
was;  het  zijn  geen  doode  steenen,  maar 
met  rauwe  hand  schijnt  de  tijd  zijn 
verhaal  erin  geschreven  te  hebben,  zijn 
teekens  erin  gevoord.  De  geschiedenis 
van  eeuwen  is  hier  te  lezen.  En  dat  is 
het  toch  wel,  wat  oude  gebouwen  voor- 
al zoo  interessant  maakt. 

(2S  Fth.) 

KÜNSTZAAL  OLDENZEEL  >  TEN- 
TOONSTELLING  VAN  WERKEN  VAN 
FRANTZ  MELCHERS  EN  CHARLES 
VAN  WIJK  >  MAAND  FEBRUARI 
/u^  Melchers'  werk  maakt  me  krie- 
belig. Men  zegt  dat  hij  mondain  is,  — 
dat  is  wel  aardig  voor  een  keer,  als  het 
maar  echt  is.  Chic  moet  heelemaal  chic 
wezen,  anders.... 

In  sommige  dingen  wil  hij  Holland 
laten  zien  als  een  sprookjesland,  —  best ! 
Maar  of  men  dat  nu  bereikt,  door  het 
<•  sprookje  o  in  levenden  lijve,  met 
gouden  oorijzer,  langs  den  kant  van  een 
niet-bizonder-gezien  en  nict-mooi-ge- 
schilderd  Delftsch  grachtje  te  laten 
wandelen?  Men  kan  zelfs  filosofeeren 
over  de  tweeslachtigheid  van  zulke 
schilderijen,  —  maar  waaróm  niet,  als 
de  sprookjesstcmming  maar  onder  de 
boomen  van  het  grachtje  zweeft,  en  als 
dan  het  figuurtje  maar  door  die  stem- 
ming opgeroepen  lijkt !  Dat  behoeft 
geen  juffertje  van  fantasie  te  zijn,  dat 
kan  een  heel  alledaagsch  meisje  wezen. 
Maar  de  stemming  moet  het  hem  doen, 
niet  hel  figuurtje  ! 

Al  even  onbehaaglijk  is  de  Visite.  Wel, 
ik  voel  wal  voor  de  breede  voornaam- 
heid  van  dal  rococohuis,  waarvan  de 


146 


lijnen  nog  zwieriger  en  drukker  in  het 
water  weerspiegeien  !  Maar  de  kleur 
mist  alle  diepte,  de  stammen  van  de 
boomen  aan  den  .waterkant  komen  niet 
van  den  gevel  los.  Het  geval  is  misscliien 
mooi  gezien,  —  maar  niet  mooi  gegeven. 
En  is  het  toen  maar  aangekleed  mét  de 
mooie  juffers  met  de  wespentailles  en 
de  twee  misleekende  honden  ? 

Als  Melchers  nu  trachten  wil,  de  ziel 
van  zoo*n  huis  te  geven,  «  hoe  het  kijkt » 
—  want  dat  is  de  bedoeling  hiervan, 
evenals  van  de  dingjes  uit  Veere,  en  van 
een  van  zijn  laatste  werken,  Feest,  — 
waarom  gaat  hij  dan  onze  aandacht 
afleiden  met  figuurtjes,  die  er  niet  in 
behooren  ?  Zoo  iets  moet  eenzaam  zijn ; 
wat  dan  ook  bij  Feest  hel  geval  is.  Dit 
lijkt  me  trouwens,  mee  daarom,  een  der 
beste  werken  van  de  verzameling. 

De  dorpskijkjes  zijn  alle  slap,  soms 
bepaald  onaangenaam  van  kleur.  Men 
moet  evenwel  zeggen,  dat  de  sujetten 
goed  gekozen  zijn,  ook  de  leekening  is 
gewoonlijk  knap,  raak  zelfs  van  het 
vrouwenOguurtje  in  het  Volendamsche 
geval  Kinderzorgen, 

En  wat  nu  te  zeggen  van  de  quasi- 
naieve,  bonte  prentjes  uit  Veere?  Iets 
eigens  hebben  ze  zeker.  Maar  ik  benijd 
iemand  zoo^n  kijk  op  de  Veersche  kade 
niet,  als  van  Voor  het  feest,  met  zijn 
schreeuwend-gekleurde  rococo-huisjes ; 
dat  is  toch  wel  sollen  met  het  arme,  zoo 
droef-doode  stadje,  dat  in  zijn  wezen- 
loos staren  naar  het  oud  verleden  aan 
heel  wat  anders  dan  aan  feesten  denkt  1 

En  dan  die  ruiten,  die  van  alle  doeken 
zoovele  spiegels  maken  !  Was  al  dat 
werk  nu  waarlijk  zoo  versch,  dat  het 
niet  gevernist  kon  worden  ? 

De  dingen  uit  Veere  ten  minste  heeft 
Plasschaert  reeds  jaren  geleden  (ik  meen 
in  1895)  in  «  de  Nieuwe  Gids  »  besproken 
en  veel  van  het  overige  heb  ik  verleden 
jaar  (Maart)  te  Berlijn  bij  Keiler  & 
Reiner  gezien. 

Bij  Keiler  &  Reiner,  ia,  in  die  hyper- 
moderne omgeving,  —  daar  was  dit 
werk  op  zijn  plaats  !  Want,  dit  moet  me 
nog  even  van  het  hart,  —  het  is  niet  de 
kijk  van  een  Hollander  op  het  echte 
Holland :  het  is  die  van  een  vreemdeUng 
die  hier  eens  is  komen  neuzen,  die  zich 
verbeeldt,  dat,  als  het  juffertje  in 
SprookjCy  's  avonds  de  koningin  (mèt 


een  gouden  oorijzer !)  een  luchtje  komt 
scheppen  langs  den  kant  van  een 
grachtje.  Het  is  «  HoUandereil  • 
•♦^  Van  den  jongen  beeldhouwer 
Charles  van  Wijk  zijn  er  mooie  stuk- 
ken. Uit  het  leven  van  die  zwoegende 
Velu wsche  werkertjes,  hoe  zij  hun  koren 
slaan,  hoe  zij  rusten  na  den  arbeid,  — 
van  hun  vrouwen,  hoe  die  de  schoven 
binden  en  de  goede  moeders  hunner 
kinderen  zijn.  Het  werk,  dat  een  goede 
plicht  is,  dat  gedaan  wordt  met  ernst 
en  toewijding,  omdat  God  het  wil.  En 
even  gewetensvol  en  ernstig  is  de  kuns- 
tenaar zelf. 

Zijn  werk  is  ruw  en  bonkig  :  het  zijn 
vooral  geen  salonstukken.  Om  de  knoes- 
tige werkleden  zijner  bouwlieden  staat 
de  grove,  harde  stof  van  broek  en  buis 
in  stijve  plooien,  zooals  de  arbeid  ze 
gekreukt,  de  regen  ze  aan  het  lijf  geplakt, 
de  zon  ze  gedroogd  heeft.  En  zorg  en 
zwoegen  hebben  hun  stijve  gezichten 
geboetseerd. 

Zoo  'n  schuitenjager  op  zijn  paard,  is 
het  niet  alsof  het  gedwecé  dier  met  aan- 
dacht zijn  werk  doet?  En  wat  doet  het 
zijn  beweging  wel !  Want  het  is  onnoo- 
zel  te  zeggen,  dat  Van  Wijk  de  bewe- 
ging juist  observeert  :  zijn  figuren  heb- 
ben een  eigen  actie,  men  denkt  er  niet 
meer  aan,  dat  dat  zoo  gemaakt  is !  Zoo 
zijn  maaier  (de  rompbeweging  boven 
het  schrapstaande  beenengestel  I),  zijn 
schovenbindster,  het  mooie  oude  vrouw- 
tje  aan  het  spinnewiel,  dat  trekt  aan  een 
langen  draad. 

Maar  vooral  zijn  moeders,  met  haar 
zorglijke  goede  gezichten,  madonna's- 
op-klompcn.  Wat  hebben  die  koppen 
iets  echt-middeleeuwsch,  zoo  oud  en 
leelijk  als  ze  zijn,  —  gezichten  van 
moeders  van  smarten  alle.  Ik  denk 
voornamelijk  aan  die  groote  pleister 
moedervreugde,  een  vrouw  met  twee 
kinderen  op  den  schoot,  waarvan  zij 
het  eene  aan  de  borst  heeft,  —  met 
welk  een  goede  teerheid  ziet  ze  op  dat 
zuigende  kleintje  neer !  Een  verpersoon- 
lijking van  de  middeleeuwsche  caritate ! 

Een  beetje  humor  ook  :  de  guitaar- 
speler  met  den  grooten,  genialen  bol  op 
het  magere  houterige  lijfje,  —  het 
schreeuwkopje  van  een  zuigeling  in  zijn 
o  zoo  komische,  groote  smart  I  Wat 
getuigt  ook  dat  van  Van  Wijk's  zuive- 


KUNST- 
BERICHTKN 
UIT  ROTTERDAM 


147 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  ROTTERDAM 


UIT  UTRECHT 


VARIA 


ren  kijk  op  de  dingen,  want  hoe  licht 
had  niet  het  muzikantje  tot  karikatuur 
kunnen  worden ! 

Het  is  zulk  heuchelijk  werk.  We 
kunnen  zoo  iels  in  ons  plastiek-arm 
landje  best  gebruiken  ! 

(Rotterdam,  6  Maart).  R.  J. 

UIT  UTRECHT  = 


Vl%AÏ 


<öwln 


lEREENIGINGVOOR 
DE  KUNST  >  TEN- 
TOONSTELLING 
VAN  PORTRETTEN 
VAN  OUDE  EN  MO- 
DERNE MEESTERS 
>c^^  Dat  is  een  nieu- 
we proei  ue  lö^^',  17<i"  en  lO**"  eeuwers 
samen  te  exposceren.  Er  wordt  meestal 
gedaan  of  alle  oude  meesters  onze  tijd- 
gecooten  de  baas  zijn  —  en  deze  het  in 
zulk  een  illustre  gezelschap  ongetwij- 
feld af  zouden  leggen,  maar  deze  ten- 
toonstelling overtuigt  ons  van  het  tegen- 
deel en  de  werken  die  hier  van  Jan 
Veth,  Van  Looy,  Haverraan,  tusschen 
de  17<^o  eeuwers  hangen,  houden  zich 
uitstekend  ;  maar  al  zijn  ze  niet  minder 
begaafd  dan  de  oude  meesters,  zij  zijn 
minder  schilder  en  dit  is  zeer  opmerke- 
lijk en  wordt  hier  tot  een  onloochen- 
baar feit. 

Zooals  men  weet,  heeft  Rafaélli  een 
procédé  uitgevonden,  een  soort  vet- 
achtig  krijt  waardoor  het  schilderen 
met  de  kwast  zou  vervallen.  Zou  deze 
uitvinding  zijn  gedaan,  wanneer  er  niet 
plaats  voor  haar  geweest  was  ?  Immers 
niet,  want  de  behoefte  zelve  is  wel  altijd 
als  de  moeder  van  alle  uitvindingen  te 
beschouwen.  In  onze  nerveuse  tijd, 
waarin  het  intellect  meer  het  onbe- 
wuste verdringt  en  de  wetenschap  op 
den  voorgrond  treedt,  wordt  feitelijk  de 
levenswarme  peinture  met  den  dag 
schaarscher  en  hiervan  kunnen  wij  ons 
ook  op  deze  tentoonstelling  overtuigen. 
Er  was  een  zoo  groote  blijheid  en  durf 
in*de  wijze  waarop  onze  oude  Hollan- 
ders de  kwast  hanteerden  —  een  spontane 
levendige  schilderstrant  was  de  hunne 
—  maar  deze  heerlijke  qualiteit  is  wel 
gansch  verloren  gegaan.  Daarvoor  is  in 
de  plaats  gekomen  een  zeer  groote 
knapheid,  de  zielkundige  analyse  en  de 
kritiek  ;  daarom  kunnen  wij  ons  ook  al 


deze  portretten  even  goed  geteekend 
denken,  voor  het  schilderen  was  geen 
reden,  de  kleur  is  dan  ook  over  't  alge- 
meen zeer  ondergesc|iikt  aan  de  lijn, 
het  probleem  van  licht  en  bruin  houdt 
den  portretschilder  niet  meer  bezig. 
Wel  nog  de  generatie  van  Israéls,  J.  Geo 
Schwartze  en  Jacob  Maris,  maar  niet 
kunstenaars  als  Toorop,  Haverman, 
Veth  en  Josselin  de  Jong,  die  nu  aan 
de  spitse  onzer  hedendaagsche  portrai- 
teurs  staan.  Van  Looy's  zelfportretten 
sluiten  zich  het  meest  aan  onze  17*^*^ 
eeuwers  aan  omdat  dit  kind  uit  het  volk 
nog  fiks  de  kwast  in  de  verf  durft 
doopen.  In  zijn  blauwe  kiel  en  de  hoed 
achter  op  't  hoofd  gekwakt,  ziet  hij  er 
ook  nog  zoo  recht  uit  als  een  van  die 
stoere  oude  Hollanders.  Wij  kunnen  ons 
hem  bezwaarlijk  voorstellen  in  een 
zwarte  gekleede  jas  of  zeer  kritiesch 
zijn  modellen  ontledende.  Van  de  oude 
meesters  zijn  hier  o.  a.  een  prachtig 
vrouweportret  van  Moreelse.  Ook  een 
zeer  mooi  portret  van  Menno  Simons 
dat  aan  Moro  is  toegeschreven,  verder 
een  van  Scorel,  een  uiterst  delikate 
Mabuse  en  verscheidene  goede  portret- 
ten van  onbekende  meesters. 

Van  de  modernen  is  wel  *t  mooiste 
een  kinderkopje  van  Jacob  Maris  en 
een  jongmeisje's  portret  van  J.  Georg 
Schwartze.  Ook  zijn  er  nog  mooie 
studies  van  Breitner,  Onnes  en  Van  den 
Maarel.  Over  't  algemeen  een  hoogst 
belangrijke  tentoonstelling.  B. 

-<i^  *o.^  *^—  «^—  «^—  <<i^  *o.^  '-^^  '-^^  *^^ 

2^  sgW  aK^  aK^aK^  S^  2gWS^S^«^ 


VARIA 


In  ons  voorlaatste  nummer  (blz. 
84),  vermeldden  we  de  zeer  verrassende 
restauratie  aan  het  Baumgartner-altaar 
te  München  toegebracht.  Nu  blijkt  het 
dat  deze  bewerking  niet  overal  met 
onvermengde  vreugde  werd  begroet. 
Franz  Dülberg  (*)  betreurt  het  verdwij- 
nen van  de  romantische  landschappen, 
waarin  de  ridders  stonden,  en  er  in  den 
loop  der  tijden  mee  waren  samenge- 
groeid;  hij  betreurt  het,  dat  de  twee 
vleugels  nu  niet  meer  bestaan  in  den 
vorm  die  zoo  gunstig  op  het  herleven 
van  de  duilsche  kunst  heeft  gewerkt. 
Hij  vraagt  zich  af  waarom  men  maar 
niet  liever  de    beslaande   oude  kopie 

Oy  Kunslchronik  van  30  Januari. 


148 


heeft  aangekocht,  die  hel  werk  in  zijn 
oorspronkclijken  vorm  vertoont  —  of 
enkel  een  fotografie  daarvan  —  mits 
men  de  door  drie  een  wen  geijkte  over- 
schildering had  laten  bestaan.  Ook  de 
heer  Auguste  Marguiller  {*)  houdt  een 
vurig  pleidooi  voor  het  behoud  van 
kunstwerken  in  hun  traditioneelen 
vorm,  en  vaart  tegen  de  praktijk  van  het 
Miinchencr  Museumbestuur  uit  met  een 
heftigheid,  die  o.  i.  op  zijn  minst  geno- 
men overdreven  mag  heeten.  Waar 
Dülhcrg  eenvoudig  zegt  :  t  Um  die 
»  Hösslein,  um  den  grünen  Wald  is  mir 
»  es  leid  »,  en  zijn  inderdaad  wel  goed- 
gemeende  woorden  ons  sympathie  voor 
zijn  zienswijze  inboezemen,  heet  het  bij 
den  Heer  Marguiller  ontreciüdance  iii- 
croyable  —  aberration  —  acte  monstrueux 

—  deslruction  (Viuie  ceiwre  dart  —  bar- 
bares  procédés^  enz.  — 

Met  een  eigen  opinie  willen  we  hier 
niet  voor  den  dag  komen,  vooral  om- 
dat we  het  stuk  alleen  in  zijn  ouden 
vorm  gezien  hebben,  die,  hel  dient 
gezegd,  op  zichzelf  niets  stootends  had, 

—  immers  de  bijgevoegde  motieven 
waren  grootendeels  aan  andere  werken 
van  Diner  ontleend  (o.  a.  aan  Ridder, 
Dood  en  Duivel.)  Maar  we  stuiten  hier 
weer  op  de  eeuwige  vraag,  die  van  zoo 
algemeen  belang  is  dat  ze  ook  in  dit 
lijdschrift  weer  eens  mag  worden  opge- 
worpen :  moet  men  een  kunstwerk 
respecteeren  in  den  vorm  waarin 
hel  uit  vroegere  tijden  tot  ons  is 
gekomen,  of  moeten  wij  er  naar 
streven  het  te  ontdoen  van  latere 
bijvoegsels,  en  het  te  herstellen 
zooals  de  kunstenaar  het  in  den 
aanvang  schiep? 

Wie  logisch  redeneert,  moet  natuur- 
lijk tot  hel  laatste  besluiten.  Het  is 
toch  een  elementair  begrip,  dal  de  eer- 
bied voor  een  kunstwerk  in  de  eerste 
plaats  gaal  lot  het  werk  in  zijn  oor- 
sproi. keiijken  vorm,  zooals  hel  naar 
den  wil  van  den  artiest  geschapen 
werd  —  en  tegen  dit  rotsvast  argument 
lijden  alle  andere  beschouwingen  schip- 
breuk. En  vooral  waar  het  schilderkunst 
betreft,  evenals  bij  iedere  kunst  die 
voor  zichzelf  beslaat,  zonder  recht- 
ctreeksch  doel  van  practischen  aard  — 

(•)  Chronique  des  Arts  van  14  Februari. 


moet  dit  princiep  zich  onwrikbaar  doen  VARIA 
gelden.  —  In  de  bouwkunst  waar  de- 
zelfde vraag  zich  nog  meer  voordoet, 
kunnen  andere  beschouwingen  in  reke- 
ning komen.  Zoo  kan  b.  v.  een  gebouw 
in  den  loop  der  tijden  zoozeer  met 
latere  aanbouwselszijn  samengegroeid, 
dat  het  één  architectonisch  geheel  is 
geworden,  waar  van  geen  absolute 
«  restauratie  »  meer  sprake  kan  zijn. 
Maar  even  dwaas  als  het  zcu  zijn  aan 
een  dergelijk  gebouwencomplex  de 
hand  Ie  slaan,  even  dwaas  ware  het,  uit 
een  valsche  sentimentaliteit,  tol  lederen 
prijs  op  zichzelf  waardelooze  bouwsels, 
die  veelal  oude  kerken  of  monumenten 
omringen,  te  willen  behouden.  Als  alge- 
meen princiep  zou  men  in  deze  kunnen 
formuleeren  :  herstel  ieder  kunst- 
werk zooveel  mogelijk  in  zijn 
oorspronkclijken  vorm,  zoolang 
geen  ander  kunstwerk  van  min- 
stens even  groote  waarde  hier- 
door bedorven  wordt. 

Dit  laatste  was,  om  tot  het  Dürer- 
allaar  terug  te  komen,  hier  zeker  niet 
het  geval.  Men  kan  dan  larmoyeeren 
om  het  te  gronde  gaan  van  iels  dat  men 
te  recht  of  te  onrecht  had  lief  gekregen, 
om  het  vernielen  van  een  oude  traditie 
—  maar  men  slicht  er  tevens  een 
nieuwe,  die  de  eenig-zuivere  is,  en 
waarvoor  het  nageslacht  ons  dankbaar 
zal  zijn.  B. 

-♦^  Door  wijlen  deA  Heer  des  Tombes 
zijn  bij  testament  gelegateerd  aan  het 
Maurilshuis  te  s'Gravenhage : 

Van  G.  Flinck,  een  kinder-porlret, 
ten  voelen  uil,  van  1640;  —  van  J.  Ver- 
meer van  Delft,  een  meisjes-portret ;  — 
van  II.  van  Beyeren,  een  stilleven  met 
visschen  ;  —  van  E.  van  de  Velde,  een 
winterlandschap,  van  1624;  —  toege- 
schreven aan  B.  Zwaardecroon,  een 
kinder-porlret;  —  van  A.  Bosschart, 
een  bloemstuk ;  —  van  Carel  Vogelaer, 
een  zelfportret ;  —  van  H,  W.  Schweick- 
hardt,  een  vruchtenkoopman  ;  —  van  J. 
van  Goyen,  een  gezicht  op  een  stad  ;  — 
van  een  monogrammisl,  C.  V.  B.,  een 
winter-  en  een  zomerlandschapje,  en 
een  ongeteekend  stuk,  18o  eeuw,  een 
decoratief  werk  in  't  grijs-grauw  :  on- 
derwerp waarschijnlijk  uit  de  mytho- 
logie. 


xvnia. 


149 


BOEKEN  &  TIJDSCHRIFTEN 


BOEKEN  EN 
TIJDSCHRIF- 
TEN 


^^ls% 


HKNHl  HYMANS  >  L'HXPOSITION 
I)i:S  PHIMITIFS  FLAMANDS  A  BHUC.KS 
>  PARIS,  «  GAZKTTH  DKS  HKAUX- 
AHTS  «,  8  nUi:  FAVART,  1902  >c^- 

\\  T  zeer  veel  genoegen 
hebben  we  de  ver- 
schijning  van  (lil 
werk  begroet.  Immers 
nu  zijn  in  handig  for- 
maat en  tot  betrekke- 
lijk geringen  prijs  een 
reeks  artikels  uit  de  Gazel  te  des  BeauX' 
Arls  te  samen  gebracht  en  geïUustreerd 
met  een  keur  van  platen  uit  vroegere 
jaargangen,  welke  anders  niet  licht 
-onder  het  bereik  zouden  vallen.  Welis- 
waar hooren  niet  alle  platen  recht- 
streeks bij  den  tekst.  Niet  eens  de  helft 
ervan  waren  op  de  tentoonstelling  aan- 
wezig —  maar  het  geheel  is  er  niet 
minder  aantrekkelijk  om. 

Ilenri  Hymans  was  voorzeker  bij  uit- 
stek de  man  die  ons  door  zijn  opmer- 
kingen over  de  te  Brugge  verzamelde 
werken  zou  weten  te  boeien  —  die  door 
zijn  eigen,  helder  inzicht  evenzeer  als 
door  zijn  speciale  kennis  en  belezenheid 
licht  zou  weten  te  verspreiden  over 
vele  duistere  punten  in  de  geschiedenis 
van  onze  oudste  schilderschool.  Wie 
heeft-  niet,  —  zaakkundige  zoowel  als 
leek  —  bij  zijn  bezoek  aan  de  Brugsche 
tentoonstelling,  stilgestaan  voor  zich 
telkens  als  groote  vraagteekens  voor- 
doende werken?  Wie  heeft  er  niet 
gezocht,  getwijfeld,  vergeleken,  onder- 
stellingen gemaakt?  Ken  genoegen  zal 
het  dan  ook  voor  velen  geweest  zijn, 
aan  de  hand  van  iemand  als  Hymans  de 
zalen  nog  eens  te  doorwandelen,  en 
heel  wat  nieuws  en  wetenswaardigs 
over  de  tentoongestelde  werken  te  ver- 
nemen. 


We  kunnen  den  auteur  hier  natuurlijk 
niet  in  zijn  veelvuldige  beschouwingen 
volgen  en  minder  ons  nog  wagen  aan 
een  ontleding  van  de  verschillende 
meeningen  welke  hij  uitspreekt.  Over 
het  algemeen  plan  van  zijn  opstel  echter 
een  woord :  zeer  terecht  heeft  hij 
gemeend  de  zeer  bekende  en  alom 
besproken  werken  alleen  met  een  vluch- 
tig woord  te  moeten  vermelden, —  maar 
des  te  meer  nadruk  te  leggen  op  de 
bespreking  van  de  weinig  bekende  en 
weinig  besproken  stukken,  welke  hier 
in  zoo  grooten  getalle  aanwezig  waren. 
Hierdoor  verkrijgt  zijn  boek  een  niet 
licht  te  overschatten  beteekenis,  ook  al 
werd  het  door  den  auteur  zelf  meer  als 
een  bundel  vluchtige  nota's  dan  als  een 
definitieve  en  geheel  doorwerkte  studie 
opgeval, 

B. 

peti:r  vischer  by  ckcil  headlam 
b.  a.  (handbooks  of  the  great 
craftsmen  >  edited  by  g.  c.  wil- 
liamson  litt.  d.)  london  george 

BELL  AND  SONS.  1901  >o^ 

|ET  Peter  Vischer  — 
eigenlijk  had  de  titel 
wel  de  Werkplaats 
van  de  Vischer s  mogen 
luiden  —  wordt  de  uit- 
gave der  Handbooks 
of  the  Great  Crafls- 
men  voortgezet.  De  tekst  werd  ditmaal 
door  Cecil  Headlam  geleverd  die,  zooals 
vele  critici,  zijn  taak  wellicht  wat  te 
veel  als  levens-  en  kunstbeschrijving  en 
te  weinig  als  kunstappreciatie  heeft 
opgevat. 

Verder  is  hij  misschien  wel  eens  wat 
haastig    in  't  vooropstellen    van    zijn 


150 


mceningeii  en  't  Irckken 
van  conclusies;  bijv. :  om- 
dat Pclcr  Vischer  Senior, 
e^nmiaal  duizend  florijnen 
ontving  voor  Zivei  grosze 
messene  Pilder,  besluit  de 
heer  Headlain  maar  dade- 
lijk dat  er  hier  sprake  is  van 
de  prachtige  bronzen  beel- 
den van  Theoderiky  koning 
der  Goihen  en  Koning  Ar- 
//iiir,  die  in  de  Franciscaner 
kerk  te  Innsbruck  het  graf 
van  keizer  Maximiliaan  om- 
ringen.  En  wel  Theodorik 
meer  bepaald  van  de  hand 
van  Pelcr  den  Vader,  ko- 
ning Arlhur  daarentegen 
van  Peler  den  Zoon.  En  dan, 
—  op  dit  thema  voortbor- 
durend —  moet  de  prachtige 
Delende  Madonna  in  't  Ger- 
maansche  Museum  te  Nfi- 
remberg  dan  ook  maar  van 
Peter  Junior  zijn  !  Hoewel 
er  zeker  veel  waarschijn- 
lijkheid voor  deze  opvattin- 
gen bestaat,  is  er  toch  ab.so- 
luut  daaromtrent  niets  ze- 
ker bewezen. 

Overigens  geeft  de  heer 
Headlam  wel  interessante 
bizon  derheden  uit  het  leven 
van  beide  artisten  —  het 
verdere  Vischergezin  —  de 
Vischerwerkplaats  en  heeft 
hij  de  vele  bronnen,  die  hij 
raadpleegde  met  grondigen 
ijver  bestudeerd. 

De  uitvoering  van  het  boekje  en  van 
de  vele  platen  is  natuurlijk  zeer  ver- 
zorgd, alleen  slaat  er  voorin  een  heel 
leelijk  sentimenteel  portret  van  Peter 
den  Vader  naar  een  modern-duitsche 
teekening. 


BOEKEN  EN 

TIJDSCHRIF- 

1'EN 


PETER  VISCHER  : 

EIGEN  PORTRET,  (Si.  Scbaldusgraf,  Neurenberg). 

[uil :  Cecil  ïhadlam.  Veter  Vischer,  landen,  George  BeU  S:  Sons. 


SIH  JOSHUA  REYNOLDS,  HIS  LIFE 
AND  ART  >  BIJ  LORD  RONALD 
SUTHERLAND  GOWER,  F.  S.  A.  > 
(BRIÏISH  ARTISTS'  SERIES)  >  LON- 
DON  GEORGE  BELL  AND  SONS,  1902. 
|i  /.E  onvermoeide  uit- 
gevers-firma geeft  se- 
dert eenigen  tijd  naast 
]  laar  vele  andere  groo- 
tere en  kleinere  wer- 
ken over  buitenland- 
sche  Artisten  ook  een 
BrilishArtists' series  uit,\vaarin  o.a, reeds 
studies  over  Burne-Jones,  Leighton, 
Milais  verschenen  zijn.  Aantrekkelijke, 
gedistingeerde  boekjes,  in  keurige  wit- 
linnen  stempelbandjes,  met  goede  repro- 
ducties. 


151 


BOEKEN  EN 

nJDSCHRIF- 

TEN 


De  tekst  voor  Sir  Joshua  Reynolds, 
die  we  hier  meer  bepnnld  op  het  oog 
hebben,  en  waarvan  de  bewerking  aan 
Lord  Sutherland  werd  toevertrouwd, 
is  bepaald  minder  goed  dan  we  het  van 
de  auteurs  der  Bell-firma  gewoon  zijn. 

De  schrijver,  die  overtuigd  is  dat  er 
nooit  een  grooter  artist  dan  Reynolds 
bestaan  heeft,  verdiept  zich  o.  ni.  in 
wljdloopige  beschouwingen  hoe  de  vele 
nu  gebarsten  en  gehavende  stukken  van 
den  Kngelschen  meester  er  wel  zouden 
hebben  uitgezien  als  hij  niet  zoo'n  over- 
dadig gebruik  van  sterke  pigmenten 
gemaakt  had,  die  een  groot  deel  van 
zijn  werk  reeds  lang  voor  zijn  dood  ver- 
nielden.Verder  volgt  hij  de  o.  i.  meestal 
verkeerde  methode  om  het  Leven  van 
den  Mensch  en  de  Producties  van  den 
Kunstenaar  dooreen  te  haspelen,  waar- 
door meestal  een  verwarde  voorstelling 
ontstaat. 

De  bronnen,  waaruit  hij  de  levens- 
bizondcrheden  putte,  zijn  echter  ook 
door  hem  zeer  gewetensvol  bestudeerd 
en  H  is  aangenaam  om  iets  meer  te 
weten  van  dezen  op  het  vastenland  te 
weinig  bekenden  kunstenaar,  die  een 
groote  mate  van  distinctie  in  zijn  werk 
wist  te  leggen,  vooral  in  zijn  polret- 
tcn  van  vrouwen  en  kinderen,  en  die 
daarom  vooral  een  interessante  ver- 
schijning blijft,  omdat  hij  bijna  geheel 
selfmade  was  en  in  den  goeden  piuiken- 
tijd  optrad,  toen  de  kunst  bijna  dood 
was  op  het  continent. 

A.  W. 

GESELLSCHAFT   FUR    VERVIELFAL- 
TIGENDE  KUNST  >  WIEN  >o^ 

|ET  voorname  Wcener 
Gezelschap  en  het 
door  dien  kring  uitge- 
geven tijdschrift  Die 
Graphischen  Künsle 
brachten  onlangs  het 
vijf-en-twintigstc  jaar 
van  hun  bestaan  ten  einde  en  niet- 
tegenstaande dien  cerbiedwaardigen 
levensduur  blijven  beide  nog  vol  levens- 


*4^.ê»^r 


;f*>.C»5i 


kracht  en  levenslust  en  hunne  uitgaven 
wel  de  merkwaardigste  in  hunnen  aard, 
die  in  Europa  verschijnen. 

Zoo  ontvingen  wij  nu  de  laatste  afle- 
vering van  den  25"  jaargang  en  de  eerste 
van  den  26".  Behalve  mededeelingcn 
van  huishoudelijkcn  aard  bevat  de  eerste 
der  twee  afleveringen  een  artikel  over 
Rudolf  von  Alt  ter  gelegenheid  van  zijn 
90>un  verjaardag.  Met  frissche  pen 
geschreven  is  het  artikel  rijk  geïllus- 
treerd. Het  bevat  talrijke  afbeeldingen  in 
den  tekst,  namelijk  verscheiden  gezich- 
ten uit  Oud-Wcenen  en  daarbij  drie 
platen  buiten  den  tekst :  een  wezenlijk 
prachtige  kleurendruk,  een  gezicht  op 
Durnstein  naar  eene  akwarel,  en  twee 
etsen,  de  eene  van  W.Woernlc,  de  andere 
van  William  Unger.  beide  meesterwerk, 
eveneens  naar  waleiverfschilderingcn 
van  den  jubilaris. 

De  eerste  aflevering  van  den  26"  jaar- 
gang bevat  een  dikken  bundel  •  Studiën 
und  Forschungen  •  over  allerlei  wetens- 
waardigs,  een  uitvoerig  artikel  over 
den  hooggevierden  schilderFranzSluck, 
met  een  schat  van  afbeeldingen  binnen 
en  tusschen  den  tekst:  etsen,  fologravu- 
ren  en  autotypien.  Een  tweede  uitvoerig 
artikel  handelt  over  den  onlangs  afge- 
storven schilder  Ludvvjg  von  Gleichen- 
Russwurni  in  gelijkeh  trant  geïllus- 
treerd. 

Daarbij  zendt  het  gezelschap  aan  hare 
leden  eene  groote  prachtige  ets  van 
William  Unger  naar  Franz  Stuck's 
Bacchaniensioet,  verbazend  van  kleur, 
van  leven,  van  malschheid  en  wel  het 
moedwillige,  haast  baldadige  van 
's  kunstenaars  teekening  en  schildering 
weergevende. 

Verder  liet  het  Gezelschap  nog  ver- 
schijnen zijn  Jahres-Mappey  bevattende 
zes  groote  bladen,  een  kleurenets  door 
Richard  Ranft,  drie  etsen  door  Oscar 
Graf,Richard  Muller  en  Otto  Uhbelohde, 
een  kleuren-lithographie  door  Emiel 
Orlik  en  een  hcliogravure  naar  eene 
teekening  van  Felix  Jeneweins :  alles 
kruimige,  springlevende  kunst. 

M.R. 


152 


JAN  VAN  BRUGGE 


E  regeering  van  Lodewijk  van  Male,  geken-  JAN 
merkt  evenals  de  regeeringen  van  alle  graven  VAN  BRUGGE 
van  Vlaanderen  door  jaren  van  vrede  en  jaren 
van  oorlog,  niïiar  vooral  door  den  bloei  der 
gemeenten  die  na  de  roemrijke  zegepraal  van 
1302  tot  een  ongewonen  graad  van  welvaart 
en  macht  gestegen  waren,  draagt  de  eer  weg, 
de  eerste  Viaamsche  kunstenaars  te  zien  ver- 
schijnen, van  wie  liien  ten  minste  naast  den  naam,  ook  enkele  kleine 
levensbijzonderheden  en  eenige  wei-ken  kent. 

Op  het  einde  der  xiv***"  eeuw  openbaarde  zich  die  buitengewone 
kunstbloei,  en  wel  op  een  wijze  die  bewijst,  door  de  hooge  ontwik- 
keHng  waartoe  de  kunstenaars  gekomen  waren,  dat  men  niet  meer 
stond  voor  onhandige  pogingen,  maar  dat  een  reeks  kunstenaars 
voorafgegaan  waren  wier  werken  voor  ons  grootendeels  verloren 
zijn  en  die  een  voorbereidend  stadium  zijn  geweest.  Het  waren  vooral 
de  kerkv^ersieringen,  heerlijke  grootsche  muurschilderingen  waarvan 
we  nu  en  dan  onder  de  kalkverf  een  brok  terugvinden. 

Jan  van  Hasselt,  schilder,  te  Kortrijk  verblijvende,  werd  in  1374 
op  verzoek  van  graaf  Lodewijk  van  Male,  belast  met  de  versiering  der 
kapel  der  graven  van  Vlaanderen  in  de  kapittelkerk  van  Onze-Lieve- 
Vrouw,  waarin  hij  de  portretten  schilderde  van  28  graven  van  Vlaan- 
deren, Lodewijk  van  Male  inbegi'epen.  Andries  Beauneveu,  schilder 
en  beeldhouwer  van  Valencijn,  werd  insgelijks  ontboden  om  het 
snijwerk  der  nissen  uit  te  voeren  waarin  de  portretten  afgebeeld  waren, 
en  wellicht  leverde  hij  dan  ook  het  zoo  mooie  beeld  der  H.  Katharina, 
beschermheilige  der  kapel,  dat  heden  nog  de  kerk  versiert. 

Een  tijdgenoot  van  deze  twee  kunstenaars  was  Jan  van  Brugge, 
die,  hoewel  hij  wellicht  heel  weinig  in  Vlaanderen  verbleef  —  geen 
sporen  vindt  men  van  zijn  verblijf  te  Brugge  —  voor  de  geschiedenis 
der  Brugsche  schilderschool  van  het  hoogste  belang  is,  omdat  hij 
de  eerste  niet  naamlooze  kunstenaar  is  waarmede  de  geschiedenis 
dezer  school  mag  geopend  worden,  en  vooral   omdat  hij   optreedt 


OiiZB  Kunst  1903,  Afl.  5,    XIX 


153 


JAN  zoo  in  eens,   met  een   talent,  met  een  knnstgenie  die  bewonderens- 

VAN  BRUGGE     waardig  zijn. 

Zijn  naam  en  zijn  werken  verraden  zijn  Vlaamschen  oorsprong, 
zijn  bijnaam  alleen :  Jan  van  Brugge  want  we  zien  verder  dat  zijn 
echte  familienaam  in  deze  laatste  jaren  ontdekt  werd  laat  ons 
vermoeden  dat  hij  te  Brugge  of  in  de  omstreken  geboren  werd. 

Het  is  in  het  handschrift  van  een  bijbel  met  miniaturen  versierd, 
heden  berustend  in  het  Museum  Westhreenianum  te  's  Gravenhage, 
dat  men  voor  het  eerst  den  naam  aantreft  van  den  Brugschen  kunste- 
naar en  wel  in  het  volgende  latijnsche  opschrift,  dat  de  eerste  minia- 
tuur van  het  boek  voorafgaat  : 

«  Anno  Domini  millesimo  trecentesimo  septuagesimo  primo,  istud 
»  opus  pictum  fuit  ad  preceptum  et  honorem  illustri  principi  Karoli 
»  regis  Francie,  etatis  sue  trecesimo  quinto  et  regni  sui  octavo,  et 
»  Johannes  de  Brugis,  pictor  regis  predicti,  fecit  hanc  picturam  pro- 
»  pria  sua  manu.  » 

Deze  eerste  oorkonde  leert  ons  dus  dat  Jan  van  Brugge  in  1371 
schilder  was  van  Karel  V  den  Wijze,  Koning  van  Frankrijk. 

Een  andermaal  werd  den  naam  van  Jehan  de  Bruges  ontmoet 
door  J.  M.  Richard  (*)  in  een  rekening  die  bewees  dat  de  schilder  80 
pond  ontving  in  den  loop  der  jaren  1371  tot  1373  voor  het  versieren 
van  den  draagstoel  der  gravin  van  Vlaanderen  en  Artois. 

Jules  Guiffrey,  schrijver  van  de  Hisloire  générale  de  la  Tapisserie^ 
ontdekte  verder  in  de  rekeningen  van  Lodewijk,  hertog  van  Anjou, 
broeder  van  Karel  V,  dat  dezelfde  Jan  van  Brugge,  in  de  jaren  1378 
tot  1379,  «  pourtraictures  et  patrons  »  schetste  voor  de  tapijtwerken 
welke  Nicolas  Bataille,  de  Parijsche  haute-lissier,  voor  dezen  prins 
vervaardigde  en  die  nu  in  de  Hoofdkerk  van  Angers  berusten. 

Eindelijk  verschijnt  nog  eens  den  naam  van  den  Brugschen 
kunstenaar  in  de  rekeningen  van  Lodewijk  van  Anjou,  in  de  maand 
Januari  1379,  maar  ditmaal  gespeld  «  Jehan  de  Burges,  peintre  et 
valet  de  Chambre  du  Roy  »  waarin  hem  toegekend  wordt  een  som 
van  120  pond  voor  «  les  bons  services  qu'il  lui  a  fait  en  faisant  certai- 
nes  pourtraictures.  »  De  kunstenaar  ontving  50  pond  in  Januari  1379 ; 
50  pond  in  Juli  en  het  overige  den  7***^"  Maart  1381.  (-) 

Deze  eerste  documenten  samengevat  door  B.  Prost  (^)  wierpen 
slechts  zeer  weinig  licht  op  het  leven  van  den  kunstenaar.  Zijn  naam, 
zijn  oorsprong,  zijn  geboorteplaats,  zijn  eerste  stappen  op  de  baan  der 
kunst,  de  naam  van  zijn  meester,  indien  hij  er  een  had,  de  namen 
zijner  leerlingen,  indien  hij  er  vormde,  het  jaartal  zijner  dood,  al  die 

(*)  Archioes  de  VAri  frangais,  1878. 

(*)  Mgr.  De  Haisnes. 

(»j  Gazeite  des  Beaux-Arls,  1892. 


154 


JAN  VAN  BRUGGE :  Koning  Karel  V  van  Frankrijk  ontvangt  een  handschrift 
uit  de  handen  van  zijn  Kamerheer,  (miniatuur  uit  La  Bible  Hystorians). 
(Museum  Meermanno  Westhreenianum,  den  Haag). 


155 


JAN  bijzonderheden  die  gering  schijnen,  maar  die  soms  zoo  plots  een 

VAN  BRUGGE  helder  licht  kunnen  werpen  op  een  heel  tijdstip  en  bijdragen  om  de 
schakels  te  vormen  van  de  keten  der  kunstgeschiedenis,  dat  alles  bleef 
raadsel. 

B.  Prost  mocht  erin  slagen  eenige  nieuwe  oorkonden  te  ontdek- 
ken die  weer  een  hoekje  van  den  sluier  ophieven,  en  wel  in  de  Natio- 
nale Archieven  van  Frankrijk  (Trésor  des  Chartes.  Registre  J.  J.  Q.  Q. 
fol.  72,  n°  193)  : 

«  Charles...  enz...  savoir  faisons  que  pour  considérations  des  bons 
»  et  agréables  services  que  nostre  amé  Jehan  de  Bondolf,  dit  de 
»  Bruges,  nostre  paintre,  nous  a  faiz  Ie  temps  passé,  fait  encores  chacun 
»  jour...  enz.  et  lui  donne  une  maison  a  Saint  Quentin,  a  Fenseigne 
»  du  Faucon. 

«  Donné  è  Paris,  en  nostre  Chastel  du  Louvre,  au  mois  de 
»  Décembre,  Fan  mil  CCC.LXVIII.  » 

Onder  den  datum  1374  vindt  men  in  de  Journaux  du  trésor  : 
«  Joannes  Bandol,  pictor  regis  ad  vadia  de  200  libris  parisiensium  per 
»  annum  tali  conditione  quod  tenebitur  servire  in  omnibus  operagiis 
»  picture  que  rex  precipiet  fieri,  absque  aliis  vadiis,  lam  pro  se  quam 
»  pro  famulo  suo.  Nihil,  quia  fuit  in  suis  negotiis  et  voluit  sibi  deduci.  » 
Onder  den  datum  1378  :  «  Johannes  Bandol,  pictor  regis,  ad  vadia  de 
«  IP  1.  paris,  per  annum,...  enz.  » 

En  het  laatst  wordt  van  hem  gewaagd  in  de  Recepta  communis 
Thesauri,  1380  : 

«  Joannes  Bandol  nobis  super  vadiis  suis  ad  vitam.  C.  francos 
»  XX*  februarii.  » 

Uit  deze  oorkonden  blijkt  het  dat  de  naam  Jan  van  Brugge  slechts 
een  bijnaam  was,  die  gewoonlijk  de  geboorteplaats  van  den  drager 
aanduidt,  dat  zijn  echte  familienaam  Jan  van  Bondolf  of  Bandol  was, 
dat  hij  een  huis  bezat  te  St.  Quentijn,  genaamd  de  Valk  en  dat  hij  een 
leerling  had  die  met  hem  werkte. 

Verder  gaat  het  licht  weer  uit  op  het  leven  van  dien  kunstenaar. 

Jan  van  Brugge  leefde  bij  een  meester  die  een  buitengewoon 
kunstliefhebber  was,  en  vooral  een  liefhebber  van  handschriften. 
«  Bien  Ie  demonstroit,  »  zegt  Christine  de  Pisan,  (*)  «  par  la  belle 
»  assemblee  de  notables  livres  et  belle  librairie  qu'il  avait  de  tous  les 
»  plus  notables  volumes  qui  par  souverains  auteurs  aient  esté  compi- 
»  lés,  soit  de  la  Sainte  Escripture,  théologie,  de  philosophie  et  de 
»  toutes  Sciences,  moults  bien  escrips  et  richement  adornez.  » 

(«)  Faüs  de  Charles  V. 


156 


JAN  VAN  nniGGi:  : 

Fragnionl  vnn  <Ip  lapijtworkon  van  i\v  Ojtfuhariiuj 
(Kathedraal.  Angors). 


JAN  zajjen,  schijnt  de  I^tijnsche  tekst  te  bewijzen  dat  Jan  van  Brugge  er 

VAN  BRLCiüE     slechts  één  maakte. 

Wellicht  versierde  de  Brugsche  kunstenaar  andere  werken  voor 
zijn  meester  KarelV,  die  een  groot  boekenliefhebber  was.  Maar  tusschen 
de  perkamenten  folios  blijven  de  schatten,  merkwaardig  bewaard,  ver- 
holen en  naamloos,  tot  op  het  oogenblik  dat  een  of  andere  omstan- 
digheid ons  den  naam  van  den  kunstenaar  aan  het  licht  brengt. 

Doch  zijn  kunstroem  steunt  niet  enkel  op  de  miniatuur  van  de 
Vulgata,  maar  vooral  op  de  ontwerpen  door  hem  geteekend  voor  tapijt- 
werken  welke  een  Parijsch  tapijtwever,  Nicolas  Bataille,  voor  Ix)de- 
wijk  I,  hertog  van  Anjou,  uitvoerde.  Lodewijk  van  Anjou,  broeder  van 
Karel  V,  was  een  kunstminnaar,  die  niet  aarzelde  groote  sommen  te 
besteden  aan  de  voldoening  van  zijn  kunstzin.  Zoo  liet  hij  voor  zijn 
slot  te  Angers  een  reusachtig  tapijtwerk  maken,  dat  de  wanden  van  een 
der  zalen  moest  versieren,  en  waarover  J.  Guiffrey,  die  in  het  Registre 
de  la  Trésorerie  des  ducs  d'Anjou^  opzoekingen  deed  voor  zijn  werk 
Nicolas  Bataille,  tapissier  parisien  du  xiv*  siècley  sa  uie,  son  (xiwre  et 
sa  familie^  de  twee  belangrijke  hier  volgende  artikelen  vond  : 

«  A  Nicolas  Bataille,  sur  la  fa?on  de  deux  draps  de  tapisserie  a 
»  rhistoire  de  TApocalice,  qu'il  a  faiz  pour  monsieur  Ie  duc,  par  Ie 
»  mandement  rendu  ei  dessus  en  la  prouchaine  partie  et  quictance  du 
»  dit  Nicolas,  donnée  Ie  septième  jour  d  avril  1377,  1000  franz. 

«  A  Hennequin  de  Bruges,  peintre  du  Roy,  Notre  Seigneur,  par  ce 
»  qui  lui  peut  ou  pourra  estre  due  a  cause  des  pourtraictures  et  patrons 
))  par  lui  faiz  pour  les  ditz  tappiz  a  listoire  de  TapocaHce,  par  mande- 
))  ment  du  dit  notre  seigneur  Ie  lieutenant,  donné  Ie  derrenier  jour  de 
»  janvier  1377  et  quictance  du  d.  Hennequin  de  Bruges,  donné  Ie  vingt 
»  huitième  du  dit  mois^  5()  franz.  » 

Zoo  werd  ons  in  eens  den  naam  bekend  van  den  kunstenaar  die 
de  ontwerpen  teekende  en  van  den  tapijtwever  die  zijn  cartons 
uitvoerde. 

Jan  van  Brugge  gebruikte,  voor  het  maken  zijner  modellen,  een 
handschrift  met  miniaturen  versierd  :  l Apocalypse  en  franfois  loute 
figurée  el  ystoriée  et  en  prose,  dat  toebehoorde  aan  Karel  V,  en 
welke  deze  tot  bovenstaand  doel  aan  zijn  broeder  den  hertog  van 
Anjou  leende,  zooals  blijkt  uit  een  nota  in  margina  van  den  cataloog 
der  boeken  van  Karel  V  :  «  Le  roy  Ta  baillée  a  Monsieur  d'Anjou 
»  pour  faire  son  beau  tappis.  »  (*) 

Dit  boek  maakte  lang  deel  uit  van  de  bibliotheek  van  Lodewijk 
van  Brugge,  heer  van  Gruuthuuse,  en  berust  heden  in  den  LouvTe 
(N°  403,  Fonds  francais). 

Wellicht  zocht  Jan  van  Brugge  zijn  inspiratie  voor  zijn  cartons  in 

(«)  A.  GiRY :  VArt  1876,  blz.  301. 


158 


JAN  VAN  BRUGGE  (?)  : 

Miniatuur  voor  Mattheus  Evangelie  in  La  Bible  Hyslorians 

(Museum  Meermanno  Westhreenianum,  den  Haag). 


159 


JAN  andere  handschriften  nog,  want  er  bestond  te  dien  tijde  heel  een 

VAN  BRUGGE  literatuur,  rijk  versierd  met  miniaturen,  betreffende  de  Openbaring  van 
Johannes  te  Patmos.  Doch  waar  Jan  van  Brugge  ook  zijn  inspiratie 
zocht,  hij  verwerkte  de  stof  met  een  geniaal  talent,  en  zijn  roem  is  er 
niet  minder  om,  evenmin  als  de  roem  van  Shakespeare  verminderd 
is  omdat  hij  soms  het  onderwerp  of  zelfs  geheele  tooneelen  voor  zijn 
drama*s  JetterUjk  overnam  uit  werken  van  tijdgenooten. 

Te  uitgebreid  zou  een  nauwkeurige  beschrijving  zijn  van  die  reeks 
tafereelen  en  een  korte  inhoud  van  het  boek  van  Johannes  te  Patmos, 
korte  inhoud  die  slechts  de  onderwerpen  volgt  door  Jan  van  Brugge 
behandeld,  zal  beter  nog  een  denkbeeld  kunnen  geven  van  de  epische 
grootheid  van  het  onderwerp  door  den  Brugschen  meester  behandeld. 

Johannes  zal  aan  de  zeven  kerken  van  Azië  zijn  Openbaring  zen- 
den :  hij  heeft  God  gezien,  tronend  tusschen  zeven  kandelabers,  op  een 
regenboog  :  de  vier  dieren,  mensch,  adelaar,  leeuw  en  kalf,  zitten 
rondom  hem,  alsook  de  ouderlingen  die  God  aanbidden  en  zijn  lof- 
zang zingen.  Zij  wachten  op  hem  die  waardig  is-  het  heilige  boek  te 
openen.  Jesus-Christus,  voorgesteld  door  het  geofferde  lam,  is  alleen 
waardig  de  zegelen  van  het  boek  te  ontsluiten.  Als  de  eerste  zegel 
ontsloten  wordt,  vertrekt  de  overwinnaar  met  boog  en  pijl,  gezeten 
op  een  wit  paard,  om  te  strijden  voor  de  kerk.  Ook  hongersnood  op 
een  zwart  paard,  en  de  dood,  onder  den  vorm  van  een  geraamte, 
vertrekken  om  den  dood  te  wreken  van  hen  die  stierven  voor  het 
geloof.  De  vorsten  en  al  de  grooten  der  aarde  gaan  schuilen  in  de 
bergen,  vluchtend  de  woede  van  God.  De  martelaars  komen  God,  en 
het  heilige  lam  dat  op  zijn  schoot  rechtstaat,  bedanken  omdat  Hij  hen 
gered  heeft. 

Weldra  zullen  de  zeven  engelen  hunne  trompetten  doen  weer- 
schallen :  een  engel  die  voor  God  staat,  tronend  boven  een  brandend 
altaar,  vervult  zijn  wierrook  vat  met  het  vuur  van  het  altaar,  en  werpt 
het  op  aarde;  hagel,  vuur  en  bloed  vallen  neder,  de  zee  wordt  rood 
van  bloed  en  verslindt  schepen  en  matrozen,  een  ster  stort  neder  op 
aarde  en  de  lieden  vallen  dood,  de  arend  die  zweeft  in  de  lucht  voor- 
spelt de  verdelging  van  de  stad,  de  afgrond  gaat  open  en  de  sprink- 
hanen met  menschengelaat  verslinden  de  menschen.  De  vier  engelen 
die  op  den  Euphrates  gebonden  waren  en  die  het  derde  gedeelte  van 
het  volk  moesten  vernietigen,  worden  losgelaten,  ze  trekken  ten  strijde, 
op  hunne  paarden  met  vuurspuwend  leeuwenhoofd.  Een  engel  ver- 
schijnt die  verkondt  dat  de  zevende  engel  de  trompet  zou  blazen 
wanneer  het  mysterie  Gods  zou  volbracht  zijn  en  schenkt  aan  Johan- 
nes, opdat  hij  het  verslinde,  het  heilige  boek. 

Een  engel  geeft  aan  Johannes  een  roede  om  den  tempel  van 
God  te  meten  en  het  getal  van  hen  die  er  Hem  aanbidden.  God  zal 


160 


JAN  VAN  BHl  GGK 

Fragment  van  de  lapijlwerken  van  de  Openlnirimj . 

l Kathedraal,  Angers). 


twee  getuigen  op  aarde  zenden  om  te  prophetiseeren,  zij  zullen  won-  JAN 
deren  volbrengen,  maar  toch  worden  zij  eens  overwonnen  door  het  VAN  BRUGGE 
beest  met  menschenhoofd,  en  hunne  lijken  liggen  in  de  straat.  Doch 
een  engel  roept  ze  op  en  ze  stijgen  ten  hemel,  terwijl  een  aardbeving 
een  tiende  gedeelte  van  de  stad  doet  instorten.  De  zevende  engel 
blaast  de  trompet.  God  verschijnt  in  de  wolken,  aangebeden  door  de 
ouderlingen.  Dan  gebeurt,  bij  het  schallen  der  zevende  trompet,  het 
groote  wonder  der  vrouw  die  het  kind  baart  dat  geroepen  is  om*  over 
al  de  volkeren  te  regeeren.  Een  draak  verschijnt  om  het  kind  te  ver- 
slinden, doch  het  wordt  door  een  engel  gered.  De  heilige  Michaël, 
gevolgd  door  de  schaar  der  engelen  vangt  den  strijd  aan  met  den 
draak  die  op  aarde  geworpen  wordt,  waar  hij   de  vrouw  vervolgt  : 
hij  spuwt  een  stroom  van  vuur  tegen  de  vrouw  die  gered  wordt  door 
de  engelen,  en  gaat  den  strijd  voeren  tegen  hen  die  de  geboden  Gods 
bewaren.  Uit  de  diepte  der  zee  rijst  het  ondier  met  zeven  hoofden  op 
en  ontvangt  van   den  draak  den  scepter  der  macht.  Het   saamge- 
stroomde  volk  komt  den  draak  en  het  ondier  aanbidden.  Een  tweede 
ondier  rijst  uit  de  aarde  op  en  oefent  op  de  menschen  een  overgroote 
macht  uit.  Tronend  op  het  altaar  Gods  wordt  het  aangebeden  door 
het  volk,  dat  het  door  wonderen  verleid  heeft.  Maar  het  lam  verschijnt, 
houdend  den  standaard  der  opstanding,  het  kalf  zetelt  op  den  troon, 
die  rust  op  den  regenboog,  en  een  engel  voorspelt  de  verdelging  van 
Babyion.  De  woede  van  God  zal  op  de  aarde  vallen,  reeds  rijzen  de 
zielen  op  van  hen  die  stierven  in  het  waar  geloof;  de  engelen  komen 
de  druiven  afsnijden  van  den  wijngaard  der  aarde  en  werpen  ze  in  de 
kuip  van  den  duivel,  volbrenger  van  Gods  woede.  Een  stroom  van 
bloed  overstroomt  de  streek,  de  vasen  inhoudend  de  woede  van  God 
worden  over  de  aarde  geworpen,  de  rivieren  worden  bloed,  het  vuur 
valt  uit  den  hemel;  de  groote  hoere,  beeld  van  Babyion,  tronend 
op  den  rug  van  het  ondier,  zal  ook  vernietigd  worden.  Een  engel  heft 
een  steen  op  die  Babyion  zal  verdelgen ;  reeds  ligt  de  hoere  in  de 
lijkwade  en  wordt  vernietigd  door  het  vuur. 

Het  woord  Gods  trekt  ten  strijde  tegen  de  vervolgers  van  zijn 
godsdienst,  de  roofvogels  worden  uitgenoodigd  tot  het  maal  van  den 
oorlog.  De  draak  die  voor  duizend  jaar  geketend  was  staat  weer  op 
om  de  heilige  stad  aan  te  vallen.  Maar  Gog  en  Magog  worden  door  het 
hemelvuur  verslagen.  Het  uur  der  redemptie  slaat ;  de  dooden  rijzen 
op  uit  aarde  en  zee,  en  Johannes  van  Patmos  ziet  het  nieuwe  Jerusa- 
lem  glinsterend  van  edelgesteente,  waartoe  een  engel  hem  leidt,  en  hij 
aanschouwt  God,  tronend  in  de  hoogte  met  het  heilige  lam. 

Dit  grootsche  onderwerp  dat  menig  kunstenaar  zou  afgeschrikt 
hebben,  durfde  Jan  van  Brugge  aan  en  voerde  hij  volkomen  ten 
goeden  uitslag. 


XX  161 


Schets  van  één  der  6  tapytreeksen  uit  de  Kathedraal  van  Angers.  (24  x  5,2  m.). 


JAN 

VAN  BRUGGE 


In  zes  groote  paneelen  (24  meters  lang  op  5,2  meters  hoog)  en 
bevattend  ieder  15  tafereelen,  behandelde  hij  het  onderwerp.  Telkens 
wordt  ieder  paneel,  dat  verdeeld  is  in  twee  reeksen  van  7  tafereelen, 
aangevangen  door  een  heilige,  tronend  in  een  gothische  nis  en  verdiept 
in  (Je  lezing  van  een  tekst.  Onder  ieder  tafereel  stond  den  tekst  van 
den  bijbel  betreffend  het  behandelde  onderwerp.  Boven  elk  paneel 
was  een  hemel  met  starren,  en  engelen  spelend  op  allerlei  instrumen- 
ten, van  onder,  aarde  met  bloemen,  planten  en  allerlei  dieren.  Van  de 
90  tafereelen  die  het  kasteel  van  Angers  versierden  en  dan  later 
gedeeltelijk  aan  de  Cathedraal  geschonken  werden,  zijn  er  70  volledige 
overgebleven  en  8  fragmenten,  12  tafereelen  zijn  gelïeel  verdwenen. 

Wilde  men  den  Vlaming  zoeken  in  deze  paneelen  dan  zou  men 
hem  terug  vinden  in  enkele  bijzonderheden  van  bouwkunst,  zooals 
dèn  Vlaamschen  trapgevel  dien  men  op  enkele  plaatsen  ontmoet. 
Maar  vooral  in  de  stoutheid  van  het  onderwerp,  in  die  ware  waag- 
halzerij het  moeilijkste  boek  uit  den  Bijbel  te  behandelen,  her- 
kent men  den  Vlaming.  Niets  was  lastiger  dan  de  visioenen  van 
Johannes  te  Patmós  in  beeld  te  brengen,  die  visioenen  met  hunne 
fantastische  bevolking  van  monsters  en  gedrochten,  ontzettend  van 
vorm  en  samenstelling,  met  hunne  verbazend  duistere  gebeurte- 
nissen. 

Deze  moeilijkheden  overwon  de  kunstenaar;  en  in  hem  mag 
men,  zoo  niet  den  wer keiijken  vader  zien  van  gansch  de  Brugsche 
schilderschool,  toch  wel  een  synthetische  figuur  van  den  invloed 
dien  het  midden  op  een  man  van  talent  uitoefent.  Datzelfde  midden 
werkte  ook  op  de  volgende  kunstenaars,  en  zoo  zal  men  in  Van  Eyck 
dezelfde  majestatische  figuren  vinden  van  God,  Maria  en  Johannes 
(Aanbidding  van  het  Lam),  als  men  ontmoet  in  het  groote  heiligen- 
beeld dat  ieder  der  zes  paneelen  der  Apokalyps  tapijten  vooraf- 
gaat ;  zoo  zal  men  in  Memling  datzelfde  durven  ontmoeten  in  het 
behandelen  in  e^n  enkel  tafereel,  van  de  Passie  Christi  of  het  Leven 
van  Maria,  als  men  in  Jan  van  Brugge's  Apokalyps  behandeling  ont- 
moet ;  en  zoo  ook  zijn  aan  zijn  monsters  en  gedrochten,  de  fantas- 
tische monsters  van  Bosch  en  Breughel  verwant. 

Een  kunstenaar  die  zulke  cartons  leverde,  zal  zich  niet  bepaald 
hebben  bij  dat  enkel  werk.  Een  rekeningboekje  van  een  of  ander  prins, 


162 


wat  stoffige  papieren  rustend  ergens  in  een  archief,  bevatten  misschien  JAN 

het  geheim  van  andere  werken  van  den  Brugschen  kunstenaar,  en  VAN»  BRUGGE 

zullen  wellicht  eens  hun  geheim  onthullen,  zooals  zij   ons  zijn  waren 

naam  en  zijn  Openbaring  lieten  kennen. 

Jan  van  Brugge  stierf  waarschijnlijk  omstreeks  1390.  Het  is  enkel 
een  vermoeden,  omdat  in  dit  jaar  Andries  Beauneveu  van  Valencijn 
als  schilder  van  den  vorst  optreedt. 

Jan  van  Brugge  behoort  met  den  gevoelvollen  meester  der  muur- 
schildering van  Sint  Lodewijk  uit  de  O.L.  V.  Kerk,  mei  den  krachtigen 
teekenaar  van  de  grafplaat  van  Wouter  Copman  (1387)  in  de  Sint 
Salvator's  Kerk  te  Brugge,  tot  die  reeks  meesters  die  de  verschijning 
der  Van  Eyck's  voorbereid  hebben.  Om  die  verschijning  te  begrijpen, 
die  anders  een  wonder  zou  zijn  in  de  geschiedenis  der  menschheid^ 
moet  men  in  denkbeeld  terug  gaan  leven  in  die  halve  eeuw  die 
de  komst  der  gebroeders  Van  Eyck  voorafging,  loopen  door  de 
kerken,  waarvan  de  muren  van  onder  tot  boven  versierd  waren 
mei  heerlijke  fresco  schilderingen  zooals  de  brokken  die  nu  en  dan 
onder  de  latere  kalkverf  ontdekl  worden  het  bewijs  ervan  leveren,  — 
moet  men  de  kasteelen  bezoeken  die  versierd  waren  met  tapijtwerken 
van  ontzaglijke  afmetingen,  behandelend  grootsche  onderwerpen,  in 
een  stijl  en  een  coloriet  die  niet  onderdoen  voor  die  der  Van  Eyck's 
als  bewijst  het  tapijtwerk  der  Openbaring  te  Angers;  moet  men  zich 
nederbuigen  op  die  grafplaten  gesneden  in  het  koper  als  die  van 
Wouler  Copman  en  als  die  van  een  kunstenaar  uit  het  tijdstip  van  Jan 
Van  Eyck  en  gesneden  voor  het  graf  van  Joris  de  Munter  en  zijn 
vrouw  (1439)  (Sint  Salvator's  Kerk).  De  weergade  van  deze  twee 
levensgroote  figuren  — gesluierd  in  hunne  lijkwade,  prachtig  gedrapeerd 
als  de  mooiste  beelden  uit  den  klassiek-griekschen,  heldenlijd,  zoekt 
men  te  vergeefs  in  gansch  onze  Vlaamsche  Schild erschool.  Kunstenaars 
die  op  zulke  meesterlijke  wijze  konden  samenstellen,  groepeeren  en 
teekenen,  behooren  niet  meer  tot  de  onhandige  naïeve  «  primitieven  * 
maar  zijn  de  waardige  kunstvaders  der  Van  Eyck's. 

Hendrik  de  Marez. 


163 


H.  P.  BERLAGE,  Architect :  c  Park-Wyck  >  In  de  Van  Eeghenstraat  te  Amsterdam. 


NAAR  AAN- 
LEIDING VAN 
«  PARK- 
WYCK  » 


NAAR  AANLEIDING  VAN 


"  PARK-WYCK  „ 


ET  was  in  het  voorjaar  van  1893  dat  ik  het 
dienstig  achtte  in  «de  Gooi-en  Eemlander» 
JL^ts  te  schrijven  naar  aanleiding  van  de  villa 
van  den  Heer  Frederik  van  Eeden.  Hel  ging 
k)en  over  het  kleine  wit-gepleisterde  villatje 
dat  te  Bussum  gebouwd  was.  In  enkele  regels 
vatte  ik  mijn  gedachte  daarover  samen,  be- 
toogende  dat  dit  werk  beter  was,  dan  wat  er 

gewoonlijk  in  het  Gooi  gebouwd  werd. 

Berlage  was  toen  juist  begonnen  eenvoudiger,  en  daarom  beter, 

werk  te  maken  dan  hij  vroeger  gedaan  had  en  het  kwam  mij  wensche- 

lijk  voor  dit  streven  aan  te  moedigen. 


164 


H.  1'.   flt:Jll,Ariï-:  N ï  ,  Arcliitrtl: 
m  Pflrk-Wyik  •  tl  e  Hul. 


Daarna  heb  ik  enkele  kleine  artikelen  geschreven  over  Berlage's  NAAR  AAN- 
werk  in  «  de  Kroniek  »  o.  a.  naar  aanleiding  van  het  kantoorgebouw  LEIDING  VAN 
aan  het  Sophiaplein  te  Amsterdam,   waarin  ik  eveneens  toejuichte  «  PARK- 
diens  streven  om  zoo  eenvoudig  mogelijk  werk  te  maken.  Tot  een  WYCK  > 
kritiek,  een  bepaalde  beoordeeling  der  kwaliteiten  van  Berlage's  kunst, 
heb  ik  het  nooit  gebracht;  en  daar  zijn  redenen  voor. 

Het  beoordeelen  van  bouwwerken,  in  het  algemeen,  is  geen  aan- 
genaam werk  in  een  tijdperk,  dat  het  ontleden  van  zulke  werken  den 
beoordeelaar  dichter  bij  die  werken  brengt,  dan  hem  lief  is.  In  het 
groot  bezien  is  er  aan  de  werken  van  het  einde  der  negentiende  eeuw 
zoo  weinig  begrip  van  kunst  te  bemerken,  dat  het  beoordeelen,  en  het 
telkens  constateeren  van  afwezigheid  van  begrip  van  kunst,  zou  doen 
denken  aan  het  najagen  van  nooit  te  verwezenlijken  ideeën  bij  den 
beoordeelaar.  Het  afkeuren  van  bijna  alles,  om  met  grooté  moeite  op 
enkele  eigenschappen  te  wijzen  die,  op  den  langen  duur,  misschien 
aanleiding  zouden  kunnen  geven  tot  ietwat  frisscher  kunst,  zulk 
afkeuren  is  geen  werk  waarmede  iets  bereikt  wordt. 

Komt  er  dan  plotseling  iets  beters  dan  waaraan  men  gewoon  is, 
zoo  is  het  voorzichtiger  dit  werk  meer  van  harte  toe  te  juichen  dan 
het  te  kritiseeren.  Immers  het  vellen  van  een  oordeel  over  werken 
ontsproten  uit  zoo-even  zich  ontwikkelende  gevoelens,  is,  als  het 
niet  uiterst  zorgzaam  geschiedt,  te  vergelijken  met  het  beroeren  van 
een  teer  spruitje;  er  is  meer  kans,  dat  't  plantje  er  zwakker  dan  sterker 
van  wordt. 

Zoo  wenschte  ik  ook  Berlage's  werk  niet  te  kritiseeren,  vóór  hij  in 
de  gelegenheid  zou  zijn  geweest  zich  in  eenig  werk  geheel  te  geven ; 
en  nu  met  den  Beursbouw  die  gebeurtenis  heeft  plaats  gehad,  is  de 
tijd  voor  kritiek  daar.  Berlage's  kunst  moet  besproken  worden  met  de 
Beurs  als  veld  van  kritische  studie  en  niet  met  een  werk  van  zoo  veel 
minder  omvang  als  «  Park-Wyck  ».  Het  is  daarom,  dat  hier  naar  aan- 
leiding van  dit  laatste  bouwwerk  slechts  enkele  opmerkingen  worden 
gemaakt. 

Het  verschil  tusschen  Berlage  en  zijn  vakgenooten,  die  omstreeks 
1880  begonnen  te  bouwen  bestaat  daarin,  dat  hij,  in  het  groot  bezien, 
bij  overigens  gelijksoortige  talenten  meer  geest  heeft  dan  dezen. 

Ten  einde  dit  duidelijk  te  maken  dient  gezegd,  dat  ik  onder  «talent» 
versta  de  begaafdheid  om  dadelijk  die  middelen  te  kiezen  die  tot  een 
bepaald  doel  leiden  en  dat  hier  met  «  geest »  bedoeld  wordt,  het 
onderscheidingsvermogen  om  uit  de  voorstellingen  die  ontstonden 
tengevolge  van  verschillende  waarnemingen  met  bewustheid  een  keuze 
te  doen. 

Geest  en  talent,  onderscheidingsvermogen  en  handigheid,  distinctie 


165 


NAAR  AAN- 
LEIDING  VAN 
cc  PARK- 
WYCK  » 


en  habiliteit,  ziedaar  verschillende  namen  voor  de  gaven,  die  Berlage 
bezit.  Het  is  daarmede,  dat  hij  de  architectuur  van  een  bepaalde 
periode  kan  typeeren  en  werk  kan  maken  belangrijk  voor  die  periode. 

Deze  zelfde  eigenschappen  zijn  ook  te  vinden  bij  Doctor  Cuypers. 
Ook  hij  is  een  talentvol  man,  die  in  zijn  jonge  jaren  toonde  distinctie 
te  bezitten,  toen  hij,  voor  de  vraag  komende  welke  vormen  voor 
moderne  katholieke  kerken  beter  nagemaakt  konden  worden,  de 
Gothische  of  de  Klassieke,  de  eerste  koos.  Ik  heb  het  reeds  meer 
gezegd  :  ware  Cuypers  op  dezen  weg  voortgegaan,  ware  het  niet  bij 
deze  ééne  keuze  gebleven,  maar  waren  er  telkens  en  telkens  meer  of 
minder  belangrijke  omwentelingen  in  zijn  werk  te  zien  geweest  ten- 
gevolge van  een  voortdurende  analyse,  dan  ware  Nederland  in  Cuypers 
een  genie  rijk  geweest.  Want  de  eigenschap  van  het  genie  is  deze,  dat 
het  niet  blijft  vasthouden  aan  een  eens  gedane  keuze,  maar  door  aan- 
houdend analyseeren  het  werk  opvoert,  tot  een  hoogte,  die  *t  niet 
meer  doet  zijn  belangrijk  voor  één  periode,  maar  voor  altijd. 

Uit  het  voortdurend  vergelijkend-ontleden  komt  bezield  werk 
voort,  dat  is  zulk  werk,  waarin  men  den  kunstenaar  voelt,  die  ten 
slotte  gekomen  is  tot  een  eindpunt  ;Van  menschelijke  beschouwingen. 

Het  onderscheid  tusschen  geestig  en  bezield  werk  berust  dan  ook 
daarop,  dat  het  eerste  ontstaat  tengevolge  van  het  onderscheidings- 
vermogen van  den  geest,  als  zijnde  een  deel  van  de  ziel,  het  tweede 
uil  de  ziel  zelve,  uit  de  ziel  in  haar  geheel,  waarbij  dan  met  «  ziel  » 
bedoeld  is  de  al-omvatting  van  dat  wat  leidt  tot  denken,  willen, 
voelen-en-be  wonderen. 

Het  is  de  plaats  niet  om  hier  op  deze  zaken  dieper  in  te  gaan ; 
toch  is  het  wenschelijk  de  verhouding  van  geest-talent  met  ziel-genie 
even  te  bepalen,  om  het  werk  van  Berlage  naar  behooren  te  beoor- 
deelen. 

Genie  staat  tot  de  ziel,  zooals  talent  staal  tot  den  geest.  Een  geniale 
aanleg  is  oorzaak  van  het  telkens  veranderen,  het  voortdurend  dieper 
indringen  in  het  leven  zelf.  Een  geniaal  kunstenaar  voelt  zich  steeds 
in  zijn  verhouding  tot  het  hem  omringende  Geheel,  en  tracht  dit  steeds 
inniger  in  zijn  werk  weer  te  geven.  Het  is  te  zien  uit  het  werk  van 
geniale  mannen,  hoe  zij  leefden  met  de  Oneindigheid  in  hun  hart. 

De  vraag  in  hoeverre  Berlage's  werk  geestig  en  talentvol  is,  kan 
nu  reeds  beantwoord  worden.  Of  het  geniaal  zal  worden,  zal  de 
toekomst  leeren. 


Het  onderscheidingsvermogen  —  den  geest  —  van  Berlage  heb  ik 
sinds  een  twaalftal  jaren  kunnen  constateeren.  Telkens  als  er  wat 
nieuws  gebeurde  op  architectuur  gebied,  maakte  hij  er  zich  van  mees- 
ter, bestudeerde  't,  deed  't  na,  nam  't  in  zich  op.  Ik  herinner  mij,  hoe 


166 


H.  P.  BERLAGE,  Architect :  «  Park-Wyck  »  schoorsteen  en  vensterbank  in  de  zitkamer. 

hij  niet  tevreden  met  hel  bestudeeren  der  uiterlijke  kenteekenen  van  NAAR  AAN- 
Gothiek  en  Renaissance,  er  toe  kwam  het  uiterlijk  van  alle  stijlen  te  LEIDING  VAN 
bestudeeren,  en  toen  brokstukken  van  alle  stijlen  en  van  alle  perioden  ^  PARK- 
boven  elkaar  stapelend  voor  den  dag  kwam  met  de  studie  voor  een  WYCK  » 
mausoleum,  een  tentoonstelUngsontwerp,  dat  dan  ook  op  een  der 
Parijsche  tentoonstellingen   heeft  gehangen.   Ik    herinner    mij    zijn 
enthousiasme,  toen  dat  leuke  boekje  van  Camillo  Sitto  uitkwam  over 
stedenbouw.  Berlage  bestudeerde  het,  nam  't  in  zich  op,  en  hield  er 
een  lezing  over  toegelicht  met  teekeningen.  Een  ander  maal  voelde  hij 
bewondering  voor  de  vlotheid  van  teekenen  van  den  overigens  nog  al 
lawaaiigen  Otto  Rieth  en  kort  daarop  onstonden  Otto-Riethsche  schet- 
sen. Een  paar  jaren  geleden  kwam  het  ontwerpen  op  een  stelsel  van 
driehoeken  in  zwang.  Berlage  ging  er  direkt  toe  over  en  ontwierp 
volgens  dat  stelsel  zijn  laatste  Beursproject. 

Zoo  zou  ik  kunnen  doorgaan  met  het  noemen  van  vele  voorbeel- 
den, waaruit  zou  blijken  zijn  lust  om  veel  in  zich  op  te  nemen,  te 
wikken  en  te  wegen,  te  onderscheiden,  na  te  doen. 

Zijn  handigheid  als  teekenaar  behoef  ik  niet  te  bewijzen.  Wie 
maar  eenig  teeken  werk  van  hem  zag,  weet,  hoe  vlot  hem  dit  van  de 


167 


NAAR  AAN- 
LEIDING VAN 
«  PARK- 
WYCK  » 


hand  gaat ;  daarover  is  geen  discussie  mogelijk  en  acht  ik  toelichting 
overbodig. 

Tengevolge  nu  van  dien  geest  gepaard  met  ^  die  handigheid  was 
Berlage  in  staat  te  koppelen  dal,  wat  in  hoofdzaak  aanleiding 
gegeven  heeft  tot  de  karakteristiek  van  wat  hij  tegenwoordig  maakt, 
te  weten  :  een  poging  om  constructief  en  een  poging  om  eenvoudig  te 
zijn. 

Zijn  waardeering  voor  Dr.  Cuypers  bracht  hem  er  toe  het  con- 
structieve streven,  zich  uitend  in  diens  binnen  architectuur,  te  volgen, 
en  zoo  ontstond  Berlage's  liefde  voor  het  geconstrueerde  intérieur. 
Wat  den  eenvoud  betreft,  de  neiging  daartoe  is  uit  Amerika  tot  hem 
gekomen.  De  groote  Amerikaansche  bouwwerken  zijn  te  buitenmo- 
dels van  vorm  dan  dat  de  versieringen  der  oude  bouwstijlen  op  den 
duur  daarop  konden  toegepast  worden. 

Een  gothische,  —  een  renaissance,  —  een  rococo-hemelkrabber  ! 
Neen,  dat  ging  niet.  De  Amerikaansche  architecten  moesten  wel  tot 
vereenvoudiging  komen  en  kozen  de  romaansche  vormen,  als  zijnde 
de  meest  constructieve.  Eerst  werden  de  romaansche  versieringen, 
kapiteelen,  tajidlijsten  enz.  nagemaakt ;  later  liet  men  die  weg  en  bleef 
de  eenvoudige  romaansche  gi-ondvorm  over.  Aangezien  die  grondvorm 
nu,  voor  moderne  behoeften,  de  eenvoudige  constructieve  vorm  bij 
uitnemendheid  is,  werd  er  in  de  nieuwe  wereld  werk  gemaakt,  dat  ons 
oplossingen  deed  zien  veel  soberder  dan  wij  gewoon  waren. 

Het  onopgesmukte  uiterlijk,  dat  ontstaat  door  het  terzijde  stellen 
van  alle  onnoodige  ornament  trok  Berlage  aan  ;  stel  daarnaast  het 
constructie  karakter  van  om  een  voorbeeld  te  noemen,  het  trappen- 
huis dat  Cuypers  gebouwd  heeft  in  de  woning  van  den  Directeur  van 
het  Rijksmuseum  ;  vat  in  gedachte  deze  twee  elementen  te  zamen  en 
het  werk  van  den  modernen  Berlage  staat  voor  u  met  zijn  gevels 
samengesteld  uit  muren  van  baksteen,  alleen  voorzien  van  bogen,  en 
met  zijn  intérieurs  gegroepeerd  om  een  constructieve  centrale  trap. 


Gevraagd  zou  kunnen  worden  :  a  Heeft  dit  moderne  werk  nu 
waarde  voor  de  Néderlandsche  kunst  als  kultuuruiting  of  is  het  mode- 
werk  ? 

Om  niet  in  het  ongereede  te  komen  dient  hier  een  korte  definitie 
van  «  mode  »  vooraf  te  gaan. 

Beschouwt  men  modewerk  als  te  bezitten  die  vormen,  die  zonder 
reden  van  noodzakelijkheid  of  doelmatigheid  louter  zijn  ontstaan  door 
willekeurige  ingevingen  van  het  oogenblik,  dan  is  Berlage's  werk  niet 
van  mode-invloeden  vrij  te  pleiten.  Dit  is  een  gevolg  van  zijn  geest  en 
van  zijn  handigheid. 

Ik  heb  gezegd  dat  zijn  werk  berust  op  zijn  onderscheidingsvermo- 


168 


H.  P.  BERLAGE,  Architect :  «  Park-Wyck  »,  de  Eetkamer. 

gen  èn  op  zijn  vlotheid  als  leekenaar.  Als  zijn  onderscheiding  goed  is,  jj^^jj  aAN- 
is  zijn  werk  goed.  Maar....  is  zijn  onderscheiding  niel  goed,  niet  rijp,  leIDING  VAN 
niet  bezonken,  niet  volkomen,  dan  speelt  zijn  handigheid  en  zijn  zucht  ^^  park- 
tot  veranderen  hem  parten  en  dan  komt  er  uit  zijn  handen  dat  vluch-  wyCK  » 
tige  werk,  waarvan  de  geesteHjke  waarde  recht  evenredig  is  aan  den 
weinigen  diepgang  der  onderscheiding,  dan  ontstaat   dat  werk,  dat 
alleen  een  tijdelijke  toejuiching  ten  deel  kan  vallen,  omdat  't  niet  is 
voortgekomen  uit  rijpe  overweging  maar  uit  willekeurige  ingevingen. 

Eerlijk  gezegd  is  er  in  Berlage's  werk  nog  heel  wat  modieus,  't  Is 
dat  deel,  waarmee  hij  het  meeste  succes  heeft  bij  de  groote  menigte, 
die  toch  eigenlijk  niet  vraagt  naar  grooten  diepgang;  't  is  dat  deel  wat  't 
meest  wordt  nagevolgd  door  de  architecten  van  minderen  rang,  die 
altijd  er  op  belust  zijn,  werk,  dat  opgang  maakt,  na  te  bootsen. 

Die  vlotte  oppervlakkigheden,  zooals  Berlage  ze  soms  te  zien  geeft, 
zal  men  nooit  bij  Cuypers  aantreffen.  Het  werk  van  den  eerste  is 
luchtiger,  en  minder  rijp,  maar  daarom  ook  frisscher  en  aantrekke- 
lijker dan  dat  van  den  laatste.  Cuypers  met  zijn  ernstig  doorwrocht, 
maar  ook,  zwaartillend  en  vermoeiend  werk  is  als  architect  eigenlijk 
nooit  in  de  mode  geweest.  Er  worden  thans  menschen  gevonden,  die 
lijden  aan  een  ware  Berlageo-manie ;  deze  eigenaardige  eer  is  Cuypers 
nooit  te  beurt  gevallen. 

In  hoeverre  staal  het  werk  van  Berlage  boven  de  mode,  in  hoe- 


XXI 


169 


NAAR  AAN- 
LEIDING  VAN 
c  PARK- 
WYCK  » 


verre  is  het  een  kultuuruiting  ?  Juist  voor  zooverre  het  een  uiting  is 
van  een  blijvende  verandering  in  den  tydgeest. 

Het  is  door  de  blooUegging  der  onderdeelen,  door  het  laten  zien 
der  onversierde  samenstelling,  dat  Berlage's  kunst  zich  aansluit  aan 
geestelijke  stroomingen  van  deze  tijden. 

Het  zou  mij  veel  te  ver  voeren  hier  te  gaan  bewijzen  dat  uit  de 
bestudeering  der  kultuurgeschiedenis  het  volgende  blijkt  :  de  moge- 
lijkheid een  constructieve  architectuur  te  kunnen  toepassen  wordt  den 
architect  gegeven  in  een  geestelijk  zich  ontwikkelende  kultuurperiode, 
en  daarmede  verbandhoudend  :  een  geestelijk  zich  ontwikkelende 
kultuurperiode  vindt  bevrediging  in  een  meer  constructieve  dan  deco- 
ratieve bouwkunst. 

Hij,  die  dit  voor  waar  wil  aannemen,  zal  begrijpen,  dat  de  waarde 
van  Berlage's  werk  zit  in  het  aanpassen  van  zijn  kunst  aan  de  stroo- 
mingen die  onze  kuituur  gaan  beroeren. 

Het  laatste  kwart  der  negentiende  eeuw  heeft  zich  geuit  in  een 
zinnelijke  architectuur  die  berust  op  uiterlijke,  —  op  vorm-hoedanig- 
heden.  Eeur  overgang  van  deze  tot  inniger  —  tot  constructieve  eigen- 
schappen wijst  op  eene  kentering  in  de  kuituur.  Het  is  Berlage  gegeven 
geweest,  dit  feit  door  zijn  werk  te  constateeren. 

Bedriegen  deze  teekenen  niet,  dan  is  zijn  werk  voorzeker  als  een 
blijde  boodschap  te  beschouwen.  Wanneer  de  lust  voor  louter  zinne- 
lijke genoegens  over  gaat  tot  meer  geestelijke,  wijst  dat  op  een  dieper 
denken,  een  ruimer  voelen,  een  zuiverder  bewonderen. 

Er  wordt  aan  dergelijke  verschijnselen  nog  te  weinig  waarde  ge- 
hecht en  toch  is  de  werking  van  de  kuituur  op  de  bouwkunst  een  der 
belangrijkste  en  onbedriegelijkste  kenteekenen  in  de  geestes-geschiede- 
nis  van  een  volk.  Als  men  langzamerhand  kunst  zal  gaan  leeren 
beschouwen  als  een  kultuuruiting  en  niet  meer  als  een  aanleiding  tot 
vermaak,  zal  de  beteekenis  van  deze  feiten  in  haar  vollen  omvang 
begrepen  worden. 


Ware  het  thans  mijn  bedoeling  op  Park-wyck  een  ernstige  kritiek 
te  leveren,  dan  zou  ik  behalve  de  bespreking  van  vorm,  kleur,  indee- 
lipg,  samenstelling  enz.,  deze  beide  vragen  moeten  beantwoorden  : 

welke  is  het  verband  tusschen  dit  bouwwerk  en  de  kultuurbe- 
grippen  die  heerschen  of  gaan  heerschen  ;  en 

zou  het  mogelijk  geweest  zijn  voor  den  architect  —  als  zijnde  een 
op  bestelling  werkend  kunstenaar  —  binnen  de  grenzen  door  de 
opdracht  gesteld,  werk  van  meer  beteekenis  te  maken? 

Doch  Park'Wyck,  als  zijnde  de  woning  van  een  particulier,  leent 
zich  niet  tot  dergelijke  beschouwingen,  en  hel  is  te  minder  noodig 
over   deze  dingen  hier  uit   te  weiden   nu  een  zooveel  belangrijker 


170 


H.  P.  BERLAGE,  Architect :  c  Park-Wyck  >,  de  Studeerkamer. 

we  rk  van  Berlage  eerstdaags  een  ruim  veld  voor  zulke  besprekingen  NAAR  AAN- 
kan  openen.  LEIDING  VAN 

Maar  wal  wel  gevoegelijk  kan  geschieden  is  hel  wijzen  op  eenige  «  PARK- 
verschilpunten  in  de  versiering  van  dit  moderne  werk  en  het  vrij  WYCK  » 
staand  buitenhuis  van  vroeger. 

Hier  geen  gekruld-  ijzeren  hekjes,  geen  banden  en  blokjes,  car- 
touches en  diamantkoppen  en  druipers,  geen  bogen  met  versierde 
vallingen,  geen  uithangende  balkons  en  geen  onbruikbare  erkers.  Er 
komt  iets  moois  in  werk  dat  al  deze  dingen  mist,  iets  dat  aansluit  bij 
de  natuur.  Immers  ook  daar  komen  geen  versierselen  voor  zonder 
doel ! 

Slechts  zijn  geverfde  band  versieringen  aangebracht  op  de  goot- 
lijsten  en  de  dakvenslers  en  op  een  paar  houten  balken  en  stijlen. 
Berlage  ontwerpt  dergelijk  ornament  met  smaak.  De  versiering  is  een 
uiterlijke ;  hoewel  vlot  gedaan  is  ze  overigens  zonder  eigenlijke  beteè- 
kenis,  zonder  zin,  zonder  waarde.  Is  het  daarom  dat  ze  succes  heeft 
en  nagedaan  wordt?  Reeds  nu  zijn  er  in  de  Van  Eeghenstraat  een  paar 
bouwwerken  te  zien  versierd  met  beschilderde  gootlijsten,  die  echter 
minder  smaakvol  zijn  dan  die  van  Park-wyck, 

Dat  overigens  bij  afwezigheid  van  versiering  de  kleur  van  Park- 
ivyck  rustig  is,  is  bijna  een  natuurlijk  gevolg. 


171 


NAAR  AAN- 
LEIDING VAN 
«  PARK- 
WYCK  » 


De  distributie  is  verdienstelijk  hoewel  ze  niets  bizonders  Ie  zien 
geefl.  De  kamers,  gegroepeerd  om  een  trappenhuis  komen  in  elkaar 
en  op  de  trapportalen  uit.  De  trap,  hel  trappenhuis  en  de  hal  zijn 
mooi;  zij  zijn  tengevolge  van  hun  eenvoudig  constructief  uiterlijk,  de 
best  geslaagde  gedeelten  van  de  binnenarchitectuur. 

Inwendig  is  Berlage  hier  overigens  zwakker  dan  uitwendig.  De 
houten  plafonds,  samengesteld  uit  schrooten  waartegen  geprofileerde 
latten  werden  gespijkerd,  zijn  zonder  architectonische  waarde.  De 
kasten  in  de  bibliotheek  gemaakt  als  verdiepte  muurkast,  waarvoor  de 
buitenmuur  eerst  moest  inspringen  en  later  weer  moest  uitspringen 
zijn  toch  wel  een  beetje  onnoozel  van  makelij.  De  schoorsteen  in  de 
salon  is  geen  meesterstuk.  Bij  deze  onderdeden  zit  de  mode-geest 
voor,  die  Berlage  succes  bezorgt.  Deze  dingen  zijn  anders  dan  in 
eenig  andere  woning,  zonder  dat  dit  anders-zijn  op  een  degelijke 
gedachte  berust. 

Moest  ik  in  een  paar  woorden  mijn  gevoelens  over  Park-wyck 
samenvatten  dan  zou  ik  zeggen,  uitwendig  :  frisch,  vlak,  fatsoenlijk, 
hier  en  daar  mooi,  b.  v.  aan  den  ingang;  inwendig :  soms  leuk,  soms 
genoegelijk^  soms  oppervlakkig  en  modieus,  maar  overal  knus  en  ge- 
zellig om  er  te  wenen. 


Wat  ik  noode  mis  is  diepgang  in  de  compositie.  Wat  mij  spijt  is 
het  ontbreken  van  schaduwen,  van  ruimte,  van  innigheid,  eigenschap- 
pen die  den  kern  raken  onzer  Hollandsche  kunst,  en  die  den  beschou- 
wer moeten  opvoeren  tot  't  hoogste  waartoe  kunst  leiden  kan. 

Niet  alleen  aan  Park-wyck  is  dat  gemis  waar  te  nemen,  ook 
Berlage's  andere  composities  toonen  hetzelfde  verschijnsel. 

Zal  dat  zoo  blijven  ? 

Ik  heb  er  op  gewezen  hoe  Berlage  steeds  geneigd  is  zijn  werk  te 
veranderen,  te  verbeteren.  Zal  hij  er  ook  ruimte  in  krijgen?  Als  hem 
dit  gelukken  mocht  zou  zijn  verschijning  inde  Hollandsche  bouwkunst 
veel  aan  waarde  gewonnen  hebben.  Mag  ik  zijn  werk  nu  dat  van  een 
man  van  geest  noemen,  als  het  ruimte  bevat  is  het  op  weg  bezield  d.  i. 
geniaal  werk  te  worden. 

J.  E.  VAN  DHR  Pek. 


15  Maart  1903. 


172 


DE   TEEKENINGEN  DER 


VLAAMSCHE  MEESTERS 


DE  LANDSCHAPSCHILDERS  DER  XVP  EEUW  i 


N  Vlaanderen  werd  het  landschap  geboren.  DE  TEEKE- 
Onze  vroegste  schilders  die  met  groote  liefde  NINGEN  DER 
de  kleinste  bijzonderheden  van  menschen  en  VLAAMSCHE 
dingen  zochten  weer  te  geven,  voelden  zich  MEESTERS 
evenzeer  aangetrokken  om  de  natuur  met 
gelijke  nauwgezetheid  af  te  beelden.  De  bloe- 
men trokken  hen  aan  door  hunne  lieve 
vormen  en  hooge  kleur,  het  gras  en  de  plan- 
ten door  hun  frisch  loof,  de  boomen  door  hun  grillige  en  fijne  takken 
en  twijgen,  de  bergen  en  rotsen  door  hunne  scherpe  lijnen  en  zachte 
tinten,  het  water  door  zijn  weerspiegelend  vlak  en  zijn  kabbelende 
golQes  en  dit  alles  poogden  zij  over  te  brengen  op  hunne  paneeltjes  als 
waren  het  kleinodiën,  kostelijk  van  stof  en  liefelijk  van  uitzicht.  Onze 
oude  landschappen  zijn  dan  ook  echte  miniaturen  met  fijne  tintjes, 
liefelijke  toontjes  en  weerschijntjes ;  zij  stellen  de  verst  verwijderde 
deelen  even  keurig  voor  als  de  dichtst  bijgelegen  ;  hunne  penseelers 
hebben  geen  oog  voor  het  grootsche  der  natuur,  maar  zijn  vol  be- 
wondering voor  de  onderdeden.  Die  karaktertrekken  merkt  men  reeds 
op  in  de  voor-  en  achtergronden  onzer  godsdienstige  schilders  te 
beginnen  met  de  van  Eycks;  men  vindt  ze  nog  duidelijker  weer  in 
de  werken  onzer  eigenlijke  landschapschilders. 

De  gebroeders  Bril  :  Matthys  (1550-1584)  en  Pauwel  (1556-1626), 
zijn,  zooals  men  weet,  de  oudste.  De  eerste  was  al  vroeg  naar  Rome 
vertrokken,  de  tweede  was  hem  daar  in  1580  gevolgd  en  bleef  er  tot 
zijn  stervensdag  wonen.  Van  Matthijs  kennen  wij  slechts  ééne  teeke- 
ning,  die  zich  in  het  Prentenkabinet  te  Berlijn  bevindt  en  dan  nog  een 
twijfelachtig  handteeken  draagt.  Van  Pauwel  zijn  de  teekeningen  niet 
zeldzaam.  De  Louvre  bezit  er  een  heele  reeks  van,  die  als  modellen 
voor  den  graveur  dienden  en  waarvan  er  een  het  opschrift  Pa*  Bril 
1603  en  twee  andere  zijn  naam  met  het  jaartal  1604  dragen  ;  de  Alber- 


173 


DE  TEEKE- 
NINÜEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


tina,  het  British  Museum,  Teylers'  Genootschap  te  Haarlem,  de  pren- 
tenkabinetten te  Amsterdam,  te  Dresden  en  te  Berlijn  bezitten  er 
eveneens.  In  het  British  Museum  is  er  een  gedagleekend  Roma  W  Juli 
1603^  een  gezicht  op  de  Piazza  S.  Maria  Maggiore  te  Rome,  rechts  een 
kerk  met  koepel,  links  een  kolom  met  het  standbeeld  van  O.  L.  V. ; 
te  Amsterdam  is  er  een  havengezicht  met  een  deel  van  het  strand, 
waarop  een  kasteel  staat,  van  1626,  het  stervensjaar  van  den  kunste- 
naar ;  te  Berlijn  een  van  1615.  Crozat  bezat  er  niet  minder  dan  121, 
daaronder  een  reeks,  de  maanden  van  het  jaar  voorstellende  en  ge- 
maakt in  1598,  een  stuk  van  1604  door  den  kunstenaar  aan  Paul  van 
Halmale,  zijnen  vriend,  geschonken;  andere  van  1609,  1613  en  1621. 
De  meeste  van  Bril's  stukken  zijn  landschappen,  met  veel  zorg 
maar  altijd  mager  geteekend  ;  eenige  geven  ons  gezichten  op  gebou- 
wen, op  stadspleinen,  op  het  zeestrand  te  zien.  Zij  zijn  met  de  pen 
geteekend  soms  met  wat  blauwgrijs  opgehoogd,  met  vaste  hand  gedaan. 
Wij  deelen  er  een  mee  uit  het  Museum  van  Dresden,  dat  als  een 
staaltje  van  zijnen  trant  kan  dienen. 


Onmiddellijk  na  de  gebroeders  Bril  volgt  Joos  De  Momper  (1564- 
1635).  Hij  bezit  niet  meer  de  groote  fijnheid  van  penseeling  zijner 
voorgangers,  hij  is  schraler  en  droger  van  lijn  en  van  toon.  In  zijne 
goede  stukken  toont  hij  zich  echter  een  kunstenaar  van  degelijke 
waarde.  Boven  de  gebroeders  Bril  heeft  hij  het  voordeel,  dat  hij  ons 
dikwijls  gezichten  en  tooneelen  uit  het  volksleven  in  het  eigen  land  te 
zien  geeft.  De  Louvre  bezit  van  hem  een  Val  van  Icarus,  gezien  in  een 
landschap,  waar  een  boer  aan  het  ploegen  is,  met  een  kasteel  op  een 
rots  in  den  achtergrond,  geteekend  Joes  de  Momper  Anno  1610.  In  de 
Albertina  vindt  men  een  rotsig  landschap  met  kasteel  op  den  voor- 
grond ;  het  stuk  draagt  een  eigenhandig  opschrift :  Monper,  waar  later 
bijgevoegd  werd  Giacomo  fecil  1622 ;  een  ander  stuk  in  dezelfde  verza- 
meling draagt  het  handteeken  Momper  en  de  aanduiding :  Naer  het 
leven  in  Tirool  S'  Jurgen  berg  en  clooster  1616  den  10  Junius.  Deze 
woorden  bewijzen  dat  de  Momper  wel  zijn  land  verliet,  iets  wat 
betwijfeld  wordt,  en  ter  plaatse  de  Alpengezichten  geteekend  heeft,  die 
hij  zoo  gaarne  in  zijne  schilderijen  afbeeldt.  Het  prentenkabinet  van 
Dresden  bezit  van  hem  een  paar  teekeningen,  de  eene,  een  weinig 
gekleurd  met  /.  D,  Momper  7  JuliuSy  de  andere  met  /.  D.  M.  F. ;  de 
verzameling  der  koningin  van  Saksen  een  rotsig  landschap  met  een 
watermolen  en  een  lichttoren  waarvan  de  afbeelding  hierbij  gaat.  De 
trant  van  zijne  teekeningen  stemt  volkomen  overeen  met  die  van  zijne 
schilderingen,  zij  worden  gekenmerkt  door  een  groote  voorliefde  voor 
rotsige  landschappen  ;  zij  zijn  gewoonlijk  met  de  pen  gedaan  en  met 
inkt  of  kleur  gewasschen  ;  zij  geven  den  achtergrond  in  wegdampende 
tinten  weer,  de  voorgrond  daarentegen  in  scherpe,  graatachtige  lijnen. 


174 


< 

X 


A 

< 


C     rz 


< 


JOOST  DE  MOMPER  :  LANDSCHAP  MET  BERGSTROOM 
(Verzameling  der  Koningin  tfan  Saksen,  DresdenJ. 

In  denzelfden  aard  werkte  Tobias  Verhaecht,   Rubens'  eerste  DE  TEEKE- 
meester  (1561-1631),  van  wien  de  Albertina  een  landschap  bezit  met  NINGEN  DER 
torenvormige  mastenboomen,  een  water  met  een  brug  en  rotsen,  die  VLAAMSCHE 
als  bergen  oprijzen.  Het  stuk  is  onderteekend  Tobias  Verhacht.  MEESTERS 

Ook  RoELANT  Savery  (1576-1635),  die  al  vroeg  ons  land  verliet  om 
zich  eerst  in  Duitschland,  daarna  in  Holland  te  vestigen,  bewerkte  zijne 
landschappen  in  denzelfden  mageren,  scherpen  trant.  Hij  echter  had 
soortgelijke  gezichten  van  dichtbij  leeren  kennen  en  grondig  bestu- 
deerd, daar  hij  door  zijn  beschermer,  keizer  Rudolf  II,  voor  twee  jaar 
naar  Tyrool  gezonden  werd.  Hij  was  een  uitmuntend  schilder  van 
dieren  en  stoffeerde  er  ook  gaarne  zijn  natuurgezichten  mede.  Van  hem 
bevinden  zich  tal  van  stukken  in  den  Louvre,  in  de  Albertina,  in  het 
British  Museum,  in  Teylers  Museum  te  Haarlem,  te  Amsterdam,  te 
Dresden  en  te  Sint  Petersburg.  Een  stuk  in  TErmitage  is  bijzonder 
merkwaardig;  het  is  gedagteekend  :  Rolandt  Savery  fecit  1600  en  ver- 
beeldt een  feestelijke  boerenmaaltijd,  geheel  in  kleur.  Het  is  een  ware 
schilderij,  ook  door  de  afmeting,  een  tafereel  van  de  volkszeden  te 
zien  gevende  en  bewerkt  in  den  trant  van  Peter  Breughel,  maar  minder 
ouderwetsch.  Een  der  teekeningen  uit  de  verzameling  van  het  prenten- 
kabinet te  Amsterdam  verbeeldt  eenen  aap  aan  de  ketting  en  is  de 
eenige  studie  naar  dieren,  die  wij  van  Roelant  Savery  kennen. 

David  ViNCKEBOONS  (1578-1629),  de  schilder  van  gezichten  op 
adellijke  kasteelen  en  perken,  met  feestvierende  heeren  en  dames,  bleef 
als  kunstenaar  wat  hij  als  schilder  was,  zeer  uitvoerig  en  keurig  van 
bewerking,  zeer  voornaam  in  de  keuze  zijner  gezichten  en  personages. 


175 


IjE  tkekf> 
vlaamv:he 


HH  Br/.-h  Muvrurn  en  h»-t  prrn!  r.tji.nri  te  A.-n<rri.m  bcri'Jrr 
i/^Ó^-U  \'^n  h*'fn  ;  B^ri.^n  h»-rft  er  h-t  rurt-^tr  ^  mjTrrrr<  trtn  r>rrts  \iTi 
der1i*-ri  ja<  h ♦;;*'/!<  hl*- ri.  Ln^p  ^♦'lun  ^i!'^  :nin,rr,  nir!  ór  firn  t-n  «>Tvtf- 
l*^Mr^/i  rn*-l  bijter  rri  hi<iuw;  \fr<lt'r  etrn  \'  Ik^frt^U  I-.I*;*  m  !-^  n  _-e*trr- 
ké-ïtii^nt^in^^i  hlaiim'oj>^»:h'j*r^«len*skufi^!«rrixai>*  n^^rn^  frrf^^X/^  p 
dra;>^fKle, 

NVrm^-lrJen  mij  ten  slolte  rn>^  een  j^aar  LindM.hiips*.L!IJc-r>»,  \an 
m*-!k*-  uij  ni^-ls  aruli-rs  krnnen  ddri  enkele  It-rkmir^t-n  De  L^-*u\rr 
l/e/il  twee  stukken  b.'.ijv^iiap,  ;>t'leekt  n«l  htt  eenr  F-^^ui^rL  iSlTJ.  bet 
an'J'-re  t^^^ui^r  I:j77.  Wel  kennen  mij  etrncn  Antwerpx-he  l^jr.d-^chiip- 
vh.hJ*-r  iactth  Foijqui«r  uit  ile  /eventiende  eeuw,  nuidr  een  uit  de 
v#K>r;;;i;jnde  eeuw  is  ons  ontn-kend  gebleven.  De  AltiertiniÉ  bezit  et-n  tijn 
Uindvhap  niet  een  weini;^  kleur,  yeteekend  0>rk  fe  lij'2H :  van  denze-lf- 
d#'n  kunslena;jr  l>e/it  het  British  Museum  een  blad  in  den  Iranl  \an 
Bril.  geteekend  CckA  /e  tfjJ3. 


DE  GRAVEURS  -  DE  BOUWMEESTERS  -  DE  VERLUCHTERS 

T  zijn  niet  alleen  schilders,  wier  teekeningen  bewaard 
bleven  :  graveurs,  verlucbtersof  enlumineursen  bouw- 
kundigen lieten  er  ons  ook  en  nog  wel  van  de  mooiste 
na. 

De  oudst  gekende  onder  hen  is  Hans  Ljefrinck, 
de  Antwerpsche  houtsnijder  en  plaatdrukker  (1518-1567).  Van  hem 
l>ezit  het  British  Museum  een  paar  hoofden  van  Fransche  koningen  : 
het  eene,  luidens  de  opschriften,  Karel  IX  en  het  andere  dat  van  zijn 
broeder  Hendrik  111,  toen  hij  nog  hertog  van  Anjou  was,  beide  onder- 
teekend Hans  Liefrinck  Fee.  Het  zijn  fijne  Fransche  koppen  in  pot- 
lood, met  wat  rood  krijt,  zeer  fraai  l)ewerkt  in  den  aard  van  Clouet's 
krijtteekeningen. 

De  graveur  Jan  VViericx  (1549-16.)  was  een  uitmuntend  teekenaar, 
ongeëvenaard  in  de  fijnheid  zijner  bewerking.  Zijne  stukjes  met  de  pen 
zijn  niet  minder  verbazend  om  de  keurigheid  hunner  behandeling  dan 
zijne  kopergravuren  en  die  zijner  broeders.  Dat  zij  reeds  in  zijn  levens- 
tijd zeer  gezocht  waren  wordt  ons  bewezen  door  het  feit  dat  Filips  van 
Valckenisse,  stadsecretaris  en  groot  liefhebber  van  kunst,  toen  hij  den 
3"  Maart  1614  te  Antwerpen  overleed,  zestien  «  Constige  stucken 
»  gemacct  bij  Jan  Wiericx  metter  pennen  •  naliet.  Ook  nu  nog  kennen 
wij  er  een  aanzienlijk  getal  in  openbare  en  bijzondere  verzamelingen. 
In  de  Albertina  vinden  wij  een  portret,  zeer  fijn  geteekend,  met  eene 
allerliefste  omlijsting,  dragende  het  opschrift  Johan  Wiericx  fecit  1613. 


176 


Onderaan  bevindt  zich 
een  bordje  dat  een  naam 
moest  dragen  maar  le- 
dig is  gebleven  :  wij  ver- 
moeden dat  het  portret 
dat  van  den  kunstenaar 
zelven  is.  Eene  O.  L.  V. 
Boodschap^  in  een  om- 
lijsting van  vruchten  en 
Johan  Wiericx  invenlor 
geteekend,  als  ook  een 
aantal  ronde  stukken, 
tooneelljes  uit  de  passie 
met  Johan  Wiericx  in- 
Dentor  et  fecit  1599.  Een 
porlret  van  Thomas 
Morus  en  een  ander 
mansportret,  verbazend 
fijn  en  mooi,  bevinden 
zich  in  dezelfde  verza- 
meling ;  even  als  de 
vorige  stukken  bewijzen 
zij  dat  de  graveur  dik- 
wijls naar  zijn  eigen 
vindingen    sneed.    Het 

British  Museum  bewaart  eene  reeks  van  21  stuks  en  vele  andere 
teekeningen  van  Bijbelsche  geschiedenissen  op  dezelfde  wijze  ge- 
merkt, alsook  een  porlret  der  vrouw  van  Jan  Pelier  (Johan  W.  f. 
i58i)y  dat  hij  in  1605  graveerde.  Berlijn  bezit  een  vrouwenkopje 
van  1588  en  zes  stukjes^  gewijde  geschiedenis,  alles  op  perkament  en 
fijn  bewerkt  als  gravuren ;  de  Ermitage  te  Sint  Petersburg  een  Adam 
en  Eva  in  het  Aaidsch  Paradijs  met  allerlei  dieren  rondom  zich,  het 
opschrift  luidt  Johan  Wiericx  inventor  1615 ;  het  Museum  van  Stock- 
holm, een  mansportret  van  1595  en  een  ander  portret  van  1857  met 
het  onverklaarbaar  opschrift  SRNODATE. 

Van  een  anderen  Antwerpschen  graveur  Adriaan  Collaert  (1560- 
1618)  bevindt  zich  in  het  prentenkabinet  van  het  Rijksmuseum  te 
Amsterdam  een  uitmuntende  fijne  teekening  :  een  biddende  Johannes 
Baptista  met  hel  lam  nevens  zich  in  een  landschap,  waarin  de  Doop 
van  Christus  in  den  achtergrond  afgebeeld  is.  Het  stuk  draagt  het 
opschrift  «  Ter  liefden  van  synen  goeden  vriendt  den  vromen  Joannes 
Baptista  Favolia,  heeft  Adriaen  Collaert  dit  gestelt  den  8^  Julij  1589,  • 

Van  onze  twee  beroemdste  bouwmeesters  uit  de  tweede  helft  der 


JAN  WIERICKX  : 


EIGEN  PORTRET  (?) 
(Albertina,  Weenen). 


DETEERE-^ 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


xxn 


177 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


zestiende  eeuw  Hans 
Vredeman  de  Vriese 
(1527-1569)  en  Cor- 
NELis  Floris,  be- 
slaan er  enkele  tee- 
keningen.  Van  den 
eerste  in  de  Alber- 
tina  eene  reeks  Han- 
delingen  der  Aposte- 
len, onderteekend 
Hans  de  Vriese  1555, 
1557,  )558;  in  het 
British-Museum  een 
brok  architectuur 
en  een  Christus  in 
den  tempel  onder 
de  schriftgeleerden. 
Van  zijne  bouwkun- 
dige studiën  bezit 
het  Museum  van 
Oudheidkunde,  het 
Steen  te  Antwerpen, 
een  gansche  reeks. 
CoRNELis  Floris 
teekende  in  waterverf  de  dertig  beeldlettei^  zoo  vol  vroolijken  zin  en 
van  zoo  grillige  rijke  vinding,  die  de  Liggeren  der  Antwerpsche  Sint 
Lucas-gilde  versieren  in  de  aanteekeningen  van  1541  tot  1560.  Die  van 
1547  draagt  zijn  monogram  C.  F. 

Een  onzer  rijkste  teekenaars  en  illustrateurs  was  voorzeker  Joris 
Hoefnagels.  Men  stelt  zijn  geboortejaar  op  1545,  maar  volgens  's  kun- 
naars  eigen  verklaring  moet  het  op  1542  gebracht  worden.  Al  vroeg 
verliet  hij  ons  land  ;  in  1561  bevond  hij  zich  in  Zuid  Frankrijk,  in  1563 
in  Spanje,  in  1569  in  Engeland,  in  1570  was  hij  terug  te  Antwerpen. 
Hij  had  heel  westelijk  Europa  dooiioopen  en  daar  een  lange  reeks 
gezichten  van  steden  geteekend  voor  het  groote  werk  van  Georg  Braun : 
Civitates  orbis  terrarum.  In  1577  stelde  hij  zich  weder  op  weg  en  dit 
maal  met  den  beroemden  aardrijkskundige  Ortelius,  voor  wiens  Atlas 
hij  ook  tal  van  teekeningen  maakte.  Samen  gingen  zij  over  Duitschland 
naar  Italië.  In  Duitschland  kwam  hij  in  betrekking  met  den  aartshertog 
Frederik  van  Beieren,  voor  wien  hij  een  geschreven  Missaal  versierde. 
In  1590  toen  dit  werk  voleindigd  was,  werd  hij  door  Keizer  Rudolfll 
naar  Praag  geroepen  en  werkte  daar  en  te  Weenen  in  dienst  van  den 


JAN  WIERICKX:  O.  L.  V.  BOODSCHAP 
(Albertina,  Weenen). 


178 


ADRIAEN  COLLAEUT  :  JOHANNES  DE  DOOPER 
(Prentenkabinet  vnn  het  Rijksmuseum,  te  Amsterdam). 

vorst  lol  aan  zijn  dood,  die  den  9"  September  1600  viel.   Met  Georg  DETEEKE- 
Bocskay  maakte  hij  een  boek  van  schriftmodellen  op  114  perkament-  NINGEN  DER 
bladen,  die  hij  alle  met  randversieringen  omlijstte.  Deze  twee  voor-  VLAAMSCHE 
naamste  werken  van  den  kunstenaar,  die  zich  beide  in  de  keizerlijke  MEESTERS 
bibliotheek    te   Weenen   bevinden,   zijn    in   waterverf  uilgevoerd   en 
samengesteld  uit  al  wal  de  schepping  bruikbaars  oplevert  tot  opsmuk- 
king van  een  hoekblad.  Daarbij  komen  er  nog  lal  van  kleine  tafereel- 
tjes in  voor ;  zij  behooren  lol  het  laatste  wal  de  kunst  der  afzetters 
voortbracht,  en  ook  tot  het  beste  wal  in  dit  vak  geleverd  werd  in  de 
X\l^  eeuw  om  niel  te  zeggen  in  alle  eeuwen. 


179 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


Van  de  stadsgezichten  door  hem  gemaakt  voor  Braun's  Ciuitates 
is  er  heel  weinig  overgebleven.  De  Koninklijke  Bibliotheek  van  Brus- 
sel bezit  van  hem  een  wonderfraai  gezicht  op  Sevilla  in  eene  rijke 
omlijsting  met  het  opschrift  Georgiiis  Hoefnagle  invenior  faciebal  anno 
M.D.LXXIII  natura  sola  magistra;  het  Museum  te  Rotterdam  een  alle- 
gorische voorstelling  met  het  opschrift :  Aliende  Spectator  ne  vuniim 
putes  amoris  simulacrum  quce  origo  quce  finis.  Georgii  Hoefnagli  et 
Joannis  Rademacheri  mutuum  absentice  Solalium  Anno  A"  MDXC ;  het 
prentenkabinet  te  Amsterdam  een  emblema  :  een  muis  voor  een  eindje 
kaars  en  een  stukje  vleesch  en  een  muizenkop  uit  de  val  stekende,  met 
de  verkkring  :  Neque  navem  una  anchora  neque  vitam  una  spes  fulciat. 
Mus  non  uno  fldet  antro.  Monument  :  amicitiae  D.  Joanni  Muisenhol  G. 
Hoefn.  D.  genio  duce  A'  159i, 

[Wordt  voortgezet).  MaX    RoOSES. 


180 


=      c 


<  't^.  i 

i  t  - 

=  £  t 

?  §  « 

c  r:  :jè 


KUNSTBERICHTEN 


VAN    ONZE   EIGEN 
CORRESPONDENTEN 


UIT  AMSTERDAM 


Ju  VAN  WISSELINGH 
>c-^  Het  is,  nu  er 
hier  zoo  heel  andere 
dingen  aan  de  orde 
zijn,  feitelijk  geen  lijd 
voor  kunstberichten. 
—  Trouwens  de  te- 
rugslag is  duidelijk  waar  te  nemen.  In 
den  kunsthandel  is  bepaald  weinig 
nieuws.  Niet  uit  gebrek  aan  productie 
vermoedelijk,  vééleer  —  opzettelijk 
teruggehouden,  evenredig  aan  den 
bijkans  tot  op  nul  gezonken  kooplust. 
Bij  de  firma  v.  Wisselingh,  die  onder- 
wijl met  veel  succes,  een  van  verschil- 
lende zijden  als  uitstekend  geprezen, 
tentoonstelling  te  Hamburg  houdt,  is 
de  permanente  expositie  toch  altijd 
belangrijk  genoeg.  Ik  zag  in  den  loop 
van  de  maand  weer  een  nieuwe  teeke- 
ning  van  Witse^.  De  achterzijde  van 
het  paleis  op  den  Dam  van  de  Nieuwe 
Zijds-Vóórburgwal  afgezien.  De  straat 
staat  blank  van  den  regen,  spiegelt  de 
glimmend-groene  boomstammen  en  de 
triestige  huizenrij.  Op  den  achtergrond 
rijst  het  machtige  paleisrisaliet  omhoog; 
een  heerlijk  brok  grijs.  De  fiere  be- 
kroning van  den  Alias  blinkt  vaag 
door  het  temperend  watergaas  heen. 
In  het  kader  van  Witsens  andere  werk 
verdient  deze  tcekening  een  goede, 
hoewel  geen  aparte  plaats.  Ook  hier  is 
de  stroeve,  ernstige  naaktheid  van  zijn 
groot  gehouden  vlakken  van  hooge 
pracht;  maar  de  straatvloer  heefl  in 
den  zondvloedregen  alle  vastheid  van 
de  hobbelige  keien  verloren  en  schijnt 
wat  al  te  gewild  genivelleerd  lot  de 
egale  spiegeling  van  een  glazen  plaat. 
De  contrasten  van  steenen,   lucht  en 


boomen,  ieder  in  hun  eigen  slof  hebben 
we  van  Wilsen  nog  wel  eens  pakkender, 
overtuigender  gezien.  Maar  behoudens 
kleine  ongelijkheden,  is  het  geheel  reëel 
en  vol  fameuze  defligheid. 

Bij  de  hier  gekozen  buurt  denkt  men 
allicht  ook  nog  aan  een  ander  verband, 
waarin  het  een  genoegen  is  Witsens 
werk  te  vergelijken :  dat  der  Holland- 
sche  stedenschilders  van  voorheen  en 
tegenwoordig.  Hoe  dikwijls  is  juist  die 
achtergevel  van  het  paleis  van  dezen 
kant  bekeken.  Daar  gingen  de  zeven- 
tiend' en  achtiend'eeuwsche  teekenaars 
en  schilders  als  G.  Berck-Heyde  heen. 
Op  de  welvende  weessluis  stonden  ze 
te  kijken  langs  Bloem-  en  Pijpenmarkt, 
toen  nog  niet  in  parvenu-achtige  boule- 
vard-manie  gedempt.  En  nu  is  er  van 
dat  kostelijke  grachtje  met  oevers  vol 
kleurige  bedrijvigheid  een  platte,  suffe 
straal  geworden,  waarover  deftige  min- 
naars van  oude  prenten  om  meer  dan 
enkel  historische  redenen  de  vroede 
hoofden  schudden.  Maar  Witsen  vindt 
er  nog  mooi  genoeg,  al  is  het  van  andere 
soort.  In  de  manier  waarop  hij  de 
droeve  straalleegte  aankijkt,  in  zijn 
genieten  van  het  zilveren  regenwaas 
om  het,  tot  nog  toe  door  sloopers  onge- 
moeid gelaten,  paleis,  zijn  de  kwaliteiten 
onzer  twintigst'eeuwsche  liefde  voor 
Amsterdam  gedocumenteerd  ter  beoor- 
deeling door  het  nageslacht.  Men  moet 
door  één  of  ander  hersen-  of  opvoe- 
dingsgebrek het  genot  niet  kennen  dat 
de  prenten  schenken  van  den  groot- 
zienden  Reynier  Nooms,  van  den  kunst- 
vertellenden  dccoratief-begaafden  Claes 
Jansz.  Visscherj  van  den  meer  induslrie- 
elen  Jan  van  Meurs,  om  te  zeggen,  dat 
bij  de  schilderkunst  van  zulk  een  histo- 
rische strekking  niet  mag  gerept  wor- 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


181 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTKRDAM 


den.  Hoeveel  en  hoedanige  huizen  er  in 
onze  steden  stonden,  wat  voor  soort 
steenen  in  de  gevels  zaten,  hoe  de  brie- 
venbussen er  uit  zagen,  al  zulke 
historische  bijzaken  zullen  onze  achter- 
kleinkinderen waarschijnlijk  desge- 
wenscht  uit  verbleekte  photografleén, 
kooldrukjes  en  aannemersrekeningen 
kunnen  nagaan ;  maar  hoe  u}{j  die  din- 
gen zagen,  wat  ons  interesseerde  aan 
het  ook  heden  nog  geweldige  Amster- 
dam, boe  het  zich  spiegelt  in  onze  ge- 
moederen, dat  bewaart  geen  mecha- 
nische reproductie. 

Men  kan  er  aan  twijfelen  of  zich  over 
twee-honderd  jaar  nog  iemand  om  zulke 
oude  malligheden  zal  bekreunen  ;  het 
is  bijna  exact  te  bewijzen,  dat  de  be- 
langstelling in  de  dingen  van  ons  ver- 
leden eeuwig  menschelijk  is,  meer  nog 
van  alle  tijden  dan  de  oekonomische 
kwesties  der  samenleving. 

Daarmee  is  het  gerechtvaardigd  man- 
nen als  Breitner  en  Witsen  eens  van  dit 
standpunt  te  bezien,  ook  al  is  het  er 
lieiizelven  allerminst  om  te  doen  ge- 
weest zich  consciëntieus  aan  toevallig- 
heden te  houden.  Immers  als  elders  in 
kunstdingen  geldt  hier  de  zin  van  van 
Deyssels  gezegde,  dat  de  kunstenaar 
misschien  niet  van  alle  dingen  het 
mééste  maar  wel  het  beste  ziet  en 
begrijpt.  Witsens  Voorbrugival  is  niet 
minder  speciflek-Amsterdamsch  doordat 
er  een  paar  leelijke  puien  zijn  wegge- 
laten. Er  is  meer  zeventiend'eeuwsche 
werkelijkheid  in  de  forsche  halen  van 
Reynier  Nooms,  die  zich  waarlijk 
ook  niet  bezondigd  beeft  aan  steentjes 
tellen  en  schoorsteenen  konterfeiten, 
dan  in  de  blonde  gaafheid  van  de 
oneindig-precies  geteekende  bladen  van 
uan  Meun. 

Mocht  toch  ook  Witsen,  behalve  zijn 
groote  teekeningen,  nog  eens  opnieuw 
een  serie  maken  van  gemakkelijker  in 
ieders  bereik  vallende  etsen  van  Amster- 
dam! Overtreft  niet  zijn  kleine  St.  Antho- 
nieswaag  in  licht  en  stemming  verreweg 
hel  meeste  wat  we  van  oude  Hollanders 
en  lijdgenooten  op  dit  gebied  hebben? 

In  het  buitenland  wordt  op  sommige 
plaatsen  door  Museum-direciies  en 
kunstvrienden  voor  zulke  gewichtige 
zaken  gezorgd.  Schilders  en  teekenaars 
worden  aangespoord  en  geroepen  om 


het  hunne  bij  te  dragen  tot  deze  im- 
portante documenten  voor  de  steden- 
geschiedenis.  Of  dat  de  juiste  weg  is? 
Er  moet  iets  van  de  officiéele  sanctie 
der  onderneming  op  het  werk  overgaan 
dunkt  me ;  en  al  mogen  ook  de  besten 
der  officieel  aangezochten  zich  niet  aan 
het  doel  der  bestelling  storen  en  in  hun 
interpretatie  zich  zelf  blijven,  wat  uit 
eigen  liefde  van  den  kunstenaar  gespro- 
ten is  zal  toch  van  grooter  waarde 
zijn.  Op  de  productie  in  deze  lijn  te 
letten  en  na  ernstige  schifting  te  collec- 
tioneeren  wat  er  schoons  voor  te  vin- 
den is,  dat  moest  ook  hier  een  der 
eerste  plichten  der  publieke  verzame- 
lingen zijn.  Er  bestaat  naar  ik  meen, 
een  vereeniging  met  het  doel  materiaal 
voor  de  geschiedenis  van  Amsterdam 
bijeen  te  brengen,  maar  heeft  dat  genoot- 
schap voldoende  middelen  ?  Koopt  het 
ook  moderne  kunst  ?  En  wordt  er  niet 
te  eenzijdig  op  de  nauwkeurigheid  der 
geteekende  aspecten  en  op  het  curieuse 
gelet  ? 

-♦y  Heel  kort  was  er  van  Breitner  een 
van  vroeger  bekend  groot  stuk  te  zien  : 
De  Haven,  veel  naast  elkaar  gemeerde 
schuiten  in  het  ijs  en  de  spookachtige 
romp  van  een  reusachtigen  Oostinje- 
vaarder  in  de  verte,  tegen  een  rosgloei- 
ende  avondlucht ;  ten  minste  zoo  was 
het  vroeger ;  nu  is  het  van  een  schemer- 
avond  een  grijze  dag  geworden.  Een 
twééde  groote  stoomboot  is  te  zien  door 
het  getralie  van  masten  en  tuig.  In 
plaats  van  in  sombere  tonen  is  het  schil- 
derij nu  in  kleurige  kracht  gehouden. 
De  geverfde  deelen  van  de  schuiten, 
het  sterke  blauw  van  een  aak-roer,  de 
groene  roeven  komen  helder  uit  tegen 
het  geteerde  en  geoliede  zwart  en  bruin. 
De  achterste  plans  in  het  water  wijken 
beter  dan  vroeger.  Ik  zag  het  niet  lang 
genoeg  om  er  veel  over  te  zeggen, 
maar  signaleer  het  alleen  om  de  cu- 
rieuse verandering,  waardoor  de  oude 
vorm  welke  heel  veel  moois  had,  voor 
degenen  die  het  schilderij  vroeger  niet 
mochten  zien,  nu  voor  altijd  verlo- 
ren is. 

'^^  Uit  het  atelier  van  A.  Mauve  is  er 
een  olieverfstudie  uit  den  lateren  tijd. 
Met  vlak  geborsteld  bronsgroen  en 
bruin  in  het  doekje  geprepareerd  voor 
de  vettere  p^te  van  weinige  leekenen- 


182 


de  toetsen  en  vegen,  waarin  het  geval 
is  aangezet  :  twee  kalfjes,  één  rood- 
bruin en  één  zwart,  staan  bij  een  hek 
in  den  diep-tintelenden  schaduw  onder 
zonnig  verlichte  hoornen. 


den  voorgrond    is  nog   veel   van    het   KUNST- 
oude ;   maar  in  de  zwaardere  pAte,  den    opDipuTPV 
breederen  zet  in  liet  gras  en  sommige   "^rVlUtt  1  t-IN 
brokken  der  boomen  kondigt  de  latere   ^'^  AMSTERDAM 
durf  zich  aan. 


5^5?^rf&^»é»é»^S^^  ^SP^^^^^^^J^^^^S^^^&^&^&^^^^&J^ 


IN  DE  KUNSTZAAL  VAN  VOSKUIL 
was  een  schilderijtje  van  Alberl  Neu- 
huys  dai  volgens  des  schilders  eigen 
meening,  naar  men  mij  meedeelde,  van 
omstreeks  1875-80  moet  zijn.  Over  de 
onderdeur  van  haar  kleine  huisje  praat 
een  oud  moedertje  met  een  buurvrouw. 
Een  planken  schutting  sluit  daarnaast 
een  voorjaarsgroenen  tuin  af.  Gouden 
lichtschampen  schuren  door  de  reeten 
van  het  oude  hek.  Het  diepe  rood  van 
den  baksteenmuur,  het  witte  pleistervak 
onder  het  raam,  de  donkere  kleeren 
der  vrouwtjes  en  vooral  ook  de  malsche 
groenen  van  de  boompartijen  over  de 
schutting  heen,  zijn  voornaam  geschil- 
derd. In  de  teekening  der  figuren,  de 
harde  proflelen,  een  wal  te  nonchalant 
behandeld  handje  en  een  groen  emmer- 
tje, dal  niet  wil  ronden,  zijn  enkele 
onbeholpcnheden,  niet  te   miskennen. 

Een  mooi  gebonden  studie  naar  het 
zelfde  huisje  van  een  anderen  kant  was 
ter  vergelijking  heel  belangrijk.  Nuchter 
en  vast,  zonder  zoeken  naar  eenige 
mise-en-scène,  maar  ook  zonder  iets  te 
geven  wat  toen  nog  boven  des  schilders 
krachten  ging  was  mij  dit  verfomfaaide 
atelierblad,  ingeschoten  en  vuil,  even 
lief  als  het  toch  altijd  een  beetje  opge- 
maakte resultaat. 

Van  den  pas  gestorven  J.  Hendrik 
Weissenbruch,  die  te  dezer  plaatse  niet 
uitvoeriger  kan  besproken  worden,  was 
er  een  van  de  latere  olieverfstudies  in 
zijn  vlotten  trant.  —  Een  zijlschuil  in 
een  vaart ,-  over  de  weilanden  een  effen 
sombere  regenlucht  met  blankgele  licht- 
streep aan  den  horizon.  —  Voor  de  ont- 
wikkeling van  den  kunstenaar  was  een 
grooter,  afgemaakt  stuk  van  1863  inte- 
ressant. Een  breede  wilgenlaan  in  vollen 
zomer,  met  donkere  boonienpoort  en 
helder  doorkijkje  op  hel  eind.  —  't  Is 
de  tijd  waarin  de  stoutere  schilderwijze 
langzaam  begint.  In  de  kleuren,  het  bij 
't  valsche  af  geelachtige  groen  en  het 
blauw  van  de  lucht,  in  de  uitvoerigheid 
der  blaadjes  en  afgebroken  takken  op 


DE  HEEREN  BUFFA  EN  ZONEN  had- 
den een  tentoonstelling  van  aquarellen 
gearrangeerd,  waar  niet  veel  van  te 
zeggen  valt.  53  Nummers  van  zoo  hete- 
rogene k>yaHteit,  dal  het  goede  door 
het  bijster  middelmatige,  het  betere 
door  het  heel  slechte  werd  doodgesla- 
gen. Ik  noem  alleen  een  paar  aardige 
kleine  teekeningetjes  van  Bosboom  : 
Tamelijk  vroege  kerkinterieurs ;  wat 
oude  bekenden,  als  Israëls  Badende  jon- 
gen. Een  wat  droge  waleivertleekening 
van  Weissenbruch  In  mijn  Atelier,  een 
Rink  van  '99  :  Lente  :  drie  kinderen  in 
het  groen,  die  er  uil  zien  als  hadden  ze 
op  een  of  andere  manier  met  L.  Fré- 
déric  te  maken  en  een  wel  aardig 
stadsgezichtje  van  Hanau  :  een  rijtje 
provinciestadhuisjes,  spiegelend  in  de 
gracht ;  spichtige  boompjes  ervoor  met 
nog  enkele  herfstbladen,  't  geheel  slil 
als  was  het  kerktijd.  — 
Aprü  W.  V. 

UIT  DEN  HAAG  'z 

ÜLCHRI  STUDIO  > 
GRO  EPENTEN- 
TOONSTELLING  4^ 
SERIE  >  11-26 
MAART  /.»  Het  zal 
nu  iedereen  wel  dui- 
delijk geworden  zijn 
dat  deze  groepententoonsteUingen  niet 
hebben  gebracht  en  verder  niet  zullen 
brengen  wat  bij  eene  mogelijke  zuiver- 
der samenstelling  het  resultaat  kon  ge- 
weest zijn.  We  hebben  bij  den  aanvang 
onzer  bespreking  dezer  groepen  reeds 
gewezen  op  een  mogelijk  zuiverder 
resultaat.  Welk  eene  verheldering  kan 
ze  brengen,  eene  samenvoeghig  van 
werk  van  Willem  Maris,  Konijnenburg, 
Lapidoth,  Koster,  Mcj.  Marius,  Klinken- 
berg, Arn  Koning,  Kramer,  Oppenoorth, 
Van  der  Laan,  Laszlö,  Marlens  en  Wil. 
Maris  Jzn?  Is  't  haast  wel  mogelijk  zich 
een  samenzijn  van  grooter  tegendeelen 


UIT  DEN  HAAG 


183 


KUNST- 
BERICHTKN 
ÜIT  DEN  HAAG 


te  denken.  Wie  brengt  nu  orde  in  dezen 
chaos. 

Willem  Maris,  hij  schijnt  de  eenig 
levende  mensch  onder  deze  allen.  Werd 
er  ooit  uit  voller  horst  en  tevens  op 
ingetogener  wijze  gezongen  ?  Zie  zijne 
Melkbocht  aan  en  vraag  u  af  of  er  ooit 
op  schooner  wijze  een  bard  de  min  tot 
ons  aller  voedster  :  de  natuur,  bezong. 
Is  er  eene  landschap-kunst  denkbaar 
die  stemmiger  werkt  dan  deze,  terwijl 
zij  tevens  zoo  voluit  en  open  zegt  wat 
zij  te  zeggen  heeft  ?  De  stemming,  daar- 
door is  onze  kunst  de  meest  ideéele  van 
alle  landen  en  ze  is  hier  door  tevens  als 
tijdsverschijnsel  in  de  evolutie  der  kunst 
gezien,  van  de  zuiver  absolute  kunsten 
de  meest  moderne. 

Oppenoorth*s  en  Klinkenberg's  kunst 
opent  naar  wezen  nog  maar  een  pers- 
pektief  op  de  eigenlijke  impressionisti- 
sche kunst.  Van  den  eerste  noteeren 
we,  onder  dit  licht  gezien,  de  aanwezig- 
heid van  een  paar  niet  onverdienste- 
lijke landschappen;  van  Klinkenberg 
een  zeer  voldragen  werk  :  Winlevavond, 
dat  den  aanvangstijd  van  het  impres- 
sionisme hier  te  lande  in  herinnering 
brengt.  Hierin  herkennen  we  dat  (in 
zijne  soort)  zoo  complete  schilder  mo- 
gen, het  niet  loslaten  van  een  onder- 
werp voor  het  naar  in-  en  uiterlijkheid 
voluit  voor  u  staat,  terwijl  ge  er  — 
vooral  uit  het  voorplan  —  de  restee- 
rende  kracht  van  den  maker  uit  proeft. 
Wat  men  overigens  in  ideëelen  zin  ook 
op  het  werk  van  Klinkenberg  aan  te 
merken  moge  hebben,  hij  is  ten  minste 
iemand  die  zijn  onderwerpen  be- 
heerscht  en  niet  zoo  spoedig  bulten 
adem  geraakt  als  vele  meer  willende 
jongeren. 

De  inzending  van  Arn.  Koning  kan  als 
een  welkome  aanvulling  beschouwd 
worden  van  zijne  exposities  bij  Preyer 
en  in  den  Kunstkring.  Er  is  bier  een 
werk  Achter  de  Boerderij,  van  epische 
grandeur  en  De  Molen  een  schilderij 
dat,  door  het  eenigszins  dramatisch 
opgevatte  onderwerp  van  werkelijk 
meer  dan  gewone,  van  diepe  beteekenis 
is. 

Koster's  inzending  lijkt  me  het  aan- 
trekkelijkst in  zijn  warmtonig  Hyacin- 
then' en  Tulpenvelden.  Zuiver  is  in  de 
Tulpenkweekerij  te  Bennebroek,  het  licht- 


gevende der  bloemen  in  den  grijzen  dag 
tot  uitdrukking  gebracht. 

Konijnenburg  en  Laszlö,  vertegen- 
woordigen op  deze  expositie  de  roman- 
tiek. Hun  kunst  is  er  eene  die  niet  op 
zoo  reêelen  bodem  wortelt  dan  de 
eigentlijk  Hollandsche.  Van  den  eerste 
is  er  hier  behalve  ander  werk,  waar- 
onder een  weg  door  velden,  dat  zich 
meer  direct  bij  de  Hollandsche  school 
aansluit,  een  meisjes-portret,  waarin 
zich  de  neiging  openbaart  tot  eene  in- 
directe voorstelling  der  idéé.  Het  is  er 
nog  verre  van,  symbolisch  of  allego- 
risch te  zijn,  maar  dit  werk  heeft  iets 
van  eene  neiging  daar  naar  toe ;  het  is 
dus  eene  tusschen-vorm  en  daarom 
weer  van  eene  bizondere  beteekenis  in 
de  evolutie  der  huidige  kunsten,  die  we 
daarom  wilden  noteeren. 

Laszlö  is  meer  een  handig  dan  een 
bekwaam  schilder;  en  tevens  geen 
psycholoog  van  bizondere  beteekenis. 
Het  portret  van  kardinaal  Rampolla 
dien  man  met  dat  half  gezonken  lid 
van  het  stille  linkeroog  en  dien  vollen 
straffen  kijk  van  het  rechter,  als  de 
vereeniging  van  open-  en  verborgen- 
heid, van  een  denken  met  de  wereld 
en  een  denken  met  zichzelf  —  deze 
samengestelde  natuur,  dat  was  een 
mooie  opgave  voor  een  schilder.  Er  is 
in  dit  werk  van  Ldszlö  soms  wel  uitge- 
drukt het  leven  van  eene  maatschappe- 
lijke klasse,  maar  de  gezichtskring  van 
dezen  schilder  is  beperkt  tot  deze  sfeer. 
Hij  is  een  behendig  penseelvoerder, 
maar  geen  deugdelijk  schilder  die  werk 
zonder  verwarring  geeft  bij  schijnbaar 
eenvoudige  maar  werkelijk  ingewik- 
kelde compositie  en  is  eerder  het  tegen- 
deel van  dit  te  noemen.  Het  is  meer 
werk  van  uiterlijke  dan  van  innerlijke 
voldoening  en  daarom  voor  iemand  die 
dit  helder  doorziet,  verre  van  over- 
bluffend. 

Van  Lapidoth  noteeren  we  dan  een  in 
blijkbaar  pieuze  aandacht  geschilderde 
Boerderij ;  van  Willem  Maris  Jz.  een  Meis- 
jes-kopje en  de  Haliaansche,  die  weliger 
van  factuur,  het  ietwat  bloedelooze  van 
zijn  overig  werk  missen;  van  Willy 
Marlens  een  uitstekend  Portret,  opgevat 
in  een  zin  die  het  genre-beeld  nadert, 
eenige  goede  studies  en  eene  niet  onver- 
dienstelijke atmosferische  Boomgaard^ 


184 


waarin  het  soms  Ie  suiker-zoete  van 
zijn  ander  werk  gemist  wordt. 

Verder  is  hier  nog  werk  van  Mej. 
Marius,  waaronder  haar  bekend  en  in 
deze  rubriek  al  eens  eerder  besproken 
slilleven  ;  van  Van  Mastenbroek,  die  in 
zijn  Winter y  Schiedam  een  op  zichzelf 
treffend  effect  voelbaarder  had  kunnen 
maken,  en  van  Van  der  Laan. 

^^^^^^^^^^ 

PULCHRI  STUDIO  ƒ  GROEPENTEN- 
TOONSTELLINGEN  5«  SERIE  ƒ  28 
MAART-12  APRIL  ^c^  Het  is  een 
moeilijk  werk  de  besprekingen  van 
eene  reeks  groepententoonslellingen 
belangrijk  te  houden,  wanneer  lusschen 
de  deelen,  soms  niet  meer  dan  een 
schijnbaar,  gewoonlijk  weinigen  zelden 
een  werkelijk  verband  bestaat.  De  foul 
in  den  opzet  van  deze  groepententoon- 
slellingen is  geweest,  dat  men  in  plaats 
van  te  trachten  —  zoo  veel  mogelijk 
als  dat  de  omstandigheden  toelieten  — 
in  de  gansche  reeks  een  evolutionistisch 
verband  te  brengen  en  het  geheel  als 
een  historisch  tafereel  voor  de  oogen 
van  het  publiek  te  laten  verloopen,  eene 
oogenblikkelijke  wanorde  heeft  gesticht, 
die  weinig  tot  verheldering  van  het 
besef  zal  meewerken.  —  Wij  voor  ons 
zijn  genoodzaakt  ons  tot  het  geven  van 
enkele  notities  te  bepalen. 

Drie  ouderen  :  J.  Van  de  Sande  Bak- 
huyzcn,  Mesdag  en  Ter  Meulen,  en  twee 
of  drie  jongeren  :  Van  Wijk,  Moulijn  en 
Oldewelt  houden  met  hun  werk  een 
oogenblik  de  meer  dan  gewone  belang- 
stelling gaande.  Ter  Meulen's  Houtladen 
(in  bezit  van  den  beeldhouwer  Van 
Wijk)  zelfs  vermag  het  u  te  verheffen 
in  die  sfeer  waar  in  het  gewone  het 
ongewone,  in  het  tijdelijke  het  eeuwige 
aanschouwd  en  het  leven  gezien  wordt 
als  in  een  schoonen  roes.  Dit  werk  is 
van  ongewone  atmosferische  bewogen- 
heid, die  de  weerspiegeüng  lijkt  van 
eene  zieletoestand  die  als  moment  in  de 
orde  der  verschijnselen  verheven  te 
noemen  is.  Iemand  die  het  sublieme 
tot  een  zoo  daadwerkelijk  deel  van  zijn 
werk  —  dat  toch  een  schijnbaar  dood- 
gewoon onderwerp  voorstelt  —  weet  te 
maken,  is  waard  boven  velen  geprezen 
te  worden.  Hier  is  het  mysterieuze  zoo 
direct  gegeven  en  stijgt  het  gevoel  van 


vreugde  over  de  aanschouwing  ervan 
tot  een  zoo  hooge  en  spontane  veruk- 
king,  dat  elk  minder  dadelijk  en  hevig 
aandoend  schilderij  tegen  dit  ontroe- 
rende werk  onbelangrijk  schijnt. 

Er  behoort  een  andere  houding  van 
den  geest  toe,  om  hierna  in  de  sfeer 
van  Mesdag's  Gereed  om  uil  ie  gaan  door 
ie  dringen.  In  zijn  werk  is  evenals  ook 
in  Ter  Meulen's  Schapenstai  meer  een 
buitengemeen  breede  dan  diepe  aan- 
schouwing der  natuur-verschijningen. 
Werk  van  zoo  groote  en  hooge  aan- 
doening als  Houtladen  en  van  zoo  groote 
en  breede  eenvoud  als  de  Schapenslaf, 
gaf  Ter  Meulen  zelden.  Bewogenheid  te 
samen  gaand  met  eene  breede  kijk  is  't 
wat  Mesdag's  werk  kenmerkt.  Maar 
zijne  geaardheid  is  er  geene  die  in 
landelijke  natuurverschijningen  beha- 
gen vindten  ze  ziet  als  de  spiegel  zijner 
innerlijke  gemoedstoestanden.  Hem  is 
lief  het  kalme,  heftige  of  breede,  het 
soms  beteekenisvolle  en  majestueuze 
gebaren  der  zee.  Haar  melodisch  rui- 
schen,  stormend  bulderen  is  hem  als  de 
echo  van  eene  innerlijke  stem.  Zij  is  de 
spiegel  van  een  geleidelijk  rijzen  en 
dalen  der  ziels-stemmingen  van  drei- 
gend uitbarsten  of  plots  weer  bedaren 
van  een  stormend  getij.  Er  is  in  meest 
al  dit  werk  een  stoere  kracht  en  bijna 
onverzettelijke  wil  die  de  gemoeds- 
golven  stuwt  naar  een  kftii  van  einde- 
lijke  oplossing. 

De  beeldhouwer  Van  Wijk  exposeert 
behalve  bekend  werk  — als  dien  buiten- 
gewoon diepe  en  ook  hoog  opgevatten 
Bedelaar,  zijn  Schuitenjager  en  zijn  Naar 
huisy  werken  zoo  s/em/n/n(/-wekkend 
als  er  waarschijnlijk  geen  bronzen  ge- 
maakt werden  —  ook  nieuw  werk  :  een 
Iragmentschets  voor  een  grafmonument 
en  een  Moeder  met  Kinderen.  De  groote 
moderne  beeldhouwers,  waaronder  ook 
langzamerhand  Van  Wijk  mag  gerekend 
worden  te  behooren,  gaven  werk  dat 
over  't  algemeen  van  een  picturaal- 
plastische  opvatting  getuigt.  Het  mooie 
kopje  van  de  fragmentschets  getuigt 
van  die  opvatting  en  ook  weer  het 
andere,  de  Moeder  met  Kinderen.  Deze 
opvatting  toont  overeenkomst  met  de 
kijk  der  moderne  HoUandsche  figuur- 
schilders,  met  Israéls,  Neuhuys  en  de 
anderen.  Maar  vermogen  deze  als  schil- 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


XXIIa. 


185 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


ders  de  atmosferische  werking  in  beeld 
weer  Ie  geven,  zoo  is  den  beeldhouwer 
en  vooral  den  modernen,  de  atmosfeer 
toch  wel  een  heerschend  element  in 
zijn  kunstaanschouwing,  maar  zij  is  als 
zoodanig  nog  maar  in  aanleg  aanwezig. 
Verwonderlijk  nu  't  is,  hoe  Van  Wijk 
zijne  bronzen  de  omringende  atmosfeer 
weet  te  doen  beheerschen,  zoo  dat  deze 
als  't  ware  een  meer  erkend  deel  wordt 
van  zijne  schepphig.  En  dit  vermogen, 
de  idéé  zoo  picturaal-plastisch  te  doen 
uitstralen,  is  't  wat  zijn  stemming- 
wekkend  werk  hare  diepe  en  belang- 
rijke beteekenis  geeft. 

We  willen  van  J.  Van  de  Sande  Bak- 
huyzen  nog  met  voorliefde  noteeren  een 
Eendensloolje,  een  werk  van  glanzende 
en  gave  factuur,  een  technisch  bekwaam 
in  natuurlijke  luchtomhuUing  geschil- 
derd Duinen  in  Bergen  en  een  verdiens- 
telijk Enloo  in  Drenthe  dat  van  het 
welig  tieren  der  natuur  onder  een  zoet- 
roosterend  zonnetje  een  niet  onaanlok- 
kelijk beeld  geeft. 

Het  zuiverste  deel  van  Moulijn's  in- 
zending zijn  wel  een  teere  litho  en  de 
illustratie  uit  Nacht  Silene.  Overigens 
lijkt  men  bij  Moulijn's  werk  de  verhou- 
ding van  idee  en  werkelijkheid  niet 
immer  evenwichtig.  Dat  het  schoone 
zijn  leven  in  den  schijn  heeft  vergeet 
menig  modern  kunstenaar.  Het  bloote 
copiéeren  der  natuur  leidt  tot  onware 
voorstellingen.  Maar  toch  is  het  kennen 
der  natuur  de  vereischte  om  tot  eene 
ware  (dat  is  de  meest  waarschijnlijke) 
voorstelling  der  idéé  te  komen. 

Oldewelt  schijnt  in  zijn  Sombere  dagen 
(waarin  een  knap  in  atmosfeer  geschil- 
derde zieke-mannenkop)  eene  fout  te 
begaan,  die  zeer  kenmerkend  is  voor 
werk  van  dezen  tijd.  De  bedoeling  gaat 
hier  bij  hem  voor  de  waarheid  van  het 
gevoel.  Hij  wil  dit  geval  in  sombere 
stille  tonen  schilderen  en  overdrijft 
daarin :  de  indirecte  werking  van  het 
zonlicht  wordt  te  zeer  verwaarloosd. 
De  bedoeling  doet  hier  aan  de  waar- 
heid der  voorstelling  te  kort.  Er  zijn 
anders  in  zijn  binnenhuizen  goede  kleur- 
hoedanigheden  en  vervolmaakt  hij 
eenmaal  het  vermogen  om  zijne  flguren 
belangrijker  voor  te  stellen,  dan  is  er 
in  dit  genre  wellicht  nog  aantrekkelijk 
werk    van    hem    te    verwachten.    Elen 


bloemstuk  Seneraria  is  zijne  belang- 
rijkste inzending.  Hierin  schijnt  de  volle 
warme  gloed  der  bloempartij  daad- 
werkelijk. 

De  verdere  min  of  meer  belangrijke 
inzendingen  zijn  (alphabetisch)  die  van 
Mevr.  Mesdag-Van  Calcar,  Frits  Mon- 
driaan (In  de  lage  Waard,  Een  rustig 
Hoekje  en  een  paar  studie-matige  wer- 
ken), J.A.  Mondt,  Morgenstjerne  Münlhc 
Het  Uitgaan  der  Comédie yWiWcm  Muller 
Melkbocht,  W.  C.  Nakken,  J.  C.  Pabst 
Bij  Scheveningen,  Willem  C  Rip,  Avond 
bij '/  kasteel  Asgten  en  P.  A.  Schipperus. 


f  J.  H.  WEISSENBRUCH  >c^.  Te  wei- 
nig werk  is  mij  nu  nog  van  dezen 
schilder  bekend  om  zijne  beteekenis 
voldoende  te  kunnen  omschrijven.  Maar 
dat  hij  wellicht  onze  meest  origineelc 
meester  was,  is  zonder  die  meer  uitge- 
breide kennis  wel  op  te  maken. 

De  kunsthandel  Biesing  is  in  't  bezit 
van  een  schilderij  uit  Weissenbruch's 
eersten  tijd.  Hier  uit  spreekt  eene  op- 
vatting die  eene  directe  voortzetting 
schijnt  van  die  der  Oude  Hollanders, 
terwijl  in  dit  merkwaardige  en  zeer 
uitvoerige  werk  als  zeer  duidelijk  de 
latere  Weissenbruch  te  erkennen  is. 
De  algemeenc  meening  die  wil  dat  de 
schilder  weinig  Fransche  invloed  on- 
derging, wordt  hierdoor  te  waarschijn- 
lijker. Zoo'n  feit  zou  dan  tevens  betec- 
nisvol  zijn  met  't  oog  op  de  andere 
groote  Hagenaars. 

De  vertegenwoordigers  der  Haagsche 
School  waren  in  zoo  verre  ook  nog 
beteekenisvoller  en  universeele  figuren 
dan  de  dichters  en  schrijvers  van  '80, 
dat  zij  nimmer  originaliteit  met  parti- 
cularileit  verwarden,  wat  deze  laatsteu 
evenals  vele  schilders  der  jongere  ge- 
neratie wel  deden.  Zelfs  bij  een  zoo 
krachtig  uilgesproken  persoonlijkheid 
als  Weissenbruch  is  dit  niet  het  geval. 
En  dit  is  kenschetsend  voor  zijne  ge- 
zonde kunst. 

Bosboom  heeft  dè  lust  nog  bij  hem 
aangewakkerd  vooral  naar  de  natuur  te 
studeeren  en  •  Uit  eigen  leus»  te  blijven 
kijken.  De  schilder  kwam  zoo  in  het 
bezit  van  eene  groote  niet  aan  een  dezer 
ontleende  en  zelden  door  hen  geleidde 
natuurkennis.  Die  uitgebreide  zelf  ver- 


186 


worvcn  kennis,  die  reeds  slcrk  spreekt 
uit  cenc  oude  warm  bruinige  tcekening 
in  hel  bezit  van  het  schilder-genoot- 
schn|>  Pulchri  Studio,  zou  hem  juist  in 
slant  stellen  langzamerhand  te  werk  te 
gaan  met  die  groote  eenvoud  die  zijn 
latere  werk  kenmerkt  en  die  steeds 
opnieuw  verbaast. 

Heeds  vroeg  begreep  hij  dat  in  een 
Huliandsch  landschap  de  lucht  het  alles 
beheerschendc  element  is.  t  Lucht  en 
licht, zeide  hij,  zijn  de  groote  tooveraars; 
zij  bepalen  een  schilderij.  Schilders  kun- 
nen nooit  genoeg  naar  de  lucht  kijken. 
Wij  moeten  het  van  boven  hebben  Wij 
leven  van  regen  en  zonneschijn  en 
gaan  met  ons  palet  door  de  drooge 
buien. 

f  Want  de  natuurr...  de  natuurr... 
zeide  hij  op  zijne  eigenaardige  wijze,  de 
natuurr  is  mijn  prrecepteurr!  Als  het 
stormt  en  regent,  als  het  dondert  en 
bliksemt  ben  ik  in  mijn  element.  De 
natuur  moet  men  in  werking  zien.  Dan 
buiten,  trek  ik  mijn  jekker  aan,  steek 
mijn  voeten  in  klompen,  zet  een  soort 
hoed  en  ga  op  niarch.  Als  de  buien  be- 
daren, met  houtskool  of  zwartkrijt  een 
krabbel  gemaakt,  om  vast  te  houden 
watje  ziet.  Bij  het  uitwerken  komt  toon 
en  kleur  van  zelf  in  herinnering. 

«  In  een  roeibootje  door  het  polder- 
land varen  of  visschen,  dat  is  ook  zoo'n 
kostelijke  natuurstudie.  In  een  schuitje 
zitten  schilderen,  het  water  in  een 
oude  klomp,  een  lekker  pijpje  in  den 
mond,  dat  is  schildersheerlijkheid.  » 

Deze  woorden  —  met  eenige  wijzi- 
ging wellicht  —  uit  Weissenbruch's 
mond  opgeteekend,  vormen  in  hunne 
naive,  soms  grootschc  en  treffende 
eenvoud,  eene  waardevolle  bijdrage  tot 
de  kennis  van  den  schilder.  Hij  was 
iemand  die  moest  werken  met  de  slem 
van  de  natuur  nog  in  zijn  ooren  en  haar 
licht  nog  in  zijn  oog.  Er  zijn  weinig 
schilders  wier  werk  zoo  de  dadelijke 
echo  der  natuur  is.  Als  een  echt  zoon 
van  hel  land  van  Rembrandt  was  hij 
uit  op  lucht-  en  licht-efTecten.  Teeke- 
nend is  weer  in  dit  verband  eene  eigen 
zegswijze  van  hem,  dat  hij  eerst  een 
klap  of  schok  van  de  natuur  moest 
gekregen  hebben,  om  te  kunnen  wer- 
ken. Zijn  werk  is  dan  ook  over  H  alge- 
meen bizonder  frisch  en  getuigt  zelfs 


nog  op  tateren  leeftijd  van  groote  spon- 
taniteit. 

Kvenals  J.  Maris,  bij  wien  echter  alle 
natuur-  aandoening  meer  vergeeste- 
lijkt is,  gaf  hij  misschien  directer  dan 
anderen  weerstenmiingen,  het  weer  in 
zijn  werk.  Teekenend  is  ook  voor  zijn 
werk  de  kenschetsing  :  dimmer  groene 
Weis.  De  heer  Biesing  bezit  eenige 
binnenhuisjes  van  den  schilder,  die  er 
op  wijzen,  dat  deze  soms  zeer  sterke 
groene  toonaard  niet  alleen  het  moge- 
lijke gevolg  van  het  vele  werken  onder 
het  buitenlicht  kan  zijn.  Een  domi- 
neerende  toonaard,  in  sommige  teeke- 
ningen  te  samen  gaand  met  eene 
decoratieve  strekking  der  plans,  zijn 
kenmerkend  voor  het  evolutie-stadium 
der  schilderkunst.  In  eene  teekening  die 
ik  zag,  vormden  de  lijnen,  ontstaan  door 
het  in  elkaar  loopen  der  waterverf  op 
de  grenzen  der  plans  de  eigenlijke  meer 
uitspringende  teekening,  die  bij  de 
soberste  eenvoud  als  compositie  het 
geheel  droeg.  De  firma  BufTa  gaf  ter  ge- 
legenheid van  Weissenbruch's  expositie 
in  '99  eene  —  nu  zeldzaam  geworden  — 
catalogus  uit,  die  o.  m.  reproduceert 
twee  teeken ingen  :  Koeien  op  den  weg 
en  Weiland  mei  Koeien^  waarvan  de 
eerste  aan  later  werk  van  Poggenbeek 
en  de  laatste  een  weinig  van  Voerman 
doet  denken. 

Bij  den  heer  Biesing  zag  ik  vroeger 
eens  een  Binnenhuis  met  een  wónder- 
grillige,  beklemmende  lichlstemming, 
zooals  het  door  het  door  wolken  gere- 
flecteerde zonnelicht  ze  weleens  ver- 
oorzaakt. Deze  raadselachtige  lieRig 
aandoende  stemming  bracht  me  plots 
de  sfeer,  die  sommige  stukken  van  Van 
Gogh  ademen,  naderbij.  Destijds  ook 
toonde  de  heer  Biesing  mij  nog  een 
prachtig  binnenhuis  van  den  schilder, 
dat,  evenals  eene  teekening  in  de  col- 
lectie Mesdag,  de  sfeer  van  het  sublieme 
raakt.  Het  is  aangezet  in  warm-bruine, 
soms  groenig-bruine  tonen,  waarin  des 
te  beteekenisvoller  een  enkel  voller 
kleur-nool  sprak.  Dit  werk  is  bizonder 
voor  Weissenbruch,  daar  hierin  door 
hem  gezocht  werd  niet  naar  eene  meer 
klare,  maar  naar  eene  mysterieuze  uit 
straling  der  idee.  De  dingen  spreken 
hier  tot  u,  gehuld  in  een  van  wonder- 
lijke geheimenissen  levende  atmosfeer. 


KUNST- 
HERICnTi:N 
UIT  DEN  HAAG 


187 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


VARIA 


Hier  geen  klare  slem,  maar  het  won- 
derbare geprevel  van  hel  onzienbare. 
Er  zit  een  bezig  vrouwtje  in  deze  loove- 
rende  spokerij  van  warrig  duister  en 
licht,  dat  door  al  dit  geheimzinnige 
verdoken  gedoe  bestookt  en  omfluislerd 
wordt.  —  Dit  is  een  bizondere  kant  van 
Weissenbruch.  En  toch  lijkt  dit  werk 
als  deel  van  zijn  oïuvre  gedacht,  voor 
hem  niet  ongewoon. 

Hiermee  wil  ik  mijne  bespreking  van 
dezen  typisch  Hollandschen  kunstenaar, 
die  meestal  zijn  slof  zocht  bij  Naarden, 
bij  Nieuwkoop  of  in  de  omgeving  van 
den  Haag,  eindigen.  Wellicht  dat  binnen 
kort  er  zich  eene  gelegenheid  voordoet 
het  noodige  materiaal  te  verzamelen  lot 
vervollediging  mijner  overige,  nu  nog 
teruggehouden  nolilies,  die  me,  te  zamcn 
met  deze  enkele,  zullen  nopen  tot  eene 
omvattender  en  meer  samenhangende 
beschrijvingdezerzooinleressanleschil' 
ders-figuur. 

H.  D.  B. 


VARIA 


PUR  HUBERT  UND  JAN  VAN 
EYGK!  belilclde  Dr.  Ferdinand  Laban, 
Bibliolhekaris  der  Kon.  Musea  te  Ber- 
lijn, een  arlikel,  dal  in  de  Knnstcliroiuk 
van  20  Maart  is  opgenomen.  Schrijver 
wijst  op  de  groole  belcekenis  der  foto- 
grafie voor  kunslstudie  en  kunslver- 
spreiding  —  en  beklaagt  er  zich  bitter 
over  dat  het  groole  Genlsche  allaar  der 
van  Eycken  lol  nu  toe  slechts  gedeelte- 
lijk gefotografeerd  werd.  Er  dienden 
van  de  verschillende  luiken  foto's  ge- 
maakt Ie  worden,  op  één  en  dezelfde 
schaal,  (zoo  groot  mogelijk),  zoodat  ze, 
samengevoegd,  de  lotaal-indrik  van  het 
compleete  werk  zouden  geven.  Voor  de 
luiken  welke  zich  te  Berlijn  en  te  Brus- 
sel bevinden,  wordt  hier  geen  bezwaar 
gemaakt,  wel  integendeel.  «  Alleen  Gent 


verzet  zich,  zegt  Dr.  Laban,  verzet 
zich  hardnekkig,  onverbiddelijk :  non 
possumus.  Te  Gent  zouden  de  daar  aan- 
wezige vier  paneelen  uit  de  kleine, 
donkere  kapel  waar  ze  zich  bevinden, 
in  het  volle  licht  moeten  gebracht  wor- 
den, om  ze  te  fotografeeren ;  ook  zou 
een  reiniging  —  geen  restauratie  maar 
een  eenvoudige  zuivering  van  slof  en 
vuil,  waarbij  zelfs  het  vernis  onaange- 
tast zou  blijven,  —  het  fotografeeren 
moeten  voorafgaan.  De  hooge  geeste- 
lijkheid te  Gent  deinst  voor  die  a  waag- 
stukken »  terug.  Zeker  is  het  op  prijs  Ie 
stellen,  dat  men  daar  dezen  eenigen 
schat  als  de  oogappels  bewaart.  Maar 
duizen<l  voorbeelden  uit  alle  openbare 
en  particuliere  Europeesche  Verzame- 
lingen zoowel  als  uit  vele  kerken  be- 
wijzen dal  dergelijke  terughoudendheid 
hel  doel  ver  voorbijstreeft.  »  

En  verder :  f  De  Duilsche  Rijksdag 
heeft  de  middelen  verstrekt,  om  de  schil- 
deringen in  de  Sikslijnsche  kapel  te 
Romein  goede  afbeeldingen  uit  Ie  geven. 
Het  geldt  hier  vele  tienduizenden  Mark. 
Zou  hel  nu  niet  een  aardige  attentie  zijn 
wanneer  men  Ic  Rome  —  waar  Ilaliaan- 
sche,  pauselijke  kunst  in  zoo  hooge 
male  door  Noorderlingen  vereerd  wordt, 
—  hel  besluit  nam  de  Duilschen  een 
kleinen  wederdienst  te  bewijzen,  door- 
dien gezagvoerende  personen  -—  ik  waag 
het  zelfs  eerbiedig  Z.  Heiligheid  Ie  noe- 
men —  de  geestelijke  overheid  te  Gent 
er  zouden  toe  aanzetten,  de  daartoe 
geroepenen  vergunning  te  geven  lot  het 
folografeeren  van  hel  meest  groolsche 
werk  der  Germaansch-godsdienslige 
schilderkunst...  » 

De  wenschen  van  Dr.  Laban  maken 
we  gaarne  lot  de  onze  en  hopen  vurig 
dat  ook  de  GenLsche  geestelijkheid  aan 
dat  oor  niet  doof  zal  blijven.  Er  beslaat 
voor  haar  gelegenheid  om  een  blijk  van 
helderziendheid  en  grootmoedigheid  te 
geven. 


188 


JAN  HOLSWILDER 


KARIKATUURTEEKENAAR 


E  kunst  van  de  spotprent  :  die  taal  van  den  JAN 
kritischen,     ironisclien,    polemischen     geest,  HOLSWILDER 
bloeide  niet  onder  ons,  toch  wel  oordeelvaar-  KARIKATUUR- 
dig,    schertslievend,   strijdlustig,    Hollandsch  TEEKENAAR 
volk,  van  later  tijden. 

De  letterkunde,  hoewel  de  samenlevings- 
satire, zooals  die  zich  in  het  blijspel  liefst  doet 
hooren,  stiefmoederlijk  behandeld  ziende  — 
noemde  niet  Potgieter  eens  Jan  Klaassen  den  meest  verwaarloosde, 
den  wreedst  verstootene  van  Jan  Holland's  zonen  ?  —  de  litteratuur 
had  over  te  weinig  strijdbaarheid  bij  haar  beoefenaars  nimmer  te 
klagen,  doch,  ofschoon  ook  de  beeldende  kunst  meermalen  haar  krij- 
gers in  de  arena  voerde,  vermocht  ze  deze  de  toch  beschikbare 
wapens  uit  haar  eigen  arsenaal  niet  te  doen  hanteeren. 

Niet  hier  nu  voegt  een  zoeken  naar  de  oorzaak  van  dit  ons  gebrek 
aan  spotprentkunst  en  de  vraag,  of  dat  wellicht  aan  de  te  weinige 
gelegenheid,  ertoe  verstrekt  —  wat  onwaarschijnlijk  is  — ,  dan  wel  aan 
missen  onzerzijds  van  een  kijk,  als  elders  zoo  kwistig  tot  karikaturen 
maken  drong  —  hetgeen  onbewezen  is  —  te  wijten  mocht  zijn.  Want 
ik  bedoel  slechts  toegestemd  te  zien,  dat  de  satirieke  teekenkunst,  die 
in  Engeland  na  een  Rowlandson  en  Gillray,  de  rijke  Punchschool 
bracht  —  in  Frankrijk,  Decamps  en  Monnier  onder  haar  vele  volgers 
tellen  kon,  tot  ze  een  Dauiiii^r  naar  voren  treden  deed,  en  in  Duitsch- 
land  zich  gausch  de  kracht  van  een  Busch  en  een  Oberlander,  benevens 
talrijke  spotbladteekenaars  van  verdienste,  wist  gewijd,  -  dat  de 
karikatuur  zich  in  het  geestelijk  overigens  veel  bevoorrecht  Nederland 
gedurende  de  geheele  xix*^  eeuw%  door  niet  meer  dan  een  tweetal  kun- 
stenaars, waarvan  de  laatste  M.  Bauer  met  zijn  kostelijke  kroniek- 
prenten,  de  eerstkomende  de  Uilenspiegel-  en  La/?/aar/Jteekenaar  Jan 
Holswilder  geweest  is,  waardig  mocht  vertegenwoordigd  achten. 

Een  vergefelijke  aanleiding  is  intusschen  deze  erkenning,  doch  geen 
genoegzame  grond  tot  een  bewonderend  herdenken  van  Holswilder's 


ünzkKinst  1903.  An.  O,   XXIII 


189 


JAN  figuur.  Het  is  dan  ook  niet  alleen,  zelfs  niet  in  hoofdzaak,  omdat  deze, 

HOLSWILDER.  in    1890    overleden,  spotprent-teekenaar    in   zijn   bepaald  vak   bijna 
KARIKATUUR-  zonder  ernstige  mededinging  is  gebleven;   het  kan   niet  slechts   om 
TEKKENAAR      negatieve  verdienste  zijn,  dat  nu  en  hier  nog  eens  uitvoeriger  dan 
elders  (*)  gedaan  is,  van  zijn  werk  mag  worden  gewag  gemaakt. 

Er  is  beter  reden.  Was  hij  verre  van  volmaakt,  zelfs  in  het 
gemiddelde,  wist  hij  zijn  gaven  niet  vootdurend  te  blijven  be- 
heerschen,  leverde  hij  ook  in  het  hem  eigen  en  door  hem  geliefd 
karikatuur  teekenen  onbegrijpelijk  veel  slechts  en  leelijks  -  niet  min- 
der kostbaar  zij  er  ons  de  waarheid  om  -  dat  zelden  in  de  satu'ieke 
prentkunst  nimmer  bij  de  in  wezen  grimmige,  doch  naar  het  uiter- 
lijk zich  bij  voorkeur  uitgelaten  toonende,  oudere,  -  ook  niet  bij  de 
toch  vooral  in  trekken  meer  dan  in  totaal-indruk  schertsende,  latere 
Engelschen,  het  minst  bij  de  van  inhoud  heerlijk  ondeugende,  doch 
in  voordragen  zoo  wonderbaarlijk  zwaar-op-de-hand  blijvende  Duit- 
schers  —  niet  doorloopend  zelfs  in  het  gi'ootsche  oeuvre  van  den 
eenigen  Daumier,  die,  in  zijn  felsten  toorn  om  het  gemeene,  zoo  hoog 
blijkt  van  houding  en  zoo  trotsch  van  gebaar  —  dat  in  de  sterker  con- 
.  cepties  van  geen  dezer,  enkelvoudiger  karakteruitdrukking  zich,  juist 
door  volkomen  eenheid  ook  van  picturale  expressie,  met  meer  klaarheid 
en  nadruk  mededeelde,  dan  ze,  in  het  allerbeste  van  zijn,  zichzelf  in 
waarde  telkens  zoo  ongelijk,  werk,  deze  te  onbekende  Hollander  met 
geheel  impulsieve  zekerheid  wel  zegevierend  wist  neer  te  leggen. 
En  hierom  alleen  reeds  schijnt  zijn  frisch  en  bij  welslagen  schitterend 
blijkend  talent  prijzende  bespreking  hier  zoo  waard,  omdat  deze 
beginner  in  een  genre,  waarin  hij  slechts  door  buitenlanders  was 
voorafgegaan,  met  deze,  zoo  bij  uitnemendheid  Hollandsche,  deugd 
zich  daar  wist  te  blijven  sieren.  Zoo  is  dan  in  deze  eerste  inheemsche 
karikaturen,  naast  en  boven  het  zeer  karikaturale,  het  bij  uitstek  in- 
heemsche onmiddellijk  te  onderkennen. 

De  grootste  bekoring  immers  van  Holswilder's  beste  prenten  is 
het  volkomen  uitgedrukt  zijn  der  innerlijke  bedoeling  in  het  voorko- 
men van  het  geheel.  Had  men  iemand,  van  de  hier  weergegeven  Rijks- 
museum-preui  willende  spreken,  verteld,  hoe  daar  drie  mannen,  en 
beschreven  wat  voor  mannen,  devoot  knielen  op  een  kleed,  hoe 
scharen  kloosterlingen  achter  hen  zijn  opgesteld,  hoe  geestelijken  in 
processie  voorbijtrekken,  binnenschrijdend  dat  zeer  pompeus,  doch 
vooral  met  strengheid  prachtig,  dat  uitermate  indrukwekkend,  maar 
allermeest  drukkend-luguber,  geheimzinnig  en  majestueus  priesterpa- 
leis, waartoe  's  lands  kunsttempel  hier  werd  gemaakt,  dan  nog  zou 
die  iemand  uit  deze  beschrijving  niets  van  een  totaal-indruk  hebben 

(*)  In  den  Nieuwen  Gids  van  April  1891.  {Hollandsche  Teekenaars  ƒ,  door  Jan  Veth). 


190 


JAN  HOLSWILDER  :  Wijding  van  het  Risschoppelijl(  Pnleiïi, 
genaamd  c  het  Rijksmuseum  te  Amsterdam.  > 


191 


JAN  HOLSWILDER  :  Toekomstmuziek,  €  Vox  Populi  vox  Dei.  » 

JAN  medegekrcgen  als  dien  bouw,  kleur,  toon,  dien  alles  in  deze  gi'andioze 

HOLSWILDER    lithogi-afie  bij  den  besehouwer  wekt,  niets  van  het  aloni-heersehende 

KARIKATUUR-  wónder-sinistere  der  duidinj^svolie  pleehtigheid  in  deze  monumentale 

TEEKENAAR      prent,  hebben  gevoeld.  Niet  de  paar  menschen,       kon  hij  dan  nu  met 

recht   zijn  zegsman   tegemoetvoeren,    -    niet  het  gebouw,  zijn   hier 

karikatuur,  maar  de  geheele  handeling,  de  denkbeeldige  gebeurtenis 

zelve,  als  daad,  w^rd  tot  één  eharge  :  tot  één  spottend  wijzen  naar  al, 

wat  den  teekenaar  in  het  katholicisme  der  heeren  de  Stuers,  Thijm  en 

Cuypers,  doodsch  en  donker  fanatisme  is  voorgekomen. 

Een  even  welsprekend  gebaar  nu  maakt  al  het  beste.  In  de  ont- 
zettend luidruchtig  uitziende  prent.  Toekomstmuziek  doet  bijna  wer- 
kelijk het  oproerig  getier  van  een  galmende,  krijschende,  bulderende 
schare,  met  daverend  geschal  en  donderend  geroffel  begeleid  door  een 
toeterend,  trompettend,  trommelend  reuzenorchest,  ons  de  ooren 
suizen;  trekken  eenige  politici  aan  een  touw  om  het  langste  eind,  dan 
doet  de  plaat  ons  welhaast  met  spanning  toekijken  wie  toch  wel  zoo 
dadelijk  zullen  moeten  meegeven  en  wanneer  elders  een  vliegerwed- 
strijd  is  voorgesteld,  dan  is  de  geheele  scène  één  feestelijke  herrie  van 
zwierig  omhoog-gewapper. 

Dat  deze  eenheid  van  indruk,  het  meest  nog  wel  voelbaar  in  de 
gechargeerde  portretten,  daar  evenwel  misschien  nog  meer  des  teeke- 
naar's  luim  dan  het  karakter  van  het  voorwerp  zijner  beschouwing 
te  zien  geeft,  strekke  tot  bewijs  van  zijn  temperament-vol  teekenen  : 


192 


JAN  IIOLSWILDËR  :  David  RIes. 


Zoo  schijnt  hel 
mij,  alsof  uit  zijn 
guili{»  karikaluurtje 
van  David  Bics,  die 
in  ccn  met  bedacht- 
zame scherts  gevon- 
den en  met  smake- 
lijke vroolijkheid  ge- 
componeerd ovaaltje 
staal,  waarop  eenige 
van  des  schilders  be- 
kende typen  den 
achtergi'ond  stoffee- 
ren,  heerlijk  geka- 
rakteriseerd figuur- 
tje, als  het  zich  in  ik 
weet  niet  wat  voor 
een  buitenmodel- 
schen  kamerrok,  aan 
ons  presenteert  met 
innigtamme,zoetsap- 
pige  pose,  van  de 
hand,  die  het  penseel  houdt,  de  pink  gracelijk  even  omhoog  gehe- 
ven, als  ware  deze  verfkwast  een  kopje  thee  en  hij  zelf  de  meest 
zorgzaam  welgemanierde  burgerheer  van  de  oude  school,  -  zoo 
komt  het  mij  voor  als  knipoogde  uit  dit  vermakelijk  portretje  de 
allergemoedelijkste  speelschheid.  Met  Willem  van  Zuylen  echter,  in 
een  brutaal  rake  charge.  Jan  ten  Brink,  vol  opzichtigen  zwier  toos- 
tende. Verhulst,  in  eens  gelrolTen  in  een  mooie,  losse  krabbel,  HalTmans, 
Lohman,  oreerende  voorgesteld  in  kleine  Uilenspiegelprenijes,  werd 
al  wat  meer  een  loopje  genomen,  al  bleef  elk  van  deze  bewaard  voor 
het  lot  van  een  der  bekende  laatste  Conservatieven.  De  wijze,  waarop 
de  karikaturist  dezen  zich  tot  een  lange  rede  doet  opmaken,  en  het 
erg  nadrukkelijke  hoofd,  —  waar  alles  zoo  uiterst  gewichtig  in  de 
breedte  is  uitgemeten  —  het  zelfgenoegzaam  gelaat  als  zwaartepunt 
der  prent  toont,  zooals  het  oprijzen  van  dit  personage  de  gebeurtenis 
is,  waarom  men  Dr.  Schaepman  vol  wanhoop  in  elkaar  ziet  zakken 
en  den  heer  Lohman  zich  omkeeren  met  een  duidelijk  :  is  het  alweer 
zoo  Iaat  ?  —  de  manier  van  doen  in  Mr.  Wintgens,  als  de  satirist  ze 
kenmerkt,  is  dan  wel  zoo  potsierlijk  van  zelfingenomenheid,  is  zoo 
belachelijk  door  behagelijk  niets-vermoeden  van  de  oneerbiedige 
houding  zijner  collega's  achter  hem,  dat  de  scherts  van  straks  tot  iets 
ergers  zelfs  dan  spot :  tot  hoon  is  geworden  in  deze,  jammer  genoeg  in 


JAN 

HOLSWILDKR 
KARIKATUUR- 
TlilIKENAAH 


193 


JAN 

HOLSWILDER 
KARIKATUUR- 
TEKKENAAR 


JAN  HOI^WiLDKH :  Lohman. 


bijfiguren  niet  immer  zoo  mooie,  Lantaarn 
teekening  van  prachtige  allure,  welke  met 
een  «  ouderling  van  koloniën  »  Keuchenius, 
(een  in  onderdeelen  nog  beter  doorgevoerde 
tweede  Kamer-scene  in  Uilenspiegel^  die  dui- 
delijk aantoont,  hoe  hij  daar  naar  het  leven 
teekende)  van  de  personen-charges  tot  de 
meest  moedwillige  behoort. 

Deed  nu  de  malice  Holswilder  hier  met 
de  gelukkigste  stoutmoedigheid  een  hevige 
expressie  vatten  en  in  waarlijk  meesterlijke 
creaties  bewaren,  fijner,  mooier  van  kijk  zijn 
de  zonder  kenbare  spotzucht  zelfs  getypeerde 
J.  Israëls,  J.  Maris  en  Alb.  Neuhuys  op  een 
plaat  bij  elkander  en  het  zijn  deze,  -  toch  gechargeerde,  zeker  in 
uitdrukking  erge  -  prachtige  figuren,  die  het  meest  herinneren  aan 
sommige  der  latere,  minder  heftige  karikaturen  van  Honoré  Daumier 
(als  dat  van  den  beeldhouwer  en  afgevaardigde  David  d'Angers), 
terwijl  de  bijtender  satirieke  portretten  zulke  van  den  Franschen 
meester  slechts  in  scherpte,  niet  in  vreeselijkheid,  gelijken. 

De  Uilenspiegelplaien,  die  niet,  als  én  de  Charivari^  én  de  Lan-- 
/aarnplaten,  lithografien  zijn,  gelijken  in  aspect  al  heel  weinig  op  het 
werk  van  den  Franschen  teekenaar.  Maar  de  geestelijke  verwantschap 
is  in  beide  bladen  dikwijls  groot.  Want  niet  het  meest, —  het  zijne  was, 
zooal  een  kleiner,  een  zeer  origineel  talent  niet  het  wezenlijkst 
aardt  het  werk  van  den  Hollander  naar  dat  van  den  giooten  PVansch- 
man,  wanneer  men  vermoeden  mag,  dat  hij  (zooals  hij  wel  placht  te 
doen),  zoekend  naar  een  idéé,  den  Charinari  heeft  opgeslagenen  zelfs 
sommige  figuren,  gelijk  twee  geestige  in  de  (Lantaarn-)  plaat  <(  het 
nieuwste  artikel  194  »  wel  direct  op  personages  bij  Daumier  geïnspi- 
reerd schijnen.  Zooals  uit  deze  mooie  lithogi'afie  waarop  men  een 
schoolkind  ziet  volgooien  met  godsdienst  onderwijs  en  druppelen  met 
kennis  -  uit  deze  fraaie  steenteekening  dan  ook  naar  den  geest  iets 
geheel  anders  is  geworden,  daar  er  veeleer  iets  van  den  prettigen  humor 
des  Engelschman's  Leech  uit  meesmuilt  dan  dat  hier  een  nagalm  van 
een  pijnlijk  smakelijken  lach,  als  de  «  Ventre  Législatif  »  was,  ons  de 
harten  beklemmen  zou. 

Maar  met  iets  als  den  toorn  van  den  man,  die  op  zoo  grootsche 
wijze  spotten  kon,  is  in  een,  van  trant  heel  niet  Daumiereske,  plaat 
als  het  luguber  Hollandsch  landschap  met  opkomende  bnien  de 
woeste  lucht  doortrokken,  welke  boven  zwarte  priesters  en  dominés 
en  hun  kudden  hangt  te  dreigen.  Zoo  een  fel  sarkasme  uit  zich  ook 
in  de  vinnige  wijze,  waarop  hij  den  paus  teekent,  op  rolletjes  door 


194 


. 'i^*'. 


JAN  HOI^WILDER  :  De  drie  Kranigste  schilders  op  de  Rollerdamsche  Tentoonstelling. 

(J.  Isniéls,  J.  Maris  en  Alb.  Neuhuys]. 

Drie  Schilders :  Zeg  ereis,  vrind,  Kun-jij  niel  zorgen  voor  beter  licht  binnen, 

bij  den  aankoop  van  schilderijen  voor  hel  Rijk  of  hel  Boymans-Museuin  ? 

Ijintaarnopsieker :  Gossiemijiie  nee,    heeren,   der   niotlen   eerst  allemaal 

nuwe  pijpen  in,   want  de  boel  is  leelijk  verstopt. 


195 


JAN 

HOLSWILDER 
KAKIKATUUR- 
TEEKENAAR 


JAN  HOLSWILDEH  :  Jnn  ten  Rriiik 


Bismarck  voortge- 
trokken in  een  plaat, 
die  van  opzet  gelijkt 
op  des  fermen   Ten- 

fK^^JS^wgmj^^^^^^j^^^'^  nieFs  werk,  doeh  de 

1^^^^  ;p.,  ?^^^^^^^  volmaakter    eoneep- 

ties  van  dezen  ki  ach- 
tigen  cartoonteeke- 
naar  in  warmbloedig- 
heid en  durf  even- 
zeer overtreft,  als  de 
leeuw,  die,  elders. 
Heemskerk  op  den 
rug  draagt,  het  in 
vreeselijkheid  en  trots 
wint  van  de  taaier, 
meer  rustig  imponee 
rende  koningen  der 
dieren  bij  dien  waar- 
digen  Punch-man. 
Zulk  een  vlijmende 
satire  ook  is  de  Vilcnspieijelphvdi  waar  hij  bij  den  «  uitslag  der  ver- 
kiezingen »  de  katholieken  en  anti-revolutionnairen  met  ontzetting 
doet  vluehten  voor  den  liberalen  duivel,  -  een  van  zijn  volmaakste, 
zoo  al  niet  van  zijn  mooiste  prenten  :  ziet  die  wilde  en  toornige 
gezichten  en  vol  schrik  omhooggeslagen  armen  ;  niet  minder  hatelijk 
zijn  intusschen  de  demonen,  die  een  heksendans  uitvoeren  om  hel 
wetsartikel  op  het  bizonder  onderwijs  :  groteske  en  sinistre  silhouet- 
ten, vol  walgelijke  vroolijkheid  ;  niet  matiger  spreekt  de  afkeer  uit 
zijn  typeeren  der  priesters,  die  Dr.  Schaepman  om  zijn  democratie 
aanvallen ;  veel  zachtzinniger  heeft  de  karikaturist  Dr.  Kuiper  ook 
al  niet  bekeken,  wanneer  bij  hem  een  gecombineerde  mananivre  van 
heilsleger  en  doleerenden  doet  leiden  of  een  hagepreek  houden  -  alles 
in  dal  weekblad.  En  als  hij  mede  in  Uilenspiegel^  Vulcaan-Schaepman 
de  Wijsheid  (in  den  vorm  alweer  van  meergemeld  artikel  194)  uit 
Jupiter-Heemskerk's  hoofd  doet  slaan,  is  met  de  voldaanheid  van  den 
smid  evenals  met  de  slachtofferachtige  houding  van  den  patiënt,  de 
onbarmhartigste  spot  gedreven.  Doch  van  de  teekeningen,  welke  door 
ergheid  van  expressie  verdienen  vergeleken  te  worden  met  veel  van 
wat  in  den  Charivari  verscheen,  schijnt  mij  geen  waarlijk  geestiger 
dan  een,  geen  meer  ontzettend  in  felheid  dan  een  andere  van  twee 
composities  en  wel  de  volgende  La/?/aa/7J-prenten.  Dombardemenl 
van  Scheveningen   is  de  eerste.    Oorlog^    groote  troepen  van  optrek- 


liH) 


JAN  HOLSWILDEH  :  De  ware  Nachtwacht. 


kende,  reeds  aanvallende  soldaten  op  den  bedrijvigen  voorgrond  j^j^ 
en  Marine,  een  indrukwekkende  vloot  van  fraaie  schepen  beschie-  HOLSWILDEH 
ten  het  haventje,  —  dat  ofschoon  verder  op,  dichtstbij  toont,  wijl  men  KARIKATUUR- 
er  de  figuren  het  grootst  en  duidelijkst  ziet :  den  burgemeester  met  de  XEEKENAAR 
vlag,  visschers  met  een  ton  voor  kanon  en  een  bezem  voor  laadstok,  — 
bombardeeren  de  belachelijk  armzalige  veste,  waar  een  Haagsch 
diender,  plechtig,  nieuwsgierige  vrouwen  terugwijst.  Bij  de  pracht  van 
dit  vreemde  tafreel  vol  gebeuren,  met  die  rijke  drukte,  die  mooie 
beweging  aan  alle  kanten,  maken  talrijke  ironische  trekjes  dit  geheel, 
in  zijn  grotesk-ergen  toeleg,  tot  een  wild  sollen,  een  woeste  geestigheid. 
Inmiddels,  de  toon  hier  wordt  vriendelijk  bij  een  moedwil  als  in 
de  tweede  :  «  Wee  u,  gij  blinde  leidslieden.  »  Op  een  grooten  Bijbel, 
daar  ze  met  ladders  opkHmmen,  krioelt  het  van  dominé's  :  tot  malkaar 
met  teksten  om  de  ooren  slaande,  elkander  de  kerkelijke  fondsen  gretig 
bekijvende  schriftgeleerden  werden  deze,  tot  wreede  woeste,  zwarte 
kabouters  schrompelen  ze,  welke  grissen  naar  schatten,  dan  wel  die 
gierig  bewaken ;  waarvan  er  in  ombarmhartigen  ijver  hun  broede- 
ren het  ontkomen  aan  de  helsche  pijnen  metterdaad  ontzeggen,  alvast 
hen  smijtend  in  de  vlammen  om  het  boek.  Daumier  nu  kon  oj)  hoo- 
ger  toon,  wie  hem  laag  schenen,  hoonen  hij  heeft  ze  nooit  misschien, 
hatelijker  zoodje  van  afschuwelijker  gedrochtjes,  in  massa,  met  gruw- 
zamer leedvermaak  door  hellegloed  beschenen. 


XXIV 


197 


JAN  De   Uilenspiegel  kon  aan  de  vooral  op  steenteekenen  berekende 

HOLSWILDER   trant  van  Holswilder,  in  haar  procédé  van  autotypie,  geen  kans  op  zoo 
KARIKATUUR-  krasse  picturale  effecten  geven,  en,  hoewel  gezegd  moet  worden,  dat 
TEEKENAAR      het    gros  van  zijn   teekeningen  in  dat  blad,  beter  is    dan  de  groote 
meerderheid  der  La/i/aar/?prenten,  vindt  men  er  daar  geen  van  zoo 
grootsche   eenheid    als  wat  we  van   de  lithografien  als  het   mooiste 
zagen.  Maar  een  plaat,  als  waar  Heemskerk  de  bloemententoonstelling 
bezoekt  en  in  de  knoppen  de  hoofden  zijner  politieke  vrienden  en  tegen- 
standers, scherp  getypeerd,  te  herkennen  zijn  ;  en  de  vele  fijne  charges 
ook  daar  van  Schaepman,  die  zich  nu  eens  sneeuwman,  dan  weer  hond, 
vogelaar,  veldheer,  of  pauselijk  zouaaf  toont,  van  Kuiper  ook  en  Keu- 
chenius,  behooren  wel  tot  de  beste  concepties  in  zijn  gezamelijk  werk. 
Helaas !   dat  beste  Hgt  uitgesproken  in  een  gering  aantal  prenten, 
verborgen  en  neergedrukt  door  een  overweldigende  hoeveelheid  slechte 
waar.  Want  men  kan,  zonder  schade,  wel  de  helft  van  de  Lantaarn- 
platen ter  zijde  leggen  ! 

Van  de  tekortkomingen  in  dit  werk  dan,  betaamt  het  niet,  meer 
dan  volstaan  zal  tot  kenschetsing,  te  spreken.  Dat  van  al  zijn  teekeningen 
slechts  een  klein  deel  goed  mag  heeten  ;  dal  hij  direct  van  het  leven, 
en  dan  nog  in  eens,  bij  ingeving,  een  uitdrukking  vatten  moest ;  dat 
zijn  arbeid  ten  slotte  uit  veel  ronduit  slechts  en  maar  weinig  heel 
moois  bestaat,  deze  feilen  moeten  te  zeer  uit  die  spontane,  onover- 
dachte uitingsdrang  geboren  zijn,  welke,  vlolweg,  de  enkele  glansrijke 
prenten  schiep,  dan  dat  men  ze,  zijn  goeds  herdenkend,  hem  met 
onnoodigen  nadruk  zou  mogen  of  willen  ten  laste  leggen. 

Vooral  ook,  daar  het  misschien  bij  geluk  wüs,  indien  hij  zooveel 
moois  nog  mocht  maken.  Het  lot  immei-s  heeft  dezen  ziekelijken, 
hardwerkenden  man  nimmer  verwend  en  hem  hel  grootste  deel  van 
zijn  leven  tot  een  emplooi  gezet,  dat  hem  niet  voegde.  Toen  hij,  op 
zijn  veertigste  jaar,  aan  tering  stierf,  had  hij  weinig  tijd  tot  beters 
gehad. 

Hij  was  van  1850  en  te  leiden  geboren,  begon  als  kantoorbediende 
en  kwam,  na  lessen  te  hebben  genomen  en  later  gegeven  in  zijn 
moederstad,  in  den  Haag  te  wonen.  Kostwinner  van  zijn  ouden  vader 
en  diens  gezin,  was  hij  genoopt  voor  de  firma  I^nkhout  en  anderen 
als  lithogiaaf  allerlei  broodwerk  van  minder  allooi  men  zegt : 
plaatjes  voor  sigarenkistjes  te  maken.  Ook  zijn  teekeningen  in  het 
Humoristisch  Album  waren  maakwerk.  Vooral  in  de  Lanlaarn  echter, 
waar  zijn  vriend,  de  heer  (Jan  C.  de  Vos),  wien  ik  de  biografische 
feiten,  hier  gegeven,  dank,  redacteur  van  was,  mocht  hij  zich  geven 
en  als  vrucht  van  deze  vrijheid,  hem  uit  waardeering  gelaten,  heeft  hij 
zichzelf,  maker  van  zooveel  minderwaardigs,  in  glorieuze  prenten,  als 


198 


JAN  HOLSWILDER  :  Tempelridders  te  velde. 


199 


JAN  een  van  het  fierste  geiizenras  kunnen  toonen.  Zoo  bevatten  de  jaar- 

HOLSWILDEIR  gangen  1885  en  '86  van  dit  blad,  het  allerbeste  van  zijn  werk;  evenwel 
KARIKATUUR-  vindt  men  ook  in  Uilenspiegel  1887/9(),  een  reeks  zeer  goede  platen, 
TEEIKENAAR      mede  de  laatste  van  zijn  hand. 

Er  moet  eigenlijk  toch  in  dezen  man  zelf  ~  de  bitterheid  van  den 
minder  bevoorrechte  bracht  hem  anderzijds  toch  tot  zooveel  groots  — 
iels  zijn  geweest,  dat,  meer  dan  druk  van  buiten  af,  tot  het  al  of  niet 
slagen  zijner  pogingen  afdeed. 

Waar  men  hem,  in  het  steenteekenen  geroutineerde,  soms  zoo 
grandioze  effecten  mag  zien  bereiken  door  het  felste  zwart,  dat  dan 
prachtig  wordt  van  diepte  en  kracht;  door  de  zijïgste  der  zachte 
tusschenlinten  zooveel  kleur  aan  rustiger  partijen,  door  brutaalweg 
uitgehaalde  lichten  zooveel  waarde  aan  zijn  wit  ziet  geven,  wordt  dit 
alles,  indien  hij  faalt,  morsig  vegen,  grauw  invullen,  krassen  zonder 
beteekenis ;  vandaar  dat  vele  Uilenspiegel-prenien  het  winnen  van  een 
groot  deel  der  lilhografien.  In  het  onderwerp  vindt  men  ook  al  geen 
aanduiding.  Gevoelt  men  lust,  het  te  betreuren,  dat  hij,  van  Imis  uit 
karikatuurteekenaar,  wat  men  noemt  «  serieuze  »  portretten,  moest 
geven  van  gestorvenen  en  vindt  men  verklaarbaar,  hoe  beeltenissen 
als  van  Huet,  Bosboom  en  Multatuli,  dan  gemaakt,  prullig  zijn, 
staan  niet  de  kop  en  gestalte  van  den  oud-minister  Blussé  bij  zulk 
een  gelegenheidsportret  die  van  een  zeldzaam  fijne  typeering  zijn,  — 
in  een  prachtig  stuk  Tweede  Kamer,  waar  de  soezig  muffe,  alles  ver- 
vagende lucht  hangt  van  overal  waar  veel  menschen  lang  bijeen  waren? 
Bewijst  het  mislukken  van  een  plaat,  die  enkel  op  de-  niet  uitgedrukte 
-  actie  van  één  persoon  drijft,  als  Een  Strijd  om  hel  KnpitaaU  indien 
men  elders  juist  een  korzelig  wegloopende  man  een  gansche  gebeur- 
tenis wel  degelijk  belangrijk  ziet  maken,  iets  tegen  de  kansen  van 
zulk  een  opgaaf?  Elders  wordt  een  nobele  opzet  door  een  hoofdfigimr, 
een  armelijk  verzonnen  en  zonder  pit  geteekenden  duivel,  totaal  bedor- 
ven; vervelende  juffrouwen  doen  een  groep,  waar,  door  den  mooien 
Dr.  Schaepman  als  biechtvader,  iets  van  had  kunnen  worden,  jammer- 
lijk in  het  water  vallen,  -conventioneel-Hevige  pofferkraam-belles, 
als  men  er  warempel  weer  tot  zijn  verdriet  een  in  gezelschap  van  een 
droogjes-vriendelijken,  koddigen  Sprenger  van  Eyk  moet  aantreffen  — 
en  Dr.  Schaepman  weder  volstaat  niet,  grotesk  en  vreeselij k  zelfs  als 
hij  in  de  lucht  zit  en  potsierlijk  plechtig  noodt  met  lokkende,  voor  de 
wolken  uitkomende  reuzenhand ;  zelfs  deze  prachtige  karikatuur  kan 
de  Zeven  Martelaren  niet  redden,  -  waarom  dan  ook  willen  deze 
heeren,  in  hun  luchtig  engelen-pak,  ons  met  zoo  smaakloozen  aan- 
drang hun  immers  al  te  domweg  naar  fotogi'afiën  nagetrokken  hoof- 
den toch  vooral  doen  bewonderen?  En  in  een  kleine  Uilenspiegelplaal 
vormen  die  zelfde  zeven  figuren  een  prachtige  groep  I  Hoe  drommel 


200 


komt,  van  twee  trekschuitgeschiedenissen  dan  weer,  de  een  goed,  de  JAN 

ander  troosteloos  er-naast  te  zijn  ?  HOLSWILDER 

Men  bemerkt  het  :  ik  ben  toch  aan  de  gebreken  toe.  Te  slechter  KARIKATUUR- 
ziet  het  er  voor  mij  dan  uit,  —  hoewel  ik  weet  ze  te  moeten  vermei-  TEEKENAAR 
den  tot  beter  begrip  —  te  erger  voor  mij  zelven  dan,  die  wel  vreezen 
moet,  dat,  wie  slechts  het  hier  weergegevene,  uitnemende,  ziet,  mij 
niet  gelooft.  Want  niets  blijkt  hier  van  niet-kunnen,  van  slapheid,  van 
gemis  aan  feu  sacré.  Te  eerder  neme  men  dan  aan,  dat  het  geman- 
keerde eigenlijk  ook  nooit  door  onhandigheid,  nimmer  door  lafdoen, 
nergens  door  onechtheid  gevallen  is.  De  inspiratie  was  er  slechts  niet. 

Was  die  er  wel,  dan  heeft  ze  hem  doen  maken,  wat  in  zijn  soort 
tot  het  allerbeste  is  te  rekenen.  Want  een  driftig  voelen  in,  een  gedurfd 
dingen  naar,  een  plotseling  komen  tot  de  fierste  uitgesprokenheid  van 
sentiment  in  het  bereikte  geheel,  heeft  van  dezen  schepper  der  vele 
meesterlijke  charges  van  Schaepman,  Heemskerk  en  Lohman  vooral, 
van  Keuchenius,  Thijm,  Willem  Maris,  een  beter  kunstenaar  gemaakt 
dan  velen  die  buitenslands  het  genre  meester  waren,  -  een  grooter 
spotprentteekenaar,  dan  Bauer  zich  in  zijn  mooie  K^ron/Vfrplaten,  die 
door  alles  heen  speelsche  invallen  zijn  van  een  snaakschen  toeschou- 
wer, tevens  prachtlievend  schilder;  glansrijke  composities,  met  karika- 
turen er  in,  blijven  van  één,  voor  wien  het  opzetten  eener  prachtige 
mise  en  scène  wel  kinderspel  schijnt,  -  ooit  toondie.  Want,  zoo  al  de 
veelal  vernuftiger,  meestal  puntiger,  bijna  altijd  rijker,  immer  zwieri- 
ger, kleuriger,  schitterender  prentenreeks  van  een  tiental  jaren  later, 
als  geheel  iets  volmaakters,  iets  geslaagders  is,  dan  de  voor  een  goed 
deel  mislukte  serie  van  de  Lantaarn  het  schijnt  mij  toe,  dat  de  lof, 
van,  in  een  heel  klein  groepje  charges,  zich  van  een  zóó  grootsche 
welsprekendheid  te  hebben  bewezen,  als  uit  weinig  satirieke  teekenin- 
gen,  —  als  nooit  uit  die  weelderiger  en  luchthartiger,  prikkelender  en 
meer  luisterrijke,  doch  wel' een  weinig  om  het  spel  van  schertsen 
spotprent  geworden,  lithografieën,  welke  eens  de  Kroniek  zoo  smukten, 
—  heeft  gesproken,  Holswilder,  den  meest  zuiver  picturalen  der  kari- 
katuristen, eerlijk  toekomt. 

CoRNELis  Veth. 


201 


HET  MUSEUM 

WILLET- 

HOLTHUYSEN 


HET  MUSEUM  WILLET-HOLTHUYSEN 

\t  HET  SAKSISCH  PORCELEIN  EN  ZIJN  NABOOTSINGEN  # 

|E  schallen  van  Chineesch  en  Japansch  por- 
celein,  in  de  xvii«  eeuw  door  de  schepen  der 
Zeven  Provinciën  aangebracht  en  over  Europa 
verspreid,  hadden  benijdende  bewondering 
verwek l  overal  waar  zij  kwamen.  Zij  ver- 
schenen als  toonbeelden  van  een  vreemde 
technische  kunst,  zoo  geraffineerd,  als  de 
westersche  beschaving  haar  niet  kende.  Hun 
volkomen  onconventioneele  versiering,  vreemd  maar  tevens  zoo  los- 
sierlijk  en  voornaam,  het  brooze  en  fijn-doorschijnende,  maar  toch 
harde  en  vaste  van  hun  melkwitte  onbekende  substantie,  de  gloed 
van  de  kleuren,  de  vaardige  zekerheid  van  de  zeer  ongewone  leeke- 
ning,  het  bracht  er  alles  wel  zeer  toe  bij  zoowel  de  begeerte  te  >yekken 
van  prachtlievende  vorsten  en  adel,  als  de  nieuwsgierigheid  en  lust  tot 
navolging  van  een  kunsthandwerk,  dat  nog  op  hoogen  trap  van  onl- 
wikkeHng  stond.  Waarbij  komt  dat  allerlei  hoogere  en  lagere  heeren 
aanstonds  bereid  waren  namaak-pogingen  te  steunen  en  onder  hun 
patronaat  te  nemen,  wijl  hel  eventueele  slagen  een  goudmijn  zou 
openen  voor  den  gelukkigen  ontdekker  van  een  eigen  Europeesch 
porcelein  en  zijn  hooge  beschermers,  die  dit  goud  in  deze  eind-xv^^ 
begin-xvHi«  eeuwsche  lijden,  in  deze  tijden  van  buitensporige, 
Versailles-nagedane,  weelde  en  niet  minder  buitensporig  schulden- 
maken,  zeer  behoefden.  Zoo  zette  men  zich  dus  overal  aan  den 
arbeid,  terwijl  intusschen  de  aardewerkfabrieken  alvast  trachtten 
om,  zoo  zij  dan  niet  in  staat  waren  een  gelijke  waar  te  fabri- 
ceeren,  ten  minste  een  gelijkuormige  voort  te  brengen,  een  die  in 
gestalte,  kleur  en  versiering  oppervlakkig  beschouwd  voor  het  zoo 
begeerd  Chineesch  kon  doorgaan  en...  veel  minder  kostte.  En  geen 
pottebakkers  zijn  daarin  zoo  wel  geslaagd  als  de  Delflsche,  reeds  vóór 
het  midden  der  xvn^  eeuw. 

Maar   al   omtrent  dienzelfden    lijd  wordt   hier  en   daar,   vooral 


202 


in  Frankrijk,  vernomen  van  geslaagde  pogingen  om  de  geheiiiizinnige  HET  MUSEUM 
slof  te  prodiiceeren.  In  Rouaan,  St.  Cloud,   Lille  worden  fabrieken  WILLET- 
opgericht  en  al  is  de  met  oneindige  moeite  en  volharding  gevonden  HOLTHUYSEN 
pate  hel  Chineesche  porcelein  ook  niet,  en  zelfs  nauwelijks  porcelein 
te  noemen,  omdat  in  het  mengsel  de  kaoline,  de  echte  porceleinaarde, 
ontbreekt,  toch  voldoen  de  daarmee  gemaakte  voorwerpen  aan   de 
eerste    hongerige    begeerten,    wijl   zij    volmaakt    op    het    Chineesch 
gelijken  en  sommige  hunner  kleuren  zelfs  zoo  vol  en  diep  zijn,  als  bij 
het  aanporcelein  nooit  te  bereiken  was. 

Maar  nog  was  dit  er  niet  en  zou  ook  in  Frankrijk  niet  gevonden 
worden.  Het  geheele  laatste  kwart  der  xvn«  eeuw  ging  voorbij  in 
resultaatlooze  pogingen  in  verschillende  landen  van  het  westen,  pogin- 
gen, die  wel  menigeen  zijn  vermogen,  zijn  gezondheid  en  zelfs  zijn 
leven  kostten. 

Toen  binnen  de  eerste  twintig  jaren  der  xvni^  eeuw  werd  het  in 
Duitschland,  in  Saksen,  door  Johann  Gottfried  Böllger  ontdekt, 
maar...  zoo  heel  gemakkelijk  is  dat  waarlijk  niet  gegaan  en  het  toeval 
heeft  er  zich  zeer  mee  moeten  bemoeien. 

Deze  Böttger  was  een  alchimist  ofte  goudmaker  van  zijn  vak, 
gelijk  er  toen,  in  die  tijden  van  gebrekkige  physische  en  chemische 
kennis  velen  waren,  naïef-in-eigen-kunst-geloovigen  of  bedriegers, 
doch  bijna  allen  hun  avontuurlijke  leven  op  gewelddadige  wijze,  hetzij 
op  den  brandstapel,  hetzij  aan  de  galg  beëindigend.  Het  verhaal  van 
zijn  kort  leven  en  werken  is  als  een  roman  van  avonturen  en  karakte- 
ristiek voor  dat  tijdvak  van  onophoudelijken  oorlog,  van  kunstzinnig 
vorstenabsolutisme,  van  middeleeuwsche  geheimzinnigheid  en  bijge- 
loof naast  de  doodnuchlere  rede-philosophie  der  beginnende  «  Auf- 
klarung.  »  De  smaakvolle  pracht  van  Versailles  onder  Lodewijk  XIV, 
waar  de  beschaving  der  wereld  geconcentreerd  scheen,  had  menigen 
vorst  tot  navolging  geprikkeld,  doch  niemand  meer  dan  Augustus^ 
bijgenaamd  De  Sterke,  keurvorst  van  Saksen  en  later  koning  van 
Polen,  die  zijn  hof  tot  een  ander  Versailles  en  Dresden,  door  zijn 
bouwwerken,  tot  een  klein  Parijs  zocht  te  maken. 

Maar  dat  alles  kostte  geld  en  voortdurend  geld,  waarbij  nog  kwam 
in  1700  de  noodzakelijkheid  van  uitgebreide  krijgstoerustingen  tegen 
Karel  XII,  koning  van  Zweden,  die  Rusland  en  Polen  den  oorlog 
had  verklaard  en,  bij  Narva  de  Moscoviten  verslagen  hebbende, 
op  Polen  aanrukte.  In  deze  drukkende  omstandigheden  is  het  wel 
duidelijk  dat  Augustus  zich  de  mogelijkheid  een  deugdelijken  goud- 
maker machtig  te  worden  niet  liet  ontnemen.  Te  Wittenberg  scheen 
er  zoo  een  te  zijn,  juist  gevangen  genomen  ten  behoeve  der 
Brandenburgsche  overheid,  die  zijn  uitlevering  als  Brandenburgsch 
onderdaan  eischte. 


203 


HET  MUSEUM  Böttger  was  die  jonge  alchimist,  wiens  faam  als  goudmaker  te 

WILLET-  Berlijn  reeds  zoo  groot  was,  dat  de  keurvorst  Frederik-Wilhelni,  die 

HOLTHUYSEN   zich  onlangs  tol  koning  van   Pruisen  had  doen  kronen,  hem  beslist 
voor  zich  zei  ven  wenschle  te  houden. 

Op  het  nader  bericht  van  de  toedracht  der  zaak,  liet  echter 
Augustus  den  jongen  Böttger,  —  hij  was  toen  19  jaar  oud  —  zonder 
veel  omslag  oplichten  en  in  't  geheim  naar  Dresden  brengen,  om  daar, 
in  de  slrengsle  afzondering,  van  niemand  bekend  en  zelf  langen  lijd 
onwelend  van  de  plaats  waar  hij  zich  bevond,  te  arbeiden  aan  de 
vorslelijke  opdracht,  zoodra  en  zooveel  mogelijk  goud  te  produceeren. 
Maar  dit  bracht  Böttger  in  de  pijnlijkste  verlegenheid.  Hij,  die 
uit  vrees  voor  F'rederik-Wilhelm  naar  Saksen  was  gevlucht,  vond  zich 
hier  van  den  regen  in  den  drup  geraakt.  Want  hij  was  zich  volkomen 
bewust  dat  hij  geen  goud  kón  maken,  al  twijfelde  hij  niet  aan  de 
mogelijkheid  eens  Ie  zullen  slagen,  en  zijn  Berlijnsche  glorie  berustte 
voornamelijk  op  een  mystificatie,  die  hem  bij  ontdekking  aan  de  galg 
had  kunnen  brengen.  En  nu  was  hij  voorshands  wel  geborgen  in  een 
warmen  stal  met  goed  voer,  doch  hij  miste  zijn  vrijheid  en  leefde  in 
wreede  onzekerheid  of  het  geduld  van  den  keurvorst  wel  zoo  lang 
duren  zou  als  zijn  proeven.  Zijn  onmacht  openlijk  en  berouwvol  te 
bekennen,  daar  was  heel  geen  denken  aan.  Men  was  niet  teeder 
gestemd  legen  zulke  bedriegers  in  die  dagen  en  hel  minste,  dal  Bötlger 
in  dat  geval  mocht  verwachten,  was  zijn  uillevering  aan  Pruissen, 
met  wal  daaraan  vast  zou  zijn.  Zoo  bleef  hij  liever  stil  waar  hij  was, 
vond  allerlei  uitvluchten  voor  zijn  dralen,  werkte  hard,  maar  zonder 
veel  resultaat  bij  zijn  ovens  en  zocht  intusschen,  behalve  naar  goud, 
ook  naar  een  gelegenheid  tot  vluchten. 

Hij  was  waarschijnlijk  een  man,  gelijk  de  tijd  er  toen  (en  mis- 
schien immer)  velen  voortbracht :  een  fantast  en  een  flesschentrekker, 
een  scherp  intellect  bij  veel  onbeheerde  fantaisie  en  een  zwak,  genot- 
zuchtig karakter. 

Er  was  ongetwijfeld  iels  geniaals  in  hem  en  bij  tijden  miste  hij 
ook  geenszins  de  volharding  en  werkkracht,  die  bij  hel  genie  plegen  te 
behooren,  als  een  vizioen  hem  vasthield  en  hij  zich  op  't  punt  geloofde 
zijn  doel  te  bereiken.  Maar  lot  geregeld,  dwangloos  werken  zonder 
die  zenuwspannende  prikkels  van  een  geheimzinnig,  veelbelovend 
doel,  of  van  angst  voor  zijn  leven,  was  hij  —  hel  is  later  gebleken  — 
eigenlijk  niet  in  slaat. 

Thans  echter,  onder  de  drijvende  kracht  dier  beide  genoemde 
motieven,  werkte  hij  hard  en  aanhoudend,  en  steeds  zonder  gevolg. 
De  jaren  vergingen.  Een  poging  tot  onlvluchting  mislukte  al  evenzeer 
als  de  goudmaak-proeven  en  nog  steeds  oeïende  de  keurvorst  geduld, 
ofschoon  de  uitvluchten  van  Böttger  gewis  al  minder  aannemelijk  wer- 


204 


^  I 

c     "^ 


§  I 

a   ? 
o    :^ 


E    E 


XXV 


205 


HET  MUSEUM    den.  Waarschijnlijk  echler,   hcefl  Aiiguslus  zich  bedacht,  dat  hij  er 
WILLET-  niets  mee  won  de  zaak  te  bruskeeren  en  dal  men  lol  ophangen  altijd 

HOLTHUYSEN  nog  kon  overgaan.  Inlusschen  was  op  den  duur,  ook  al  omdat  Böltgers 
gezondheid  daaronder  scheen  te  lijden,  zijn  afzondering  minder  streng 
geworden.  Hij  ging  met  enkele  Dresdenaars  om  en  daaronder  was  een 
adellijke  joiige  geleerde,  von  Tscliirnliaus  genaamd.  Deze,  gewonnen 
door  Böltgers  geestdrift  en  de  bekoring,  die  ongetwijfeld  in  den  om- 
gang van  dit  half-genie  uilging,  hielp  hem  waar  mogelijk,  en  volgde 
zijn  proeven  met  belangstelling,  schoon  met  luttel  vertrouwen  op  den 
goeden  uitslag. 

Hlindlijk  toen,  op  't  einde  van  1707,  na  zoovele  jaren  van  ruslloos 
en  vruchtloos  zoeken,  van  ontmoediging,  angst,  onzekerheid  en,  onder 
de  dreiging  des  doods,  weer  opschrikkende  wanhopige  energie,  kwam 
de  beslissende  keer  in  Böltgers  leven.  De  keurvorst  had  nog  eens,  en 
nu  scheen  het  wel  voor  't  laatst,  gedreigd,  als  de  jonge  man  zijn  goud- 
beloften  niet  nakwam,  en  deze,  in  koortsige  haasl  arbeidend,  beklaagde 
zich  hij  von  Tschirnhaus  dal  het  hem  aan  genoegzaam  weerstands- 
krachtige  smeltkroezen  ontbrak  voor  een  laatste  beslissende  proef  bij 
zeer  hooge  temperatuur.  Von  Tschirnhaus  verschafte  hem  toen  een 
soort  roode  leemaarde  die,  meende  hij,  aan  alle  vereischlen  voldoen 
kon.  Zij  vervaardigden  daaruit  ook  inderdaad  hun  onsmeltbare  kroe- 
zen en...  bleven  daarbij,  zelf  verwonderd  en  verheugd  over  de  nieuwe 
soori  ceramiek,  die  zij  als  toevallig  geschapen  hadden  :  hun  roode 
steengoed  ! 

In  een  tijdperk  dat  allerwege  met  zooveel  wanhopige  volharding 
naarde  vervaardiging  van  porcelein  getracht  werd,  behoefde  aan  twee 
zulke  schrandere  mannen,  van  wie  de  een  zelfs  met  den  dood  bedreigd 
werd  zoo  hij  zijn  vorslelijken  heer  niet  op  een  of  andere  wijze  tevre- 
den kon  stellen,  de  groole  beteekenis  van  hun  vondst  niet  eerst 
betoogd  te  worden  én  op  zichzelf  als  oorspronkelijk  produkt  én 
wellicht  als  voorlooper  van  hel  veelbegeerd  hard-porcelein. 

Het  was  inderdaad  een  ontdekking  en  de  koning  bleek  niet  min- 
der tevreden  dan  de  vinders  zelf  over  het  nieuwe  steengoed,  dat 
wijdschelijk  Uöllijei'-porcchin  werd  gedoopt.  Van  nu  af  was  de  goud- 
makerskunst viM'geten.  In  een  brief  had  Bötlger  den  koning  beleden 
hoe  het  daarmee,  wat  liem  betrof,  stond  en  deze  wilde  wel  genadiglijk 
vergeven  en  vergeten  mits  Bötlger  hem  nu  ook  hel  echte  porcelein 
verschafte.  Niets  liever  dan  dit  wenschte  de  jonge  man.  Op  raad  van 
von  Tschirnhaus,  die  intusschen  gestorven  was,  had  hij  zich  eerst  op 
de  vervaardiging  van  aardewerk  toegelegd,  daarvoor  zelfs  een  fabriek 
ingericht  te  Dresden,  maar  hel  voorname  doel  van  zijn  experimentee- 
ren bleef  toch  de  verandering  van  zijn  roode  steengoed  in  het  witte, 
harde,   doorzichtige  porcelein  der  Chineezen.  Het  duurde  echter  lol 


20G 


1715  en  er  was  waarlijk  nóg  een  klein  toeval  voor  noodig,  eer  het  HET  MUSEUM 
zoover  kwam.  Want  nog  immer  was  de  ware  leemaarde  niet  gevon-  WILLET- 
den,  die,  onsmeltbaar  tusschen  al  het  smeltbare  gemengd,  aan  het  HOLTHUYSEN 
product  zijn  vormen  doet  behouden.  Eerst  in  de  jaren  1713  en  *14 
werd  deze  door  Böttger  ontdekt  en  beproefd,  en  er  is  een  verhaal, 
—   misschien  niet  meer  dan  een  anecdote  —  dat  de  toedracht  van 
dezen  vondst  vermeldt.  Böttger  zou  op  een  morgen  zijn  pruik  onge- 
woon zwaar  bevonden  hebhen.  Opzijn  vraag  naar  de  oorzaak,  vernam 
hij  van  een  nieuw  poeder,  dat  veel  goedkooper  dan  het  gewone  meel, 
in  den  laatsten  tijd  overal  voor  pruikbestuiving  werd  gebezigd.   En  dit 
poeder,  dat  zijn  nieuwsgierigheid  gaande  maakte,  bleek  te  zijn  het 
lang  gezochte  kaolien,  de  waarachtige  porcelein-aarde,  die  te  Aue  bij 
Schneeberg  te  vinden  bleek. 

Het  porcelein  nu  eenmaal  gevonden,  ging  snel  zijn  eigen  weg  van 
ontwikkeling,  maar  Böttger  had  niet  lang  tijd  van  leven  meer  om  het 
bij  te  wonen.  Want  nadat  te  Meissen,  op  de  Albrechlsburg,  een  fabriek 
was  ingericht,  die  uiterlijk  allen  schijn  van  een  vesting  in  oorlogstijd 
had  en  waarvan  Böttger  de  directeur  zou  zijn,  leidde  deze  er,  thans 
door  niets  meer  weerhouden,  een  uiterst  ongebonden  leven,  dat  zijn 
toch  al  niet  meer  krachtig  lichaam  schielijk  ondermijnde.  In  1719  stierf 
hij,  gelukkiger  wijze  nog  juist  voor  er  vonnis  zou  gewezen  worden 
in  het  strafproces,  dat  tegen  hem  aanhangig  was,  een  strafproces 
wegens  verraad  van  industriegeheimen  aan  de  Pruisische  regeering. 
Böttger  zou  dan  toch  de  galg  niet  ontloopen  zijn,  als  de  genadige  dood 
hem  niet  tevoren  op  zachtzinniger  wijze  had  gehaald  en  dit  einde 
schijnt  op  gepaste  wijze  zijn  avontuurlijk  en  hartstochtelijk  leven  te 
besluiten. 

Met  den  dood  van  Böttger  eindigt  de  eerste  periode  der  Meissener 
fabricatie,  welker  producten  zeer  zeldzaam  en  alle,  wat  ornament  en 
vormen  betreft,  aan  het  roode  steengoed  gelijkend  zijn. 

Met  Herold,  een  uit  Weenen  beroepen  schilderen  chemicus,  vangt 
in  1720  een  tweede  tijdperk  aan,  een  van  groolen  artistieken  en  com- 
mercieelen  bloei  en  het  is  vooral  het  Rococo,  dat,  omstreeks  dezen 
tijd  opkomend,  in  de  versiering  zijn  triomphen  viert  en  door  zijn  veel- 
vuldige aanwending  op  porcelein  in  zijn  invloed  als  heerschende  stijl 
zeer  wordt  versterkt. 

Wat  het  commercieele  betreft  :  Meissen  leverde  weldra  over 
gansch  West-Europa.  Het  werd  spoedig  de  mode  Saksisch  porcelein, 
vooral  figuurtjes,  te  bezitten  en  de  bestellingen  kwamen  van  heinde  en 
ver.  Maar  een  der  grootste  afnemers  bleef  toch  het  keurvorstelijk  hof 
zelf,  dat  ontzaglijk  veel  behoefde  zoowel  voor  eigen  gebruik  als  voor 
geschenken.    Het  een   en  het  ander  werd  met  een  bijzonder  merk 


207 


HET  MUSEUM    voorzien  :  de  initialen  A.  R.  (Augustus  Rex)  dooreengeslingerd,  alleen 
WILLET-  of  onder  de  koninklijke  kroon,  ten  bewijze  van  het  persoonlijk  recht 

HOLTHUYSEN  des  vorsten. 

In  de  verzameling  van  het  Museum  Willet-Holthuysen  zijn  van 
deze  categorie  twee  kleine  vazen,  zoogenaamde  Potpourri-vazen, 
(20  cm.  hoog)  aan  te  wijzen.  (Fig.  1).  Behoorende  tot  de  eerste  periode 
van  Meissener  productie,  (na  1720  werden  de  koninklijke  initialen 
niet  meer  ingebrand),  is  de  versiering  niet  zoo  smaakvol  noch  zoo 
correct  als  zij  in  de  bloeiperiode  werd  en  ook  in  de  vormen  en  de 
reliefgedeelten  bleef  nog  een  zekere  grofheid.  Maar  toch  zijn  zij  in  hun 
versiering  van  verguld,  waarlusschen  polychrome  médaillons,  met  hun 
opengewerkte  deksels  en  halzen,  wel  aardige,  sierlijke  vormen  uit  een 
tijd  die  op  het  klein-bevallige  verzot  was.  Zij  •  doen  »  het  wel  op 
eenigen  afstand  gezien,  met  hun  weekbuigende  lijnen.  Zij  zijn  sierlijk 
en  enkel  ter  versiering,  rijk,  met  een  zweempje  van  overlading,  vroolijk, 
grillig  en  coquet. 

En  hun  gelijk  is  eigenlijk  al  het  Meissener  porcelein  uit  den  besten 
tijd,  in  zijn  teere,  kneedbare,  nietig-kleine,  bizarre  vormpjes  de 
apotheose  van  het  Rococo^  meer  dan  misschien  eenige  andere  gebruiks- 
kunst  de  uitdrukking  van  den  tijd  en  draagster  van  zijn  geest,  niet 
groot-mooi,  maar  klein-bevallig,  met  een  zeer  merkbare  neiging  tot 
hel  zuiver  (of  liever  onzuiver)  zinlij ke  en  perverse.  Maar  dan  nog  is  er 
in  dat  lichte  spel  van  sierlijk  gebogen  lijnen,  in  dat  achteloos  daarheen 
geworpen  ornament  van  schelpen  en  loof  iets  zonderling  onrustigs  en 
onbevredigds,  merkwaardig  harmonieerende  met  den  gelijktijdigen 
staat  zooveler  geesten,  die  openlijk  de  gave  en  waardij  der  mensche- 
lijke  Rede,  van  het  nuchter  en  klaar  verstand,  hemelhoog  prezen  en... 
heimelijk  vergingen  van  radelooze  verveling  en  onrust.  Zoo  ooit,  dan 
is  toen  wel  gebleken,  dat  niet  enkel  het  onbeheerd  Gevoel,  maar  ook 
het  onbeteugeld  Verstand  de  vloek  der  menschheid  worden  kan,  als 
het  ontkent  wat  het  niet  te  verklaren  weet  en  geloofd  wordt  in  die  ont- 
kenning. Dan  wordt  alle  gevoel  saamgedrukt  en  enkel  toegelaten  in 
den  dagelijkschen,  wereldschen  vorm  van  vroolijkheid,  goeden  smaak 
en  sierlijkheid.  Dan  wordt  geestigheid  boven  al  geacht  en  legt  men 
zich  toe  op  omgangs-  en  wellevenskunst,  alsof  het  daarom  alleen  te 
doen  ware.  Dan  gaat  tenslotte  alles  zinken  wat  hel  leven  inhoud  en 
waarde  geven  kan,  tot  niets  meer  boven  drijft  op  de  grauwe,  leege  zee 
dan  twijfel,  malerialiteit  en  het  meest  grove  cynisme. 

Bij  al  het  voortrefTelijke  dat  de  xvui^  eeuw  ongetwijfeld  heeft 
voorlgebracht,  schijnt  dit  de  diepste  grond  van  haar  wezen,  en  elk 
harer  producten  geeft  daarvan  een  blijk,  zij  het  ook  maar  even  en  als 
uit  de  verte.  Ook  het  porcelein,  in  de  gejaagde  grilligheid  van  vorm  en 
ornament,   in  den  voorkeur  van  verliefde  scènetjes  in  een  valsche 


208 


Fig.  2.  Nnakt  vrouwebeeldje  in  foudraal. 
(Musfium  Wület-Holthuysen,  Amsterdam). 

idylliteit,   in   de  uitdrukking  van  zoo  menig  alleraardigst  figuurtje.  HET  MUSEUM 

Of  wat  is  er  aan  deze  Venus  van  Medici  (fig.  1)  van  het  nionumen-  WILLET- 
taal  klassieke  anders  overgebleven  dan  de  behaagzieke,  lascieve  beval-  HOLTHUYSEN 
ligheid  van  een  naakt  vrouwtje  (*),  en  dit  blijkbaar  tot  in  de  arniban- 
den,  die  in  zeer  vrije  nabootsing  van  het  origineel  zijn  aangebracht, 
omdat  ze  zoo  aardig  op  de  vleeschkleur  uitkomen  ? 

En  welke  beteekenis  men  wel  toekennen  moet  aan  het  heel  klein 
naaktfiguurtje,  5  cm.  hoog  (fig.  2)  waarbij  een  foudraaltje  van  geperst 
leer  behoort,  als  ware  het  poppetje  bestemd  geweest  in  een  vestzakje 
overal  meegevoerd  te  worden  tot  voortdurende  aanschouwing  en 
amuzement... 

In  vroegere  tijden,  middeleeuwen  en  Renaissance,  had  de 
zinnelijkheid  zich  geheeld  in  vormen,  die  vrij  wat  grover  en  brutaler 
waren,  dan  de  beschaafde  productjes  der  xvnie  eeuw.  Doch  toen  slond 
naast  het  Beest-mensch  de  Engel-mensch,  die,  diep  begaan  met 
zooveel  zonde,  rouwde  over  zijn  gevallen  tweelingbroeder.  In  de 
xvine  eeuw  echter  is  die  tegenstelling  weggevallen  en  al  het  felle  en 
ruwe  verzacht.  Het  Beest  en  de  Engel  der  middeleeuwen  hebben 
beide  iets  toegegeven,  hun  verschil  zoowat  gedeeld,  maar  het  Beest 
lijkt  daar  ten  slotte  het  allerbest  bij  gevaren  en  wordt,  zoo  niet  voor 
Engel,  dan  toch  voor  echt-menschlijk  gehouden,  zonder  eigenhjk  veel 
van  zijn  ware  karakter  te  hebben  afgelegd.  Die  zeer  verzachte  zede- 

(*)  Dit  Venusbeeldje  is  uit  de  fabriek  van  Ludwigsburg,  (h.  13  era.). 


209 


Fig.  4.  Iteeldjes  van  Höchsl,  f.ucUvigsbiirg,  Meissen,  enz. 
(Museum  Willet-Holthuysen,  Amsterdam). 

HET  MUSEUM    loosheid,  dal  bijzonder,  beminnelijk  perverse  in  eleganten,  omsluier- 
WILLET-  •  den  vorm  geldt  dan  nu  voor  schoonheidsideaal.  Mits  het  gracieus  is, 

HüLTHUYSEN    schijnt  alles  goed  en  geoorloofd.  Gratie  is  het  hoogste  en...    is  in  die 
dagen  ook  inderdaad  uiterst  verfijnd  en  zeer  aanlokkelijk. 

Die  vier  witte  beeldjes,  theaterpereonages  voorstellende,  (fig.  3)  in 
de  kleeding  uit  het  laatste  vierendeel  der  xvuf  eeuw,  zijn  er  een  aardig 
bewijs  van..  Zoo  glad  week-sierlijk  als  zij  zich  vertoonen,  zoo  coquet- 
elegant  in  hun  zwakgebogen  houdingen  en  bestudeerd-smaakvol 
gebaar,  beelden  zij  voortreflijk  de  Wellevenskunst  van  den  tijd,  zijn 
ideaal  van  Gratie,  die  voor  alle  schoonheid  staat.  Zij  zijn  bovendien 
van  een  volmaakte  faire,  gevormd  in  pate  tendre,  dat  porcelaine  tendre 
artificielle^  dat,  wel  beschouwd,  nooit  porcelein  is  geweest,  maar  een 
kunstvol,  uiterst  bewerkelijk  surrogaat  van  F'ranschen  oorsprong. 

Minder  karakteriseerend  en  nog  al  zeer  verschillend  in  makelij 
zijn  de  veelkleurige  beeldjes  van  het  stoetje  in  fig.  4  gereproduceerd 
en  waarvan  er  enkele  uit  de  met  Meissen  concurreerende  fabrieken  van 
Höchst  (bij  Maintz)  en  Ludwigsburg  (in  Wurtemberg)  afkomstig  zijn. 
Doch  bijna  alle  hebben  zij  die  typische  grimas,  dat  eigenaardig  ge- 
draaide en  gemaniereerde,  dat  den  tijd  van  Baroc  en  Rococo  eigen  is, 
een  bevalligheid  uitermate  bekorend,  doch  met  natuur  en  eenvoud 
niet  volkomen  vereenigbaar. 

Uit  den  eersten  tijd  van  Herolds  directie  —  hij  was  in  1720Böttger 
opgevolgd  —  zijn  er  in  de  verzameling-Willet  geen  volkomen  betrouw- 
bare voorwerpen  aan  te  wijzen.  Doch  uit  die  latere  periode  na  1730, 
toen  de  koning  zelf  de  opperleiding  der  fabriek  had  en  de  ^  Model- 
meester »  Kandler  allengs  den  grootsten  invloed  begon  te  oefenen, 
stamt  het  bord,  dat  in  fig.  5  is  afgebeeld.  Het  Meissener  product  was 
toen  wel  op  het  toppunt  zijner  volmaaktheid,  zoowel  in  vorm  als 
in  beschildering  en  dit  bord  is  er  een  goed  voorbeeld  van.  Op  het 
diepe,  glanzende  koningsblauwe  fond,  zijn  aan  den  rand  medaillons 


210 


c     V 


tl 

«  I 
§  I 

e-  t 
I  ^ 

3 

«   s 


211 


HET  MUSEUM    uitgespaard,    door    verguld     rococo-ornament    afgezet.     En     hierin 

WILLET-  bevinden    zich    levendig-kleurende,    fijn*  en    bekwaam   geschilderde 

HOLTHUYSEN   voorstellingen  van  vogels  en  planten,  subtiel  uitkomende  legen  den 

blauwen    ondergrond.    De   geheele   versiering   maakt   een    aangena- 

men  indruk  van  pracht,   volheid  en    weelde,  zonder  overlading  of 

buitensporigheid . 

Uit  den  Marcolinitijd,  die  omstreeks  1774  begint  en  de  tijd  van 
verval  beteekent,  waartegen  de  graaf  Marcolini  vergeefs  trachtte  op 
te  werken,  zijn  er  in  het  Museum  Willet  geen  andere  producten  dan 
beeldjes,  en  die  zijn  niet  van  de  beste,  veel  minder  dan  Meissen  er 
vroeger  voortbracht.  De  monumentale  vazen  en  serviesstiikken  in  den 
fijn-rustigen  Louis  XV-stijl  of  het  zwaar-strenge  Empire  ontbreken 
geheel  en  dat  is  wel  jammer,  want  ook  toen  nog  werd  menig  fraai  stuk 
gemaakt,  dat  zich  houdt  naast  zijn  voorgangers  uit  Rococo-  of  Baroc- 
tijd  en  de  periode  waardig  karakteriseert. 

En  daarna  is  het  met  Meissens  eigenlijke  kunst-ceramiek  voor 
lange  jaren  gedaan. 

Reeds  in  het  tweede,  maar  vooral  in  het  derde  en  vierde  kwart 
der  xvnie  eeuw,  waren  door  den  opgang  der  Saksische  producten, 
allerwege  fabrieken  ontstaan,  die  allengs  Meissen  een  geduchte  concur- 
rentie aandeden.  Porcelein  was  een  veelbegeerd  mode-artikel  gewor- 
den en  het  te  kunnen  maken  in  een  eigen  inrichting  en  bedrukken 
met  een  eigen  stempel,  werd  de  illusie  van  zoo  velen  der  overtalrijke 
potentaatjes,  die  het  Duitsche  land  onder  elkaar  verdeelden.  Maar, 
zoomin  als  het  gemakkelijk  gegaan  was  de  eerste  porcelein-pate  te 
vinden,  gelukte  hel  vervolgens  zijn  recept  af  te  kijken  en  na  te  maken 
en  menigen  «  Serenissimus  »  berouwde  te  laat  zijn  vertrouwen  in 
dezen  of  genen  tamelijk  verdachten  avonturier,  die  beweerde  in 
zekere  gerenommeerde  werkplaats  het  onontbeerlijke  porceleindeeg 
mede  gemaakt  en  in  zijn  samenstelling  goed  begrepen  te  hebben. 
Want  maanden  aan  maanden  verliepen,  de  vorstelijke  kas  moest  de 
eene  toelage  na  de  andere  verschafTen  en  wat  er  uit  de  ovens  kwam 
was  of  heel  geen  porcelein,  of  een  zoo  gebrekkig,  dat  niemand  er  van 
weten  wilde. 

En  de  beste  dier  aldus  gestichte  fabrieken,  zij  die  waarlijk 
technisch-goed  en  smaakvol  werkten,  konden  het  nog  niet  tot  bloei 
brengen,  gelijk  Höchst,  Ludwigsburg,  Frankenthal,  Fürstenburg  enz. 
bewijzen.  Na  korter  of  langer  tijd  gingen  zij  alle  te  niet,  wijl  hun 
vorstelijke  ondernemer  of  beschermer  de  voornaamste,  en  vaak  schier 
de  eenige,  afnemer  was. 

Van  Ludwigsburg  een  fabriek,  die  in   1757  door  den  hertog  van 


212 


Fig.  5.  Bord  uit  de  derde  periode  van  Meissener  fabrikaat 
(m.  23  Vt  cm.)  (Museum  Willet- Hollhuysen,  Amsterdam. 

Wurtemberg  werd  overgenomen  en  een  kleine  driekwart-eeuw  bleef  HET  MUSEUM 
bestaan,  is  het  chocoladeketeltje  afkomstig,  dat  in  de  groep  van  fig.  (5  WILLET- 
aan  de  rechterzijde  staat.  Het  is  daar  als  vertegenwoordiger  van  een  HOLTHUYSEN 
gansch  koffie- en  chocoladeservies,  alle  stukken  even  zoo  grauw-achtig 
wit  (de  eigenaardige  nuance  van  Ludwigsburg),  en  met  een  rococo- 
ornament  in  laag  relief  voorzien,  dat  met  een  fijnen  wijnrooden  rand 
is  afgezet.  Op  den  geschulptcn  grond  (een  andere  speciahleit  der 
fabriek!)  zijn  verder  niet  onbevallig  grootere  en  kleine  bloemruikers 
gestrooid  in  polychrome  schildering.  Tegenover  dit  keteltje  staat  een 
ander  uil  de  fabriek  te  Frankenthal  «in  de  Pfalz),  die  ook  maar  een 
kleine  50  jaren  beslaan  heeft.  Haar  kenmerk,  in  tegenstelling  van  de 
Ludwigsburgsche  fabriek,  was  juist  een  blinkend-witle  pate,  en  dit  is 
ook  zeer  opmerkeHjk  in  het  afgebeelde  keteltje,  dat  overigens  niets 
bijzonder  merkwaardigs  vertoont.  De  beide  klein-sierlijke  pop- 
petjes, niet  meer  dan  hoog  op  dezelfde  afbeelding,  zijn  van  Höchst, 
de  fabriek  van  den   keurvorst   van  Maintz,  zeker  wel  een   der  voor- 


XXVI 


213 


HET  MUSEUM 

WILLET- 

HOLTHUYSEN 


Fig.6.  Kannetje  van  Fiankenthal  —  Poppetjes  van  Höchst  (h.  11  cm.)  — 
Kannetje  van  Lud wigsburg  (h.  21  cm.)  —  Kop  en  Schotel  van  Amstelporcelein. 
(Museum  Willet-Holthuysen,  Amsterdam). 

naaniste  van  de  laler  opgerichte  en  die  vooral  door  de  vervaardiging 
van  ontelbare  voortreflijk  gemodelleerde  figuurtjes  haar  groote  bekend- 
heid heeft  verworven. 

Vele  van  de  beste  uit  de  verzameling-Willet  zijn  met  het  raadje 
van  de  Höchster  fabriek,  alleen  of  onder  een  kroontje,  gemerkt. 


De  kop  en  schotel  op  standaard  van  fig.  6  en  die  beide  andere  in 
fig.  7  afgebeeld  zijn  echter  niet  van  Duitsche  fabrieken.  Zij  zijn  Hol- 
landsch  werk  en  wel  Amstel  en  Haagsch  porcelein. 

Ook  de  Vereenigde-Provinciën  hebben  nl.  in  de  tweede  helft  der 
xviiie  eeuw  hun  porcelein-manufactuur  gehad,  toen  in  den  zevenjarigen 
oorlog,  die  de  Duitsche  productie  zeer  nadeehg  was,  de  kans  om  te 
concurreeren  hier  te  lande  schoon  stond. 

Eerst  in  Weesp  een  fabriek,  die  in  1764  opgericht,  echter  reeds 
in  1771  weer  te  niet  ging.  Ilaar  inventaris  werd  opgekocht  door  zeke- 
ren dominee  Mol  uit  Oud-Loosdrecht.  Met  geldelijken  steun  van 
Amsterdamsche  kooplieden  kon  deze  vervolgens  in  datzelfde  plaatsje 
een  fabriek  stichten,  die  jarenlang  bestaan  bleef.  In  de  Patriottentijd, 
omstreeks  1785,  ging  zij  echter  hard  achteruit  en  nadat  zij  van  Oud- 
Loosdrecht  naar  Ouder-Amstel  en  vervolgens  naar  Nieuwer-Amslel 
was  overgebracht  en  nog  een  tijd  lang  van  koning  Lodewijk  Napoleon 
ondersteuning  had  genoten,  ging  zij,  omstreeks  1810,  bij  de  Fransche 


214 


Fig.  7.  Haagsch  porcelein. 
(Museum  Willet-Holthuysen,  Amsterdam). 

inlijving  te   niet.   Of  zij   in  commercieelen  zin  eigenlijk  ooit    heeft  HET  MUSEUM 
gebloeid  is  twijfelachtig.  WILLET- 

Ook  in  den  Haag  ontstond  in  1778  een  fabriek,  die  echter  evenmin  HOLTHUYSEN 
als  de  Loosdrecht-Amstelsche   den  troebelen  tijd  van   het  eind  der 
xvnie  en  begin  der  xixc  eeuw  vermocht  te  overleven. 

De  kop  en  schotel  van  fig.  6  nu  is  cc  Amstel  ï>  geteekend  en  schijnt 
dus  tot  de  latere  producten  der  Mol-stichting  te  behooren.  Zij  is  6  cm. 
hoog  van  binnen  verguld  en  zeer  delicaat  met  vergulde  guirlanden  en 
bloemen  op  koningsblauwen  fond  versierd.  Er  is  in  dezen  rechten 
vorm,  in  dit  levendige  en  fijne  Louis  XVI-ornament  iets  smaakvol- 
deftigs  en  sobers  dat  allerplezierigst  aandoet.  Het  lijkt  op  de  Sèvres- 
versiering  en  vorm  en  toch  is  't  weer  iets  zwaarder  en  tegelijk  iets 
gereserveerder;  in  *t  algemeen  van  een  zeer  uitgesproken  karakter. 

Minder  dien  zoo  eigenen  aard  vertoont  misschien  het  .sierlijke 
blakertje  (fig.  8)  dat  uit  de  eerste  periode  der  Loosdrecht-manufac- 
tuur  dateert  en  M.  O.  L.  geteekend  is.  Maar  in  zijn  wijnrood  Rococo- 
ornament  op  't  glanzend  wit,  met  een  enkelen  streep  verguld 
verlevendigd,  is  't  van  een  bijzondere  bekoring,  licht,  eenvoudig  en 
bevallig. 

Ofschoon  men  dit  laatste  gewis  niet  volkomen  zeggen  kan  van  de 
beide  Haagsche  koppen  (fig.  7)  is  echter  het  nationaal  karakter,  dat  ook 
uit  deze  Amstelkop  bleek,  hun  weer  duidelijker  eigen.  Die  linksche  kop, 
(h.  7  cm.)  waarvan  er  vier  in  de  verzameling  zijn,  is  zelfs  wat  zwaar, 
wat  heel  solied  geplant  in  een  wellicht  wat  al  te  veilig-diepe  schotel. 
Maar  overigens  hoe  melk-wit  is  deze  pate  waarop  het  zware  blauw  van 
den  rand,  het  kleurige...  der  beide  verbonden  wapens  zoo  glanzend  uit- 
komt !  En  die  gedekselde  kop,  (h.  9  cm.)  waarop  in  grijs  de  buste  van 
Gellert,  den  Duitschen  dichter  uit  de  xvui^  eeuw,  is  geschilderd,  ver- 
toont een  zelfde  karakter  van  Hollandschèn  eenvoud  en  evenmaat.  De 
kleuren,  bleek-groen,  rosé  en  grijs  op  den  witten  grond,  zijn  voortref- 
felijk gekozen   en    er  is,   bij  alle    kiesche    terughoudendheid,   allen 


215 


HET  MUSEUM 

WILLET- 

HOLTHUYSEN 


schroom  voor  het  uitspatlende  en  al  te  wijdsche,  toch  een  volkomen 
goed  besef  van  ornamenteele  versiering,  dat  zich  even  goed  te  bewaren 
weet  voor  armoede  en  schraalheid,  als  voor  de  soms  ietwat  poenige 
pronkerigheid  veler  Duitsche  producten.  Deze  beide  Haagsche  koppen 
met  de  Amstel-kop  en  het  Loosdrechtsch  blakertje  geven  wel  een 
aardigen  kijk  op  hetgeen  de  va'derlandsche  kunstnijverheid  in  de  laatste 
helft  der  xvni^  eeuw  nog  vermocht  en  hoe  de  goede  tradities  en  eigen- 
schappen van  versiering,  die  in  het  Delftsch  aardewerk  allengs  verloren 
waren  gegaan,  bewaard  bleven  en  tot  het  eind  der  eeuw  toe  triomfan- 
kelijk  bleken  in  de  porcelein-manufactuur. 

Na  dien  tijd  ging  alles  teloor  in  de  groote  geestelijke  en  finantiêele 
verarming,  die  over  de  natie  gekomen  was  en  waaruit  zij  zich  eerst 
na  drie  kwart  eeuw  eenigszins  vermocht  te  herstellen. 

En  hiermede  meen  ik  het  voornaamste  over  deze  dingen  wel  ge- 
zegd te  hebben. 

F.  C.  Jr. 


Fig.  8.  Loosdrechtsche  blaker  (li.  6  '/t  cm.] 
Museum  Willet- Holthuysen,  Amslerdnm). 


216 


KUNSTBERICHTEN 


VAN    ONZE   EIGEN 
CORRESPONDENTEN 


UIT  AMSTERDAM 


ENTOONSTELLING 
VAN  KUNSTWER- 
KEN,VERVAARI)IGD 
DOOR  LEDEN  DER 
MAATSCHAPPIJ 
ARTI  ET  AMICITL*: 
Neen  we  hebben 


het  vroeger  al  eens  moeten  zeggen  een 
ledententoonslelling  van  Arti  is  nu  een- 
maal niet  voor  de  fijnproevers.  Daar- 
voor kan  men  het  bestuur  niet  aanspra- 
kelijk stellen.  Het  bestuur  is  in  een 
eenigszins  afgepaalde  positie.  Ware  het 
minder  gastvrij,  tien  tegen  één,  dat  er 
heelwat  leden  zouden  bedanken  en  de 
materiéele  belangen  der  maatschappij 
gevaar  zouden  loopen.  Verbetering  in 
den  toestand  zou  uitsluitend  van  den 
kant  der  leden  verwacht  moeten  wor- 
den en  daar  is  toch  al  bedroefd  weinig 
kans  op.  Zelfkritiek  is  zulk  een  bitter 
gerecht;  slechts  de  grooten  en  sterken 
verdragen  hel,  de  zwakken  en  kleinen 
missen  het  liefst  op  den  dagelijkschen 
disch.    - 

We  mogen  al  blij  zijn,  dal  de  schilders 
van  'l  echlc  bloed  hun  inzendingen  niet 
staken  uil  vrees  voor  minder  wenschc- 
lijke  entourage  van  matigs  en  afgc- 
zaagds.  Zoo  blijft  er  ten  minste  toch  nog 
een  attractie,  blijft  er  iels  verrassends 
aan  deze  tentoonstellingen. 

Op  een  apart  schot,  ruggelings  tegen 
een  goede  watervcrfleekening  van  Pog- 
genbeck  aan,  hangt  Jan  Vclh's  portret 
van  Mr.  Vening  Meinesz.  Het  is  een  der 
rustpunten,  waarheen  men,  na  telkens 
manmoedig  hervatte  wandelingen,  te- 
rugkeert, waar  men  lang  voor  kan  blij- 
ven zitten  en  waarover  men  zonder 
mankeeren  aan  't  mijmeren  raakt. 

Boeiend-fatsoenlij k,  respectabel-erns- 


tig is  dit  konterfeitsel  van  den  oud- 
burgemeesler.  Zóó  heeft  Amsterdam 
dien  man  gekend,  zóó  heeft  men  hem 
onverstoorbaar  achter  de  groene  tafel 
zien  zillen  Dat  is  die  door  geen  wei- 
willenden  glimlach  vergemeenzaam- 
de  physiognomie,  waarop  slechts  offi- 
ciéele  korrektheid  en  beslist  gehand- 
haafd gezag  den  onuitwischbaren  stem- 
pel drukten.  Nog  ééns  voor  *t  laatst 
zetelt  de  grijze  voorzitter  in  zijn  gewone 
werk-omgeving;  maar  de  vroeger  bezige 
handen,  die  den  hamer  voerden,  of 
papieren  schikten,  liggen  nu  rustig  in 
den  schoot.  Bij  al  het  gewone  is  er 
daardoor  toch  iets  zeer  bijzonders  in 
deze  houding  van  rust  te  midden  der 
ambts-attributcn  in  de  sfeer  der  besogne. 
En  ziet  men  langer  toe,  dan  is  het  of 
door  dat  strakke,  welbekende  masker 
dezen  keer  ook  nog  iets  anders  straalt, 
dan  de  kille  hoogheid  van  den  publieken 
ambtenaar,  alsof  er  dieper  innerlijkheid 
treurt  uit  dien  doffen  blik,  of  ongewone 
ontroering  huivert  langs  die,  anders  van 
krachtig  zelfbedwang  getuigende,  ka- 
ken. Is  het  de  bekommerde  overweging 
van  den  oud-magistraat,  die  zorgelijk 
terug  en  bijkans  angstig  vooruit  ziet, 
als  de  oude  stuurman,  die  het  roer 
dat  hij  dagelijks  te  hanteeren  plag 
noode  heeft  losgelaten  ?  Het  ligt  er  niet 
dik  op,  maar  het  schuilt  er  in  en  het 
schijnt  óf  van  dat  geresigneerde  gezicht, 
zóó  dat  ieder  het  vinden  kan,  ook  al 
weet  hij  niets  van  den  geportretteerde. 
Het  is  te  lezen  en  bij  even  toeven  te 
ontraadselen  voor  elk,  die  gewoon  is 
menschen  nog  om  iets  anders  gade  te 
slaan  dan  om  de  kleur  hunner  oogen 
of  de  coupe  van  hun  jas.  Het  wezen  der 
ziel  binnen  die  leven  acleerende  mensch- 
pop  is  met  zekeren  blik  erkend  en  in 
onvermoeibaar  pogen  weergegeven. Aan 


KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT  AMSTERDAM 


217 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


een  zeer  hoogen  eisch  dien  men  een 
porlrelschilder  slellen  kan,  dat  hij  blijk 
geve  de  teekentaai  der  gelaatstrekken 
als  zijn  eigene  te  verstaan,   is  voldaan. 
Naar  het  geestelijke  gaat  dit    portret 
buitengewoon  diep.  Zoo  positief,  over 
alle  hindernissen  der  weerbarstige  ma- 
terie heen,  op  een  karakteruitbeelding 
afsturen,   kan   slechts  een  artiest  van 
hooge  cultuur  en  eminente  zelfkritiek. 
Snel  gegroeid,  in  de  jubelende  weelde 
van  een  extatischen  scheppingsroes  tot 
lillend  leven  gewekt,  is  dit  werk  niet. 
Onder    de    beeltenissen    wier   schoon 
bovenal  in  de  glansrijke    interpretatie 
van  het  stofTelijke  gelegen  is  zou  men 
het  niet  kunnen  rangschikken.  Op  groo- 
ten  afstand  gezien  smelten   de  blanke 
vleeschpartijen  en  het  grijze  haar  nog 
wel  tot  een  blinkende,  fljngetemperde 
eenheid    saam,    in    nobele    contrasten 
klinkend  tegen  het  donker  loodgrijs  van 
den  wand ;  maar  gaat  men  er  dichter 
bij  tot  op  twee  drie  pas  —  een  afstand 
wel  vereischt  om  alle  onderdeden  van 
een  zoo  bewerkt  portret  goed  te  onder- 
kennen —  dan  valt  die  deftige  gebon- 
denheid uitéén   tot    een    geschuif  van 
toetsjes  en  vegen.  De  vlakken  schijnen 
nagenoeg  nergens  strak  en  glad,  al  is 
dit  soms  kennelijkde  bedoeling  geweest; 
langzaam,  onder  geduldig  opeenstape- 
len  van  dunne  verfkorstjes  is  alles  tot 
een    bladerige,    weinig    smijdige    pAle 
geacheveerd.  Naarstig  zoeken  meer  en 
secuur  benaderen,  dan  argeloos  vinden ; 
delermineeren  veeleer,  dan    instinctief 
vallen;  kortom  een  makelij,  hoesavant 
ook,  toch  mei  zooveel  moeilijks,  dat  ze  bij 
een  vergelijking  met  de  factuur  van  een 
of  anderen  ouden  Hollander  licht  niel 
mee  zou  vallen.  Zeer  zeker  is  Hil  portret 
niet  wat  in  alelier-slang  iieet  lekker  ge- 
schilderd ;     maar    wel     met    zuiveren 
smaak  en  zeer  fijn  gevoel  gearrangeerd 
en  met  groole  liefde  in  alle  deelen  be- 
handeld. Van    hooger  inensclielijke  en 
historische  dan   van   picturale  waarde 
verdient  hel  toch  altij.i  onmiddellijk  in 
de  nabijheid  van  het  beste  genoemd  te 
worden. 

Een  sprank  van  de  goddelijke  vrijheid 
die  werken  in  scheppen  verkeert  en  het 
zou  volkomen  zijn.  Zal  de  schilder  zelve 
nog  een  nieuwe  periode  mogen  beleven 
als  de  oogst  na  het  ploegen  en  zaaien? 


Of  zal  een  volger,  woekerend  met  dit 
hem  in  den  schoot  geworpen  bezit,  de 
stroefheid  overwinnen? 

Voor  de  zooveelste  maal  zoekend 
naar  een  evenknie  van  Jan  Veth  in 
de  geschiedenis,  dachten  we,  niet  aan 
Holbein  wiens  email-achtige  oppervlak- 
ken den  hoveling  en  ook  altijd  nog  den 
middeleeuwer  karakteriseeren,  niet  aan 
Nicolaes  Elias  of  Thomas  de  Keyser  met 
hun  vloeiender  en  bloeiender  schilder- 
wijze, noch  aan  één,  der  bekende  xix^ 
eeuwers  van  het  vak,  't  zij  Whistier, 
Watts  of  Lenbach;  eigenlijk  dachten 
we  in  't  geheel  niet  aan  een  schilder, 
maar  aan  den  man  wien  het  rusteloos 
streven  naar  de  waarheid  liever  was, 
dan  haar  rustig  bezit  en  die  het  schoon- 
ste en  rijpste  van  zijn  oeuvre  voor  een 
groot  deel  dankte  aan  eigen  inzicht, 
wijsheid  en  ijver;  we  dachten  aan  dien 
littcrairen  minnaar  der  kunsten  met 
zijn  zelden  geëvenaarde  werkkracht, 
aan  G.  E.  Lessing. 

—  Na  deze  breedvoerig  uitgevallen 
notitie  over  één  schilderij  van  een 
artiest  wiens  oprecht  werk  meestal  met 
eenige  beleefde  zinnetjes  wordt  afge- 
daan, moeten  we  voor  al  't  overige  kort 
zijn.(*)  Wat  baat  ook  het  opsommen  van 
vele  stukken,  beter  noch  slechter  dan 
men  verwachten  kon ;  waartoe  dient 
het  releveeren  van  de  grooler  of  minder 
groote  handigheid  waarmee  efilecten 
bereikt  zijn,  als  geen  hevige  ontroering 
beefde  in  de  werkende  hand  ?  Waartoe 
onderling  vergelijken,  als  er  geen  nieuw 
inzicht  wordt  geopend  ?  Voor  de  dag- 
bladpers kan  dit  van  belang  i^ijn,  op 
eenige  blijvende  waarde  mag  het  geen 
aanspraak  maken.  Zoo  noem  ik  hier 
van  de  oudere  garde  slechts  Tholen's 
blauw -zilveren  Zomernachlj  die  zoo 
zuchte-stil  gestemd  is  en  alleen  door  de 
strcelen<le  gladde  schilderwijze  op  den 
duur  eenigszins  doet  denken  aan  som- 
mige amatcur-folos,  welke  om  't  quasi 

{•)  Dit  nrtikel  was  reeds  ter  perse  toen  in 
•  De  XX»"  Eeuw  »  een  waardeering  van  Jan  Veth's 
werk  verscheen  uit  de  pen  van  den  heer  A.  Pit. 
Verre  van  de  hier  bovengenoemde  beleefdheids- 
phrases,  is  hier  een  studie  gegeven  zoo  juist  en 
rank,  zoo  onomwonden  en  ernstig,  zoo  kritisch 
en  toch  vol  hartelijkheid  en  respect,  dat  de  schil- 
der zelve  er  vermoedelijk  meer  mee  In  zijn  schik 
zal  zijn  dat  een  honderdtal  ephemere  kranten- 
stukjes. 


218 


schilderij-aspect  in  zulke  vage  blauwe 
tinlen  afgedrukt  worden. 

—  Van  de  minder  onzelfstandige  na- 
turen onder  de  jongeren  vermeld  ik  bij 
elkaar  :  Dooyewaard,  Langeveld  en  van 
der  Ven. 

De  eerste  is  niet  3  nummers  vertegen- 
woordigd, alle  drie  vol  en  vast  van  toon 
en  bij  brokken  van  kranige  schildering, 
't  Beste  lijkt  mij  een  lange  dame  in  't 
zwart  op  7  punt  van  uitgaan  voor  den 
spiegel;  al  geloof  ik  niet,  dat  ze  er  even- 
zoo  zou  uitgezien  hebben  als  Breilner 
nooit  had  geleefd.  Langeveld  heeft  een 
mooi  gezien  en  habiel  saamgeiiouden 
geval  van  een  donkerbeschaduwden 
bongerd  met  een  boerenhuis  op  den 
achtergrond,  en  een  Larensch  binnen- 
huis met  veel  persoonlijks,  maar  door 
een  kras  paarsch  gordijn  voor  de  bed- 
stee niol  volkomen  in  harmonie.  Bij  van 
der  Ven  denk  ik  aan  zijn  deilig  avond- 
landschap,  met  de  donkere  kap  van  een 
molen,  groot  uitrijzend  boven  het  vèr 
gestrekte  lage  land,  dat  meer  en  meer 
wegbruint  in  sluiers  van  schemerrook. 
Dan  moet  W.  E.  Roelofs  genoemd  wor- 
den, wiens  vischstilleven  zoo  bedre- 
ven van  handeling  is ;  geteekend  naar 
nauwkeurige  studie,  en  op  zichzelf 
al  geschikt  met  zoo  gelukkige  intuïtie, 
dat  alles  schijnt  mee  te  helpen  om 
ons  dit  zilverende  hoopje  in  vollen 
werkelijkheidsglans  frisch  en  nat  vet 
en  glibberig  tot  een  begeerlijke,  oogen- 
spijs  te  maken.  Roelofs'  talent  moge 
vooralsnog  veel  aan  Vollon  te  danken 
hebben,  het  schijnt  heel  veel  te  beloven. 
Mocht  zulk  een  vaardigheid  gesteund 
worden  door  wijs  beleid,  mocht  dit 
onmiskenbaar  schilderstemperament 
een  diepere  beschaving,  een  rijp  ge- 
voelsleven tot  ondergrond  hebben, 
dan  zal  deze  inzending  de  bescheiden 
voorbode  van  iets  zeer  hoogs  kunnen 
zijn.  Verder  herinner  ik  me  nog  een 
verdienstelijk  portret  in  waterverf  van 
Cohen  Gosschalk,  dat  bij  alle  zakelijk- 
heid levend  en  bewegelijk  gebleven  was, 
alhoewel  wat  onnoodig  strak  gecon- 
toureerd  en  van  Hart  Nibbrig  eindelijk, 
die  lang  geen  nieuweling  meer  is,  een 
paar  mooibewerkte  serieuze  schilde- 
rijtjes. In  zijn  heldere  manier,  onder 
vermijding  van  de  schreeuwerige  kuns- 
ten die   velen    het  pointilleeren   voor 


altijd  onverdragelijk  gemaakt  hebben, 
heeft  hij  hier  ernstig  gestreefd  naar 
een  zonnevoU^,  stralende  schoonheid. 
—  Zoo  was  er  bij  lang  zoeken  nog  wel 
't  een  en  ander;  maar  daarna  kwam 
weer  die,  jaarlijks  griezelig  aangroeien- 
de, schare  van  Ncuhuysianen,  Marissers 
en  Mauvenisten,  benevens  nog  eenige 
ongepast  luidruchtigen  wier  namen 
maar  't  best  verzwegen  worden  en  wier 
werk  hoogstens  kan  dienen  om  later 
stof  te  leveren  aan  het  nimmer  uitster- 
vende ras  der  snufTelaars.  Men  schrijft 
immers  nu  zelfs  wel  over  de  imitatoren 
van  Cornelis  Poelenburgh. 

-*^^   *d^  *<3^^  «^— '  fc*^—    Kl^  <<1^  Kl^Kl^Kl^ 

a^  ag^  sg^  g^g^  5g^  a^ag^ag^ag^ 

BIJ  VAN  WISSELINGH  was  een  kleine 
expositie  van  gebruikskunst.  Een  tapijt 
meubelen, marmer-mozaieken  en  enkele 
ander  voorwerpen  ontworpen  door  en 
uitgevoerd  onder  toezicht  van  T.  Nieu- 
wenhuis.  Het  is  een  feest  van  de  hooge 
luxe.  Met  alle  middelen,  kostbare  hout- 
soorten, steek-  en  inlegwerk,  gegra- 
veerde en  geétste  metaalmonteeringen 
enz.  is  hier  een  aristokratische  pracht 
gecreëerd,  die  zich  met  die  van  den  18**® 
eeuwschen  inventaris,  zonderde  minste 
verwantschap  nochthans,  kan  meten. 
Zonder  te  leenen  van  den  historischen 
rom meizolder,  ook  zonder  ziekelijk- 
overdreven  zucht  naar  origineele  mo- 
dellen, waardoor  gemeenlijk  de  eenvou- 
digste dingen  tot  modern-individueele 
onbruikbaarheden  worden  verwrongen, 
is  hier  iets  zeer  aparts  verkregen.  En  al 
is  het  er  duidelijk  aan  te  zien,  dat  men 
met  dure  waar  te  doen  heeft,  toch  zijn 
deze  meubels  —  ik  noem  vooral  een 
kastje  met  glazen  deuren  —  van  stem- 
mige rust.  Geen  pathos  van  plechtsta- 
tigheid, als  sommige  buitenlandsche 
Ausstattungs-künsUer^  vertoon  en  maar 
gedegen  deftigheid  verkondigt  dit  en- 
semble. De  werkplaatsen  van  de  firma 
van  Wisselingh  kan  men  niet  met  andere 
inrichtingen  op  dit  gebied  vergelijken. 
Hier  komt  het  woord  meubelindustrie 
in  't  geheel  niet  te  pas.  Wat  ons  wordt 
voorgezet  is  zooveel  mogelijk  handwerk 
van  de  hoogste  soort;  het  is,  zoover  dat 
in  deze  materie  kan,  het  werk  van  den 
artiest  zelve,  waar  hij  het  niet  zelf  in 
de  hand  heeft  gehad,  stonden  toch  zijn 
helpers  onder  zijn  directe  controle  en 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  AMSTERDAM 


219 


KUNST- 
BERICHTEN 

UIT  AMSTERDAM 


7.00  blijft  dus  het  resullaat  aan  hem, 
zoo  goed  als  de  maniiergroep  hel  werk 
van  den  beeldhouwer  blijft,  ook  al  heeft 
niet  hij  alleen  er  aan  gebeiteld.  Wat  we 
hier  zien  zijn  unica,  iedei*  met  eigen 
wordingsgeschiedenis  als  een  schilderij, 
steeds  verder  opgevoerd,  gecorrigeerd, 
met  liefde  versierd  en  met  uiterste 
nauwgezetheid  tot  in  de  minste  onder- 
deden verzorgd  Geen  riggei  onacht- 
zaam behandeld,  geen  schot,  ook  al  is 
't  niet  in  't  gezicht,  zonder  gepaste  af- 
werking. Werkelijk  een  achevé,  dat  zelfs 
oudere  europeesche  meubels  niet  had- 
den, dat  hoogstens  de  Japanners  hebben 
gekend.  ledere  moet  van  den  beitel  in  het 
ingewikkeld  è  jour  vertelt  van  de  gevoe- 
lige hand  van  den  maker,  ieder  spik- 
keltje  ivoor  van  de  decoratie  bewijsi 
zijn  geéleveer<len  smaak.  De  zwarte 
deurtjes  van  een  kastje  zijn  zoo  verfijnd 
geornamenteerd  met  een  symetriscli  stel 
van  ijle,  witte  bloessemtrossen,  bij  alle 
strakheid  van  't  geheel,  zoo  lustig  neer- 
geregend  en  zoo  vrij  van  alle  quasi- 
japanschen  flair,  dat  de  bezitter  van  dit 
meubel  een  c»  objet  d'art »  van  den  hoog- 
sten  rang  rijk  is.  —  Had  ik  ruimte,  ik  zou 
liefst  alle  voorwerpen  in  volgorde  be- 
spreken, maar  ik  moet  me  tevreden 
stellen  met  deze  korte  aanduiding  van 
het  hier  heerschend  principe  en  met 
het  uitspreken  van  den  wensch  nog  eens 
aan  de  hand  van  vele  goede  reproducties 
afzonderlijk  op  Nieuwenhuis'  kunst 
terug  te  komen.  Tegenover  het  buiten- 
land, dat,  naast  allen  lof  over  de  nieuwe 
beweging  in  onze  gebruikskunst,  toch 
zoo  nu  en  dan  eens  met  het  verwijt 
aankomt,  dat  de  Hollanders  geen  talent 
hebben  voor  het  hooger  genre  van  hel 
verfijnde  werkstuk,  hebben  we  hier  een 
deugdelijk  bewijs  van  het  tegendeel. 
Het  strekt,  dunkt  me,  den  heer  Nieu- 
wenhuis en  zijn  geestverwanten  tol  eer, 
dat  zij  zich  in  weerwil  van  hun  aan  den 
dag  gelegd  persoonlijk  talent  toch  overal 
blijven  schikken  naar  de  gewichtigste 
praktische  eischen  van  hel  meubel  en 
dat  hun  beschaafde  ingetogenheid  hen 
heeft  afgehouden  van  alle  reclameach- 
tige bizarrerie. 

Wil  men  al  het  mooie  echt  genieten 
en  ten  volle  waardeeren  dan  moet  men 
met  toewijding  en  liefde  de  soms  weinig 
opvallende    versiering    willen    volgen. 


Men  moet  iets  voelen  voor  de  hooge 
technische  eigenschappen  van  de  hout- 
bewerking. Gemakkelijk  te<  verteren 
kost  voor  een  groot  pupliek  is  het  niet, 
maar  een  kostelijk  smullen  voor  den 
echten  liet  hebber.  Geen  meubels  in 
gewonen  zin;  maar  prachtstukken  voor 
de  inrichting  van  een  verzamelaar. 

En  is  dit  nu  bij  uitstek  hollandsch  ? 
zal  men  vragen.  In  toepassing,  in  den 
aard  van  'I  werk,  (b.v  de  nimmer  dorre, 
altijd  smijdige,  haast  schilderachtig 
malsche  uitvoering  van  snij-  en  sleek- 
werk)  in  de  matigheid  der  ornamentalie, 
de  soberheid  in  't  aanbrengen  van  be- 
slag, zeker  wél;  in  de  tegenstelling 
der  kleuren  eveneens ;  maar  in  de 
complicatie  der  è  jourornamenten,  de 
aanwending  van  ivoor,  goud  en  geelst 
metaal  is  —  op  't  eerste  gezicht  ten 
minste— ook  ietsoostersch,  ietsarabisch 
en  japansch.  En  dat  kan  niet  verwon- 
derlijk zijn,  als  men  bedenkt  hoeveel 
juist  technisch  van  het  Oosten  te  leeren 
viel  en  hoe  er  ten  slotte,  wal  men  ook 
make,  altijd  wel  iets  gelijksoortigs  op 
's  werelds  rond  te  vinden  is.  Dit  moet 
echter  gezegd  worden,  meer  dan  de 
algemeene  Anregimg  uit  den  vreemde 
is  niet  te  constateeren ;  naar  beslist 
eigen  beginsels  en  met  europeesch 
gevoel  is  alles  verwerkt.  Over  het  ge- 
heel een  mooie  tentoonstelling.  Aan- 
merkingen op  détails  passen  niet  in  dit 
kader ;  op  de  marmor-mozaieken  zou 
anders  misschien  wel  wat  te  zeggen  zijn. 

^^^^^^^^^^^ 

'T  BINNENHUIS  had  een  étalage  van 
metaalwerken  van  Amstelhoek.  Naast 
vele  bekende  modellen  was  er  ook  vrij 
veel  nieuws,  ongemeen  van  vorm  en  zeer 
prijzenswaardig  afgewerkt.  De  ziluer- 
uilrine  omsloot  het  belangrijkste  deel. 
Sedert  de  laatste  tentoonstellingen  is 
hierin  werkelijk  vooruitgang  naar  den 
kant  van  meerdere  fijnheid.  Vergelijkt 
men  de  enkele  oude  voorwerpen,  als 
de  kandelaars  en  i\en  parapluieknop^  met 
de  latere  exemplaren  dan  blijkt  veel, 
wat  toen  al  aardig  scheen,  toch  nog 
maar  onbekookt  probeeren  geweest  te 
zijn.  Van  een  geestige  vinding,  een  ferm 
contrast  beloofde  men  zich  toen  te 
veel ;  nu  is  alles  edeler  van  bouw,  pre- 
cieuser  van  versiering,  gaver  van  slof- 


220 


bchaiuieling.  Kr  is  dus  beslist  technisch 
veel  gewonnen,  en  hoewel  de  variëteit 
der  motieven  altijd  nog  beperkt  is  ge- 
bleven, als  steunend  op  één  vast  sys- 
teem, is  de  schat  toch  met  vele  gelukkig 
gevonden  oplossingen  verrijkt. 

Onder  het  beste  van  't  nieuwe  werk 
stip  ik  aan  : 

No  87.  Een  Iheebus,  Glad  trommeltje 
met  afgeronde  hoeken.  Geen  andere 
versiering  dan  de  scharnieren,  het  slui- 
tingje  en  een  sterretje  van  wit  en  don- 
kerblauw émail  op  den  deksel.  Om  de 
voorname  verhoudingen  en  de  bekoor- 
lijke werking  van  dat  scherp  starrelende 
kleurvlekjc  tegen  het  gladde  zilver  was 
het  geheel  zoo  charmant,  dat  ik,  de 
relatief  lage  prijs  in  aanmerking  geno- 
men, niet  begrijp  hoe  hel  niet  reeds  op 
den  dag  der  opening  verkocht  was. 

No  93.  Ken  cylindrisch  krislallen  flacon 
met  rechlen  zilveren  slop  en  decor  van 
groen  en  wilte  blokjesfiguren. 

Verder  :  aardige  zoutvaatjes,  broches 
met  steenen  en  émail.  In  combinatie 
ook,  minder  gelukkig  toegepast,  email 
op  gedreven  zilveren  broches,  wat  on- 
gelijk en  blikkerig  van  oppervlak (n*"  111 
en  112).  Een  prettige  bemoedigende 
collectie. 

^r^^rti-»  ^nin  ^rti-»  ^nin  ^Hi-»  ^^t^  ^rtj»  ^Tti-»  ^^tSi 

OP  DE  KÜNSTZAAL  V.  v.  GOCH  was 
een  serie  van  teekeningcn  (zwartkrijt, 
waterverf  en  pastel)  van  den  kosmopo- 
litisch getinten  Genard  Muller,  Er  is  zeer 
zeker  veel  handigheid  bewezen  in  die 
natgeschilderde  aquarellen.  Die  vrou- 
wenkoppen, halzen  en  armen,  die  glazen 
en  bakken  van  krystal,  die  meloenen, 
druiven,  citroenen,  lelies,  primutas,  zijn 
allé  met  hetzelfde  flair  gedaan  ;  maar 
houdt  dit  heele  kleurenfeest  bij  lan- 
ger toezien  wel  stand  ?  Volgt  er  niet 
eene  ontnuchtering  ?  En  gaat  het  ten 
slotte  niet  te  ver  als  Th.  de  Bock  in 
zijn  welwillende  voorrede  op  den  cata- 
logus zegt  :  «  Toch  is  hij  ras-Hollander 
gebleven  en  is  evenals  de  oud-Delftsche 
plateelbakkers,  die  zich  veel  inspireer- 
den op  het  Japansch  en  Chineesch 
decor,  onmiddellijk  als  Hollandsch 
kunstenaar  kenbaar?  »  Dit  werk  is  in 
werkelijkheid  zoo  enkel  handig  en  op- 
pervlakkig behaagziek,  dat  ik  de  over- 
eenkomst   met    hollaudsche    peiutuur 


hoogstens  in  de  natvloeiende  aquarel-   KUNST- 
techniek  kan   vinden    Meer   voor   een    pppTptrTïTM 
fabriek    van    bonbondoozen    of    voor   t>fc-mi.H  1  t.JN 
waaierbeschildering,   dan   om    het    als   UIT  AMSTERDAM 
schilders-opus    au    sérieux    Ie   nemen. 
Knapheid  in  dienst  van  een  te  wuft  ge- 
moed zou  men  zeggen  ! 
Mei  W.  V. 

*0,^  *^^  *Cl^  «^^  *^^  *^^  *<l^  *^^  *C^  *<X^ 

58^  Jg^'j^o^  Jg^Jg^'j^ 'j^a^Sg^ 

UIT  BRUSSEL  = 

|N  HET  KUNSTVER-  UIT  BRUSSEL 
BOND  werd  van  30 
Maart  tot  8  April  een 
tentoonstelling  van 
werken  van  Jan  Gou- 
weloos en  Paul  Ma- 
Ihieu  gehouden,  wel- 
ke tot  de  mooiste  en  belangwekkendste 

van  dit  jaar  mag  gerekend  worden. 
Gouweloos  exposeerde  een  twintigtal 

zeer  verscheiden  werken,  die  getuigenis 

afleggen    van    zijn    rijke    begaafdheid, 

gesteund   door  zijn  groote  technische 

vaardigheid    en    degelijke   virtuositeit. 

Portretlen,  landschappen,  zeegezichten, 

bosschen   en  vlakten,  naaktstudies  en 

genrestukken,  hoekjes  uit  ons  land  en 

uit   den   vreemde.  —  Gouweloos  ziel, 

gevoelt  en  verwekt  dit  alles  met  dezelfde 

vlijt  en  hetzelfde  talent.  Toch  zijn  er 

enkele  doeken  waaraan  ik  de  voorkeur 

geef,  en  die  niet  enkel  den  stempel  dra- 
gen van  een  bestagen  technicus,  maar 

ook  van  een  diep  en  ernstig  kunstenaar, 

van  een  dichter,  van  een  schilder  uit 

den  bloede.  Met  zijn  Kind  alleen  reeds 

zou  Gouweloos  zijn  plaats  in  de  voorste 

rij   onzer  figuurschilders  hebben    ver- 
overd. Dit  is  inderdaad  hoogere  kunst, 

dit  kleine  kindje,  in  zijn  teedere  onschul- 
dige naaktheid,  rozig,  gezond,  mollig  — 

door  de  moeder,  welke  men   van    ter- 
zijde ziet,  den  toeschouwer  als  het  ware 

ter    bewondering    voorgehou<len.    Dit 

schilderij  is  voortreffelijk  samengesteld ; 

stijl  en  sentiment  verhelfen  er  zich  tot 

een   hoogte  die   denken    doet   aan    de 

meest  aangrijpende  voorstellingen   der 

Aanbidding  of  der  IL  Familie,  En  hoe  is 

dit  geschilderd  !  Het  kind  —  dat  van  den 

schilder  zelf—  herinnert  door  de  factuur 

aan    de    beste    Hollanders ;   een   waar 

museumstuk.  Buiten  dit  bewonderens- 
waardig schilderij,  vermeld  ik  nog  als 

van  allereersten  rang  een  untte  schuil  en 


XXVII 


221 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BRUSSEL 


in  de  schuil  —  lierinr.eringen  vaii  Coni- 
pièj»iie  -  Iwce  heerlijke  barcaroUen, 
van  fialanl  romantisme,  met  een  zeker 
Walleau-achlig  lintje  van  droomerij 
en  elegantie,  vooral  in  de  dame  met 
haar  kleed  van  pompadour-kleuren, 
arislocralisch  in  haar  schuitje  gezeten. 
De  lioudi!:g  van  dit  vrouwtje  is  prach- 
tig gevonden  !  En,  nogmaals,  wat  pittige 
schildering ;  zoo,  b.  v.  om  nu  alleen 
maar  van  dit  stuk  te  spreken,  hoe  won- 
derbaar is  de  behandeling  van  den 
weerschijn  van  hel  schuitje  in  hel  don- 
kergroene water  -  weerschijn  die 
tevens  door  de  schaduw  van  het  vaar- 
tuig en  de  doodsche  kleur  van  den 
vijver  verdonkerd  wordt. 

Paul  Mathieu  heeft  zich  als  meester- 
landschapschilder  doen  gelden  Hij 
beschikt  over  een  zekere  en  eerlijke 
techniek,  welke  hij  loepast  op  het  weer- 
geven van  indrukken  van  tcedere  en 
hoogsl  voorname,  haasl  aristocratische 
poëzie.  In  zijne  landschappen  vindt  men 
nóch  geweld,  nóch  hartstocht,  maar 
toch  gaat  er  een  hinig  gevoel  van  uit ; 
zij  leggen  getuigenis  af  van  het  hooge 
genot  dat  de  kunstenaar  smaakte  door 
hen  uit  te  kiezen,  te  aanschouwen,  te 
streelen.  Zijn  aandoening  is  verfijnd,  ik 
zou  haast  zeggen  beredeneerd  en  ver- 
standelijk; hij  is  geen  brutaal  of  bar- 
baarsch  overvloeiend  lyrisch  bewonde- 
raar van  de  natuur,  maareen  aanbidder 
die  als  fijnproever  de  heerlijkheden 
onzer  Vlaamschc  gouwen  geniet  en 
wieii  geen  enkel  tintje,  geen  momentje, 
hoe  vluchtig  of  teer  hel  ook  zij,  ontgaat, 
een  dichter  die  een  buitengewoon  mees- 
ter is  in  de  behandeling  en  die  bij  uit- 
nemendheid in  staat  is  een  trillend  en 
doordringend  fluidium  te  doen  uilgaan 
van  de  oogenschijnlijk  meest  kalme  en 
gewone  landschapjes.  Vooral  de  Kempen 
trekken  hem  aan.  Paul  Mathieu  is  er  in 
geslaagd  ons  de  Kempen  op  heel  nieuwe, 
onverwachte  wijze  te  doen  zien.  Na  de 
tragische  of  spookachtige  heidegezich- 
ten  van  een  Heymans,  een  Coosemans, 
eenVerslracte  en  zoovele  anderen,  heeft 
hij  als  het  ware  een  nieuwe  zijde  van 
de  Kempen  ontdekt :  de  kalme,  droome- 
rige  Kempen,  waarvan  de  weemoecl 
nooit  tol  wanhoop  overslaat,  en  waar- 
van de  ellende  allijd  door  een  straaltje 
hoop  verhelderd  wordt.   Vandaar   iels 


rustigs,  aantrekkelijks  en  zalvends  dat 
ons  lang  doet  stilstaan  voor  de  doeken 
van  dezen  teederen  en  oprechten  kuns- 
tenaar. Vraag  hem  geen  groote  harts- 
tocht, geen  aangrijpende  ontboezemin- 
gen—neen, hij  geeft  enkel  doordrin 
gende  poëzie,  van  een  wonderbaar 
egale,  gematigde  en  versmolten  uiting, 
juist  treffend  als  van  iemand  die  niet 
zeer  luid  zingt  maar  waarvan  de  heer- 
lijk klinkende  stem  alle  hulpmiddelen 
van  ile  voordracht  machtig  is  en  in  een 
eenvoudig  lied  van  Schumann  inniger 
en  misschien  duurzamer  aandoening 
kan  leggen  dan  een  tooneel-tenor  of 
soprano  uit  een  daverend  recitalif  van 
Wagner. 

Mathieu  exposeerde  een  vijftiental 
doeken  in  het  Kunstverbond  —  bijna 
alle  gezichten  uit  de  Kempen,  op  alle 
uren,  in  alle  jaargetijden,  uitmuntend 
vooral  door  bewonderenswaardige  ge- 
zichleinders,  vergczichicn  waarin  men 
zich  verdiept  en  verdwaalt  als  onder  de 
macht  van  een  onweerstaanbaar  mag- 
netisme. Zoo  b.v.  herinnert  ons  Stille 
Avond  de  kostbaarste  uren  van  ons 
leven,  van  die  uren  zoo  zoel  om  te  be- 
zwijken, zooals  een  dichter  gezegd 
heeft.  In  al  deze  doeken,  ik  herhaal  het, 
vindt  men  naast  een  meesterlijke  tech- 
niek een  teeder  gevoel  door  onze  land- 
schapschilderschool  zelden  bereikt,  en 
eigenlijk  nooit  nagestreefd.  P,  Mathieu 
heeft  daarom  dan  ook  een  tot  nu  toe 
om  zoo  te  zeggen  open  plaats  ingeno- 
men, tussciien  onze  zoo  talrijke  en 
dikwijls  zoo  verdienstelijke  laiidschap- 
schilders. 

^r/  Jules  Merckaert  heeft  verleden 
maand  in  zijn  werkplaatseen  zeer  mooi 
landschap  tentoongesteld  uit  de  om- 
streken van  Schaerbeek  van  zoo  vreemd 
en  aangrijpend  karakter  en  waarvan 
de  jonge  schilder  de  stijl  zoo  pittig  en 
krachtig  gevoeld  en  gevat  heeft.  Dit 
stuk  waarop  een  laan  tusschen  moes- 
velden  is  voorgesteld  met  een  waarlijk 
vloeiend-blauwe  lucht  —  een  stralende 
hemel  zooals  de  schilderij  betiteld  is  — 
zal  op  het  aanstaande  Salon  te  Brussel 
worden  ingezonden,  en  daj  r  ongetwij- 
feld opgang  maken  Verder  zagen  we 
nog  verscheiden  kranige  landschap- 
pen, waarop  zekere  holle  weg  was 
afgebeeld   uit  de    omstreken    van    het 


222 


oude  Schacrbeek,  waar  de  kunstenaar 
zoo  bizonder  veel  van  houdt,  en  waar 
hij  de  aantrekkelijke,  eeni^szins  som- 
bere kleur  op  de  verschillende  uren 
van  den  dag  heeft  weergegeven  Het 
ware  zeer  Ie  wenschen  dal  hel  bestuur 
van  een  zoo  belangrijke  gemeente  als 
Schaerbeek  eenige  werken  van  Merck- 
aert  aankocht ;  nooit  zullen  die  lol 
verdwijnen  gedoemde  hoekjes  nog  met 
evenveel  toewijding  en  in  zoo  juislen, 
gepaslen  en  plaatselijken  loon  geschil- 
derd worden. 

G.  E 


UIT  DEN  HAAG 


rijkheid 
Roelofs, 
Thérèse 


lULCHRI  STUDIO  > 
GR  O  KP  ENTEN- 
TOONSTELLINGEN 
Cy^  SERIE  y  15-19 
APRIL  >c^  Zij,  wier 
werk  aan  cleze  expo- 
sitie eenige  belang- 
geeft,  zijn  Blommers,  Albert 
Roermeester,  Schregel  en 
Schwartze.  Blommers'  inzen- 
ding is,  als  zoodanig,  eenc  teleurstelling. 
Zij  bestaat  uit  een  groot  doek :  Garnalen' 
visscher,  geflankeerd  door  twee  studies. 
En  nu  mag  de  schilder  mei  hel  vol- 
looien  van  het  eerste  aan  zijne  luminis- 
tische,  coloristische  en  tonalislische 
neigingen  voldaan  hebben,  hij  mag  in 
hel  eene  sludielje  een  groolsch  natuur- 
gezicht  hebben  willen  verheerlijkt  zien 
en  in  het  andere  (tegen  de  zon  ingezien) 
een  dieper  en  dichlerlijker  zin  geloond 
hebben...  het  is  bij  dit  al  niet  Blommers 
zooals  we  dien  verwacht  hadden.  Was 
er  geen  ander  werk  bij  de  hand,  geen 
binnenhuis  b  v.  om  deze  inzending  te 
completeeren  en  den  schilder  te  loonen 
van  een  kant  welke  sommigen  nog  het 
liefst  van  hem  kennen?  We  zagen  on- 
la. .gs  van  hem  een  binnenhuisje,  dat 
naar  hel  heette  van  jongen  datum  was, 
en  dal  we  hier  ter  plaatse  wel  eene  ve»  - 
melding  waard  achten.  Het  was  Blom- 
mers, wellicht  niet  op  zijn  zondags, 
maar  door  eene  samenvatting  van  vele 
eigenschappen  toch  bijna  wel  op  zijn 
volledigst.  Of  hel  een  aquarel  was  of  een 
schilderij  ben  ik  vergelen,  zoo  helder 
staat  mij   nog  het  wezenlijke  van  dit 


geval  voor  den  geest,  maar  het  is  moge-  KUNST- 
lijk  dat  hij  ze  allebei  gemaakt  heell  Er  BERICHTEN 
was  hier  in  deze  lonige  binnenhuis-  ^jiT  BRUSSEL 
atmosfeer  speling  van  haardvuur  en 
builen-licht  door  deurkier  en  vensier, 
hier  en  daar  getemperd  door  ragge 
schaduw-schemer  en  rook  van  vuur  en 
pijp.  Het  had  de  gemoedelijkheid  van 
een  Israëls,  zonder  in  de  versie  verte 
ook  maar  een  Israëls  te  zijn.  Er  was  in 
het  geheel  eene  verdoken  joligheid  die 
losgelaten,  losgebarsten  scheen  in  de 
schildering  van  dien  vuurbeschenen 
geel-rossen,  rookenden,  half-voolijken 
mannekop.  Er  ging  door  hel  geheel  een 
geadem  van  leven  en  de  vagelijk  aange- 
duidde  dingen  schenen  er  in  hel  onwe- 
zenlijke een  zoo  wezenlijk  beslaan  te 
leiden,  dat  het  mij  somwijlen  wil  voor-  UIT  DEN  HAAG 
komen  als  was  dil  alles  geen  schildering, 
maar  eene  levende  droom  geworden 
werkelijkheid,  zoo  als  ik  die  wel  eens 
moet  hebben  bijgewoond.  Iemand  dil 
bij  te  brengen,  een  aiuleren  mensch  in 
dezen  waan  Ie  laten,  al  is  zij  van  eene 
telkens  gaande  en  komende  tijdelijk- 
heid, is  een  der  wezentlijkste  dingen 
waartoe  een  schilder  kan  komen. 

Ik  wil  nu  dil  de  waarde  van  een 
weidsch  gezicht  als  het  op  deze  expo- 
sitie aanwezige  doek  van  Blommers  is, 
niet  verkleinen.  Ik  heb  er  wel  degelijk 
die  bizondere  bekoring  van  on((ergaan 
die  eene  samenvatting  van  luministische, 
coloristische  en  tonalislische  neigingen 
te  weeg  kan  brengen  en  ten  slotte  blijkt 
ook  dil  werk  hel  meest  beteekenende 
van  alle  deze  geëxposeerde  te  zijn,  door 
dal  hel  op  de  in  aanleg  meest  ware 
wijze  de  idee  vertolkt.  Hel  blijft  Blom- 
mers (in  dil  werk  wil  ik  zelfs  een  goede 
Blommers  zien),  en  diens  individualiteit 
is  nu  eenmaal  eene  meer  waardige. 

Men  noemt  hel  werk  van  Thérèse 
Schwartze  wel  eens  virluoze-werk. 
Maar  wat  is  de  techniek  van  een  Rem- 
brandt,  b.  v.  in  de  anatomische  les  van 
Deyman,  nog  oneindig  bekwamer.  Dat 
is  eene  virtuositeit  die  ontstelt  door 
geheimzinnigheid  van  doen ;  daar 
schijnt  niets  gewoon-menschelijks  meer 
aan.  Het  is  of  het  universum  zelf  deze 
geestelijke  werkelijkheid  opgebouwd 
heeft.  Voor  den  aanschouwenden  geest 
wordt  in  dil  besef  de  techniek  van  een 
Kalf,  Vermeer,  Verlasquez  of  wien   ge 


223 


KUNST. 
BERICHTh:N 
UIT  DEN  HAAG 


maar  wilt,  kleiner,  bekrompener.  Zelfs 
die  duivelskuiislenaar  Hnis,  zooals  die 
zich  voordoet  in  zijn  j^roej)  regenten  van 
het  oude  mannenhuis,  de  bij  een  voor 
dood-en-Ieven  niet  deinzende  levens- 
houding, in  een  soms  bijna  verheven 
dwaasheid  liet  hoogste  aanschouwen 
en  pogen  rakende  techniek,  deze  tech- 
niek zelf  van  een  tachtig-jarig  man 
die  nu  al  lang  besefte  dal  zotheid  en 
verhevenheid  son)s  elkaar  beroeren, 
heeft  niet  dat  goddelijk-  onnaspeurbare, 
het  ontzag-wekkende  dat  de  techniek 
van  Rembrandt  kenmerkt.  In  diens 
werk,  het  mag  geschilderd  zijn  in 
dronken  vervoering,  of  in  diepzinnige 
berusting,  ademt  het  universum  zelve. 
Hn  hier  licht  ten  slotte  ook  het  besef  op 
dat,  die  techniek  welke  niet  bestuurd 
door  warme  of  koelere,  maar  immer 
levende  hartstocht,  een  schijnbaar  knap- 
pe of  eene  doode  techniek  is  dal  hare 
grootte  en  ware  knapheid  bepaald 
wordt  door  de  min  of  meerdere  betee- 
kenis  van  het  hare.  bij  wijs  overleg 
besturende  initiatieve  gevoel. 

We  hebben  dus  in  dit  werk  van  Th. 
Schwartze,  behalve  de  beteekenis  dal 
zich  in  de  techniek  eene  goede  traditie 
op  zekere  wijze  handhaaft  (wat  ten  allen 
tijde  belangrijk  kan  zijn),  te  zoeken  in 
hoeverre  deze  techniek  (genomen  in 
hare  wijdste  beteekenis)  de  draagster  is 
van  eene  geestelijke  verschijning,  en 
daarnaar  hare  waarde  te  bepalen.  Kn 
dan  voelt  men  weldra  dat  al  die  habili- 
leit  er  eene  enkele  maai  niet  dan  om 
haar  zeltswil  schijnt  te  zijn.  Maar  soms 
ook  wordt  het  geheel  der  factuur  le- 
vender  en  bewogen  door  edeler  aan- 
drift. Dan  maakt  ze  uitstekende  por- 
tretten zooals  ik  er  u  een  tweetal  noem 
dat  van  een  Jong  meisje  en  dat  van  Mr. 
Kappeyne  Van  de  Cappello  In  hel  eer- 
ste en  ook  in  een  Mansportret  vinden 
we  eene  levenshouding  die  eenigszins 
verwant  is  aan  die  van  Mancini. 

Roermeester's  inzending,  met  't  oog 
op  zijne  capaciteiten  niet  te  belang- 
rijk, verheugt  toch  (als  bijna  im- 
mer) door  de  levens-sfeer  waarin  hij  u 
brengt.  Dit  werk  is  gewoonlijk  van 
eene  weldadige  warmte  en  van  eene 
aangename  gulheid.  De  techniek  is, 
vooral  van  zeer  dichtbij  beschouwd, 
over  't  algemeen  solide,  pittig  en  kern- 


achtig de  penseelstreek.  F'^n  op  haar 
rust  een  deel  van  de  werking,  die 
van  zijne  schilderijen  uitgaat,- welke  u 
meestal  voeren  in  de  omgeving  van 
plassen,  riet  en  wilgen  en  boere-  of 
arbeiders-woningen,  die  's  daags  stem- 
men door  het  harmonieuze  hunner 
zich  tot  interessante  en  gesloten  com- 
petities leenende  verhoudingen  en  ook, 
als  het  donkert,  door  de  omsluierende, 
transparante  schaduw-partijen,  waarin 
soms  met  intieme  bekoring  het  schaar- 
sche  lamplicht  lonkt,  of  waarover  de 
maan  haar  schemer-schijn  giet  en  wei- 
felende glanzen  spelen  doet. 

Mancini  is  't  weer,  wiens  naam  we 
fluisteren  als  we  staan  voor  de  interieurs 
van  Albert  Roelofs.  Diens  hoofdwerk 
In  de  rust  zegt  weinig  meer  dan  dat 
zoo  'n  opgave  hem  nog  te  machtig  is. 
De  kleinere  stukken  als  Schetsje,  7 
Briefje,  Spelend  Kindje,  Poesjes'  ontbijt, 
en  Spelend  met  een  katje  en  ook  de 
andere  zijn  volkomener.  Er  blijkt  verder 
uit  dit  werk  een  pogen  dat  door  oude 
Hollanders,  maar  ook  door  modernen 
als  Neuhuys  e.  a.,  zelfs  door  Israéls,  al 
aangegeven  is.  Maar  waren  deze  alge- 
meener,  Albert  Roelofs  schijnt  te  willen 
verfijnen  wat  zij  in  breeder  opvatting 
gaven.  Men  bespeurt  in  Poesjes*  ontbijt 
klcurhoedanigheden,  in  Spelend  met  een 
katje  kwaliteiten  van  kleur-toon  (deze 
ook  in  de  gewoolijk  in  atmosfeer  weg- 
doezelende  kopjes  der  vrouwen-figuren) 
en  in  hei  Schetsje,  bij  een  geestig  gespeel 
van  toon-kleur,  het  vermogen  van  licht- 
werking, wat  doet  vernioeden  dat  bij 
positiever  werkwijze  nog  beter  werk 
verwacht  kan  worden. 

Juist  die  beshste  manier  van  doen, 
doet  bij  overdrijving,  Hernard  Schre- 
gel's  werk  wel  eens  kwaad.  Het  Deurtje 
alleen  heeft,  behalve  goede  technische, 
die  ideéele  eigenschappen  welke  het  in 
zijne  soort  tot  een  bijna  volmaakt 
werkje  stempelen.  Van  dezen  schilder, 
wiens  studieuze  arbeid  nu  al  langzamer- 
hand voldoende  gewaardeerd  wordt, 
mogen  we  nu  ideceler  opgevat  werk 
beginnen  te  eischen.  Er  is  van  hem  o.  m. 
nog  een  Sprookjeshuis,  dat  duidelijk 
maakt  wat  hem  nog  ontbreekt  Zijn 
stevige,  maar  soms  te  harde  en  een 
weinig  ongevoelige  streek,  schiet  te 
kort    waar    het    luchtige,    bewegende 


224 


moet  uit  geheeld  worden.  De  bij  dit 
Sprookjesluüs  zwevende  duiven  zijn  te 
zwaar,  Ie  massief  van  doen,  in  plaats 
van  een  stenimingwekkend,  zijn  ze  nu 
een  liinderlijk  element  geworden.  Over 
't  geheel  is  U  overigens  Schregel,  die 
wel  hel  best  voor  den  dag  komt  op  deze 
van  buitengewone  dingen  niet  belang- 
rijke expositie. 

De  overige  inzenden  zijn  (alphabe- 
tisch»  :  Sterre  de  Jong  (dit  werk  ken- 
merkt zich  door  een  eenigszins  sprook- 
jes-achtige  opvatting,  maar  is  te  zwak). 
Jan  van  Rhijnen,  Willem  Roelofs  (met 
o.  m.  een  paar  niet  onverdienstelijke 
slillevensj  PI.  Sadée,  F.  Salberg,  C. 
Schermer,  M.  Schildt  en  Willem  J. 
Schütz. 

H.D.B. 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


UIT  ROTTERDAM 


'^•i!^ 


,J?f?#%ïl 


fTTERDAMSCHE 
KUNSTKRING  > 
TENTOONSTEL- 
LING VAN  WERKEN 
VAN  M.  W.  VAN  DER 
VALK  y  26  MAART- 
26  APRIL  >o^  Een 
uitgebreide  tentoonstelling  van  over  de 
honderd  nummers;  schilderijen  en  schil- 
derstudies,  teekeningen  en  eenige  aqua- 
rellen. Van  der  Valk  had,  dunkt  me, 
wijs  gedaan,  de  studies  een  beetje  te 
ziften,  ook  ter  wille  van  de  betere.  Nu 
werkt  de  lange  wand  met  al  die  uniform- 
omlijste  paneeltjes,  om  de  blijkens  de 
geornamenteerde  lijsten  tot  schilderij 
gepromoveerde,  nog  al  vermoeiend ;  er 
hangt  te  veel  en  niet  alles  is  interessant 
genoeg.  Men  ziet  wel:  deze  studie  is 
hier,  die  dèèrom  gedaan,  zeker  belang- 
wekkend voor  de  ontwikkeling  van  des 
schilders  techniek,  —  maar  te  veel  lee- 
ring in  dit  opzicht  moet  zelfs  een  afzon- 
derlijke tentoonstelling  niet  geven.  Veel 
van  dit  werk  is  al  te  onèf,  al  bewondert 
men,  wat  er  met  een  enkele  smeer  voor 
het  oogenblikkelijk  doel  bereikt  is;  in 
andere  dingen  betreurt  men,  dat  de 
stemming  zoo  weinig  volgehouden  is 
(het  mooie  moment  b.  v.  van  n^  53, 
Aan  den  Sloleriveg)  en  sommige  laten 
geen  anderen  indruk  na,  dan  dat  ze 
zoo  gebarsten     en    doorgeslagen  zijn. 


alsof  de  schilder  zich  niet  altijd  even- 
veel om  de  Chimie  de  lapeinlitre  bekom- 
merde. 

Voor  het  overige,  want  dit  is  maar 
ee.i  kleine  bedenking,  —  zijn  er  krach- 
tige, goed-doorvoelde  dingen  genoeg. 
Daar  is  n©  1,  het  aanleggen  van  een 
nieuwe  straat  te  Amsterdam,  waar  de 
hooge  huurkazernen  de  polderwei  gaan 
overgroeien.  Het  krachtige,  bijna  te  helle 
voorjaarsgroen  onder  de  wreed-lichte, 
onverschillige  lucht  is  mooi  gegeven. 
Er  zit,  ik  weet  niet  wat  voor  dreinende, 
landerige  stemming  in  :  wat  men  altijd 
voelt  aan  den  zoom  van  een  groote  stad, 
waar  het  land  zijn  karakter  en  lieflijk- 
heid verliezen  gaat.  Waardig  wordt  dit 
geflankeerd  door  een  windstemming 
aan  den  Schinkel,  Amsterdam  (n^2),  waar 
de  regenslierten  door  de  stormvlagen 
over  het  verbolgen  water  geveegd  wor- 
den en  door  den  zoo  tonigen  heikant 
te  Scherpenzeel  (n©  4),  met  zijn  droo- 
merig-drijvende  wolkjes  in  zacht  blauw,  UIT  ROTTERDAM 
boven  het  warmkleurige,  van  zon  gon- 
zende land.  Aardige  dingen  zijn  ook  de 
Tuin  (no  14)  met  zijn  ongebroken  groen, 
rood  en  blauw,  frisch  en  pikant,  en 
no  15  (Opkomend  onweer),  waarin  de 
schrille  tegenstelling  tusschen  het  nog 
verlichte  verschiet  en  de  dreigende 
wolkmassa  nog  wel  wal  fijner  kon  ge- 
geven zijn.  Van  krasse  contrasten  houdt 
hij,  van  het  staalblauw  van  door  den 
wind  opgezweepte  plassen  tegen  vlak- 
verlicht  straf-groen,  —  als  dreef  het 
platte  land  in  hel  ijle  tusschen  even- 
blauw  water  en  lucht,  van  scherp- 
gesneden  silhouetten  tegen  den  lichten 
avondhemel  Maar  hij  weet  niet  altijd 
te  vermijden,  hard  te  zijn.  Zijn  schadu- 
wen zijn  soms  zwaar  en  dik  en  veel  te 
stoffelijk,  als  in  n©  5,  het  gespeel  van 
het  licht  door  de  lakken  op  een  bosch- 
grond,  waar  in  de  schaduwen  de  lokale 
kleur  geheel  verloren  gaat.  En  soms 
komen  er  bonte  dingen  voor  den  dag, 
als  n"  27,  de  Tuinman^ woning  en  n»  1 
van  de  aquarellen  (in  den  Polder),  het 
laatste  vooral.  Omdat  hij  liever  alles 
wil  zijn  dan  slap. 

Sprekend  van  contrast  zijn  ook  de 
Stillevens,  afzonderlijk  midden  in  de 
zaal,  die  deftig  doen  in  hun  donkere 
houten  lijsten.  (Waarom  nog  zooveel 
schilders  boven  deze  de  drukke  gouden 


225 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  ROTTERDAM 


lijsten  blijven  verkiezen,  is  me  een 
raadsel,  de  meeste  doeken  houden  het 
tegen  een  eenvoudig-gcprofileerd  don- 
ker kader  veel  beter  uit).  Deze  bloemen 
en  vruchten  tegen  donkere  stoffen  missen 
haar  effect  niet.  Maar  nauwer  bekeken 
zijn  ze  niet  altijd  uit  <ie  verf,  vooral  de 
bloemen  niet.  Een  uilzondering  moet  ik 
maken  voor  No  31,  dat  van  een  oud. 
Hollandsche  degelijkheid  is.  Op  een 
nikkelen  of  zilveren  bord  een  enkele 
sappig-groene,  glanzende  peer.  Daar- 
achter een  karaf  met  water,  legen  een 
paars-neutrale  fluweelen  draperie.  In 
den  buik  van  de  karaf,  kristal-glad  en 
rond,  wordt  de  geheele  kamer  weer- 
kaatst, een  gebroken  wereld.  Alles  is 
vast  en  klaar  gedaan  en  de  zuiverheid 
van  oppervlak  lijdt  niet  door  al  die 
spiegelende  reflexen. 

Van  de  Fransche  dingen  is  N»  29, 
Binnenplaatsjes,  A  uers  -  sur  -  A  iibe,  ver- 
rassend delicaat  van  kleurstemming. 
De  schaduwen  zijn  kostelijk  blank  en 
de  stofuitdrukking  van  de  poeierige 
zandsteen  in  de  heet-lichte  atfosmeer 
is  uitstekend. 

Toch  geeft  al  dit  werk  in  olieverf  een 
allesbehalve  helder  beeld  noch  van 
Van  der  Valk's  kunnen,  noch  van  de 
richting  van  zijn  kunst.  Zijn  eigenlijke 
kracht  zit  in  de  teekeningen.  Daarin 
bereikt  hij  zijn  sterkste  stemmingen. 
Stil  en  een  weinig  droomerig,  met  een 
lichte  neiging  naar  het  geheimzinnige. 
Kleine  oazen  van  peinzende  rust  in  het 
dichtbewoonde  land.  Hij  vindt  ze  tot 
onder  den  rook  van  de  groote  stad, 
zooals  die  oude  knotwilg  (n»  15),  een 
oude,  waai  de  Amsterdamsche  Wester- 
toren  in  het  verschiet  verrijst.  Zijn  fan- 
tasie heeft  er  een  betooverd  wezen  van 
gemaakt,  half-menschgedrocht,  half- 
boom, als  een  ridicuul  raadsel,  een 
relikwie  van  eeuwen,  staat  hij  daar  aan 
den  slootkant,  terwijl  achter  de  wei  de 
nuchtere  stad  begint. 

Al  deze  teekeningen  zijn  van  een  ver- 
bazend geduld  en  uitvoerigheid,  zonder 
dat  het  groote  geheel  daaronder  verlo- 
ren gaat  Hij  teekent  daikpannen  en 
schoorsteen  potten  tot  in  het  oneindige, 
lange  rijen  verschietboompjes,  die  als 
heele  gelederen  tegen  den  horizont  ge- 
schaard slaan.  Zoo  N"  5,  Achter  de 
dubbele  buurt,  een  kijk  over  het  door 


arbeiderswoningen,  schuttingen,  sloten, 
wegen  verbrokkelde  lanci,  N»  31,  een 
zelfde  onderwerp,  zwarlkrijl-leekening 
op  getint  papier  ;  N**  32,  Wiuler,  waarin 
het  popperige  en  kleine  van  al  dat 
huizengedoe  tegen  de  sneeuw  nog  ster- 
ker spreekt.  Gewoonlijk  zijn  de  kleuren 
met  een  streekje  pastel  aangegeven, 
soms  zoo,  dat  hel  de  paslelteekening 
nadert ;  de  lage,  gele  wolkenbanken 
aan  den  horizonl  blijven  wel  eens  een 
beetje  krijlig.  Maar  doorgaands  bereikt 
hij  met  zijn  eenvoudige  middelen  zeer 
veel. 

Zijn  liefste  moment  is  de  avondsche- 
mering. Hel  verloren  tuinhoekje  met 
den  oudei.  pereboom  Ie  Scherpenzeel 
(N"  1)  krijgt  dan  een  stille  groolschheid 
en  belangrijkheid,  alsof  het  wonder  wat 
was,  aan  den  dijk  langs  een  plasje 
(N"  IG  en  23)  vindt  hij  idyllische  plekjes 
(bijna  zoetig  !),  als  den  ingang  naar  een 
paradijsje.  Wal  later  is  hel  moment  van 
hel  effectvolle  Avond  te  Scherpenzeel 
(No  2).  Het  kromme  dorpsstraalje  ver- 
breedt zich  tot  een  beboomd  pleintje, 
waaronder  het  duister  begint  te  wor- 
den. In  de  lucht  zijn  een  paar  gouden 
strepen,  de  randen  van  wegt»ekkende 
buien,  en  alle  natte  keikoppen,  alle 
druipende  bladeren  vangen  sprankels 
van  dal  licht,  een  regen  van  vloeibaar 
goud  overal,  lale  avondluisler  na  een 
troosteioozen  regendag.  Eenvoudiger 
gekregen  zijn  de  dorpsbunrtjes  in 
maanlicht  (N"  22  en  28),  mei  hun  fulpen 
grijze  luchten. 

Van  verscheidene  karakteristieke 
boomstudies  is  de  Wilgenboom  (N»  3), 
wel  de  meest  stemmingsvolle.  Hier 
slaat  de  oude  tronk  als  een  uit  honderd 
lichamen  samengegroeid  afgodsbeeld 
tegen  de  gouden  lucht  uil.  Mooi  spreekt 
daartegen  hel  geheimzinnige  brons- 
groen van  de  wei,  een  zeer  bijzondere 
kleur. 

Van  de  aquarellen  dienen  de  stillevens 
(No  5  en  6),  vermeld  Ie  worden,  beide 
mooi  vlot  en  sappig  gedaan,  vooral  van 
het  blauw-geémailleerde  kannetje  van 
N"  5  is  het  stof  karakter,  het  geblutste, 
glimmende,  knap  gegeven.  -  Maar  het 
aantrekkelijkst  werk  van  de  tentoon- 
stelling blijven  de  teekeningen.  Ik  heb 
hier  en  daar  een  greep  moeten  doen, 
doch  onder  het  niel-besprokene  is  ge- 


226 


noeg.  dat  evenzeer  de  de  moeite  waard 
is.  K\'  is  er  bijna  geen,  die  door  een 
nuance  van  stemming  niet  wat  eigens 
te  zeggen  lieeft. 

^^^^^^^^^^ 

ROTTERDAMSCHE  VERKHNIGING 
«  VOOR  DE  KUNST  »  >  TIINTOON- 
STELLING  VAN  ANTIEK  SMEED- 
\Vi':RK  >  IN  DE  ZAAL  PRO  PATRIA, 
VAN  11-20  APRIL  1903  /l^^  Overeen- 
komslig  liet  populair  Icarakter  dezer 
tentoonslellingen  geeft  de  inleiding  van 
den  (*.atalogus  een  beknopt  overziciit 
van  <le  de  ijzerleciiniek  in  den  loop  der 
tijden,  lot  den  ondergang  van  de  sier- 
smeedkunst  in  bet  begin  der  negen- 
tiende eeuw.  toen  bet  industrialisnie 
het  wanscbapen  gegolen-ijzerornament 
in  de  plaals  bracbt. 

Het  was  een  goede  gedaciile  van  de 
Vereening  «  Voor  de  Kunst  •  door  het 
organiseeren  van  «leze  tentoonstelling 
wal  mooi  werk  uil  <len  bloeitijd  van  dit 
handwerk  onder  de  oogen  van  velen  Ie 
brenyen  Een  herlevend  handwerk, 
maar  dal  nog  altijd,  meer  dan  andere, 
bij  «Ie  late  nnddeleeuwen  en  de  vroeg- 
renaissance te  leer  kan  gaan.  Want  wel 
terecht  noemen  de  Renaissance-poëlen 
hun  eeuw  de  ijzeren,  —  al  meenen  zij 
hel  symbolisch  en  naar  klassiek  voor- 
beeld. Smeedkunst  als  het  hang-  en 
sluitwerk  door  hel  Museum  van  Kunst- 
nijverheid Ie  Haarlem  ingezonden, 
ciscleer-werk  als  van  de  sloten  uit  het 
Kaslcel  Heeswijk  afkomstig,  waaron- 
der vooral  exemplaren  uil  de  Vroeg- 
Renaissance  uitmunten,  bewijzen  op 
welk  een  hoogte  hel  vak  in  dien  lijd 
stond.  Een  gesmeed  ijzeren  rooster, 
waarvan  de  slaven  op  wonderlijke  wijze 
door  elkaar  gevlochten  zijn,  brengt  de 
mannen  van  het  vak  in  verbazing;  de 
mooie,  met  ijzer  beslagen  koffertjes  zijn 
van  een  bruikbaarheid  en  sierlijkheid, 
die  nog  uitkomt  onder  de  laag  roest  en 
stof,  waarmede  de  dingen  bedekt  zijn. 
En  welk  een  gewichligheid  moeten 
deze  geweldige  sloten  niet  verleend 
hebben  aan  de  deuren,  die  zij  dienden 
en  versierden,  en  niel  minder  voorname 
voorwerpen  —  de  sleutels,  die  het  ge- 
heime mechaniek  openden  en  sloten! 

Was  de  huis-smeedkunsl  goed  verte- 
genwoordigd op  deze  tentoonstelling, 


BERICHTEN 


het  werk  van  den  wapensmid  miste  men  KUNST- 
er  bijna  geheel.  En  juist  daarin  pleegt 
zich  steeds  de  kunst  het  best  en  rijkst  te 
uiten.  In  de  inzending  van  Jhr.  Victor  UIT  ROTTERDAM 
de  Stuers  waren  eenige  pieken  (xvii« 
eeuw)  en  een  zeer  eenvoudige  lands- 
knechlrusling  uit  denzelfden  tijd,  van 
Jhr.  Van  Sypesteyn  was  o.  a.  een  rad- 
slolgeweer,  geheel  van  ijzer,  (ingeko- 
men ;i  maar  dit  weinige  gaf  geen  denk- 
beeld van  de  weeMerige  behandeling 
van  het  wapentuig  uit  dien  tijd. 

Het  Haarlemsche  Museum  had  een 
paar  moderne  stukken  ingezonden, 
waarvan  vooral  een  plaat,  met  4  phasen 
voor  hel  smeden  van  een  kopje,  door  de 
krachtige  en  karakteristieke  behande- 
ling trof 

Behalve  de  reeds  genoemde  waren 
inzendingen  ingekomen  van  hel  Haag- 
sche  Museum  van  Kunstnijverheid,  een 
zeer  uitgebreide  collectie,  in  bruikleen 
aldaar  afgeslaan  door  den  Heer  J.  A. 
Frederiks  te  Middelburg  en  kleinere 
van  den  Heer  Hidde  Nijland  te  Dor- 
drecht en  den  Heer  H.  J.  Melis  te  Rot- 
terdam. 

KUNSTZAAL  OLDENZEEL  >  MAAND 
APRIL  yc-^  Het  achlerzaaltje  van  dezen 
kunsthandel  bood  ditmaal  een  bijzonde** 
aangenaam  aspect.  Een  ameublement 
van  Pool  (Werkplaatsen  Onder  den 
SI.  Maarten)^  een  praktische  c-iuseuse 
met  bijbehoorende  stoelen  en  tafel,  van 
donker  notenhout  met  fijn-paars  ge- 
streept trijp  bekleed,  maakte  er  een 
gezellig  hoekje.  Onder  het  overige 
muntte  vooral  uiteen  iraaie eikenhouten 
linnenkast  met  koperen  beslag,  waarvan 
de  paneeltjes  met  veel  smaak  gestoken 
waren. 

Bij  dit  meubelwerk  waren  de  wanden 
versierd  met  litho's,  houtgravuren  en 
monotypieén  van  J.  J.  Aarts  te  *s  Gra- 
venhage.  De  prachtige,  diepkleurige 
lithographieën  van  schel  -  doorlichle 
avondstraten,  waar  uit  het  duister  de 
ruwe  koppen  van  opgewonden  feestvolk 
komen  opdagen,  —  van  zwoegende 
polderjongens  met  bultige  spieren  en 
armen  als  de  kabeltouwen,  waaraan  zij 
trekken,  kerels  (inderdaad)  uildekluUen 
gewassen^  wat  een  hand  zit  daarin,  hoe 
zijn  die  dingen  aangepakt !  Of  licht  en 


227 


KUNST- 

BERICHTEN 

UITROTTKHDAM 


schaduw  spontaan  op  het  papier  gesla- 
gen waren ! 

Dingen  van  fantasie  zijn  de  meeste 
houtsneden,  die  mylhologische  en  Sha- 
kespeareaansche  onderwerpen  behan- 
delen. Al  doen  zij  een  enkele  maal  aan 
vreemde  inv  oeden  denken,  zij  zijn 
eigenaardig-karakteristiek  en  in  hooge 
mate  suggestief.  Van  de  blijde  antieke 
fantasie,  kind  van  de  volle  zon,  hebben 
zij  niets,  zij  zijn  nachtelijk-noordsch, 
van  zware  wilde  droomen  gemankt. 
Shakespeare's  fantasie,  —  als  het  niet 
veel  moderner  was.  Het  is  de  ziel  van 
een  nerveuzen,  modernen  mensch,  die 
éen  oogenblik  als  een  sterk-geconcen- 
treerd  licht  de  wereld  om  hem  bestraalt, 
een  chaotisch  visioen  van  diepe  scha- 
duwen en  schelle  lichten.  --  Er  waren 
eenige  fraaie  boekillustraties  van  Aarts 
Juist  voor  illustrator  maakt  zijn  sugges- 
tief talent  hem  uiterst  geschikt. 
«♦^  Van  Mevr.  Adriani-Hovy  waren  in 
het  voorzaaltje  eenige  teekeningen  en 


etsen  tentoongesteld,  benevens  een  paar 
aquarellen,  waarover  het  beter  is  maar 
niet  te  spreken.  Zij  dagteekenen  dan 
ook  van  een  paar  jaar  hèr.  Maar  de 
latere  teekeningen  zijn  knap  en  vlijtig 
gedaan.  Het  zijn  bijna  alle  gezichen  van 
het  dak  van  den  Utrechtschen  dom, 
langs  de  verweerde  muren  en  contre- 
forten  en  op  de  stad  in  de  diepte.  Een 
dezer  kijkjes  in  de  hooge  wereld,  aan 
het  koor  der  kerk.  waar  men  onder  een 
paar  enorme  luchtbogen,  natlig,  groen- 
bemost,  doorkijkt,  treft  door  de  goede 
stofuitdrukking  en  hel  zuivere  pers- 
pectief —  l)c  etsen  zijn  ook  weer 
consciëntieus  geteekend,  maar  lijden 
aan  een  zonderlinge  leegheid  en  uitdruk- 
kingloosheid  van  luchten.  Mevr.  Adri- 
ani  lijkt  daarin  minder  thuis  dan  in  het 
ingewikkeld  sieenen  netwerk  van  de 
vensters  harer  kathedraal  en  in  het 
warrig  veld  van  daken,  schoorsteenen, 
boomen  van  haar  stad-in-vogelvlucht. 

R.  J. 


228 


=  INHOUD  VAN  HET  EERSTE  HALFJAAR  1903  = 

Blz. 

CoENEN  Jr.  (Frans)  :  Hel  Museum  Willet-Hollhuysen 

(Het  Saksisch  Porcelein  en  zijn  nabootsingen)  203 

Marez  (Hendrik  de):  Jan  van  Brugge 153 

P.  B.  Jr  :  Een  nieuwe  Van  der  Goes  in  het  Berlijn- 

sche  Museum 101 

Pkk  (J.  K.  Van  der)  :  Naar  aanleiding  van  «  Park-Wyek  •  .     .     .  164 
HoosHs  (Max)  :            De  Teekeningen  der  Vlaamsche  Meesters 

De  Romanisten,  Vervolg 51 

De  Kleinmeesiers  der  XVI»?  Eeuw 93 

De  Landschapschilders  der  XVI«  Keuw  —  De 

Graveurs,  Bouwmeesters  en  VerluclUers    .     .  173 

De  Verzameling  Pacully  te  Parijs 117 

De    druivenpersende    Boscligod    met    tijgerin 

door  Rubens 133 

Simons  (L.)  :                D.  Wiggers 127 

THORNPRiKKER(Ed.):  De   Deventer   tapijtfabriek  en  Colenbran- 

der's  Ontwerpen 58 

Vermeylen  (Aug.) :     Conslantin  Mennier 1-45 

Veth  (Cornelis)  :        Jan  Holswilder,  Karikatuurteekcnaar     .     .  189 

Veth  (Jan)  :                 Een  Inleiding  tot  Rubens 10 

VoGELSANG  (W.) :        HoIIandsche  Gebruikskuust 19 

Winkler  Prins  (J.) :   Dirk  Nijland 85 

^^^^^^^^=  KUNSTBERICHTEN  ^^^^^^^^= 

Uit  Amsterdam  :                J.  Voerman  —  bij  BufTa  —  bij  van  Wisselingh  (W.V.)  33 
J.  van  Oort  —  bij  van  Wisselingh  —  bij  Vosicuil  — 

tPoggenbeek (W.V.)  71 

M.  Bauer  —  bij  van  Gogh (W.V.)  106 

Bij  van  Wisselingh  -  bij  Voskuil  —  bij  Buffa  (W.  V.)  136 
Bij  van  Wisselingh  -   bij  Voskuil  —  bij  BufTa  ( W.  V.)  181 
Arti  et  Amicitisc  —  T.  Nieuwenhuys  —  't  Binnen- 
huis —  bij  van  Gogh      (W.V.)  217 

Uit  Antwerpen  :               A.  J.  Heymans (B.)  36 

Edg.  Farasijn (X.)  138 

Uit  Berujn  :  Bij  Schutte  —  bij  Cassirer  —  Klinger's  Beethoven 

(W.)  37 
Zeichnende  Künste  -  f  ötto  Eckmann  —  Glasgow- 

landscape  painlers  —  Fransche  Meesters  .    (W.)  73 

Fr.  Stuck  —  Edvard  Munch  —  H.  Thoma.     .    (W  )  108 

Bij  Cassirer  —  bij  Keiler  &  Reiner    ....     (W.)  138 


XXVIIa. 


221) 


Uit  Brussel  :                     Lc  Sillon  —  A.  J.  Heymans (GR.)  38 

Maurits    Blieck  —   Aquarellislen   —   Willem  van 

Strydonck  en  Fr.  Taelmans (G.  E.;  75 

Ponr  l'Arl,  Libre  Esthétique,   Wylsnian  en  Leem- 

poels         (GE)  140 

J.  Gouweloos  en  P.  Mathieu <G.  E.)  222 

Uit  den  Haag  :                  J.  Mesdag  en  H.  O.  Van  Tliol    .     .     .     .    (H.  d   B.)  39 
J.  M.  Graadt  van  Roggen  -  bij  Preyer  —  Pulchri 
Sludio  —  Teekeningen    van   oude  HoUandsche 

Meesters (H.  d.  B.)  79 

Gabriël  —  Arn.  Koning  —  Pulchri  Studio  (H.  d.  B.)  110 
Arts  &  CraÜs  —    Uaagsche  Kunstkring  —   Mevr. 

Mesdag-van  Houten  —  Pulchri  Studio    (H.  d.  B.)  142 

Pulchri  Studio  —  f  Weissenbruch    .    .    (H.  d  B.)  183 

Pulchri  Studio (H.  d.  B.)  223 

Uit  Leiden  :                        Van  DaalhdfT (Plasschaert)  41 

Uit  Leipzig  :                       Nederlandsche  Bouwkunst  in  Duilschland    ...  112 

Uit  Parijs:                        Amstelhoek *    (R  J )  41 

Uit  Rotterdam  :                Emiel  Claus (P.)  43 

Vincent  van  Gogh  -  't  Binnenhuis     (R.  Jacobsen)  114 
Museum  Boymans  —  F.  Melchers  en  Ch.  van  Wijk 

(R.J)  145 
W.   van   der  Valk  —   Antiek  Smeedwerk  —   bij 

Oldenzeel (R.  J.)  225 

Uit  Utrecht  :                    Portretten  van  Oude  en  Moderne  Meesters    .    (B.)  148 

Varia 83-148-188 

=  BOEKEN  &  TIJDSCHRIFTEN  — 

Gesellschaft  fur  Vervielfaltigende  Kunst (M.  R.)  152 

Headlam  (Cecil)  :               Peter  Vischer (A.W.)  150 

Hymans  (Henri)  :               L'Exposition  des  Primitifs  Flamands      .     .     .    (B.)  150 

SuTHERLAND  GowER  (Lord  Ronald)  :  SirJoshua  Reynolds   ....    (A.W.)  151 

=  PLATEN  = 

N.  b.    De  cijfers  met  *  gemerkt  geven  de  bladzijden  aan  tegenover  dewelke  de  platen  buiten  tekst 
moeten  tusschengevoegd  worden. 

Tekstuersieringen  en  Band  door  Ch.  Doudelel, 
omslag  der  Afleveringen  door  H,  P.  Berlage  Nz. 

Berlage  Nz.  «H.  P.)  :         Geelkoperen  Parapluiestandaard 24 

Kantoorgebouw  te  Leipzig 113 

«  Parkwijck  »  in  de  Van  Eeghenstraat 164 

de  Hal *164 

Schoorsteen  en  Vensterbank ,  167 

De  Eetkamer 169 

De  Studeerkamer 171 

Bosch  (Jac.  van  den) :      Salonkast 22 

Gesmeed  ijzeren  haard 23 

BREUGHELDEOuDE(Jan) :  Landschap  met  karren  en  voetgangers  .     .     ,    .    .  *98 

Bril  (Paul) :                       Rotsig  Landschap *174 

Brugge  Jan  van)  :            Koning  Karel  V  van  Frankrijk 155 

.  Fragment  van  de  tapijtwerken  te  Angers   ....  *156 

(?)  Miniatuur  voor  Mattheus'  Evangelie 159 

Fragment  van  de  tapijtwerken  te  Angers  ....  *160 

Schets  van  een  der  tapijtenreeksen  te  Angers     .    .  162 

Cleve  (Hendrik  van) :       Landschap  met  Gebouwen *94 

CoLENBRANDER(Th.A.C.):Tapijtontwerpen  en  tapijten      .    .    .  59-61-63-64-65-67-69 


230 


CoLLAERT  (Adriaan)  :         Johannes  de  Dooper 179 

EiSENLOEFFEL  (Jan) :         Juwceleii 27-29 

Floris  (Frans)  :                 Experientia *52 

(Volgeling  van  Frans  FlorisJ :  De  Straf  der  Gierigen  52 

GoES  (Hugo  van  der)  :      De  Aanbidding  der  Herders *I02 

HoEFNAEGELS  (JoHs)  :        Gezicht  op  Sevilla *180 

HoLSWiLDER  (Jan)  :            Hel  Rijksmuseum  Ie  Amsterdam 191 

Toekomstmuziek      .....         192 

David  Bles 193 

Lohman 194 

De  drie  Kranigste  schilders  op  de  Rotterdamsche 

Tentoonstelling 195 

Jan  ten  Brink 196 

De  ware  Nachtwacht 197 

Tempelridders  te  velde 199 

Meester  DER  Vroüweujke  Halffigüren  :  Lezende  jonge  vrouw     ....  119 

Meuniër  (Constanlin) :      De  Terugkeer *2 

Man  met  den  Hamer  ' 3 

Brokstuk  uit  «  Nijverheid  » *4 

«  Hiercheuse  » 6 

Man  met  de  Tang 7 

Moederschap *8 

de  Verloren  Zoon 9 

Man  uit  hel  Volk 46 

de  Oogst  —  de  Mijn  —  de  Nijverheid  --  de  Haven  .  *46 

Oud  Paard : 49 

Momper  (JoosI  de)  :           Landschap  met  Bergstroom 175 

Naüelvoort  (Jan) :            Salonmeubelen 21 

NiJLAND  (Dirk)  :                 Het  oude  Huisje *86 

de  Boom 88 

de  Fabriek *88 

Oud  Buurtje  te  St.  Gilles *90 

Rumoer *99. 

Patinir  (Joachim  de} :      Studiehoofden 94 

Penaat  (W.)  :                     Buffet  en  Détail 25 

Rembrandt  (?)  :                 Eigen  Portret  op  jeugdigen  leeftijd 125 

Rubens  (P.  P.)  :                  De  Aanbidding  der  Koningen *12 

Landschap  met  de  Jacht  van  Atalante  en  Meleager  *16 

Thetis  Achilles  in  den  Slyx  dompelende    ....  123 

Druiven  persende  Boschgod  met  tijgerin  ....  *134 

(School  van  Rubens) :  Druiven  persende  Boschgod  134 

Ruysdael  (J.  J.  van) :        Landschap  roet  Waterval *120 

Thorn  Prikker  (Joh.) :    Gebatikte  Boekband 31 

Vos  (Marlen  de) :               De  Kroning  van  Maria *54 

Vrancx  (Sebastiaan; :        Titelblad  van  het  Register  der  Violieren    ....  96 

Zinnebeeldig  blad 98 

Cartouche 99 

WiERiCKX  (Jan) :                Eigen  portret 177 

O.  L.  V.  Boodschap 178 

Wiggers  (D.)  :                    Maannacht 128 

Zomer *128 

Herfst 129 

Na  de  Zon 130 

Kasteel *130 

Kerkje  te  Heelsum 132 

Herfst *132 


231 


Ongenoemde  Meesters  en  Fotografische  opname  naar  de  Natuur  : 

Conslanlin  Meunier 2 

«  Polpourrie  «  vazen  en  Venusbeeldje 205 

Naakt  Venusbeeldje  in  foudraal 209 

Beeldjes  van  Höchsl,  enz 210 

Theaterpersonages 211 

Meissener  Bord 213 

Kannetje  van  Frankenlhal  enz. 214 

Haagsch  Porcelein 215 

Loosdrechtsche  blaker 216 


ML^  WAT  DL  BOSCHHJy^  PLIJ<T 


<&EPML  VO<gRMET  LAWP.Ag 


Gedrukt  door 

J.-E.  BUSCHMANN 

te  Antwerpen. 


232 


ONZE  KUNST 


ONZE 


KUNST 


VOORTZETTING  VAN   DE  VLAAMSCHE   SCHOOL 


TWEEDE  JAARGANG 

inr^Q       dööD  TWEEDE 

1\j\j3     halfjaar  öO 


'Umu 


J.-E.  BUSCHMANN 
^  ANTWERPEN  öD 


L  J.    VEEN 
AMSTERDAM 


J 


DE   TEEKENINGEN  DER 


VLAAMSCHE  MEESTERS 

^^^^^^^^=  RUBENS  (1577-1640) 


IIT  alleen  als  schilder,  ook  als  teekenaar  brengt  DE  TEEKI'- 
Hiibens  een  heele  omwenteling  in  de  Vlaam-  NINGEN  DER 
sclie  school  te  weeg.  Met  hem  verdwijnt  het  VLAAMS(IH1^^ 
angstvallig    verzorgde   in  de  bewerking,    het  MEESTEHS 
bedeesde    gestippel    en    getoets ;    hij    teekent 
lorsch  en  breed,  hij  schildert  met  de  pen  en 
liet  krijt,  met  vaste  hand  de  omtrekken  aan- 
i^L^vende,    met    vettig    geschommel    licht    en 
schaduw  verspreidende.   Wel  had  Otto  Vaenius  hem  den  weg  gewezen 
en  was  hem  voorgegaan  in  malschheid  van  toets  en  gezondheixl  van 
vorm,  maar  aan  Rubens  was  het  voorbehouden  het  leven  op  heeter 
daad  te  betrappen  en   uit   eiken  trek  te  laten  stralen,  alles  en  allen 
eene  ziel,  zijn  eigen  verheven  geest,  in  te  blazen,  zonder  de  waarheid 
geweld  aan  te  doen. 

Hij  bezat  al  die  eigenschappen  niet  van  den  eersten  dag.  Wanneer 
wij  zijne  vroegste  teekening  zien  :  zijn  Doop  uaii  Christus  in  den 
Louvre  van  1610  ongeveer,  zijn  titelblad  voor  Agüilonü  Optica  in  het 
British  Museum  van  1611  of  1612,  dan  treffen  ons  de  geduldige  be- 
werking van  die  bladen,  het  magere  van  de  lijnen,  het  donzige  van  de 
modeleering.  Maar  toen  reeds  in  de  gelukkige  uren,  wanneer  de  schep- 
pingslust  hem  meesleept  en  zijn  hand  voortjoeg,  zoo  als  in  zijne 
geteekende  schets  voor  de  Kruisrechting  in  den  Louvre,  van  1610,  is 
zijn  tokkelater  (*)  even  breed  en  stout  als  zijn  penseel.  Zijn  stijl  ver- 
vormt zich  mettertijd  in  al  de  uitingen  van  zijn  kunst.  In  de  studiën 
voor  zijne  schilderijen  van  1615  tot  1620,  de  Herderinnen  uit  de 
Aanbidding  der  Herders  in  de  Albertina,  de  Leeuwen  voor  den 
Daniël  uit  dezelfde  verzameling,  de   neergebliksemden  voor  den  Val 

(*)  Tokkelater  =  Krijt-  of  GrifTelhouder.  De  oude  Italiaansche  benaming  Toe- 
catatora,  nog  in  gebruik  bij  de  Antwerpsche  schooljongens. 


Onze  Kunst  1903,  Afl.  7,  1 


1 


DE  TEEKE 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


P.  P.  RUBENS  :  STUDIE  VOOH  EENE  EEEUWIN 
(Nationnl-Gallcry,  landen). 

der  Verdoemden  in  de  National  (lallery,  legt  hij  de  volle  kracht,  de 
vaste  lijn,  het  uitspattend  leven  der  schilderingen  uit  die  jaren.  In  de 
overheerlijke  portretten  van  1()2()  tot  1630  viert  hij  zijn  hoogsten 
triomf :  met  breeden  zwier,  met  rustig  gemak,  al  spelende  zou  men 
zeggen,  en  elke  trek  raak  maakt  hij  het  papier  tot  spiegel  der  natuur. 
In  het  laatste  tiental  zijner  levensjaren,  van  1()3()  tot  1G40,  wordt  zijn 
teekening  breeder,  gesmijdiger,  meer  aangedikt ;  de  hand  blijft  even 
vast,  maar  wordt  zwaarder  :  zijn  eigen  portret  van  omstix^eks  1639, 
zijn  studiën  voor  de  Conversatie  a   la  Mode  in  het  Museum  Fodor  te 


r 

1 


# 


i  ^ 

U  -r 

üi  ^ 

CC  J= 

i£  ^ 

CC  «c 

.C  u 

b3  c 

f5  E"  ? 

^  &E   es 

UJ  f   Q. 

CS  C 

CS  Q>   > 

.  'S   3 

O.  ^   c 

a:  -2  " 


P.  P.  RUBENS  :  DK  PROFEKT  JOEL  NAAR  MICHEI.ANGELO 

(I^ouvrc,  Parijs  . 

Amsterdam  en  elders,  zijn   titelbladen  voor  Maplicvi  poemala  van  1634  DE  TEEKE- 
en  voor  Jiisti  Lipsii  opera  van  1037  bewijzen  het.  NINGEN  DER 

Rubens  teekende  veel,  naar  evenredigheid  even  veel  als  hij  schil-  VLAAMSCHE 
derde,  en  zijne  teekeningen  waren  van  zeer  uiteenloopenden  aard.  MEESTERS 
Toen  hij  in  Italië  verbleef  maakte  hij  er  naar  de  groote  meesters  der 
gulden  eeuw  en  naar  de  antieken.  Michel-Angelo  boeide  hem  het 
meest ;  de  groote  beeldhouwer-schilder  trok  hem  aan  door  het  mach- 
tige van  zijnen  stijl,  het  overmenschelijke  van  zijne  figuren.  De  schep- 
per van  den  Mozes  w^as  de  onmiddellijke  voorganger  van  Rubens ;  de 
jongere  gaf  aan  de  statige,  forsche  figuren  van  den  oudere  leven  en 
blijheid  ;  hij  kwam  na  hem  en  zette  hem  voort  ;  hij  deed  de  kunst  een 
stap  verder  doen  naar  het  nieuwere,  het  barokke. 

In  de  Sixtijnsche  kapel  bracht  hij  menigen  dag  aan  het  teekenen 
door.  Bewaard  gebleven  zijn  de   kopieën  van  Adams  Schepping^  de 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


ƒƒ.  Familie^  zes  der  Profeten^  twee  der  Sibyllen  uit  de  zoldering  der 
Vatikaansche  kapel.  Rafaël  was  de  tweede  meester,  bij  wien  hij  in  de 
leer  ging  ;  het  Vizioen  van  Ezechiël  naar  de  schilderij  nu  in  het  Pitti- 
paleis,  de  blinde  Elymas  uit  het  karton  de  Straf  van  Elijmas^  bezitten 
wij  nog ;  verder  werden  een  paar  gravuren  door  Rubens  graveurs 
gesneden  naar  de  teekeningen,  die  hij  in  Italië  naar  Rafaël  moet 
gemaakt  en  van  daar  meegebracht  hebben.  Aan  Leonardo  da  Vinci 
ontleende  hij  enkele  stukken  en  groepen.  Het  Laatste  Avondmaal  werd. 
naar  zijne  teekening  door  Soutman  gegraveerd  ;  uit  hetzelfde  werk 
koos  hij  nog  het  figuur  van  Christus  en  een  der  discipelen,  een  groep 
uit  den  Slag  van  Anghiari  (of  van  Cascina)  werd  naar  zijne  teekening 
vereeuwigd  in  een  der  meesterstukken  van  den  graveur  Edelinck. 
Verder  teekende  hij  naar  Giulio  Romano,  den  meester  wiens  werken 
hij  zoolang  te  Mantua  had  kunnen  studeeren,  naar  Primaticcio,  Poly- 
doro  Caravaggio,  Tiziano  zijn  geliefkoosden  leeraar  en  naar  andere 
Venetianen  :  Paolo  Veronese,  Pordenone  en  Giorgione. 

Naar  de  antieken  teekende  hij  vooral  hoofden  van  keizers  en 
beroemde  mannen,  die  hem  konden  te  pas  komen  bij  zijne  studiën 
van  medailles  en  gesneden  steenen,  waarin  hij  al  vroeg  liefhebberde. 
Hij  had  in  Rome  een  marmeren  borstbeeld  van  Seneca  aangekocht, 
dat  hij  meer  dan  eens  teekende.  Ook  een  ander  beeld  ten  voeten  uit, 
dat  zich  tijdens  zijn  verblijf  te  Rome  in  de  Borghese-Galerij  bevond 
en  nu  in  den  Louvre  is  en  dat  den  naam  van  Seneca  draagt,  maar  in 
werkelijkheid  een  Afrikaanschen  visscher  voorstelt,  teekende  hij  van 
drie  verschillende  zijden  gezien;  de  drie  afbeeldingen  worden  bewaard 
in  het  prentenkabinet  van  TErmitage  te  S'  Petersburg. 

De  belangrijkste  reeks  van  teekeningen,  door  Rubens  naar  de 
antieken  gemaakt,  zijn  de  vijf  stukken,  welke  hij  te  Rome  vervaardigde 
om  het  boek  van  zijn  broeder  Filips  Eleclorum  libri  II  (Plantin,  1603)  te 
versieren  en  toe  te  lichten  :  een  standbeeld  van  Titus,  langs  drie  zijden 
gezien  verduidelijkende  hoe  de  Romeinen  de  toga  droegen;  een  Tooneel 
uit  den  Circus,  ontleend  aan  een  halfverheven  beeldhouwwerk  bij  de 
Nomentaansche  poort  gevonden;  een  beeld  van  Rome  en  een  van 
FlorOy  toonende  hoe  de  Romeinsche  vrouwen  zich  in  hun  bovenkleed 
hulden;  een  afbeelding  van  verscheiden  hoofddeksels  en  een  ander 
van  altaargeriéf. 

Evenals  Rubens  in  het  nateekenen  der  werken  van  de  groote 
schilders  zijne  modellen  niet  slaafs  navolgde,  zoo  ook  gaf  hij  niet  met 
angstvallige  nauwgezetheid  de  beeldhouwwerken  der  oudheid  weder. 
Hij  verwerkte  ze  wel  is  waar  niet  tot  eigen  herscheppingen  zooals  hij 
deed  met  den  Triomf  van  Cesar  in  zijne  schilderingen  naar  de  kartons 
van  Mantegna,  maar  hij  zag  ze  toch  door  zijn  eigen  Vlaamsche  oogen 
en  gaf  hun  iets  van  zijn  weelderig  leven,  van  zijn  eigen  zonnigheid. 


P.  P.  RUBENS:  DRUKKERSMERK  VAN  JAN  MEURSIUS 
(Museum  PlanÜn-Morelus,  Antwerpen). 

De  teekeningen  voor  Filips  Rubens'  Elecla  waren  de  eerste,  welke  DE  TEEKE- 
hij  leverde  tot  versiering  van  een  boek.  Kort  nadat  hij  te  Antwerpen  NINGEN  DER 
teruggekeerd  was  begon  hij  er  andere  te  teekenen  voor  zijnen  vriend  VLAAMSCHE 
den  drukker  Balthasar  Moretus  en  tot  in  zijn  laatste  jaren  ging  hij  MEESTERS 
voort  met  dit  bescheiden  werk.  In  1637  liet  hij  het  aan  zijn  leerling 
Erasm  Quellin  over,  die  hij  dan  nog  met  raad  en  daad  bijstond.  Ik 
reken  dat  hij  twee  en  tachtig  zulke  teekeningen  vervaardigde  :  meestal 
titelplaten,  ook  enkele  portretten,  een  reeks  van  zes  vignetten  voor 
Aguilonii  Optica  en  een  reeks  van  tien  platen  voor  den  Brevier.  Al  die 
werken  zijn  met  de  pen  geteekend,  behalve  een  drietal,  die  met  grauw- 
verf  geschilderd  zijn.  Verreweg  de  meeste  werden  door  de  Plantijnsche 
drukkerij  besteld,  enkel  vijftien  zijn  voor  andere  drukkers  gemaakt. 
Zij  dienden  als  modellen  voor  de  graveurs;  de  meeste  werden  door 
Cornelis  Galle,  vader  en  zoon,  in  koper  gesneden.  Betrekkelijk  weinige 
ervan  zijn  ons  bewaard  gebleven;  het  Museum  Plantin-Moretus  bezit 
er  nog  zeven,  waaronder  twee  der  drie  grauwschilderingen. 

In  de  teekeningen  voor  boekentitels  en  vignetten  spreidt  Rubens 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


de  vindingrijkheid  van  zijnen  geest  ten  toon.  Hij  was  een  volgeling 
van  Otto  Vaenius,  eenen  der  vernuftigste  scheppers  voor  zinnebeelden 
uit  het  begin  der  zeventiende  eeuw,  een  nakomeling  der  rebusschilders, 
die  toen  en  vroeger  voor  de  Rederijkkamers  werkten.  De  groote 
meester  had  een  heele  schaar  emblema-teekenaars  achter  zich  en 
evenals  zij  vond  hij  genoegen  in  die  spelen  van  den  geest.  Zijn  natuur- 
lijk vernuft  was  verrijkt  en  gescherpt  door  zijne  studiën;  hij  was  een 
wetenschappelijk  ontwikkeld  man  en  was  niet  kwaad  het  te  kunnen 
toonen.  Zijne  titelplaten  zijn  hieroglyphische  aankondigingen  van  den 
inhoud  van  het  boek,  verpersoonlijkingen  van  de  wetenschappen, 
mythologische  herinneringen  in  verband  met  de  behandelde  stof.  Zoo 
bijvoorbeeld  teekent  hij  voor  de  Oplica  van  Aguilonius  de  Gezichts- 
leer, houdende  in  de  eene  hand  haren  scepter  met  een  oog  bekroond, 
wijzende  met  de  andere  op  een  pyramide,  die  de  gezichtstraal  ver- 
beeldt, puntig  aan  het  oog,  zich  verbreedende  aan  het  uiteinde  waar 
zij  het  geziene  voorwerp  raakt.  Nevens  haar  zit  aan  de  eene  zijde 
Juno's  vogel,  de  pauw,  met  den  staart  vol  oogen;  aan  de  andere,  de 
Arend,  Jupiters  zinnebeeld,  die  de  klauw  op  den  aardbodem  legt, 
zinspelende  op  de  albeheersching  van  het  gezicht.  Aan  de  beide  zij- 
den als  kariatiden  Mercurius  met  het  hoofd  van  Argus  en  Minerva,  de 
godin  der  wetenschap.  Onderaan  een  aap,  die  naar  het  volksgeloof  in 
onmacht  valt  bij  de  maansverduistering  en  blijde  zich  opricht  bij  het 
herzien  van  het  zonnelicht.  Het  is  het  werk  van  een  geleerde,  geholpen 
door  een  dichter;  het  raam,  waarin  dit  alles  vervat  is,  verraadteen 
bouwkundige ;  de  figuren,  een  teekenaar  van  eersten  rang. 

Het  titelblad  der  Optica  is  heel  wijs  en  verstandig  ineen  gezet, 
al  de  deelen  wegen  tegen  elkander  op,  wat  echter  geen  afbreuk  doet 
aan  zijn  smaakvolle  sierlijkheid.  I^ter  verdwijnt  die  afgemeten- 
heid, wordt  de  vinding  stouter  de  ineenzetting  meer  bewogen,  de 
figuren  forscher.  Zoo  in  zijn  titelblad  voor  de  Gedichten  van  Urbanus 
VIII  (Maphcci  Pocmata)  van  Iföl,  waar  men  Samson  ziet,  die  op  een 
gewelfden  boog  liggeqde  de  kaakbeenderen  van  een  leeuw  openrukt 
en  er  een  bijennest  in  ontdekt,  eene  zinspeling  op  de  bijen  in  het 
wapenschild  van  Urbanus'  geslacht,  de  Barberini. 

Als  korte  samenvatting  van  zijn  werktrant  in  dit  vak  diene  een 
zijner  eenvoudigste  platen,  het  drukkersmerk  van  Jan  van  Meurs, 
Moretus'  vennoot.  Deze  had  als  leus  gekozen  de  spreuk  Noctu  incubando 
diuque  (Hroeiend  dag  en  nacht).  Noodzakelijker  wijze  kwam  hier  de 
hen  op  hare  kuikens  te  pas,  die  dan  ook  in  het  midden  ligt,  dan  volgt 
even  natuurlijk  het  zinnebeeld  van  den  dag,  de  haan,  en  dat  van  den 
nacht,  de  uil.  De  uil,  Minerva's  vogel,  doet  aan  deze  godin  denken,  die 
gelukkig  en  toevallig  ook  de  godin  der  wetenschap  is.  Minerva  moest 
een  tegenhanger  hebben  en  daartoe  bood  zich  heel  geleidelijk  Mercu- 


rius,  de  God  van  handel  en  nijverheid,  aan.  Zoo  werd  de  zedelijke  en  DE  TEEKE- 

stoffelijke  zijde  van  het  uitgevers-ambacht  m  beeld  gebracht.  Voeg  NINGEN  DER 

daar  nu  bij  de  lamp,  zinnebeeld  van  het  licht  verspreid  door  het  boek,  VLAAMSCHE 

Mercurius'  slangenstaf  en  de  bazuin  der  Faam,  toespelingen  op  den  MEESTERS 

Plantijnschen   boekhandel   en   diens    grooten   naam   en  gij  zult  een 

heelen  voorraad  bouwstof  voor  een  zinnebeeldig  schild  hebben.  Maar 

wat  alleen  Rubens  er  bij  leveren  kon  was  de  gratie,   waarmede  die 

bouwstof  gebezigd  werd,  de  rustigheid  in  de  beweging,  de  eeniieid  in 

de  afwisseling,  het  plezier  dat  al  die  dingen  hebben  zich  zoo  goed  op 

hun  plaatsen  bij  elkander  te  vinden.  Zij  schijnen  samengegroeid  en  in 

geen  andere  orde  denkbaar  te  zijn,  en  zoo  verraadt  dit  allerbeschei- 

denste  zijner  werken  ook   op  zijn  manier  de  hand  van  den  grooten 

schepper. 

Rubens  teekende  ook  wel  eens  de  modellen  voor  de  plaatsnijders 
zijner  schilderijen.  Het  was  noodig  dat  hij  die  kunstenaars  hielp,  want 
zeer  dikwijls  gaven  de  platen,  die  onder  zijn  toezicht  werden  uitge- 
voerd, zijn  werken  niet  dan  me^  min  of  meer  aanzienlijke  wijzigingen 
weer.  Nu  eens  zijn  het  veranderingen  van  gering  belang,  die  hij  aan- 
brengt; dan  weer  werkt  hij  de  oorspronkelijke  samenstelling  gedeelte- 
lijk om;  soms  maakt  hij  er  een  heel  nieuwe,  die  van  de  vroegere 
niet  veel  meer  dan  het  onderwerp  bevat.  Het  spreekt  van  zelf  dat 
wanneer  de  omwerking  zoo  aanzienlijk  werd  er  een  nieuw  model 
moest  gemaakt  worden.  Rubens  deed  dit  dan  in  grauwschildering  of 
in  krijt;  waren  de  wijzigingen  geringer  dan  bracht  hij  ze  wel  eens  aan 
op  de  teekeningen  vervaardigd  door  zijne  leerlingen  of  door  de  gra- 
veurs, soms  zelfs  op  de  eerste  proeven  der  gravuren,  wanneer  deze 
gemaakt  werden  door  de  plaatsnijders,  die  voor  hem  werkten,  zooals 
Vorsterman,  Pontius,  Witdoeck.  Maar  of  hij  zijn  eigen  kleurenbeelden 
in  zwart  en  wit  overbracht  of  anderen  hierin  hielp,  altijd  wilde  hij  dat 
de  graveur  niet  levenloos  en  werktuigelijk  de  lijnen  der  schildering 
weergaf  en  het  oog  alleen  door  keurig  snijwerk  streelde;  hij  wilde 
leven  en  beweging  in  de  gravuur,  malschheid  van  vleesch  en  weer- 
spiegeling van  den  glans  der  kleuren  in  de  speling  van  licht  en 
donker. 

Veel  teekeningen  van  heele  stukken  door  Rubens'  hand  kennen  wij 
niet :  Christus  en  de  twaalf  Aposteten  in  de  Albertina,  die  hij  in  Italië 
teekende,  of  korts  na  zijn  terugkeer,  Al)raham  en  Melchisedech  en 
Christus  in  het  Graf  in  dezelfde  verzameling,  de  H.  Familie  die  Michel 
Lasne  graveerde,  in  het  British  Museum,  de  Doop  van  Christus  en  de 
Doode  Christus  op  Maria's  schoot  in  den  Louvre,  de  Wonderbare  Visch- 
vangst  te  Weimar,  de  Christus  aan  het  Kruis  te  Rotterdam,  de  Neder- 
daling  van  den  H,  Geest  in  de  National  Gallery,  de  Martelie  van  St, 
Stephanus  in  de  Ermitage,  zijn  zoowat  al  de  overgebleven  werken  die 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


P.  P.  RUBENS  :  JONGE  ZITTENDE  VROUW 

(Niet  benuttigde  studie  voor  de  Conversatie  n  la  Mode.  Museum,  Berlijn). 

wij  kennen.  Van  Dyck  leekende  er  veel  toen  hij  in  Rubens'  atelier 
arbeidde  en  deze  werken  van  den  grooten  leerling  zijn  wel  die  van 
den  grooleren  meester  waard. 

Onder  de  teekeningen,  die  Rubens  voor  de  graveui-s  maakte,  lelt 
men  er  eenige  van  bijzonderen  aard  :  het  waren  modellen  voor 
Chrisloffel  Jegher,  den  houtsnijder.  Deze  was  de  eenige  kunstenaar 
van  het  vak,  die  voor  Rubens  weikle;  jarenlang  had  hij  reeds  aan  de 
Plantijnsche  drukkerij  kleinere  houtsneden  geleverd  toen  onze  mees- 
ter hem  met  aanzienlijkeren  arbeid  belastte.  Van  1633  lot  1636  sneed 
hij  negen  platen,  die  Rubens  voor  hem  leekende,  meest  allen  naar  zijn 
eigen  werken  en  met  zekere  wijzigingen  van  deze.  Twee  ervan,  de  Rust 
in  Egypte  en  hel  portret  van  doge  CornarOy  zijn  in  tweekleurendruk, 
een  bewerking,  die  Jegher  van  1631  tot  1633  reeds  had  toegepast  op  de 
medaillons  der  Romeinsche  keizers,  gegraveerd  voor  de  Plantijnsche 
uitgave  van  Huberlus  Gollzius*  werken;  de  andere  zijn  de  Bekoring 
van  Christus  in  de  Woestijn  en  de  Bekroning  van  Maria^  naar  zolder- 
stukken der  Jezuïetenkerk,  Hercules  de  Tweedracht  verslaande  naar 
een  stuk  uit  de  plafonds  van  Whilehall,  een  Susanna,  het  kindeken 
Jesus  en  Joannes  spelende  met  een  /a/ii,  de  Gang  van  Silenus  en  de  Con- 
versatie a  la  Mode.  Wat  Rubens  aldus  leverde  is  weer  heel  ander  werk 


dan  wat  hij  leekende  voor  zijne  kopersnijders.  Vooreerst  is  het  met  DE  TEEKË- 
eene  zorg  en  een  nauwgezetheid  gemaakt,  die  den  graveur  toeliet  het  NINGEN  DER 
trek  voor  trek  na  te  snijden.  De  wonderbare  kunstenaar  teekent  hier  VLAAMSCflE 
met  een  handigheid  en  eene  ambachtehjke  volmaaktheid,  die  laat  MEESTERS 
denken  aan  de  geoefendheid  en  de  vaardigheid  van  een  graveur  van 
beroep,  in  zooverre  zelfs  dat  een  der  allereerste  kunstkenners  mij  in 
vollen  ernst  staande  hield  dat  de  twee  groote  teekeningen  voor  de 
Conversatie  a  la  Mode,  vroeger  in  bezit  van  sir  Charles  Robinson, 
niet  het  werk  van  Rubens  maar  van  Jegher  zijn.  De  twijfel  is  hier, 
wel  is  waar,  geen  oogenblik  mogelijk  :  van  de  blaadjes  aan  den 
boom  tot  de  toppen  der  vingeren,  is  alles  ontegensprekelijk  Rubens' 
werk  en  van  zijn  beste  werk,  maar  de  uitvoerigheid  en  de  nauwge- 
zetheid zijn  er  zooverre  gedreven  dat  de  vergissing  niets  verbazends 
heeft.  En  toch  wat  gemak,  wat  breedheid,  wat  kleur  in  de  zorgvul- 
digheid! De  personages  uit  de  Coiwevsaiie  a  la  Mode  om  een  stuk  te 
noemen,  waarvan  wij  hierbij  de  afbeelding  geven,  zijn  figuren  naar 
modellen  onder  Rubens'  verwanten  gekozen,  maar  zij  laten  denken 
aan  een  geslacht  van  hoogeren  aard,  dat  epischen  minnehandel  drijft, 
en  door  den  kunstenaar  uit  de  wereld  waarin  hij  het  zag  bewegen, 
overgebracht  werd  in  de  wereld  waarin  hij  met  zijn  droomen  leefde. 
Jegher  vormde  zijn  trant  geheel  naardien  van  Rubens.  Deze  heeft  hem 
waarschijnlijk  als  modellen  voorgehouden  de  houtsneden  van  Nicolo 
Boldrini  en  van  Andrea  Adreani  naar  Tiziano  en  hem  de  navolging 
gemakkelijk  gemaakt  door  zijn  afgewerkte  modellen,  waaraan  hij  de 
breedheid  gaf  der  Italiaansche  houtgraveurs,  en  waaraan  hij  zijn  eigen 
kleurigheid  en  weelderigheid  leende. 

(Wordt  voortgezet).  MaX    RoOSES. 


HET  METAALWERK  VAN 


HET  METAAL- 
WERK VAN 
JAN  EISEN- 
LOEFFEL 


JAN    EISENLOEFFEL 


LS  ik  mij  afvraag,  waarom  ik  sympatliie 
gevoel  voor  het  werk  van  Eisenloeffel,  dan 
geloof  ik,  dat  de  hoofdoorzaak  daarvan  ge- 
zocht moet  worden  in  de  groote  natuurlijk- 
heid en  in  den  eenvoud  van  dit  werk.  Hel  is 
inderdaad  van  een  bewonderenswaardigen 
eenvoud  en  naluurHjkheid. 

Vooraf  dient  echter  met  'n  enkel  woord 
gezegd,  wat  ik  versta  onder  «  eenvoud.  »  Dit  is  noodzakelijk,  daar  dit 
begi'ip  zoo  langzamerhand  dreigt  synoniem  te  worden  met  droogheid, 
dor-  of  nuchterheid,  met  geesteloosheid,  gemis  aan  fantazie ;  in  één 
woord  :  met  gebrek  aan  scheppingsvermogen. 

Een  niet  gering  deel  van  't  dorre  werk,  dat  de  wereld  binnen- 
stroomt vanuit  onze  koele  landen,  ontleent  voornamelijk  zijn  faam 
aan  het  opschrift  a  Eenvoud  d  dat  het  dekt ;  het  begrip  eenvoud  dreigt 
zich  te  vereenzelven  met  afwezigheid  van  pracht  en  luister. 

Niets  is  bedroevender  dan  deze  schromelijke  begi'ipsverwarring. 
De  goddelijke  werken  der  Ouden  zijn  daar  om  te  bewijzen,  hoe 
uitstekend  pracht  en  eenvoud  kunnen  samengaan,  niet  alleen,  doch, 
hoe  zij  elkander  in  echt  werk  steeds  ontmoeten.  Hoe  simpel  zijn  de 
werken  der  Ouden  !  die  der  Klassieken,  der  Indiërs,  der  Eg}ptenaars 
en  die  der  Christenen  in  hun  groote  tijden  :  uit  welk  tijdperk  ook  wij 
de  kunstvoortbrengselen  beschouwen  —  steeds  toonen  zij,  hoe  klaar 
de  hoofdgedachten  zijn  die  hen  deden  geboren  worden,  hoe  ongezocht 
en  prachtig  tevens,  hoe  groot  en  schitterend  van  fantazie,  hoe  luis- 
terrijk. 

Eenvoud  toch  beteekent  niet  anders  dan  :  klaarheid  van 
conceptie;  het  beteekent:  onopgesmuktheid,  absolute  onthouding  van 
alles  wat  overbodig  is.  Eenheid  in  grondgedachte,  geheelheid,  vol- 
maaktheid, helderheid  in  hoofd  verhoudingen,  natuurlijkheid  en 
zuiverheid,  deze  alle  zijn  kenmerken  en  omschrijvingen  —  geestelijke 


10 


Fig.  1.  JAN  EISENLOEFFEL  :  Nieuw-zilveren  theeservies. 


JAN  EISEN- 
LOEFFEL 


synoniemen   —    zwemmend    om   een    zelfde   onuitsprekelijk    begrip,   upy  vfi;"yA  at 

Het  begrip  eenvoud  wijst  op  het  gemakkelij k-overzienbare  van  ivrrk  VAN 
het  geschapen  gedachtebeeld  ;  het  wijst  op  het  onmiddellijk-bevatte- 
lijke  ervan.  Het  beteekent  absentie  van  willekeur  in  den  kristalbouw 
der  geestelijke  grondgedachte  en  de  praktische  bij-oogmerken  waar- 
aan alle  kunstwerken  moeten  voldoen;  waardoor  het  dezen  mogelijk 
wordt  te  groeien  tot  een  ondeelbaar  «  Heel.  » 

Zooals  gezegd  :  alle  goede  werken  der  groote  kunsttijdperken 
bevatten  deze  eerstnoodige  en  onmisbare  eigenschap.  In  gronddenk- 
beeld  zijn  zij  alle  eenvoudig  als  bloemen.  Hoe  samengesteld  en  ver- 
schillend in  plichtvervulling  hun  levende  organen  zijn,  drijven  zij 
open  op  de  stroomen  van  den  geest ;  als  een  énkele  gedachte,  'n 
énkel  beeld  in  simpelheid  en  koninklijke  pracht  bloeien  zij  op  de 
velden  der  innerlijke  aanschouwing. 

Déze  eigenschap  is  het,  die  ons  instaatstelt  monumentale  en 
geestelij  k-verheven  kunstwerken  van  hunne  minderwaardige,  meer 
rustieke,  meer  eigenaardig-decoratieve,  meer  wilde  en  opgesmukte 
zusteren  onmiddellijk  te  onderscheiden.  In  deze  eigenschap  van  gees- 
telijken eenvoud  bestaat  het  wezenverschil  van  het  Barbaarsche  en 
het  Klassieke.  Het  vormt  het  verschil  tusschen  het  ongetemde  en  het 


11 


HKTMiyrAAL- 
WERK  VAN 
JAN  lilSKN- 
LOKFFKL 


beschaafde,  tiis*- 
schen  het  onbe- 
wuste en  het  be- 
wuste, tusschenhet 
onbeheerschte  en 
het  zichbeheer- 
schende,  tusschen 
het  zich-onbewus- 
te  kunstgevoel  en 
het  geestelijk  we- 
ten. 

Voerde  het  niet 
l^^i  'ftf^H  ^^  ^'^^*  ^^^  ware 

^^H  i^^V  '^^^       wTnscheUjk 

^^H  '^v^^r^  voorbeelden  te  ge- 

^^H  ^^^HÉI^^^^^  ^^^  ^^^^  beide 

^^H  il^^M^^^^^^k  ^^  kunst- 

^^H  \  V^^I^^^^V  openbaring,  waar- 

^^B  ^^^^^^^  een  kind    en 

^^B^  |B  andere     als     een 

^^^  /.^^^  moeder;  het  eene, 

■     ^^^^^^^^gr^^^^^^^^^^^^^^  7'ich  bevattend 

^  ^^^^^^^^       ^^^^^^^^^^^^^^^^         en  onbewust- 

strevende  van  de 
jeugd  (vandaar, 
ondanks  het  on- 
volmaakte, zijn  on- 
beschrijfelijke aan- 
trekkelijkheid;) 
het  andere,  in  zich  sluitend  de  ingehoudenheid,  de  zich  beradende 
omzichtigheid,  de  wijsheid  van  de  kracht  van  't  leven.  (En  helaas, 
hierdoor  maar  al  te  spoedig  oud....)  Voerde  het  niet  te  ver,  dan 
ware  het  wenschelijk  de  oneindige  overgangen  dezer  beide  uitersten 
te  schetsen,  hun  ontkiemen,  groeien,  bloeien  en  vervallen,  hun  ebbe 
en  vloed  hun  rusteloozen  overgang.  Moge  het  echter  voldoende 
zijn,  aan  deze  enkele  regelen,  gewijd  aan  het  begrip  «  eenvoud,  »  nog 
deze  toe  te  voegen  :  Eenvoud  in  hoogste  instantie  is  :  véél  zeggen  in 
weinig  woorden.  Het  is  :  met  weinig  middelen  veel  bereiken. 

Na  deze  opheldering  moge  het  niemand  verwonderen,  dat  'k  voor 
alles  het  eenvoudige  en  natuurlijke  waardeer,  waar  ik  dit  in  het  beste 
werk  van   Eisenloeifel    meen   te    ontmoeten.  Dit  werk  -     ofschoon 


FIg.  2.  JAN  EISENLOKFFEL  :  Proeve  van  een  goedkoop 
pctroleuinlnmpje  met  papieren  kop. 


12 


Fig.  3.  JAN  EISEN LOEFFEL  :  Koperen  theeservies. 

hehoorend  tot  het  gebied  der  Klein-Kunsteii  —  der  kleine  kunst  -      jjEX  METAAL 
schijnt  mij  deze  eigenschap  met  verhevener  werken,  niet  hehoorend  Wi{RK  VAN 
tot  de   dingen  van   «  alledag,  »   gemeen  te  hebben.  Niet,  dat  ik  de  j^x  FlISEN- 
waarde  ervan  zou  willen  vergelijken  met  die  van  min-vergankelijke  LOEFFEL 
kunst.  Doch,  waar  de  zucht  naar  afwisseling  en  gestadige  verandering 
in  niets  een  zoo  groote  aanleiding  tot  gezoclitheid  geeft,  als  bij   de 
dagelijks-wisselende  «  gebruiksvoorwerpen,  »  daar,  meen  ik,  kan  dit 
enkel  punt  van  overeenkomst  niet  genoeg  worden  gewaardeerd.  Het 
werk  van  Eisenloeifel  bevat  die  eigenschappen  van  eenvoud  en  oor- 
spronkelijkheid die  alle  goede  dingen  gemeen  zijn.  Het  is  ongezocht, 
niet  gewild ;  men  ziet  het  dit  werk  aan,  dat  het  gegroeid  is,   dat  het 
beantwoordt  aan  zijn  doel. 

De  wetten  en  eischen  van  het  materiaal  worden  er  niet  in  over- 
schreden. Integendeel!  het  komt  in  de  beste  voorwerpen  niet  alleen 
tot  zijn  recht;  maar  't  glanst  en  blinkt  erin  en  toont  zijn  schoonste 
eigenschappen.  Hoe  prachtig  vol  bijvoorbeeld  is  het  koper.  Vol  en 
krachtig  ongebroken  straalt  het,  en  smijt  het  't  licht  terug;  zoodat  dit 
brandpunten  vormt  in  de  stille  omgeving  die  het  leven  doet  :  schit- 
terende punten,  vurige  stippen  vormen  deze  kleine  dingen. 

Beschouwt  men  dit  werk,  dan  wordt  men  niet  in  de  eerste  plaats 
getroffen  door  het  bizarre  en  would-be  oorspronkelijke,  dat  veel 
modern  werk  eigen  is.  Het  heeft  iets  van  de  echte  originaliteit  van 
oud  werk. 


13 


HEÏMEÏAAL- 
WliRK  VAX 
JAN  EISKN- 
LOEFFKL 


Oude  gebruiksvoorwerpen  zijn  ori- 
gineel, doordat  zij  voldeden  aan  de 
steeds-geboren-wordende  behoeften  van 
den  tijd;  zij  werden  daarom  oorspron- 
kelijk; in  tegenstelling  van  veel  nieuw 
werk,  dat  oorsi)ronkelijk  wordt  ge- 
maakt. Het  is  't  verschil  in  den  opzet 
waarmee  eenig  werk  begonnen  wordt, 
dat  hiervan  oorzaak  is.  D.  w.  z.  of  het 
begonnen  wordt  met  de  bedoeling  iets 
goeds,  of  «etwas  niemals  dagewesenes» 
te  geven.  In  het  laatste  geval  ligt  de  ori- 
ginaliteit erop,  is  zij  eraan  geplakt;  in 
het  eerste  vormt  zij  de  kern  of  inhoud 
der  dingen. 

Het  komt  me  voor,  dat  Eisenloeffel 
zich  de  eerste  vraag  stelt  bij  zijn  ont- 
werpen. Dit  schijnt  mij  oorzaak,  waar- 
door zijn  werk  aantrekkelijk  is.  En 
door  deze  eigenschap  ook  herinnert 
het  soms  zeer  sterk  aan  oudere  werken ; 
daar  namelijk  waar  het  eischen  geldt 
die  ook  vroeger  reeds  bestonden.  Vele 
zijner  gebruiksvoorwerpen  doen  vaak 
aan  oudere  dito's  denken.  Doch,  mag 
het  al  niet  moeilijk  zijn  dit  op  te  mer- 
ken, tevens  dient  erkend,  dat  men  ze 
nooit  voor  copijen  dezer  oudere  hou- 
den zal.  En  dit  is  wel  het  beste  bewijs,  hoe  men  gevoelt,  dat  zijn  ont- 
werpen vóór  alles  willen  beantwoorden  aan  hun  doel. 

Is  er  inderdaad  iets  afschu weiijkers  denkbaar,  dat  dit  heden-zoo- 
in-zwang-zijnd  streven  naar  would-be  oorspronkelijkheid? 

Reeds  Goethe  waarschuwde  tegen  gezochte  originaliteit,  tegen 
het  streven  origineel  ie  willen  zijn.  Ook  hij  verkondigde,  dat  oorspron- 
kelijkheid vanzelf  moet  komen,  dat  zij  het  gevolg  moet  zijn  van  een 
fatsoenlijk  streven  naar  iets  goeds.  Volgens  hem  is,  wat  velen  origi- 
naliteit noemen,  niets  dan  gebrek  aan  ontwikkeling  en  kennis  van 
lieden,  die  niet  op  de  hoogte  zijn  van  de  eischen,  aan  elk  voorwerp 
in  't  bizonder  gesteld,  wat  betreft  aard,  doel  en  bestemming;  waar- 
door zij  ertoe  worden  gedreven  allerlei  bizarre,  nooit  geziene  en 
praktisch  onbruikbare  knutselarijen  voort  te  brengen. 

Ik  haal  hier  bij  voorkeur  Goethe  aan,  omdat  men  hèm  niet  zal 


Fig   4.  JAN  FISKNI.OI  IFKL: 

Koperen  bouilloir  met  standaard 


14 


Fig.  5.  JAN  EISENLOEFFEL  :  Koniuseivics,  vervaardigd  van  Alhold. 

verwijten   gebrek  aan  wetenschap  omtrent  de   beteekenis  van  echte   HETMETAAL- 
oorspronkelijkheid!  WERK  VAN 

O,  is  het  eerste  fleurtje,  het  eerste  geurtje  van  het  «  nooit  geziene  »  jan  EISFIN- 
af,  wat  blijft  er  dan  over  van  het  meeste  modern  werk?  «  Niets  is  zoo  LOEFFEL 
spoedig  oud  als  het  nieuwe  »,  'n  paradox,  eerbiedig  ter  befilosofeering 
aangeboden  aan  hen,  die  iets  gevoelen  voor  de  pit  van  kunst.  Rem- 
brandt  is  oud  als  Methusalem  en  eeuwig  jong  tevens;  de  Klassieken 
zijn  oud,  jong  en  onsterfelijk.  Zoo  waren  er  zoo  velen  op  ieder  gebied 
van  kunst.  —  Dit  heeft  zijn  oorzaak  hieraan  alleen  te  danken  :  dat  zij 
IETS  GOEDS  hebben  voortgebracht. 

Trouwens  men  weet :  het  valt  maklijk  genoeg  te  verklaren,  waar- 
aan het  zijn  ontstaan  dankt,  dat  huidig  streven  naar  quasi-oorspron- 
kelijkheid.  Door  den  opbloei  van  nieuwe  maatschappelijke  ideeën 
werden  nieuwe  verlangens  geboren  ook  op  kunstgebied.  En  een  der 
eerste  daarvan  was  de  overtuiging :  dat  kunst  en  leven  dienden  één 
te  zijn,  gelijk  dit  was  in  alle  groote  tijden.  Voor  alles  dus  moest  de 
scheiding  tusschen  samenleving  en  kunst  uit  de  wereld  geruimd. 

Een  deel  der  artisten  —  doordrongen  van  het  gegi'onde  van  dezen 
eisch,  en  vroeger  uitsluitend  zich  bewegend  op  het  gebied  der 
«  vrije  kunst  »  —  trachtte  dit  ideaal  te  verwezenlijken  door  zich  op 
het  ontwerpen  van  «  gebruiksvoorwerpen  »  toe  te  leggen.  Afgescheiden 
nu  van  de  vraag :  of  dit  de  eenig  juiste  methode  is  voor  de  verwezen- 


15 


HET  METAAL 
WERK  VAX 
JAN  EISEN- 
LOEFFEL 


lijking  van  een  beter  en 
gelukkiger  staat  voor  kunst 
en  maatschappij,  dient  er- 
kend, dat  velen  in  dit  stre- 
ven iets  goeds  bereikten, 
en  een  «  revival  »  in  de 
schijndoode  kunstambach- 
ten in  't  leven  riepen, 
waaraan  wij  het  weinige 
goed  danken,  dat  in  de 
laatste  tijden  allerwege 
ontstond. 

Tegenover  deze  enkele 
werkers,  wier  poogen  niet 
genoeg  kan  worden  ge- 
waardeerd, staat  echter  'n 
heir  van  half-krachten,  die 
tot  de  kleinkunsten  werden 
gevoerd  omdat  zij  misluk- 
ten in  de  «  vrije  kunst  ». 
Deze  laatste  mislukte 
genieën  —  kunstschilders, 
beeldhouwers,  architecten 
en  vrouwelijke  blauwkou- 
sen  —  zijn  de  groot-leve- 
ranciers van  de  wereld- 
markt der  «  toegepaste  kunst.  »  Zij  vormen  het  leger  der  krullen- 
bakkers  van  verweg  het  giootste  deel  van  «  L'Art  Nouveau.  »  Zij  zijn 
het,  die  -  niet  op  de  hoogte  van  de  eischen  die  aan  elk  voorwerp  in 
't  bizonder  te  stellen  zijn,  wat  betreft  grondstof  en  bestemming  — 
alles,  wars  van  de  oude  en  deugdelijke  regelen  der  technieken, 
overgieten  met  het  zelfde  mengelmoes  van  redelooze,  slappe,  onbe- 
kookte lijnen.  Zij  zijn  de  wurmers  en  de  wormen,  tegen  wier  werken 
niet  genoeg  kan  worden  geageerd,  daar  zij  den  nauwelijks  weer  ontwa- 
kenden,  aigenieenen  smaak  vergiftigen. 

Het  oorspronkelijke  is  niet  gelegen  in  den  oppervlakkigen  uiter- 
lijken  schijn  der  dingen.  Het  bestaat  in  den  atmosfeer^  die  door  de 
voorwerpen  wordt  verwekt. 

Dit  begrij)  van  het  verwekken  van  een  bizonderen  atmosfeer  of 
levenssfeer  is  de  karaktertrek  van  alle  echt-oorspronkelijke  werken,  en 
het  bevat  de  kern  van  wat  wij  onder  «  stijl  »  verstaan. 

De   goede  werken    van   alle   tijden  hebben   een  bizondere  sfeer 


FIg.  6.  JAN  KISENLOEFFKL  :  Kopereren  vierlichtskroon. 


16 


FIg.  7.  JAN  EISENLOEFFEL :  Uit  één  plaat  geslagen,  zilveren  theepot. 

geschapen,  een  levenstoestand,  een  «  middenstof »,  voor  elk  bepaald  HETMETAAL 
stadium  in  den  ontwikkelingsgang  der  nienschheid.  WERK  VAN 

Zoo  heeft  iedere  stijl  zijn  eigen  «  atmosfeer  ».  Het  Egyptisch  of  het  JAN  EISEN- 
Indisch  staat  bijvoorbeeld  op  een  geheel  ander  levensplan  dan  het  LOEFFEL 
christeUjk-middeleeuwsch;  terwijl  dit  weer  hemelsbreed  van  den 
geestestoestand  van  het  tijdperk  der  Renaissance  verschilt.  Dit  teekent 
de  bizondere  standpunten  in  de  menschelijke  ontwikkeling  in  't  groot 
genomen.  Zoo  heeft  verder  ieder  land  zijn  eigen  atmosfeer;  en  zijn 
eigenaardigheden  spreken  in  de  verscheiden  karakters  zijner  kunst- 
voorwerpen en  gebouwen.  Zoo  geeft  iedere  landstreek  zelfs  in  zijn 
onderscheiden  woningtypen  en  kleederdrachten  duidelijk  het  verschil 
in  de  levensopvattingen  der  verschillende  stammen  weer.  Zoo  hebben 
we  —  om  alleen  ons  kleine  land  te  noemen  -  de  Hollandsche,  de 
Friesche,  de  Zeeuwsche,  de  Drenthsche,  de  Brabantsche  interieurs  en 
woonhuistypen,  ieder  met  zijn  vele  wisselingen  door  de  tijden.  —  En- 
zoo-voort.  — 

Doch  —  hier  staat  tegenover,  dat,  alnaarmate  de  ontluikende  be- 
grippen voeren  naar  algemeene,  geestelijke  eenheid  en  niet  naar 
afscheiding,  naar  de  zelfde  mate  ook  de  onderlinge  verschillen  uit  de 


Hl 


17 


HET  METAAL- 
WERK VAN 
JAN  EISEN- 
LOEFFEL 


wereld  verdwijnen  en  leiden  tot  een  algemeenen 
«  stijl  ».  Dit  is :  naar  eenheid,  ook  in  uiterlijken 
verschijningsvorm. 

Dit  laatste  nu  vormt  het  streven  der  maat- 
schappelijk-werkende  kunstenaars.  En  zij  alleen 
zijn  de  waarlijk  «  modernen  ». 

Tot  hen,  die  hier  in  Holland  trachten  meete- 
werken  tot  het  doen  ontluiken  van  een  dergelij- 
ken  algemeenen  levensfeer  behooren  Eisenloeffel 
en  Penaat,  wier  werk,  gelijk  men  weet,  veel  over- 
eenkomst heeft.  Penaat  in  het  aankleeden  van 
eenvoudige  woonvertrekken,  Eisenloeffel  in  zijn 
gebruiksvoorwerpen,  vertoonen  beiden  veel  ver- 
wante eigenschappen,  dikwijls  voerend  tot  een 
treffend  geheel.  Er  is  atmosfeer  in  hun  werk;  en 
daar  zij,  als  gevolg  van  hun  levensopvatting,  vóór 
alles  trachten  eenvoudig  te  zijn,  spreekt  het  van  zelf, 
dat  hun  werk  van  grooten  invloed  is,  als  vallend 
binnen  het  bereik  van  een  groot  aantal  individuen. 

Ik  dien  er  echter  op  te  wijzen,  niet  de  mee- 
ning te  zijn  toegedaan,  als  zouden  zij  reeds  nu  iets 
volmaakts  geleverd  hebben.  Dit  is  niet  mijn  be- 
doeling. De  gebreken  ook  in  hun  werk  zijn  nog 
vele.  Doch  wat  ik  meen,  is,  dat  hun  werk  rust  op 
een  goede  basis,  op  een  gezond  uitgangspunt,  en, 
Fig.  8.  JAN  EISENLOEFFEL:  ofschoou  iiaar  ziju  aard  behoorend  tot  het  meest 

Geëmailleerde  zilveren 

bonbonlepel.  ondcrgeschikte  gebied  van  geestelijke  kunst,  zal 

het  niettemin  in  staat  blijken  een  grooten  invloed 
ten  goede  uitteoefenen...  Wanneer  het  niet  verloopt. 

Het  is  geen  fictie,  dat  voor  dit  laatste  eenige  kans  bestaat. 

Want  juist  dit  streven  naar  het  voortbrengen  van  iets,  dat  voor 
een  zoo  groot  mogelijk  aantal  personen  bereikbaar  is,  heeft  ook  een 
zeer  gevaarlijke  zijde.  De  zucht  namelijk,  de  gebruiksvoorwerpen  zoo 
goedkoop  mogelijk  te  kunnen  leveren,  brengt  maar  al  te  dikwijls  met 
zich,  het  vervallen  in  dezelfde  gebreken  als  die  aan  al  onze  industieele 
voorwerpen  eigen  zijn  :  de  kwaal  van  uiterlijk  schijnvertoon,  de  par- 
venuachtige, kleinburgerlijke  zucht,  de  dingen  iets  te  doen  schijnen 
wat  zij  niet  zijn. 

Maar  dit  is  niet  het  ergste ;  want  dit  verval  wreekt  zich  onmiddel- 
lijk aan  de  dingen  zelve. 

Het  voornaamste  kwaad  van  een  minder  kieskeurig  verlangen 
naar  goedkoopheid  is  :  dat  men  er  niet  naar  vraagt  op  welke  wijze  en 
waar  de  voorwerpen  vervaardigd  worden. 


18 


Fig.  9.  JAN  EISEN LOEFFEL :  Geslageti  zilveren  bonbonbak, 
versierd  met  geëmailleerd  ornament  en  edelgesteenten. 


Wij  behoeven  hier  niet  lang  bij  stil  te  staan ;  het  is  duidelijk,  dat  HET  METAAL- 
men  zoodoende  met  de  eene  hand  afbreekt  wat  men  met  de  andere  WERK  VAN 


heeft  opgebouwd... 

Er  zijn  tegenwoordig  twee  zeer  onderscheiden  richtingen  in  de 
voortbrenging  van  gebruikskunst.  De  eerste  verlangt  uitsluitend  hand- 
werk en  verwacht  uitsluitend  heil  van  de  herleving  van  den  handen- 
arbeid. De  tweede  staat  de  machinale  of  fabriekmatige  voortbrengings- 
wijze  voor. 

Beide  richtingen  kleven  groote  gebreken  aan.  Het  nadeel  van  de 
eerste  werkwijze  is :  dat  de,  op  deze  manier  voortgebrachte  gebruiks- 
voorwerpen in  't  algemeen  slechts  bereikbaar  zijn  voor  een  zeer  klein 
aantal  finantieel  bevoorrechte  personen.  En  vooral  is  dit  het  geval  daar 
waar  de  ontwerpers  tevens  gekant  zijn  tegen  het  meermalen  vervaar- 


JAN  EISEN- 
LOEFFEL 


19 


HET  METAAL-  digen  van  voorwerpen  volgens  een  zelfde  ontwerp.  Eerstens  zijn  de 
WERK  VAN  ontwerpkosten  in  verhouding  tot  het  voorwerp  dan  zeer  hoog  (niets 
JAN  EISEN-  toch  vereischt  zooveel  studie  als  het  uitdenken  van  waarlijk  goede 
LOEFFEL  gebruiksvoorwerpen)  en  tweedens  het  arbeidsloon. 

Dit  maakt  dat  er  bij  op  deze  wijze  verkregen  voorwerpen  geen 
sprake  kan  zijn  van  «  Gemeenschapskunst  »  in  den  eigenlijken  zin. 
De  voorwerpen  worden  bij  enkelen  opgeborgen;  voor  het  algemeen 
zijn  zij  verloren.  De  goede  kant  van  deze  werkwijze  is  echter,  dat  zij 
een  zeer  gi*ooten  invloed  heeft  op  het  kunstambacht;  daar  zij  den 
werkman  de  gelegenheid  biedt  zijne  capaciteiten  te  ontwikkelen,  en 
de  goede  tradities  van  het  zoozeer  gedaalde  ambacht  herleven  doet. 
Het  nadeel  van  het  Fabriekswerk  daarentegen  bestaat,  gelijk  men 
weet,  hierin,  dat  het  totaal  zonder  invloed  blijft  op  de  herleving  der 
ambachten.  Wat  geeft  het  al  voor  het  ambacht  of  de  ontwerpen  goed 
zijn,  of  zij  beantwoorden  aan  hun  doel,  als  zij  gemaakt  worden  op  de 
wijze  zooals  dat  nu  op  de  fabrieken  de  gewoonte  is.  Ieder  toch  maakt 
een  ondergeschikt  deel  van  het  voorwerp;  de  machine  doet  de  hoofd- 
zaak. De  een  maakt  'n  kop,  de  ander  *n  arm  of  been,  de  derde  'n  oor, 
de  machine  het  lijf;  een  is  er  die  alles  aan  elkaar  trommelt,  en  —  klaar 
is  Kees.  Dit  is  het  huidig  systeem  van  werken  op  de  fabrieken  :  honderd 
dingen  in  'n  uur;  ram!  Wat  zou  hier  machinaler zijn,  de  machine  of 
de  werkman?.... 

En  deze  nadeelen  in  beide,  elkaar  totaal  tegengestelde  werkwijzen 
worden  zeer  goed  gevoeld  door  onze  moderne  kunstnijveren ;  en  zij 
hebben  vaak  getracht  een  bevredigende  oplossing  ervoor  te  vinden. 
Reeds  geslaagd  daarin  zijn  zij  echter  niet;  en  het  is  de  vraag  of  dit 
wel  volkomen  mogelijk  zou  zijn,  reeds  nu,  in  dezen  tijd  van  maat- 
schappelijken  overgang  waarin  alles  dezelfde  embryologische  halfheid 
of  tweeslachtigheid  verraadt.  Zoo  is  er  bijv.  nog  een  derde  groep 
artisten,  die  trachten  handwerk  te  leveren,  doch  dan  zoo  goedkoop 
en  zooveel  mogelijk.  Maar  wat  is  hiervan  weer  het  gevolg?  Twee  za- 
ken :  uitputting  en  dorheid.  Het  is  wel  jammer;  «  maar  de  mensch  is 
nu  eenmaal  geen  vaatje,  waarin  men  slechts  'n  kraan  behoeft  te  slaan, 
om  de  kunst  eruit  te  tappen  ». 

Er  zou  over  dit  alles  nog  heel  wat  zijn  te  zeggen.  We  dienen  het 
hier  echter  bij  te  laten ;  reeds  een  te  groot  deel  dezer  studie  was  wel- 
.  licht  naar  het  oordeel  van  velen  aan  algemeene  beschouwingen  ge- 
wijd. (Ofschoon  volgens  mijne  overtuiging  dit  algemeene  van  iedere 
studie  steeds  den  grondtoon  dient  te  vormen). 

Hoe  wij  tot  een  beteren  toestand  geraken  zullen  ? 

Door  algeheelen  terugkeer  tot  het  handwerk  ? 

Ik  geloof  het  niet.  Het  gaat  niet  aan,  zich  te  kanten  tegen  den 


20 


drang  der  tijden.  In  iederen  tijd  schuilt  een  geheimzinnige  wil,  een  HETMETAAL- 
mystieke  drang.  En  onmogelijk  is  het  zich  daartegen  te  verzetten.  WERK  VAN 

Het  eenige  wat  wij  kunnen  doen,  is,  de  stem  der  tijden  trachten  JAN  EISEN- 
te  verstaan,    misverstand  en  overdrijving  uit  de  wereld  ruimen,  en  LOEFFEL 
werken  vóór  alles,  naar  plicht  en  geweten. 

De  bezigheid  van  EisenloefFel  op  het  gebied  der  kunstnijverheid, 
bestaat  in  het  ontwerpen  (in  sommige  gevallen  ook  in  het  zelf-vervaar- 
digen)  van  drie  zeer  onderscheiden  soorten  van  gebruiksvoorwerpen. 

Eerstens :  zoodanige  voorwerpen,  als  hoofdzakelijk  langs  machi- 
nalen  weg,  dus  zoo  goedkoop  mogelijk  verkregen  worden.  Deze  soort 
bestaat  dus  uit  het  zoogenaamd  «  geforceerde  »  werk. 

Voorbeelden  hiervan  geven  de  afbeeldingen  :  fig.  1,  2,  3,  4,  5,  6. 

De  tweede  soort  bestaat  uit  voorwerpen  die  door  handenarbeid 
worden  vervaardigd.  Het  zijn  de  «  gedreven,  »  geëmailleerde  of  gecise- 
leerde gebruiksvoorwerpen  in  zilver  en  koper. 

Voorbeelden  hiervan  geven  de  afbeeldingen  :  fig.  7,  8  en  9. 

De  derde  soort  wordt  uitsluitend  door  «  sieraden  »  gevormd;  dus 
geen  gebruiksvoorwerpen  in  den  eigenlijken  zin.  Het  zijn  gouden  en 
zilveren  snuisterijen,  vaak  met  edelsteenen  bezet. 

Van  deze  laatste  zijn  geen  voorbeelden  bij  dit  artikel  gevoegd. 

Over  eenigen  tijd  zullen  ook  afbeeldingen  van  deze,  meer  eigen- 
lijke kunstvoorwerpen,  in  dit  tijdschrift  gepubliceerd  worden;  als 
wanneer  ik  tevens  gelegenheid  hoop  te  vinden,  nader  op  bespreking 
der  onderscheiden  voorwerpen  zelve  integaan. 

H.  Walenkamp. 


21 


KUNSTBERICHTEN 


VAN    ONZE   EIGEN 
CORRESPONDENTEN 


KUNST- 
BERICHTKN 
UIT  amstp:rdam 


UIT  BRUSSIX 


UIT  AMSTRRnAMr^^  = 

|IJ  I)K  FIRMA  BUFFA 
was  een  groot  en 
merkwaardig  schilde- 
rij van  Daubigny  Ie 
zien.  Een  onweers- 
luchl  mei  stralenden 
regenboog  boven  de 
valsch  verlichte  goudgroenen  van  een 
weiland  met  hooistapels  De  lei-zwarte 
lucht  is  in  krachtige  schildering  gebrost, 
de  zwaar  gecmpaleerde  groenen  van 
den  grond,  schijnbaar  a  la  prima,  maar 
in  werkelijkheid  onder  herhaardelijk 
verbeteren,  breed  gestreken. 
-♦y  Fen  schets  van  Willem  Maris. 
Variant  naar  of  compositieschets  voor 
het  groote  schilderij  Zomevweelde,  in 
het  Stedelijk  Museum. 
-♦y  Van  Jacob  Maris  een  oud  schil- 
derij, de  slayersiüinkel,  dat  we  hier 
kunnen  reproduceeren.  In  meesterlijke 
zekerheid  en  fijngevoeligheid,  plat  en 
soms  met  veel  olie  schilderend,  heeft  de 
meester  dit  eenvoudig  inkijkje  doen  tin- 
telen van  zulk  een  blonden  dag  en  in 
immer  beteekenis-volle  kleur  zooveel 
stemming  aan  het  leege,  holle  vertrek 
welen  te  geven,  dat  zoo  ergens  dan 
hier  aan  de  verwante  kunst  van  Pieter 
de  Hoogh  moet  gedacht  worden.  Geda- 
teerd is  het  paneeltje  niet. 
-♦y  De  firma  Scheltema&Holkema  heeft 
een  Catalogus  van  fraaie  en  zeldzame 
boeken  verzonden,  over  kunst-  en 
kunstnijverheid.  Eir  is  veel  bij  wal  de 
moeite  waard  is.  Ik  cileer  al  bladerend  : 
Viollel-le  Duc,  Dictionnaire  rais,  de 
r Architecture  fran^aise ;  J.  J.  v.  Ysendyk, 

(«)  Wegens  plaatsgebrek  wordt  de  gewone  cor- 
respondentie uit  Amsterdam  tot  de  volgende 
aflevering  verschoven. 


Documents  classes  de  F  Art  dans  les  Pays- 
Bas;  Barlsch,  Le peintre  graveur,  —  Een 
Handschrift  uit  de  XVI*^  eeuw  van  de 
Kroniek  van  Eusebius,  in  ouden  band ; 
Max  Klinger,  Radierungen.Zeichnungen, 
Hilder,  Skulpturen  des  Kunst  Iers  ;  etc. 
etc.  W.  V. 

^^^^^^^^^^ 
UIT  BRUSSEL  = 


:  TENTOONSTEL- 
LING VAN  DE  SO- 
CIÉTÉ  DES  BEAÜX 
ARTS  >  11  APRIL- 
24  MEI  1903  >o»  Het 
is  eene  bij  uitstek 
voorname  tentoon- 
stelling, correct,  bezadigd  en  hoogst 
eerbiedwaardig.  Men  aanvaardt  daar 
alleen  uitstekende  kunstenaars,  en  een 
aroompje  van  mondaniteit  mengt  er 
zich  met  de  geuren  van  olieverf  en 
vernis  Kortom, een  academisch  midden 
vol  goeden  smaak  en  defligheid.  Dit 
jaar  is  de  tentoonstelling  vooral  be- 
langwekkend, door  eene  aanzienlijke 
verzameling  geschilderde  en  gebeeld- 
houwde portretten,  waartusschen  zeer 
merkwaardige.  Ik  vermeld  Blanche,  met 
twee  portretten,  gezegd  van  de  Norman- 
dische-  en  Volks-reeks,  vooral  dit  eener 
jonge  keukenmeid,  —  graaf  J.  de  Lalaing, 
Cluysenaer,  vader  en  zoon,  de  beeld- 
houwers Paul  De  Vigne,  Juliaan  Dillens 
en  Jul.  Lagae.  Deze  laatste  toonde  won- 
derbare borstbeelden  van  zijn  kunst- 
broeder Dillens  en  van  M.  Schoenleber. 
Van  J.  Lagae  bewondert  men  ook  een 
marmeren  groep,  moeder  en  kind,  ver- 
rukkelijk van  uitdrukking,  fijnheid  van 
bewerking  en  boetseering.  Ik  had  ook 
de  gelegenheid,  in  zijn  werkhuis  het 
borstbeeld   te  zien  van    den    groolen 


22 


vlaamschen  dichter 
Guido  Gezclle  dal  on- 
langs te  Kortrijk  ingehul- 
digd werd.  Tusschen  de 
gebeeldhouwde  portret- 
ten vermelden  we  vooral 
dat  van  Mevr.  Kelly  Gil- 
soul,  schilderes,  door  M. 
Viclor  Rousseau;  even- 
eens van  eerste  gehalte 
en  van  prachtige  tech- 
niek zijn  de  portretten 
van  De  Vigne  en  van  Pu- 
vis  de  Chavannes  door 
Rodin. 

Om  terug  te  keeren  tot 
de  geschilderde  portret- 
ten, waren  er  zeer  be- 
langwekkende ondertee- 
kend Leo  Frédéric,  (eene 
dame  in  zceuwsche  klee- 
dij,  in  volle  lucht,  op 
een  zeedijk  vanwaar  zij 
een  stralend  landschap, 
bij  vogelvlucht  gezien, 
beheerscht) ;  van  Len- 
bach  zagen  wij  vroeger 
veel  schooner  dan  hij  nu 
inzond ;  Mellery  een  on- 
afgewerkt  portret  van 
zijn  vriend  De  Vigne ; 
Constantin  Meunier  een 
doek  uit  vroeger  tijd, 
Isid.  Verheyden,  Watts, 
Emiel  Claus,  Lieven  de 
Winne,  enz. 

Ik  gaf  echter  de  voorkeur  aan  een 
portret  van  Fantin-Latour  door  hem 
zelf  geschilderd;  aan  portretten  van 
Uaverman,  welke  aan  Velasquez  doen 
denken,  en  aan  een  jong  meisje  van 
John  Laverry,  een  meesterwerk  van 
bewerking  en  van  bevalligheid. 

Maar  ler  was  nog  wat  anders  dan  por- 
tretten in  de  Société  des  Beaux-Arts. 
Franz  Courtens  had  twee  prachtige  doe- 
ken ingezonden,  Paul  Mathieu  deelde 
in  den  bijval  van  dien  groolen  land- 
schapschilder  door  eene  heerlijke  syii- 
thesis  van  Brabant,  opgeval  in  blonden 
en  lachenden  toon.  Vermelden  wij  ook 
de  inzendingen  van  Viclor  Gilsoul,  drie 
doeken  als  het  ware  de  verkondigers 
van  eenen  ommekeer  in  de  werkwijze 
van  dien  krachtigen  kunstenaar;  water- 
verfschilderingen van  Mevr.  Kelly  Gil- 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BRUSSEL 


JACOB  MARIS :  Slagerswinkel. 

soul  en  van  Cassiers,  prachtige  stukken 
van  Alfred  Verhaeren,  een  diclilerlijk 
en  aangrijpend  werk  van  Verheyden, 
de  Spinsters  van  Dicrckx,  enz.  enz. 

IN  HET  KUNSTVERBOND  had  eene 
belangrijke  tentoonstelling  plaats  der 
werken  van  den  betreurden  Gustaaf 
Van  Aise.  Deze  reeds  gekende  stukken 
lieten  niet  te  min,  aldus  verzameld,  de 
groote  kunde,  de  degelijke  en  nauw- 
gezette uitvoeringskrachl  van  dezen  te 
jong  overleden  kunstenaar  waardeeren. 
Builen  zijne  groote  geschiedkundige 
doeken  bevonden  zich  daar  vele 
schoone  portretten. 

In  den  Cercle  werden  ook  een  aantal 
werken  van  den  plaatsnijder  Des  Vachez 
uitgestald.  Belangwekkende  tentoon- 
stelling welke    dezen   verdienstelijken 


23 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BRUSSEL 


kunstenaar  deed  betreuren,  te  meer 
daar  deze  kunst  bijna  geene  vertegen- 
woordigers meer  in  het  land  telt. 

TENTOONSTELLING  VERWÉE  TE 
SCHAERBEECK  /u^  Bij  gelegenheid 
der  inhuldiging  van  het  gedenkteeken 
opgericht  ter  nagedachtenis  van  den 
grooten  landschap-  en  dierenschilder, 
Alfred  Verwée,  op  den  hoek  der  Col- 
lignon  plaats  te  Schaerbeek,  had  in  de 
zalen  van  het  gemeentehuis  dier  ge- 
meente eene  belangrijke  tentoonstelling 
plaats  van  de  werken  van  den  kunste- 
naar. Deze  tentoonstelling  waar  vele 
der  schoonste  schilderijen  van  den 
meester  te  zien  waren,  verwierf  grooten 
bijval. 

Het  gedenkteeken  zelf,  door  den 
beeldhouwer  Van  der  Stappen  verheer- 
lijkt de  lorsche  en  weelderige  kunst  van 
den  gloedvoUen  schilder  van  hei  Lever- 
kruid en  hei  Schoone  land  van  Vlaande- 
ren, Het  geheel  heeft  een  zeer  decora- 
tief aanzien  en  de  onderdeden  zijn  be- 
werkt met  de  kunde  en  de  voornaam- 
heid die  de  werken  van  Charles  Van 
der  Stappen  kenschetsen. 

NATIONALE  KRING  DER  AQUAREL- 
LISTEN EN  PASTELLISTEN  ju^  Deze 
jonge  kring  legt  veel  levendigheid  en 
kloekheid  aan  den  dag  en  zijne  kleine 
tentoonstelling  bevat  vele  belangwek- 
kende inzendingen  en  eenige  namen  die 
aan  te  stippen  zijn  :  De  belommerde 
vesiingen  en  de  Oude  vaarl  van  Boulvin, 
De  Oude  Vuurioren  van  Plompe  Tore 
van  G.  DelsauXy  Herfsi  en  Najaar  van 
Rombouts,  de  opgehaalde  teekeningen 
van  Karel  Michel,  De  Siraaijonyen  van 
Karel  Walelet  die  verwant  is  aan  Jacob 
Smits  ;  een  portret  door  Leo  Rotthier ; 
de  scharenslijper  van  Frans  Gaillard, 
het  koperschuren  van  Leempoels  ;  Elle, 
Toussaint  en  Allard  die  zich  blijkbaar 
inspireeren  op  Cassiers'  manier  van 
Holland  te  zien  en  op  te  vatten.  Marga- 
retha  Stiénon  die  van  Uyterschout  na- 
volgt in  eene  Lenie ;  eenige  belang- 
wekkende zeegezichten  van  Bamps.  En 
dan  nog  de  etsen  van  Gaudy,  de  bloei- 
ende Kriekelaar  van  A.  Heins  een  zee- 
gezicht  van  Modave;  Zeelieden  van 
Bartholomé ;  gezichten  van  Mont  Sainl- 
Michel  van  Kegeljan;  koolteekeningen 


van  Ecrevisse ;  Nacht  en  de  Weduwe 
van  Keulier;  en  ten  slotte  bloemen  van 
Mev.  Dupré,  Georgette  Meunier  Mottart 
en  Jamar.  G.  E. 

UIT  DEN  HAAG  = 


'éis-isii 


üf»-*^. 


lULCHRI  STUDIO  > 
GROEPENTEN- 
TOONSTELLING  > 
7c'  SERIE,  2-16  MEI 
1903  yu^  Deze  serie 
brengt  van  Van  der 
Weele  eene  koestudie, 
die  bizonder  is  door  haar  schildermatig 
wezen.  De  opvatting  is  modern,  maar 
hoezeer  doet  de  meesterlijke  techniek 
hier  niet  denken  aan  die  der  oude  Hol- 
landers. De  koestaal  van  ter  zij  door  den 
toeschouwer  gezien,  een  weinig  in  *t  ver- 
kort, zoo  dat  de  kop  meer  dan  't  overige 
gedeelte  in  *t  donker  verwijlt.  Dit  dier  is 
van  eene  magnifleke  zuiver-schilder- 
achtige plastiek  en  met  sobere  doel 
treffende,  ja  bijna  alles  omschrijvende 
techniek,  zoo  deugdelijk  opgebouwd 
dat  het  geheel,  uit  een  bruine  onder- 
grond opgeschilderd,  met  zijn  warme 
donkertonige  kleuren  werkelijk  het 
type  is  van  eene  goede  soort  (alleen 
de  schaduw  om  den  kop  zou  men  te 
zwart  mogen  vinden).  Is  dit  werk  meer 
tonig,  in  zijn  ander  werk  hier  is  hij, 
ook  door  zijn  plastisch  vermogen  dat 
op  knappe  wijze  de  ruimtelijke  ver- 
schijningen hun  relief  weet  te  geven, 
meer  luminist  dan  b.v.  Steelinck,  wiens 
werk  met  het  zijne  verwantschap  toont. 
Van  der  Weele's  coloriet  is  krachtiger, 
glanzender.  Zijn  streek  veerkrachtiger. 
Bij  Steelink  is  ze  ruiger,  maar  diens 
werk  doet  wel  eens  droog.  Niet  te  min 
is  de  laatste  meer  tonalist.  Van  de 
Weele  is  breeder  en  grooter  en  over  't 
algemeen  zuiverder,  Steelinck  in  zijne 
beste  studies  malscher  van  kleur.  Bei- 
den schijnen  dit  gemeen  te  hebben,  dat 
zij  in  hunne  studies  zuiverder  aandoen 
dan  in  hun  vrijer  scheppingen,  wat  bij 
de  2«  generatie  der  impressionisten  wel 
eens  meer  het  geval  is  en  een  verklaar- 
baar verschijnsel.  Zoo  is  het  studiema- 
tige werk  van  beiden  ook  wel  het  beste 
deel  hunner  inzending.  Van  Steelinck 
willen  we  notecren  een  boomgaard  in 
een  gamma  van  blonde  grijzen  en  groe- 


24 


nen,  een  schaapskooi  en  een  paar  stu- 
dies van  weidende  schapen. 

Van  V.  d.  Weele  zijn  de  schetsen  en 
studies  over  't  algemeen  van  eene  uit- 
nemendheid, die  ze  het  studie-achtige 
ontneemt  en  compleet  doet  zijn. 

Een  der  beste  inzendingen  is  ditmaal 
die  van  Louis  van  Soert.  Zijn  factuur 
is  beschaafd,  soms  bij  alle  ingetogenheid 
van  doen,  getuigt  ze  van  over-bescha- 
ving,  een  verschijnsel  dat  na  de  weelde- 
tijd van  het  impressionisme  ook  niet 
vreemd  te  noemen  is.  Dit  knappe  werk 
is  niet  altijd  van  eene  volstrekte  orga- 
nische eenheid  en  een  echt  buitenman 
zou  het  allicht  soms  een  weinig  te 
salonfahig  vinden.  Om  u  te  doen  oplich- 
ten wat  ik  bedoel,  noem  ik  u  het  werk 
van  JacG^  Maris.  Hierin  zit,  of  liever 
huist,  bij  alle  deugdelijkheid  en  voor- 
naamheid van  factuur,  het  weer.  Zelfs 
zoo'n  volledig  werk  als  Winter  geeft  bij 
alle  technische  bekwaamheid,  als  het 
veelkleurige  schitteren  der  mollige, 
blanke  en  ongerepte  sneeuw,  meer  het 
type  vén  een  winter  dan  de  winter  zelf. 
Op  dit  laatste  zou  niets  aangemerkt  mo- 
gen worden  indien  de  winter  zelf  in  dit 
werk  maar  meer  ademde.  Dit  werk 
mist  bij  alle  soliditeit,  bij  alle  natuur- 
kennis, bij  alle  natuur-aandoening  die 
er  uit  spreekt,  nog  de  levende  hartstocht 
die  het  tol  natuurware  geestelijke 
gezichten  zou  maken.  Het  is  voorloopig 
nog  meer  werk  van  bijzondere  smaak, 
dan  van  alles  doordringend  gevoel,  hoe- 
wel dit  laatste  in  zekere  mate  en  in 
aanleg  voldoende  aanwezig  is. 

We  willen  verder  kort  zijn.  Storm  van 
's  Gravesande  exposeert  één  groot  schil- 
derij :  Novemberdag  aan  het  IJ,  stoer 
van  schildering,  guur  en  buisend-gc- 
weldig  van  weérstemming,  maar  niet 
geheel  uit  de  verf.  Texeira  de  Mattos 
o.  m.  :  Bedrogen,  een  dame  in  groot 
toilet  uit  de  voorname  wereld,  een 
stemmig  beeldje,  als  eene  illustratie 
voor  eene  moderne  en  alyslischc  no- 
velle of  roman;  verder  een  ontwerp 
voor  een  monument  van  Willem  den 
Zwijger.  De  wakende  leeuwinnen  zijn 
goed  in  hun  stille  actie,  de  flguren  van 
grootheden  die  zich  om  den  Zwijger 
groepeeren,  natuurlijker  van  houding 
dan  men  ze  gewoonlijk  op  pleinen  ziet. 
Ons  trof  nog  in   het  groote  links  zij- 


tafereel het  bewegingsvolle  van  een 
groep  (rechts  boven)  aanrukkende  rui- 
terij. Allelta  van  Thol-Ruysch  :  in  de 
stillevens  waar  als  *t  ware  gemodel- 
leerd kon  worden  met  de  verf,  is  zij 
hier  't  best.  Sinaas-appelen  schijnt  ge- 
ïnspireerd op  de  oude  Hollanders.  Het 
is  in  deze  sfeer  stil  en  tevens,  alsof  ons 
innerlijk  de  negatie  hiervan  oproept, 
klankvol,  het  is  even  geheimzinnig  van 
een  wonderbaar  leven.  De  Vries-Lam  : 
werk  met  eene  decoratieve  neiging.  Het 
is  evenwel  niet  altijd  zuiver  en  stem- 
mingsvol  genoeg  om  de  werkwijze  te 
doen  aanvaarden.  Na  zijn  dikwijls  leege 
decoratieve  vlakken,  zonder  veel  samen- 
hang. Het  ideële  in  dit  werk  is  nog  niet 
zuiver  genoeg  tot  verschijning  gebracht 
en  doorgevoerd  om  het  vol  te  doen 
schijnen  en  naluurwaar.  Jan  van 
Vuuren  :  verdienstelijk  studienialig 
werk.  Het  schijnt  als  voor  het  aange- 
zicht der  natuur  geschilderd  en  verheugt 
door  direkt,  zonnige,  hoewel  niet  altijd 
hooge  natuurspiegeling.  N.  van  der 
Waay :  diens  kleurgevoel,  dat  uit  Portret- 
studie  zou  moeten  blijken  is  niet  bui- 
tengewoon. Zijn  factuur  in  dit  werk 
niet  zuiver  of  sterk  in  de  uitdrukking 
van  vleesch.  Hij  blijkt  tenslotte  een  zeer 
bekwaam  aquarcllist,  die  in  schilder- 
studics  naar  de  natuur  faalt  (onvoldoen- 
de is  ook  de  stofuitdrukking  van  de 
Clematis),  die  verdienstelijke  stem- 
mingstukken weet  te  maken,  als  Qnartet 
en  een  Kunst-beschouwing  (levens  por- 
tretten-studie en  als  zoodanig  zeer  han- 
dig) maar  die  weinig  dieper  gaat  dan 
een  illustratief  talent  het  gewoonlijk 
in  deze  zoekt.  Mej.  Wandscheer  :  in 
de  Cineraria's  is  hel  vreemde  in  de 
bloemenwereld  en  het  wondere  van 
hare  kleuren  aangestaard  en  het  zachte 
blocmenblad  wonderwel  weergegeven. 
Rijk  en  gouder  van  toon  is  Vrouwtje,  de 
kleur  van  fond-japon  en  haar  in  Lucie 
decoratief  voornaam ;  ook  van  de  ove- 
rige figuurstukken  is  de  kleur  het  heer- 
schend element  en  zijn  de  flguren  bijna 
onbelangrijk  door  gebrek  aan  eenige 
actie  en  door  weinig  diepe  psycholo- 
gische weergave.  De  andere  inzenders 
zijn :  Hobbe  Smilh,  J.  G.  Smits,  H.  van 
Steel  en  C.  A.  Van  Waning.  Van  den 
laatste  is  hier  een  Schuit  aan  het  strand. 
Hoevéél    nijpender    heeft    niet   Jacob 


KUNST- 
ÜERICHTh:N 

UIT  DEN  HAAG 


IV 


25 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


UIT  KREFELl) 


Maris,  aan  wien  Van  Waning's  werk, 
niel  ten  zijnen  voordcele,  veel  doel 
denken,  de  weidsche  starre  eenzaam- 
heid van  zoo'n  geval  gegeven.  Dit  werk 
schijnt  geïnspireerd  op  Maris.  Maar  het 
ontwikkelt  niet  verder,  het  voert  in 
grooler  verfijning  geen  enkele  eigen- 
schap door.  Het  is  hierom  en  ook  om 
andere  redenen,  nog !  niet  bijster  be- 
langrijk. H.  D.  B. 

UIT  KREFELD  = 

r.NTOONSTELLING 
VAN  HOLLANDSCHE 
KUNST  /J^  Nu  ja 
een  gulle  maaltijd  met 
stevig  glas  wijn,  een 
hartelijke  ontvangst 
en  speeches  over  en 
weer  zijn  er  wel  bij  elke  plechtige  ten- 
toonstellingsopening; maar  dezewEröff- 
nungsfeier  »  zou  toch  een  eenigszins 
bijzonder  cachet  hebben.  Men  wilde 
een  soort  symboliek  tintje  aan  de  fees- 
telijkheid geven.  Er  openbaarde  zich 
iets  dergelijks  als  we  vroeger  meer  van 
onze  zuidelijke  buren  gewoon  waren, 
een  onbewimpeld  uitgesproken  ver- 
broederingszucht  klonk  in  de  al  of  niet 
handig  in  elkaar  gezette  toespraken. 
En  eindelijk  rees  de  stemming  zoo  hoog, 
dat  het  kleine  aantal  Hollanders  dat  aan 
de  invitatie  gevolg  had  gegeven  —  en 
waaronder  geen  enkele  schilder  was  — 
devan  jongs^fingepiente  «mofrenvrecsv 
totaal  had  vergeten  en  gaarne  op  goede 
en  betere  verstandhouding  wilde  klin- 
ken. Want  dat  die  verstandhouding  tot 
nu  toe  niel  bestond,  dat  de  Duitschers 
van  vlak  over  de  grenzen  gemeenlijk 
niet  veel  anders  van  ons  kennen  dan 
gesmokkelde  jenever  en  tabak  en  dat 
wij,  als  we  heel  eerlijk  zijn,  onze  anti- 
pathie tegen  alles  wat  met  Duitschland 
te  maken  heeft  ook  niet  op  grondige 
kennis  van  land  en  volk  kunnen  basee- 
ren, slaat  vast.  Hollandsche  arlisten  zijn 
in  Frankrijk  iet  of  wat,  in  Engeland  en 
America  zeer  goed,  in  Duitschland,  op 
enkelen  na,  weinig  bekend.  Dat  ligt  niet 
uitsluitend  aan  den  weinig  ontwikkelden 
smaak  van  het  Duitsche  publiek;  maar 
moet  zeker  mede  voor  een  deel  in  aller- 
lei ekonomische  kwesties  schuilen. 
Onze  prijzen  waren  voor  duitsche  koo- 


pers  langen  tijd  onbereikbaar  en  dat 
de  kunsthandel  niet  happig  was  in 
Duitschland  gratis  exposities  te  organi- 
seeren,  terwijl  men  in  Engeland  de  som- 
men maar  voor  't  noemen  had,  kan 
niemand  kwalijk  nemen.  Maar  nu  zijn 
de  tijden  van  het  arme  Duitschland 
reeds  lang  voorbij  en  de  jaren  dat  het 
opkomende  rijk  zich  in  patriotischen 
roes  Anton  von  Werner  c.  s.  liet  welge- 
vallen of  dat  c  Siegesalleén  »  meer  dan 
officieele  bewondering  wekten  gaan  hun 
einde  tegemoet.  Men  heeft  heel  wat  ge- 
leerd en  gezien;  er  is  wel  kans,  (iat  de 
bodem  genoeg  geploegd  is  om  een 
nieuw  uitgestrooid  zaad  op  te  nemen. 
En  de  onvermoeibare  directeur  van  het 
Museum  te  Krefeld  heeft  voor  zijn  stad 
willen  zaaien. 

Of  deze  eerste  kennismaking  geeste- 
lijke resultaten  zal  hebben;  of  de  ge- 
wekte algemeene  belangstelling  tol 
duurzame  gevolgen  zal  leiden,  kan  voor- 
alsnog niet  beslist  worden.  Onze  voor- 
loopig  gunstige  indruk  was  misschien 
van  eenigszins  persoonlijkeu  aard  en 
dateerde  reeds  van  liet  bezoek  van 
Dr.  Deneken  —  den  bovengenoemden 
directeur  —  in  ons  land,  toen  hij  mate- 
riaal verzamelde  voor  zijn  tentoonstel- 
Ung.  Waarlijk  men  had  met  een  gansch 
andere  natuur  te  doen,  dan  de  duitsche 
beoordeelaar  van  onze  afdeeling  te 
Turijn  was,  Georg  Fuchs^  die  toen  ter 
tijde  het  succes  der  Hollanders  gemaks- 
halve verklaarde  uit  de  «  stammver- 
wantschaft»  met  't  groote  duitsche 
vaderland  en  ons  zoo  ongemerkt  geeste- 
lijk wilde  inlijven.  Dr.  Deneken  is  een 
man  van  koeler  vernuft.  Wie  gelegen- 
heid had  hem  in  Holland  aan  't  werk  te 
zien  en  wie  hem  eens  zoo  kalm  weg  lieefl 
hooren  praten  over  Hollandsche  .  en 
Duitsche  kunsttoestanden,  wie  eindelijk 
zijn  bemoeiingen  in  Krefeld  vergelijkt 
met  het  phlegmatieke  steurtje  dat  Mu- 
scumsmenschen  en  zaken  maar  al  te 
vaak  zoetjes  aan  nekt,  die  komt  tot  de 
slotsom,  dat  hier  een  der  vertegenwoor- 
digers van  een  nieuw  geslacht  kunst- 
geleerden is  opgetreden,  een  geslacht 
waar  nog  heelwat  bruikbaars  uit  groei- 
en kan,  wijl  het  lot  leuze  heeft  nimmer 
om  de  liefdevolle  studie  van  het  oude, 
het  heviger  levensrecht  van  het  rondom 
ons  groeiende  te  vergeten.    En    deze 


26 


directeur  krijgt  met  bednclilzamen  laitt 
allerlei  gedaan  vaii  zijn  soms  naïef- 
enthqiisiaste  publiek  van  Rijnlnnders, 
waar  hij  als  rustig  overleggend  Noord- 
Duitscher  tegenoverstaat.  Hij  heeft  ge- 
voeld hoe  noodighet  was,  dat  men  voor- 
loopig  in  Duitschlaiid  inplaats  van  over 
Hollanders  te  hooren  en  te  spreken 
eens  werk  van  hen  op  allerlei  gebied  in 
samenhang  te  zien  kreeg  En  waar  hij 
't  er  zoowaar  op  aanlegt  van  zijn  Mu- 
seum een  paedagogische  « kunstbeurs  » 
te  maken,  waar  de  waarden  der  geheele 
wereld  zullen  gewogen  en  gescliat  wor- 
den, daar  komen  de  Hollanders  al  gauw 
aan  de  beurt. 

Men  moet  bewonderen,  dat  er  in 
dezen,  door  allerlei  tentoonstellingen  in 
binnen-  en  buitenland,  bezetten  tijd 
zooveel  kon  bijeengebracht  worden.  De 
517  nummers  van  den  statieus  versierden 
katalogus  omvatten :  schilderijen, beeld- 
houwwerken, architectuur  in  teekenin- 
gen  en  fotos,  etsen  en  aquarellen  en 
heelwat  gebruikskunst.  Dit  alles  is  in 
een  paar  ruime  zalen  en  zaaltjes  en  2 
lange  galerijen  ondergebracht,  zoodat 
men  voor  de  schilderijen  één  groote 
hoofdzaal  en  een  paar  kleinere  compar- 
timenten reserveerde,  eenigszins  soor- 
telijk kon  groepeeren  en  de  galerijen 
met  vitrines  en  afgeschoten  gedeelten 
voor  de  gebruikskunst  inrichtte.  In  alle 
afdeelingen  is  het  verblijdend  op  te 
merken,  dat  hier  niet,  als  anders  wel- 
eens  in  't  buitenland,  slechts  een  toe- 
vallige rommelzoo  van  hollandschen 
afval  is  terecht  gekomen,  madr  dat  er 
volgens  een  bepaald  beginsel  ernstig  is 
gezocht  zooveel  mogelijk  voortreffelijks 
bijeen  te  krijgen.  Dat  dit  niet  altijd  is 
gelukt  spreekt,  de  gegeven  omstandig- 
heden in  aanmerking  genomen,  vanzelf. 
Er  is  weleens  wat  te  veel  en  er  man- 
keert soms  iets.  Van  de  gebruikskunst 
krijgt  de  buitenlander  hier  zeker  een 
juister  beeld  dan  van  onze  schilders. 
Door  de  welwillende  hulp  van  kunst- 
handelaars en  particulieren  is  evenwel 
ook  deze  afdeeling,  die  in  onzen  tijd 
niet  meer  zoo  gemakkelijk  goed  te  krij- 
gen is  als  een  10  jaar  geleden,  tamelijk 
compleet,  al  had  men  onder  de  levende 
schilders  b.  v.  Verster  liever  niet  gemist. 

Schilderijen :  voor  een  Hollander,  die 
in  Amsterdam  aan  de  bron  zit,  waren  er 


wel  voor  *t  meerendeel  oude  kennissen  ; 
maar  voor  H  buitenland  kan  deze  col- 
lectie, als  ze  ten  minste  met  zorg  en 
misschien  zelfs  met  eeuige  leiding  van 
den  kundigen  directeur,  wordt  bekeken, 
veel  nut  stichten  en  bijdragen  tot  meer- 
der begrip. 

En  zelfs  als  men  uit  het  centrum  komt 
en  dagelijks  veel  ziet,  dan  verrassen 
hier  toch  enkele  oudere  werken,  die  op 
heel  wat  hooger  peil  staan,  dan  het 
hollandsch  publiek  tegenwoordig  over 
het  algemeen  van  dezelfde  meesters 
gewoon  is.  Zoo  herinner  ik  me  in  lan- 
gen tijd  niet  zulk  een  goed  stuk  van 
Theophil  de  Bock  gezien  te  hebben,  als 
dit  groote  boschlandschap  in  schemer- 
avond,  van  een  fijne,  even  fransch  aan- 
doende tonaliteit ;  zoo  zuiver  en  voor- 
naam geschilderd  in  een  tijd  toen  de 
begaafde  kunstenaar  nog  niet  als  thans 
meer  en  meer  een  handig  vervaardiger 
van  courante  stukken  geworden  was. 
En  van  Karsen  van  wien  men  niet  zoo 
heel  veel  ziet  en  die  ook  wel  eens  wat 
opzettelijk  zonderling  en  eigenwijs  kan 
wezen  hingen  hier  drie  delicate  schil- 
derijtjes in  een  gezellig  hollandsch 
hoekje  bij  elkaar.  Een  donker  boe- 
renhuis tusschen  Irisch  groen,  een 
boerenerf  met  hooibergen  en  een  bij- 
kans pikant  afgesneden  stadsgezichtje 
in  hoog  formaat.  Hier  was  geen  enkele 
gewilde  afwijking,  geen  decoratieve 
overdrijving  van  raar  dakenrood  tus- 
schen gesombreerde  groenen,  geen  wat- 
tige  boomkontoeren  en  ook  niet  van 
die  gladde  groene  pompons,  waarmee 
de  olmen,  op  Karsens  grachtstukje  der 
laatste  Arti-tentoonstelling,  hun  ruis- 
schende  bladerfontijnen  hadden  ver- 
wisseld. 

En  van  de  ouderen  der  Haagsche 
school?  Wel  had  men  beter  specimen 
van  Jacob  Maris'  kunst  te  zien  kunnen 
geven,  dan  die  magistrale  brug  uit  de 
verzameling  van  den  heer  Reich  ?  Voor 
de  zooveelste  maal  kwam  hier  weer 
uit,  dat  in  deze  richting  het  laatste 
woord  —  voor  langen  tijd  ten  minste  — 
door  Jacob  Maris  is  gezegd.  Evenwicht, 
evenwicht  tusschen  techniek  en  gevoel, 
olj'mpische  kalmte,  nergens  ongedeci- 
deerd zoeken  en  toch  evenmin  ergens 
koude,  schoolsche  plekken.  Dit  stuk 
weer  te  zien  is  altijd  een  revelatie.  Mo- 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  KREFELD 


27 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  KRKFKLD 


numcntaler  van  werking  dan  de  meest 
gecomposeerde  Ruysdael,  mei  machtige 
hand  geborsteld,  hecht  en  rijk  gebouwd 
in  dien  sloeren  teekenstij)  van  louter 
rechte  en  gebroken  lijnen,  zonder  een 
enkele  slappe  rondingen  bij  alle  kracht 
zoo  malsch  en  frisch  van  pjite,  dat  hel 
alleen  al  door  deze  uiterlijke  kwaliteiten 
gemakkelijk  het  meeste  impressionis- 
tische werk  van  anderen  uil  dezelfde 
school  slaat. 

En  hoe  ook  meester  der  materie, 
Maris  is  nooit  een  goochelend  virtuoos 
geworden,  't  Is  alles  ontvangen  in  een 
diep  ontroerd,  maar  sterk  en  mannelijk, 
nimmer  sentimenteel  gemoed.  Deze 
brug  is  een  stuk  werkelijkheid,  heerlijk 
afgesloten,  uit  hel  omringende  geligt, 
van  het  kleine  en  bijzakelijke  ontdaan, 
gekuischt  en  vereenvoudigd,  maar  ner- 
gens van  der  wereld  ruigte  vervreemd. 
Machtige  brokken  kleur,  staan  de  kleine 
huisjes  (usschen  het  oude  zomergroen 
terweerszij  van  hel  strakke  brugje,  waar 
de  zwarte  melkmeid  met  zwaarwiege. 
lende  emmers  aan  U  juk  tegenopsjouwt. 
En  vér  onder  het  schaduwend  brug- 
plankier  dóór,  ziel  men  hel  hollandsch 
landje  zich  breiden,  met  schuilen,  roode 
huisjes  en  spiegelende  vaart,  als  was 
het  de  overal  geldige  synthese  voor  al 
wal  Holland  heet.  Zoo  hollandsch  is 
zelfs  de  in  mineur  gestemde  Zandschip- 
per  van  Israéls  (ik  meen  uit  dezelfde 
collectie)  niet.  Het  is  een  van  Israéls' 
beste  werken,  die  duwende  man  voort- 
stappend langs  de  dommelige  avond- 
vaart, en  de  schimmen  van  boomen, 
aan  het  zwarte  water.  Maar  al  wie 
bij  schilderijen,  behalve  het  genot 
eener  hooge  geeslesuiting,  behalve 
stemming,  ook  nog  zijn  lijfelijke  oogen 
wil  dronkendrinken  aan  de  heerlijkheid 
van  de  mooie  materie,  die  zie  deze 
twee  werken  uit  zoo  verschillende  sfeer 
liefst  niet  achter  elkaar,  om  zuiver  te 
blijven  in  zijn  oordeel.  Dat  beide  schil- 
derijen hier  hangen  verhoogt  de  paeda- 
gogische  waarde  der  tentoonstelling 
zeer.  Ze  zijn  de  standaardmeters  tot 
bestendige  controle  van  den  maatstaf 
,bij  de  beoordeeling  van  het  andere 
werk,  dat  men  zoodoende  van  een  heel 
hoog  plan  at  bekijken  kan.  Ze  zullen  — 
ik  herhaal  hel,  bij  eenige  leiding—  veler 
oogen  kunnen  openen. 


Wat  al  't  overige  betreft ;    detailbè- 
sprekingen    kunnen    hier  geen    plaats 
vinden.  Er  was  *l  een  en  ander  moois 
van  Bosboom^  die  den  Duilschers  trou- 
wens, evenmin  onbekend  is  als  Mesdag. 
—  Ik  weet  niel  hoe  dat  juist  zoo   komt 
Maiwe  was  goed,  maar  niel  schitterend, 
Neiihuys  matig,  Breitner  niel  al  te  karak- 
teristiek vertegenwoordigd.  Van  Poggen- 
beek  vond  men  er  een  curieus  vierkant 
schilderij.     Heelemaal    niel   wat    men 
noemt    een    «  echte  Poggenbeek  t.  De 
Nieuwmarkt  met  het  drukke  gewarrel 
en  gevlek  van  schotsch  en  scheefstaande 
tentjes  en  kramen  om  de  oude  toren- 
muren van  de  St.  Anthonieswaag  heen. 
Die  rijpe  baksleenkleur  met  de  sraake- 
1  ij  k-groene  luikjes  als  achtergrond  en, 
als  hoogste  licht  in  den  grijzen  dag,  de 
glorie  van  een  kar  met  sinaasappelen, 
zuidelijk,  pralend-oranje  boven  de  stem- 
mige  hollandsche  grijzen   uit.    Israëli' 
Thoraschrijver  hing  goed  in  een  klein 
kamertje,  bij    weinig  maar  uitgelezen 
gezelschap ;  midden  op  een  wand  en  op 
eiken  afstand  te  bekijken  door  de  open 
deur  van  een  voorzaal,  was  de  levende 
kop   van   den  oude  met    de    bevende 
hanglip  en  het    werkende    voorhoofd 
aangrijpend  expressief.  Van  de  Jongeren 
had  alleen  Toorop  een  eenigszins  aparte 
plaats,  wat  om  zijn  zoo  geheel  afwij- 
kend palet  noodig  was  geweest,  lu  het 
zelfde    licht-behangen  vertrek   hingen 
o.  a.  ook  nog  twee  landschappen  van 
Vincent  van  Goch,  die  gemakkelijker  voor 
menschen  die  zijn  overige  werk  kennen, 
dan  voor  vreemden  in  's  schilders  rijk  te 
genieten  waren.  Toorop's  inzending  is 
omvangrijk :  Gepointilleerde  schilderij- 
en, ethisch-didaktische  composities  in 
gekleurde  leekening,  symboliek  als  de 
drie  bruiden  en  een  subtiel  damespor- 
trel  in  weinige,  scherpe  potloodlijnen 
en  met  een  tintje  geel  in  de  japon  afge- 
maakt. Ik  noem  hier  bovenal  het  portret 
van  Dr,  Timmermans,  (*)  In  het  trillende 
licht  dat  het  pointillé  veroorzaakt  rondt 
dat  zwarte  achterhoofd  wel  met  verba- 
zende plastiek  achter  het  lezend-aan- 
dachtige  profiel.   En    om  dien  stillen 
mensch  heen  danst  het  flikkerende  licht 
in  spectrale  schijnsels  over  de  bonte 
kamerdingen.  Maar  er  blijft  in  die  tin- 

(«)  Gereproduceerd  in  hel  Tijdschrift  Die  Rhein- 
lande,  111*  Jahrgang,  HeA  9. 1903. 


28 


telende  verlichting  iets  eigenaardig 
onwaarschijnlijks  voor  het  binnenka- 
mersche.  Op  welken  afstand  ook  gezien, 
altijd  korrelt  hel  beeld  weer  uiteen  en 
blijft  dat  paars-zwarle,  rondende  ach- 
ter hoofd  als  in  levende  vervluchtiging, 
als  een  zongeblakerd  akkerland  in  hitte- 
trilling. 

Eenigszins  tusschen  de  portrettuur 
van  Israéls,  die  in  de  spontaan  in  el- 
kaar geveegde  physiognomie,  uitslui- 
tend de  teekens  van  het  zieleschrift 
zocht  te  geven  en  die  beeltenissen  van 
Toorop,  welke  veelal  een  absolute  ver- 
heerlijking van  licht  en  absiractie  van 
lijn  beduiden  —  soms  met  den  wrangen 
bijsmaak  van  pessimistische  of  sen- 
sueele  lyriek  —  tusschen  deze  beiden  in, 
staat  het  trouwe,  pijnlijk  objectief  vol- 
gen van  het  levensbeeld  zooals  Jan 
Veth  hel  doet.  Men  kan  hem  hier  van 
verschillende  kanten  leeren  kennen. 
Want  daar  hangt  weer  dat  schrijnend- 
smartelijke  oude  vrouwengelaat  met  de 
roodgekreten  oogen,  dat  met  veel 
woorden  nauwelijks  suggestiever  kan 
beschreven  worden  dan  in  den  veel- 
zeggenden  titel  «  Als  de  doodsklok 
luidt  9.  Hier  is  wel  in  de  eerste  plaats 
de  ernstige,  kritische  teekenaar  uit  te 
kennen,  die  nimmer  een  atoom  van  de 
waarheid  aan  verleidelijk  decoratieven 
chic  op  te  offeren  verkoos;  maar 
tevens  voelt  men,  dat  er  in  dien  nuchter, 
speurcnden  observaleurnog  een  tweede 
natuur  schuilt.  Die  andere  Jan  Veth 
heeft  niets  van  een  onbarmhartigen  ont- 
leder,  het  is  een  bleeke  mijmeraar 
veeleer,  dien  het  ten  allen  tijde  een 
zoete  marteling  docht,  te  luisteren  hoe 
het  ruisschen  der  levensbeeken  droef 
gaat  versterven.  En  terwijl  anders  deze 
melancholieke  philosoof  eerder  uit  den 
teederen  toon  van  een  zinnetje  zijner 
geschriften,  dan  uit  zijn  messcherpe  por- 
tretten spreekt,  komt  hier  zijn  levens- 
beschouwing hartroerend  te  voorschijn 
in  dat  weemoedig  en  bang  gezicht.  — 
Daarnaast  hangt  een  groot  salonportret 
van  2  personen ;  een  bestelling  zoo  het 
schijnt.  (•)  —  Heer  en  dame  op  hun  veran- 
dah  gezeten  en  ten  halven  lijve  geschil- 
derd, tegen  't  licht  in.  Of  dit  laatste  in 
den  aard  der  bestelling  lag  weet  ik  niet, 
maar  voor  Veth's  drooge  en  uitvoerige 
(«)  Gereproduceerd  t  a.  pi. 


werkwijze  is  het  niet  de  gunstigste 
manier  van  poseeren  Gaarne  wil  ik 
gelooven,  dat  beide  personen  perfect 
gelijken  ;  maar  toch  blijft  dit  een  onbe- 
hagelijk schilderij.  Zelfs  de  teekening  is 
niet  zoo  goed  als  Veth  dat  wel  kan,  de 
leunende  hand  van  den  heer  is  zwak 
van  constructie,  de  plooien  van  zijn  jas 
zijn  star  als  steen.  Maar  't  vreemdste  is 
het  landschaps-uitkijkje  over  boschrijke 
heuvelen.  Wel  drommels !  sneed  men 
het  er  uit  en  werd  het  afzonderlijk  in 
een  lijst  gezet,  zou  dan  niet  ieder  arge- 
looze,  dien  men  het  liet  zien,  aan  Thoma 
denken  of  aan  een  anderen  duitschen 
naam?  Nooit  of  te  nimmer  aan  Jan  Veth. 
Dit  krijterige  bosch  en  deze  dunne 
sluierlucht  zijn  van  kleur  en  behande- 
ling duitsch.  We  zullen  zeker  niet  tegen- 
spreken dat  (c  Andere  landen  andere 
zeden,  b  een  gulden  regel  is,  en  we 
zullen  ook  den  Duitschers  niet  alle 
begrip  van  beeldende  kunst  teneenen- 
male  ontzeggen,  als  de  rechtgeaarde 
Hollander  dat  met  een  hoogwijs  air  kan 
doen  ;  maar  Jan  Veth,  die  nog  pas,  van 
een  duitsche  reis  teruggekeerd,  zoo  on- 
omwonden zijn  verlangen  naar  Hol- 
land's  smijdige  luchten  heeft  bekend, 
Jan  Veth  zullen  we  altijd  meer  lief 
hebben  waar  hij  van  top  tot  teen  Hol- 
lander is. 

En  daarmee  heb  ik,  naar  ik  meen, 
het  gewichtigste  van  de  schllderijen- 
afdecling  aangestipt  om  me  een  volgen- 
den keer  uitsluitend  tot  de  verdere 
inzendingen  te  kunnen  bepalen. 
Juni  W.  V. 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  KREFELD 


VARIA 


De  SI,  Joris  van  Ed.  Pellens  van 
Antwerpen  is  een  oorspronkelijke  tee- 
kening en  houtsnede.  Zij  onderscheidt 
zich  daardoor  van  de  liieeste  gravuren 
die  doorgaans  slechts  de  vertolking  zijn 
van  het  werk  van  een  ander  kunstenaar. 
Wat  de  techniek  betreft  wijkt  deze  plaat 
ook  af  van  de  laatste  akademische  be- 
werking welke  vooral  naar  het  naboot- 
sen van  de  kopergravure  streefde.  Al 
de  eigenaardige  voordcelen  benuttigen 
die  de  gebruikte  stof  oplevert  is  stellig 
een  verdienste  bij  het  vervaardigen 
van  elk  kunstwerk.  Hier  werd  in  deze 
houtsnede  eerlijk  naar  gestreefd.   P.  B. 


VARIA 


29 


BOEKEN  &  TIJDSCHRIFTEN 


BOEKEN  EN 
TIJDSCHRIF- 
TEN 


0  HET  HUIS»  MAANOELIJKSCH  PREN- 
TENBOEK GEWIJD  AAN  HUISINRICH- 
TING,  BOUW-  EN  SIERKUNST,  MEU- 
BELEN >  UITGAVE  VAN  EI).  CUYPERS 
ARCHITECT  TE  AMSTERDAM  >c^ 

|p  hopen  eens  geie^^en- 
Iieid  Ie  vinden  om 
het  slreven  van  Ed. 
Cuypers  op  dit  gebied 
in  passend  verband 
Ie  bespreken.  Op  deze 
plaats  slechts  een 
woord  over  dit  aardige  prentenboek. 
Bij  den  tekst  —  een  causerie  over  alge- 
meene  eischen  van  de  huisinrichting  en 
voor  zoover  ik  tot  heden  zien  kan 
vooral  van  de  meubeleering  uit  een  niet 
al  te  schrale  beurs  —  zijn  open  lijn- 
teekeningen  gevoegd  van  interieurs, 
meubels,  opstanden  en  plattegronden 
van  huizen  onder  welke  sommige  er 
heel  aantrekkelijk  uitzien  Niet  alleen 
om  het  afgebeelde  dat  men  bij  de  kleine 
dimensies  toch  moeilijk  kan  beoordee- 
len,  maar  voornamelijk  om  het  juist 
gekozen  procédé,  de  smaakvolle  ver- 
deeling van  volgedrukte  plekken  en  de 
magere  lijnteekening,  waarin  wriemelige 
onduidelijkheid  is  vermeden.  Kleine 
reproducties  van  gcbruiksdingen,  ook 
al  zijn  ze  met  behulp  der  photografie  in 
tint  gedrukt,  geven  toch  gewoonlijk  ook 
niet  méér  dan  een  vaag  idee  van  het 
origineel  en  daarom  is  het  verblijdend, 
dat  iemand  het  zonder  zinco-  en  auto- 
typie  en  dus  ook  zonder  het  akelige 
kunstdrukpapier  gewaagd  heeft  Daar- 
door wordt  dit  boekje  dat,  zij  het  dan 
ook  in  beschnafden  vorm,  toch  ook 
eenigszins  ais  reclame  bedoeld  is,  een 
werkelijk  bewijs  van  goeden  smaak.  Ook 
de  kleur,  het  stevige  steenrood  van  tekst 
en  prentjes  doet  aangenaam  op  het  gele 


papier.  De  Eckmann-letters  zijn  wel  wat 
geaffecteerd ;  maar  het  is  niet  gemakke- 
lijk voor  zulk  een  uitgave  iets  geschikts 
te  krijgen  tenzij  men  het  opzettelijk  laat 
maken.  En  dan  nog,  ivie  maakt  er  een 
letter  voor  ons?  Karig  is  de  opzet  van 
deze  onderneming  anders  niet,  het  is 
zelfs  geen  teeken  van  zuinigheid  dat  de 
bladen  slechts  aan  één  kant  bedrukt 
zijn;  typografisch  onpraktisch,  kan  men 
in  dit  feit  slechts  een  teeken  van  weelde 
zien,  waardoor  het  hinderlijke  door- 
drukken van  weerskanten  vermeden 
wordt.  Goed  gezet  is  de  tekst  wel, 
in  geserreerde  blokken  door  gevari- 
eerde groene  ornamentrandjes  omlijst. 
Het  best  is  misschien  de  omslag,  be- 
stempeld met  knap  ingedeelde  front- 
versiering naar  een  teekening  van 
's  heeren  Cuypers*  huisportaal  (Jan 
Luykenstraat  2).  De  donkere  druk,  ver- 
levendigd door  wat  handig  aangebrachte 
stukjes  geel,  geeft  aan  het  Amerikaan- 
sche,  wijnroode  kaftpapier  een  deftig 
karakter. 

Het  uiterlijk  van  dit  tijdschriftje  is 
best  verzorgd  en  ook  de  drukkers 
Ipenbuur  &  van  Seldam  hebben  er  eer 
van  ;  zulk  een  uitgave  is  in  alle  geval  een 
loffelijke  daad. 

Over  de  behoefte  ook  voor  Nederland 
eindelijk  een  tijdschrift  te  bezitten,  dat 
zich  met  gebruikskunst  bezig  houdt, 
zullen  we  met  den  heer  Cuypers  niet 
debatteeren.  We  willen  het  gelooven, 
dat  er  nog  altijd  meer  behoefte  aan 
bestaat,  al  heeft  Onze  Kunst,  dunkt  ons, 
ook  getoond  ten  allen  tijde  bereid  te 
zijn  over  zaken  van  dien  aard  te  berich- 
ten. We  veronderstellen,  dat  de  heer 
Cuypers,  wien  dit  wellicht  niet  onbe- 
kend is,  bedoelde  een  tijdschrift  uHslui- 
tend  aan  gebruikskunst  gewijd.     W.  V. 


30 


WALTER  PATER  >DIE  RENAISSANCE 

>  STUDIËN  IN  KUNST  UNI)  POESIE 

>  LEIPZIG,  E.  DIEDERÏCHS  1902. 
-♦y  WALTER  PATER  >  IMAGINARE 
PORTRAITS  LEIPZIG,  INSEL-VERLAG, 
1904. 

-♦y  WALTER  PATFR  >  DAS  KIND 
IM  HAUSE,  EIN  IMAGINAIRES  POR- 
TRAT  >  LEIPZIG,  INSEL-VERLAG, 
1903. 


tS^.  — 


|E  niet  talrijke  geschrif- 
ten van  den  Engelsch- 
man  Pater,  werden 
nu  eerst  in  goede 
Duitsche  vertalingen 
uitgegeven.  Deze  op- 
stellen behoorcn  tot 
het  beste,  wat  ooit  over  kunst  geschre- 
ven werd.  Zij  onderscheiden  zich  door 
een  kristalhelderen,  buitengewoon  aan- 
schouwelijken  stijl,  waarin  menschen 
en  dingen  zich  in  rijke  reflcksen  spie- 
gelen. En  dit  geldt  wel  in  de  eerste 
plaats  daar,  waar  hij  van  concrete  din- 
gen spreekt;  —  de  philosofisch  aesthe- 
tische  gesprekken  zijn  daarentegen 
moeilijker  te  volgen. 

Slechts  met  éen  enkel  boek  is  Pater's 
Renaissance  te  vergelijken,  met  Burck- 
hardt's  Kultur  der  Renaissance.  Bij  bei- 
den ontmoeten  wij  het  zelfde  protest 
tegen  de  algemeen  verspreidde  opvat- 
ting, dat  de  Renaissance  een  geheel  op 
zichzelf  staande  beweging  is  geweest, 
die  op  een  zeker  tijdstip  werd  afgeslo- 
ten; evenzeer  als  we  bij  beiden  den 
wensch  en  ook  de  bekwaamheid  vinden 
om  de  kunstbeweging  met  de  geheele 
geschiedenis  van  onze  Kuituur  samen 
te  voegen,  de  draden  op  te  sporen, 
welke  de  middeleeuwen  en  de  Renais- 
sance saam  verbinden  en  om  in  de 
menigvuldige  verschijnselen  der  Re- 
naissancecultuur,  den  geest  te  ontdek- 
ken, die  deze  beweging  heeft  geleid. 
Pater  behandelt  verdereenige  Fransche 
dichters  en  Italiaansche  schilders  Pico 
della  Mirandola,  Botticelli,  Luca  della 
Robbia,  Michel  Angelo,  Leonardo  da 
Vinci,  Giorgione,  Winketmauw,  etc. 

Hoogst  eigenaardig  zijn  de  Imaginaire 
portretten :  Om  ons  het  karakter  van 
een  tijdperk,  het  intiemste  zijn  van  een 
kunstenaar    op    de    duidelijkste   wijze 


voor  oogen  te  stellen,  geeft  hij  ons  het  BOEKEN  EN 
beeld  van  een  periode  in  een  verdichtte  «rjir^cpoDip 
figuur,  de  schepping  zijner  eigen  fan- 
taisie,  wier  lotgevallen  hij  ons  vertelt.  1  EN 
Zoo  rijst  het  beeld  van  Watteau  uit  hel 
dagboek  eener  zuster  van  een  zijner 
leerlingen  voor  onze  oogen  op;  in 
mooie,  heldere  kleuren  wordt  ons  het 
Frankrijk  der  xiii«  eeuw  geschilderd; 
in  het  derde  portret  Sebastiaan  v'an 
Storck,  de  Hollandsche  zoon,  vinden  we 
een  menigte  belangrijke  opmerkingen 
over  Hollandsche  schilderkunst,  Hol- 
landsche kultuurgeschiedenis  en  het 
Hollandsche  leven  in  het  algemeen  uit 
den  bloeitijd  van  dat  land. 

Pater's  werken  zijn  ook  uiterlijk  zeer 
goed  verzorgd  en  verdienen  ongetwij- 
feld een  groot  debiet. 

ü^  s^  ^  s^  s^  s^^^s^s^ 

ALTE  MEISTER  II  Lfg.  8  TAFELN 
IN  DREIFARBENDRUCK  AUF  PASSE- 
PARTOUT  IN  MAPPE,  M.5  —  LEIPZIG 
E.  A.  SEEMANN. 

^m-/  HUNDERT  MEISIER  DER  GE- 
GENWART,  IN  FARBIGER  WIEDER- 
GABE,  Lfg.  1-4  EBDA. 
^♦yTÜRMERS  BILDERSCHATZ, 
KUNSTBLATTER  DES  TÜRMERS,  15 
PHOTOGRAVUREN  I.  MAPPE  MIT 
TEXT  VON  DR.  WOLFG  V.  OETTIN- 
GEN,  STUTTGART,  GREINER  UND 
PFEIFFER  /u^ 

|E  uitgevers-firma  E.  A. 
Seemann,  die  zich  op 
kunsthistorisch  ge- 
bied reeds  zoo  dik- 
wijls verdienstelijk 
gemaakt  heeft,  tracht 
thans  de  driekleuren- 
druk  cp  grooter  schaal  in  dienst  van  het 
reproduceeren  van  schilderijen  te  stel- 
len, bij  de  Oude  Meesters.  Wel  is  waar 
mei  zeer  afwisselend  gevolg ;  het  bruine 
der  meeste  stukken,  treedt  in  driekleu- 
rendruk zoozeer  op  den  voorgrond,  dat 
de  fijnere  nuancen  er  voor  een  groot 
deel  door  verloren  gaan.  In  de  laatste 
elfde  aflevering,  die  we  hier  meer  be- 
paald op  het  oog  hebben,  zijn  een  Mans- 
portret^ van  Holbein,  een  Dorpsstraat 
van  Peter  Breughel  d.  O.  en  Ostade's 
Boeren  in  een  Prieel,  als  zeer  goed  gelukt 
te  beschouwen. 
Waar  de  Oude  MeeslerSy  slechts  onder 


'rk^^ 


it^^sfi 


31 


BOEKEN  EN 
TIJDSCHRIF- 
TEN 


zeer  sterk  voorbehoud  geprezen  kun- 
nen worden,  verdienen  de  reproducties 
van  de  kunstwerken  der  Modernen,  on- 
bedingden  lof.  Juist  voor  schilderijen 
en  studiën  van  krachtige  borstel  voering, 
is  deze  vorm  van  kleurendruk  biezon- 
der  geschikt.  O.  a.,  werden  er  schilde- 
rijen van  Liebermann,  Leibl.  Meyer- 
heiin,  Schönleber  e.  a.  in  het  tijdschrift 
gereproduceerd,  die  het  karakter  van 
het  origineel  op  waarlijk  verrassende 
wijze  weergeven.  Van  de  eerste  vier 
nummers  zijn  er  twee  aan  Munchen, 
aan  Carlsruhe  en  Berlijn  ieder  éen 
gewijd.  De  bijschriflen  zijn  smaakvol 
en  laten  zich  vloeiend  lezen,  de  prijs  is 
zeer  bescheiden,  zoodat  we  allen  die 
belang  stellen  in  Moderne  kunst,  aanra- 
den om  op  het  tijdschrift  in  te  teekenen. 
•^o^  In  tegenstelling  met  de  altijd  doel- 
treffende keuze  in  de  uitgaven  van  de 
firma  Seemann,  krijgt  men  bij  de  Tür- 
mets  BilderschatZy  het  gevoel  dat  de 
keuze  louter  een  kwestie  van  toeval  is 
geweest.  De  fotogravures,  zijn  over  het 
algemeen  vrij  goed,  maar  de  text  is  een 
beetje  te  veel  in  den  positiven  geest  van 
den  Türmer  geschreven.  Van  Neder- 
landsche  Meesters  vinden  wij  in  den 
uiterst  goedkoopen  BUderschatz  o.  a.  c/e 
Heilige  Familie  van  Rembrandt  die, 
even  als  het  Drie  Koningenfeest  van 
Jordaens,  te  vaag,  te  wazig  van  bewer- 
king is;  het  teere  Hollandsche  Land- 
schap van  Ruisdael  en  het  eigenportret 
van  Van  Dyck,  verdienen  daarentegen 
een  woord  van  lof. 

W. 


^^^^^^^^^^ 


im 


HENRY  VAN  DE  VELDE  f  RENAIS- 
SANCE IM  KUNSTGEWERBE  f  BER- 
LIN,  B.  CASSIRER,  J901  jcm^ 
HENRY  VAN  DE  VELDE  >  KUNST- 
GEWERBLICHP  LAIENPREDIGTEN 
LEIPZIG  >  H.  SEEMANN  NACHF,  1902. 
IXAST  Van  de  Velde's 
voortbrengselen  op 
het  gebied  van  mo- 
derne kunstindustrie 
verdienen  ook  zijne 
geschriften,  waarin 
hij  zijne  leerstellingen 
verkondigt,  onze  belangstelling.  De  He- 
naissance  im  Kunstgewerbe  heeft  bijzon- 
dere waarde  door  de  zeer  getrouwe 
schildering  van  den  strijd  om  den 
«•  nieuwen  stijl  ».  In  beide  werken  wekt 
de  geheel  onhistorische  opvatting  der 
kunstontwikkeling  echter  argwaan  : 
uiterst  eenzijdig  wordt  de  decoratieve 
kunst  als  eenig  levendig  doel  der  kunst 
uitgekreten  —  en  ter  wille  van  deze  stel- 
ling worden  de  feiten  maar  stoutweg 
omgekeerd.  Goede  woorden  spreekt  hij 
echter  over  de  werkzaamheid  van 
Ruskin  en  Morris;  het  beste  aan  theorie 
geeft  hij  in  de  uiteenzetting  van  de  wet 
ten  der  ornamentiek. 

De  Kunsigewerblichen  Laienpredigten 
zijn  voor  een  deel  herhalingen  uit  het 
vorige  boek.  De  vier  voordrachten  loo- 
pen  over  de  jaren  1892-1902  en  geven 
dus  een  duidelijk  overzicht  van  den 
ontwikkelingsgang  van  den  auteur. 
Het  meest  verheugend  is  de  opmerking, 
dal  met  de  jaren  de  schrijver  allengs 
tot  meer  bewustheid  gekomen  is  en  zijn 
stijl  dan  ook  helderder  wordt,  waar  hij 
in  de  eerste  voordrachten  opgeschroefd 
en  precieus  was. 

De  tekst  is  voortreffelijk  vertaald  en 
keurig  gedrukt. 


32 


NIEUWE  GRAVEERKUNST 


IN  NEDERLAND 


OEN  in  het  jaar  1883  de  Heer  Rudolf  Stang  mjeuWE  GRA- 


uit  Düsseldorf  tot  Professor  in  de  Graveer- 


VEERKUNST 


kunst  aan  de  Rijksakademie  van  Beeldende  r^ 
Kunsten  te  Amsterdam  benoemd  was,  werden  mederijvND 
door  den  nieuwen  Hoogleeraar,  op  de  Haag- 
sche  Tentoonstelling  van  het  volgende  jaar, 
twee  zijner  reproduktieve  gravures  ingezon- 
den, en  hel  was  in  den  Nederlandschen  Specta- 
tor dat  toen  over  die  prenten  het  volgende  geschreven  werd  : 

«  Met  leedwezen  zagen  wij  de  beide  gravures  van  den  Heer  Stang. 
»  Zijne  benoeming  tot  professor  aan  de  akademie  te  Amsterdam 
»  heefl  strijd  van  meeningen  opgewekt....  Kunde  wil  ik  dien  graveur 
»  voorzeker  niet  ontzeggen,  maar  als  ik  dat  doode,  drooge,  louter 
»  mechanische  werk  zie,  en  dan  denk  aan  de  genieën  der  oude  Hol- 
.»  landsche  graveerschool,  dan  wordt  het  mij  benauwd  te  moede.  Dan 
))  voorwaar,  had  men  bij  ons  personen  kunnen  vinden,  die  ifieer 
))  volgens  onze  oude  tradities  werken,  wier  werk  misschien  minder 
»  koude  geleerdheid,  maar  zeker  meer  gemoed  en  artistieke  hand 
»  verraadt.  Ik  bid  dat  de  invloed  van  het  Amsterdamsche  prenten- 
»  kabinet  behoede  tegen  het  veldwinnen  van  des  Heeren  Stang's 
»  methode.  » 

Dit  kras  uitgesproken  oordeel,  wat  toentertijd  aan  Alberdingk 
Thym  een  heftige  tegenspraak  ontlokte,  was  in  den  grond  van 
de  zaak  zeker  niet  onjuist.  Het  geval  wilde  echter  nu  eenmaal 
dat  er  in  Nederland  een  Rijksakademie  bestond,  en  dat  er  aan  die 
inrichting  volgens  de  wet  ook  onderwijs  in  de  graveerkunst  be- 
hoorde te  worden  gegeven.  De  oude  Kaiser  had  zijn  ontslag  geno- 
men, en  ofschoon  zich  al  vele  jaren  lang  ook  bij  hem  geen  enkel 
leerling  voor  het  vak  had  aangemeld,  diende  de  vakant  geworden 
plaats  toch  vervuld  te  worden.  Maar  niet  alleen  dat  er  blijkbaar 
geen  jongeHngen    waren,    die  het   graveeren   wenschten    te   leeren. 


On2b  Kunst  1903,  Afl.  8.  V 


33 


NIEUWE  GRA- 
VEERKUNST 
IN 
NEDERLAND 


er  was  ook  geen  Nederlandsch  graveur  (en  in  zooverre  had  de  Spec- 
talor  ongelijk)  dien  men  mei  voeg  kon  aanwijzen  om  hel  graveeren 
Ie  onderwijzen.  Bij  dien  stand  van  zaken  was  het,  dat  men  naar  een 
geschikt  persoon  in  het  buitenland  omzag,  en  zoo  viel  hel  oog  der 
Regeering  op  den  Heer  Stang,  die  een  in  haar  soort  stellig  zeer  be- 
kwaam uitgevoerde  gravure  naar  Rafaëls  Spozallizio  gemaakt  had, 
waar  Thym  en  een  aantal  liefhebbers  met  hem,  bizonder  onizach 
voor  koesterden.  Rudolf  Stang,  meende  men,  zou  de  bij  ons  afgebro- 
ken traditie  van  hel  graveeren  waardiglijk  kunnen  herstellen.  Van 
hem,  zoo  dachten  zijn  bewonderaars,  was  er  kans  dal  eene  nieuwe 
Nederlandsche  graveerkunsl  zou  uitgaan. 

Hel  aldus  naar  Amsterdam  doen  komen  van  den  Düsseldorfer 
graveur  is  echter  op  een  algeheele  mislukking  uitgeloopen,  hetgeen 
vooral  jammer  geweest  is  voor  den  Heer  Stang  zelf,  die  het  eigenlijk 
toch  niet  helpen  kon,  wanneer  men  hem,  onwillekeurig  in  een  onaan- 
gename pozitie  getroond  heeft.  Degenen  die  hem  hierheen  riepen, 
konden  veel  beter  weten  wat  zij  in  hem  aanwierven,  dan  waarschijnlijk 
de  Heer  Stang  zelf  toen  besefte  wat  hij  aan  Holland  hebben  zou.  En  zijn 
schuld  was  hel  per  slot  niet,  wanneer  in  de  negentien  jaar,  gedurende 
welke  hij  hier  zijn  ambt  bekleed  heeft,  zich  geen  enkele  leerling  voor 
de  door  hem  te  onderwijzen  graveerkunsl  aan  de  Amsterdamsche 
Akademie  heeft  aangemeld.  Van  een  veldwinnen  van  des  Heeren 
Stang*s  methode,  waarvoor  de  Spectator  bij  zijn  komst  bleek  te  vreezen, 
is  onder  die  omstandigheden  in  elk  geval  weinig  sprake  geweest. 


Toen  nu  de  Heer  Slang  onlangs  op  zeventigjarigen  leeftijd  zijn 
afscheid  nam,  moest  er  wederom  naar  een  graveur  worden  omgezien, 
die  geschikt  kon  worden  geacht  aan  de  Amsterdamsche  Akademie,  de 
kunst  van  hel  burijn  te  onderwijzen.  Indien  bij  geval  de  ervaring 
intusschen  geleerd  zou  hebben,  dat  hel  graveeren  in  onzen  lijd  eeniger- 
mate  als  een  doode  kunst  beschouwd  moest  worden,  dan  zou  dal  iels 
zijn  waar  de  Regeering  zich  waarschijnlijk  luttel  om  hadde  bekom- 
merd. De  wet  immers  schrijft  voor,  dal  er  aan  de  Amsterdamsche 
Akademie  een  leerstoel  voor  hel  graveeren  zal  zijn,  en  al  zou  er  nu 
nooit  meer  een  jongeman  naar  talen,  om  in  deze  kunst  te  worden 
opgeleid,  en  al  ware  er  op  alle  vier  de  winden  ook  geen  enkele  levende 
plaatsnijder  meer  te  ontdekken  geweest,  de  voorschriften  der  wel 
zouden  tóch  vervuld  moeten  worden  ! 

Het  was  intusschen  niet  de  verdienste  van  de  wet,  noch  van  den 
heengaanden  Hoogleeraar  in  de  graveerkunsl,  wanneer  zich  intusschen 
uit  een  oud-leerling  der  Akademie,  die  tijdens  zijn  discipel-schap  nog 
aan  geen  burijn  gedacht  had,  op  het  onverwachtst  en  langs  een  om- 
weg, een  hoogst  opmerkelijk  graveur  van  wel  zeer  bepaalde  levens- 


34 


P.  DUPONT 

PLOEGENDE  OSSEN,  (Kopergravure). 

(Op  1/4  der  ware  grootte). 


ü.  L.  vttQ  Looy,  Uitgever    Atustenlaiu. 


kracht  gevormd  had.  Maar  het  was  wel  een  bizondere  buitenkans  dat  NIEUWE  GRA- 
men,  om  zoo  te  zeggen  volgens  wettelijk  voorschrift  zoekend  naar  VEERKUNST 
iets  wat  men  een  paar  jaar  geleden  nog  eenvoudig  onvindbaar  had  IN 
moeten  noemen,  nu  den  32-jarigen  oud-leerhng  der  Akademic,  die  NEDERLAND 
wel  zeer  zijn  eigen  weg  gegaan  was,  en  sedert  al  een  aantal  jaren  in 
Frankrijk  yerblijf  hield,  voor  de  vakante  betrekking  in  het  vaderland 
vermocht  te  winnen.  Een  buitenkans  bedoel  ik  nu  in  de  eerste  plaals 
was  het  voor  degenen  die,  wanneer  zij  dezen  man  niet  hadden  gevon- 
den, al  in  een  wonderlijke  impasse  zouden  zijn  gekomen,  maar  een 
buitenkans  was  het  nog  stelliger  voor  de  Nederlandsche  kunst.  Niet 
dat  er  altoos  een  direkt  verband  voelbaar  zou  wezen  tusschen  den  bloei 
eener  kunst  en  het  meer  of -minder  goed  bezel  zijn  der  professoralen 
aan  een  nationale  kunstakademie,  —  en  niet  dal  wij  de  Amsterdamsche 
inrichting  in  eenig  opzicht  voor  een  Eldorado  zouden  houden.  Inte- 
gendeel meen  ik  dat  de  wet  die  haar  organisme  regelt  uit  veelszins 
verkeerde  inzichten  is  voortgekomen,  en  dat  zich  de  kwade  gevolgen 
daarvan  wel  degelijk  laten  nawijzen.  Maar  daarom  geloof  ik  toch,  op 
zichzelf  genomen,  wel  zeker,  dat  het  ons  ten  zegen  moet  komen  wan- 
neer een  man,  wiens  krachtig  talent  bepaald  in  nederlandsche  opvat- 
tingen wortelt,  maar  die  voor  de  kunst  van  onzen  stam  op  den  duur 
allicht  verloren  zou  zijn  gegaan,  door  de  omstandigheden  weder  in 
ons  midden  teruggevoerd  mag  worden. 

Het  is  overigens  met  die  Akademies  een  wonderlijk  geval  In 
haren  oorsprong  zijn  zij  ongetwijfeld  van  de  gezondste  bedoeling.  Een 
man  die  gewerkt  en  gedacht  heeft,  en  die  iets  leeraren  kan,  zet  zich  in 
een  middelpunt  van  beschaving  neer,  en  roept  de  jongelieden  van  ver 
in  den  omtrek  tot  zich,  opdat  hij  hen  met  zijn  ervaring  en  zijn  rijper 
inzicht  den  weg  wijze  tot  vruchtbaar  onderzoek  en  deugdelijken  arbeid 
in  wetenschap  of  kunst. 

Kan  het  natuurlijker,  kan  het  heilzamer?  Maar  nu  bieden  er  zich 
niet  voortdurend  vanzelf  mannen  met  zulk  een  sterken  innerlijken 
drang  aan,  —  wèl  daarentegen  heeft  men  voortdurend  jongelieden  die 
wat  leeren  willen,  en  —  ik  bepaal  mij  nu  tot  de  beeldende  kunst  —  bij 
gebrek  aan  praktische  meesters  in  wier  werkplaats  zij  een  natuurlijke 
opleiding  kunnen  vinden,  worden  er  dan  voor  hen  en  hunsgelijken 
instellingen  geschapen  naar  papieren  systemen,  en  die  systemen  vastge- 
legd zijnde,  gaat  men  mannen  zoeken  welke  aan  zulk  een  instelling 
een  leerstoel  zouden  kunnen  innemen,  in  de  hoop  dat  zij  er  in  zullen 
slagen,  leven  te  geven  aan  de  wel  die  hen  opriep. 

Wat  hiervan  de  bedenkelijke  zijde  is  behoeft  waarlijk  niet  betoogd 
te  worden.  Hoezeer  het  wezen  der  kunst  ook  aan  hoogere  en  in  zeke- 
ren zin  eeuwige  wetten  onderworpen  moge  zijn,  de  vraag  op  welke 


35 


NIEUWE  GRA- 
VEERKUNST 
IN 
NEDERLAND 


wijze  deze  zich  in  diegeeslelijke  uitingen,  welke  uit  de  geheimste  instink- 
ten  van  het  volk  voortkomen,  voor  het  oogenblik  zullen  manifesteeren, 
laat  zich  zeker  langs  wettelijken  weg  niet  oplossen.  Een  kunst  bloeit 
en  tiert,  wordt  begrepen  en  bewonderd,  en  zinkt  soms  in  enkele  jaren 
voor  onze  verbaasde  oogen  in  het  niet.  De  kunst  der  groote  Haagsche 
schilders  die  toch  geen  waardige  school  schijnen  te  zullen  achterlaten, 
is  er  een  hedendaagsch  bewijs  van,  en  van  den  anderen  kant  ziet 
men  wel  plotseling  en  op  het  onverwachtst  een  kunst  opduiken  die 
niemand  had  kunnen  voorzien. 

Dat  wij  in  Nederland  in  dezen  tijd  op  een  waarachtige  monumen- 
tale schilderkunst  zouden  mogen  wijzen,  wie  die  het  twintig  jaar  ge- 
leden had  kunnen  denken?  En  dat  wij  op  het  oogenblik  een  wezenlijk 
uit  krachtigen  drang  zich  aan  de  gravure  wijdend  kunstenaar  zouden 
bezitten,  wèl,  een  dozijn  jaar  geleden  had  men  het  nog  een  onmoge- 
lijkheid geacht.  Ik  geloof  niet  dat  het  een  persoonlijk  oordeel  was  toen 
ik  in  1891  in  het  Weekblad  de  Amsterdammer  in  een  voornamelijk  aan 
een  jonge  Duitsche  kunstbeweging  gewijd  artikeltje  £/snaa/d  ofburijn 
o.  a.  het  volgende  dorst  zeggen  : 

«  Het  burijn  voorziet  niet  in  wat  wij  in  eenig  opzicht  behoeven. 
»  De  werkelijke  bekoring  die  de  bloote  gravure  kan  geven  is  tegen 
»  onzen  ingeboren  zin  voor  toon  volheid  in.  Niet  alleen  ter  reproduktie 
i>  van  echt  Hollandsche  kunst  eigent  het  graveerijzer  zich  niet,  --  wie 
»  het  etswerk  onzer  origineele  etsers  van  deze  dagen  kent  en  begrijpt, 
i>  ziet  in,  dat  al  wat  hier  door  ons  ras  wordt  gevoeld,  gezocht,  ge- 
To  maakt,  buiten  hetgeen  een  herleving  van  het  burijngra veeren  ons 
1^  brengen  kan,  ganschelijk  omgaat.  i> 

Het  moge  eenigszins  als  een  boetedoening  gelden  wanneer  ik  die 
lichtvaardige  verzekering  van  een  dozijn  jaar  geleden  hier  openhartig 
afschrijf,  maar  ik  wilde  er  tevens  een  bewijs  mêe  aanvoeren,  hoe  zelfs 
iemand  die  toch  als  jonge  man  middenin  de  beweging  van  zijn  tijd-  en 
bentgenooten  staat,  zich  schromelijk  in  de  algemeene  ontwikkeling 
der  opkomende  kunst  kan  vergissen.  Hoeveel  te  onmogelijker  nog 
moet  het  dan  voor  een  verder  van  de  bron  blijvende  regeering  zijn, 
onbeweegbare  wetten  te  maken,  die  in  de  gedurig  wisselende  kunstbe- 
hoeflen  van  het  opkomend  geslacht  voorschriftelij k  zullen  voorzien. 

Toch  neemt  dit  alles  niet  weg,  dat  een  krachtig  overtuigd,  welbe- 
wust, door  de  tucht  der  zelfkritiek  gesteund  kunstenaar  bij  gunstigen 
loop  van  omstandigheden  aan  een  Akademie  door  opwekking,  voor- 
beeld en  wegwijzen  den  beginners  in  het  beoefenen  der  kunst  zeker 
van  groot  nut  kan  wezen.  En  om  ons  tot  het  eigenlijke  kader  dezer 
bespreking  te  beperken,  dunkt  mij  dat  vooral  een  leeraar  in  de  gra- 
veerkunst,  de  jongelui  die  zijn  vak  willen  leeren,  van  eminente  voor- 
lichting zal  kunnen  dienen.  Onafwijsbaarder  toch  nog  dan  misschien 


36 


0 


Ui 

ö 

os 
< 

Z       C/3 

O     » 

CU     CQ 

i     O 


eenige  andere  beeldende  kunst  berust  het  graveeren  in  zijn  wezen  op  NIEUWE  GRA- 
een  bindend  handwerk.  VEERKUNST 

En  dat  nu  vooral  in  zulk  een  kunstvak,  dat  zoo  vanzelf  tot  strenge  IN 
tucht  van  organiesch  begrijpen  en  sireng  saamvattend  teekenen  moet  NEDERLAND 
voeren,  —  dat  bij  een  zoo  in  haar  deugdelijk  metier  orthodoxe  kunst 
als  die  van  het  graveeren,  van  een  krachtig  overtuigd  en  frisch  begaafd 
man,  ook  aan  zulk  een  Akademie,  als  voorganger  groote  kracht  kan  uit- 
gaan, schijnt  moeielijk  te  betwijfelen.  En  in  elk  geval  is  de  heer  P. 
Dupont,  die  aan  de  Amsterdamsche  instelling  tot  opvolger  van  den 
heer  Stang  werd  aangewezen,  meer  dan  iemand  anders  de  waardige 
om  als  Leeraar  op  te  treden  in  een  kunst,  welke  hij,  en  dat  is  het 
voornaamste,  al  door  zijn  voorbeeld  schitterend  en  op  het  oogenblik 
zelfs  zonder  mededinging  dient. 

Laat  ons  nu  eens  nader  mogen  nagaan  in  hoeverre,  terwijl  de 
benoeming  van  den  heer  Dupont  aan  de  Amsterdamsche  Akademie 
licht  eenigszins  als  een  offlcieele  erkenning  van  zijn  verdienste  zou 
kunnen  worden  beschouwd,  hetgeen  hij  nastreeft  zelve  ook  inderdaad 
algemeen  begrepen  en  gewaardeerd  kan  worden  geacht.  Wij  willen 
daartoe  de  zaak  nog  weder  eens  wat  verder  ophalen. 

Toen  onze  beste  schilders,  dertig  jaar  geleden,  zich  weder  alge- 
meener  aan  de  bij  ons  lang  verwaarloosde  etskunst  gingen  wijden,  kon 
deze  beweging  zich  aanvankelijk  niet  in  zeer  veel  sympathie  bij  de 
kunstminnende  menigte  verheugen.  Naar  de  mooie  etsen  welke  Israëls, 
Maris,  Mauve  en  Blommers  in  de  zeventiger  jaren  maakten,  keek 
toentertijd  ongeveer  niemand  om. 

De  etsproeven  welke  een  jonger  geslacht  ongeveer  een  dozijn  jaar 
later  begon  de  wereld  in  te  zenden,  werden,  niet  omdat  zij  van  beter 
kwaliteit  waren,  maar  omdat  in  de  toongevcnde  schilderkunst,  de 
smaak  intusschen  wat  aan  het  kenteren  was  geraakt,  reeds  met  eenige 
meerdere  belangstelling  ontvangen.  Toch  had  de  ets  als  zoodanig  het 
toen  in  de  officiëele  schatting  nog  niet  gewonnen.  Er  zat  nog  een 
ietwat  verstijfde  overlevering,  welke  de  eigenlijke  gravure  voor  het 
summum  van.prentkunst  hield,  en  in  elk  geval  was  het  wel  degelijk  in 
naam  van  het  burijnwerk  wanneer  de  etskunst  toentertijd  op  eenige 
geringschatting  bleef  stuiten. 

Heel  lang  intusschen  heeft  deze  tegenstand  niet  geduurd.  De  lief- 
hebber is  een  wezen  van  in  den  grond  volgzamen  aard,  en  evenals  de 
schilderijen  der  Haagsche  schilders  van  lieverlede  gezocht  werden, 
gedeeltelijk  door  dezelfden  die  zich  aanvankelijk  tegen  hunne  kunst 
hadden  verzet,  evenzoo  werd  de  vroeger  versmade  els  door  de  verza- 
melaars allengs  met  modegreligheid  binnengehaald. 

Niet  zonder  een  in  haar  eigen  verzwakt  gehalte  te  zoeken  grond 


37 


IN 
NEDKRI.AND 


NIEUWK  GRA-  trouwens,  was  de  graveerkunst,  gelijk  zij  nog  beoefend  werd,  spoedig 
VEERKUNST  na  het  veldwinnen  van  een  frisschere  etskunst,  in  de  achting  gedanld. 
Een  eenigszins  levendige  kritiek  kon  zij  bezwaarlijk  meer  doorstaan. 
Geen  kunst  toch  waar  men  ondraaglijker  schoolsche  opvattingen  in 
was  gaan  dienen  dan  in  die  van  het  burijn.  De  uitgepieterde  voor- 
schriften der  alleen  nog  maar  voor  reproduktie  van  zoogezegd  klas- 
sieke schilderijen  gebruikte  graveerderij  steunden  zelfs  niet  meer  op 
schijn  van  bezieling.  Ik  spreek  nu  niet  van  Nederlandsche  verhoudin- 
gen alleen,  maar  over  wat  zich  ook  elders  liet  opmerken.  Zoozeer  was 
in  de  tweede  helft  der  negentiende  eeuw  de  burijn-gravure  nog  maar 
alleen  als  middel  tot  vertolking  van  schilderijen  in  gebruik,  dat  de 
overigens  toch  zeer  univerzeele  Charles  Blanc  in  zijn  Grammaire  des 
Arts  du  dessin,  het  karakter  dezer  kunsV  vrij  fondamenteel  naar  eischen 
welke  aan  een  richtig  weergeven  van  andere  kunstwerken  gesteld  moe- 
ten worden,  bepaalt.  Maar  hoe  zonderling  bovendien  werden  die 
eischen  dan  nog  begrepen!  Het  verloop  van  de  lijn  diende  düs  te  zijn, 
de  kruising  der  lijnla^en  onderling,  onder  dien  voorgeschreven  hoek. 
In  bepaalde  gevallen  werden  de  door  de  kruisende  lijnen  opengelaten 
ruiten  met  juist  in  het  midden  daarvan  geplaatste  stippen  opgevuld. 
Het  naakt  vergde  zulke  arceeringen,  drapericn  eischten  lijnen  van  diè 
dikte,  zóó  gelepen,  achtergronden  moesten  op  déze  manier  behandeld 
worden,  voorgronden  op  diè.  Hout,  marmer,  wolken,  boomen,  hel 
werd  alles  naar  voorschrift,  door  bizondere  schikking  van  lijnlagen 
uitgedrukt,  en  deze  buitengewone  schematische  bedremmeldheid,  die 
bovenal  in  den  vreeze  leefde  dat  het  burijn  uit  de  rails  zou  loopen. 
was  oorzaak  dat  het  heele  lijnenschema  van  een  gravure  veelal  eerst 
voorzichtig  in  den  etsgrond  geteekend,  en  luchtig  in  het  koper  gebeten 
werd,  om  dan,  in  die  ondiepe  gelinieerdheid  van  de  plaat,  met  grootcr 
zekerheid,  het  burijn  zelf  tot  dieper  insnijding  te  gaan  gebruiken. 
Bovenal  echter  had  alles  open  van  behandeling  te  zijn,  gelijk  een 
mazennet,  en  bedaardheid,  ijzige  bedaardheid  moest  te  bewonderen 
vallen  in  het  overleg,  waarmee  die  onberispelijke  systematische  lijn- 
lagen  in  het  gelid  waren  gevleid,  terwijl  beweging  en  kleur,  kleur 
en  beweging  de  grootste  vijanden  van  die  koude,  gebreide,  schoolsche 
gravure  bleven. 

Natuurlijk  was  dit  alles  slechts  een  verdroogde  doktrine,  een 
verarmde  konventie,  een  ontwricht  begrip  van  wat  in  vroeger  dagen 
toen  het  handwerk  nog  door  warmte  en  geest  geregeerd  werd,  tol 
mooie  vrije  uitingen  had  geleid,  en  wat  toen  levende  noblesse  mocht 
wezen,  was  nu  in  verstarde  burgerlijkheid  ontaard.  Het  zou  profaan 
zijn  de  geestelooze  platen  der  graveurs  uit  het  einde  der  negentiende 
eeuw,  met  het  heerlijk  bloeiende  graveerwerk  van  Schongauer,  Dürer 
en  meester  Lucas,  ook   maar  even  in  één  adem  te  noemen,   en  hoe 


38 


Q 

< 

< 
CU 

z 

5     > 

9    w 

CU     c 
Q     H 

«    w 


heeft  zelfs  een  vroeg  graveur  als  Mantegna  met  een  nog  vrij  onred-  NIEUWE  ORA- 
zaam  hanteeren  van  het  graafijzer,  toch  oneindig  meer  karakter  aan  VEERKUXST 
zijn  prenten  weten  te  geven  dan  zelfs  de  allerbesten  onder  de  geleerde  IN 
systeem-graveurs  van  later  het  vermochten  I  NEDERLAND 

Doch  omdat  het  hurijn  stellig  in  verkeerde  handen  was  geraakt, 
daarom  is  het  nog  geen  in  zichzelf  te  minachten  outil  geworden. 
Wanneer  de  rechte  man  er  maar  is,  die  het  in  den  rechten  geest  ge- 
bruikt, is  het  een  bij  uitstek  karaktervol  werktuig.  Hoezeer  ook  voor 
een  gedragen  totaalaspect  van  de  prent,  de  door  totaalbij  tingen  van 
heele  partijen  gesteunde  ets  ongetwijteld  voordeden  biedt,  (want  door 
het  zoo  vaak  misbruikte  procédé  van  wat  de  Franschen  het  rentrer 
la  taille  noemen,  kan  het  totaaleffekt  der  gravure  wel  geleidelijk 
opgevoerd  en  vervolkomend  worden,  maar  zoo  eenvoudig  en  ineens 
als  de  bijting  bij  het  etsen  de  krachtkontrasten  beheerscht,  gaat  dat 
bij  de  burijngravure  toch  niet),  heeft  de  gegraveerde  lijn  door  haar 
innerlijke  deugd  op  de  geëtste  nu  eenmaal  ontzachlijk  veel  voor. 

De  in  den  etsgrond  met  de  naald  ontbloote  lijn  wordt  over  haar 
geheele  lengte  gelijkelijk  diep  door  fiet  sterk  water  in  de  plaat  inge- 
beten  :  aan  de  uiteinden  houdt  de  dus  diepgevreten  geul  even  scherp 
op  als  aan  de  zijkanten.  Dit  geeft  aan  de  luchtig  gedirigeerde  etslijn  in 
haar  toestand  van  drukbaarheid  (en  geenszins  altoos  is  dit  een  deugd), 
iets  abrupts.  Het  graveerijzer  daarentegen,  al  richt  dit  zich  minder 
bewegelijk  dan  de  etsnaald,  heeft  een  soepeler  eigenschap  daarin,  dat 
het  aan  het  begin  van  de  lijn  glijdend  inzet,  en  aan  het  einde  er  van 
omzichtig  het  krulletje  koper  uit  de  plaat  opwipt,  en,  zoodoende  op 
het  midden  dieper  duwend,  de  lijn  aan  haar  uiteinde  glooiend  ver- 
loopen  laat. 

Trouwens  men  behoeft  de  gegraveerde  lijn  niet  met  de  geëtste 
lijn  te  vergelijken,  om  te  begrijpen  dat  zij  uit  eigen  aard  de  prach- 
tigste eigenschappen  kan  hebben.  Haar  grondkarakter  toch  is  om 
zonder  hulp  van  eenig  bij-middel,  onmiddelijk  en  onvermengd  uit 
te  drukken,  wat  de  geest  van  den  kunstenaar  door  het  stuwen  van  de 
pols  aan  het  hem  gehoorzamend  instrument  dikteert. 

Dit  instrument,  het  graveerijzer,  dat  dus  met  de  plaat  in  onmid- 
delijk kontakt  komt,  er  innig  handgemeen  mee  wordt,  er  dwingend 
in  ploegt,  is  den  kunstenaar  in  den  strijd  met  de  materie  niet  alleen 
een  willig  wapen,  maar  gelijk  elk  goed  werktuig  tevens  een  stevig 
medewerker,  omdat  door  het  speciaal  bedwang  wat  de  gepunte  stalen 
staaf  over  het  weerstrevende  koper  erlangt,  de  zuiver,  door  harder  in 
weeker  metaal  gesneden  teekening  een  eigen  karakter  van  strenge  on- 
omwondenheid en  klare  veerkracht  verwerft. 


39 


NIEUWE  GRA- 
VEEHKUNST 
IN 
NEDERLAND 


En  bovendien  verleent  de  smijdige  aard  van  hel  egale  koper,  dal 
de  soepele  snede  van  dit  stalen  graalijzer  ontvangt,  aan  de  veerkrach- 
tig in  haar  vlak  geslierde  lijn,  nog  die  edele  malschheid  en  dien  gaven 
glans,  welke  deze  zelfs  in  den  goeden  afdruk  op  het  papier  vermag  af 
te  spiegelen. 

Dit  eigenaardig  karakter  van  de  gegraveerde  lijn,  beheerscht  van 
zelf  het  karakter  van  de  gansche  gravure,  die  daarmee  een  eigen 
opzet,  een  eigen  vormvertolking,  een  eigen  verdieplheid,  een  eigen 
kleur  erlangt,  welke  in  hoofdzaak  wel  zeer  op  hel  smijdig  veerkrach- 
tige in  der  dingen  kennelijk  samenstel  gericht  zullen  zijn.  De  ware 
kunstenaar  voelt  zijn  konceptie,  met  een  nooit  afdwalend  besef  van 
den  aard  zijner  kunst  geboren  worden  en  groeien,  —  vizie  en  uitvoe- 
ring zijn  bij  hem  geen  twee  te  verzoenen  elementen,  maar  hij  kweekt 
ze  als  eendrachtige  machten  hand  in  hand.  En  daarom  is  het  nóodig 
dal  degene,  die  zich  van  hel  levende  karakter  eener  gravure  reken- 
schap wil  geven,  ook  iets  bevroede  van  het  in  den  aard  van  burijn  en 
koper  besloten  liggende  métier,  gelijk  de  waarachtige  graveur  dit  zal 
verstaan. 


Tol  een  door  zulk  deugdelijk  rekenschap  geven  gesteund  begrijpen 
van  puponl's  werk  vindt  men,  voor  zoover  als  er  in  Holland  op  het 
oogenbUk  van  wezenlijke  kunstbeschaafden  gesproken  mag  worden, 
deze  bij  ons  toch  niet  zeer  algemeen  in  staat.  Er  is  in  de  laatste  twin- 
tig jaar  ongetwijfeld  door  velen  en  met  warmte  voor  beter  inzichten 
in  kunstzaken  opgekomen,  en  niet  ik  zal  loochenen  dal  de  vruchten 
van  zulken  arbeid  in  vele  dingen  nawijsbaar  zijn.  Maar  teleurstellend 
blijft  het  toch  vaak  te  moeten  zien,  hoe  hel  tol  zijn  recht  doen  komen 
van  de  eene  kunstmanifestatie  juist  weder  gebruikt  wordt  om  de 
andere  te  bekampen,  en  hoe  het  in  hel  algemeen  wel  iq  de  beperkt- 
heid van  het  menschelijk  begripsvermogen  schijnt  te  liggen,  dat  het  zich 
op  hel  verworven  geestelijk  bezit  verheft  juist  om  zich  van  het  nog  niet 
verworvene  te  gemakkelijker  te  mogen  afmaken.  De  Nederlandsche 
schilderkunst  van  wat  wij  de  Haagsche  school  plegen  te  noemen,  heeft 
in  de  laatste  kwart  eeuw  een  menigte  van  schoone  en  welverdiende 
triomfen  gevierd,  en  schrijver  dezes  is  er  Irolsch  op  in  de  rijen  van 
hen  die  voor  hare  erkenning  ijverden  met  warmte  te  hebben  meege- 
slreden.  Doch  verdrietig  stemt  het  op  te  merken  hoe  thans  alle  kunst, 
ook  wanneer  zij  van  anderen  grondaard  is,  wel  uitsluitend  schijnt  ge- 
meten te  worden  naar  een  maatstaf,  die  voor  deze  Haagsche  schil- 
derkunst evenzeer  deugt  als  zij  b.  v.  voor  hel  beoordeelen  van 
Duponl's  graveerwerk  een  willekeurige  behoort  te  worden  genoemd. 
Een  wezenlijke  breeder  en  dieper  kunstkulluur  zou  er  toe  moeten 
voeren,  elk  kunstwerk  in  zijn  aard  naar  zijn  innerlijke  waarachtigheid 


40 


2 
ï 


z 

CA 

Q 

55 

-< 
-< 

Z 

Q 

CU     ^ 

S  « 

CU     ^ 


en  zijn  zuivere  uitgesprokenheid  te  schatten,  doch  maar  al  te  vaak  NIEUWE  GRA- 
houdt  men  zich  enghartig  vast  aan  eenige  formule  zelve,  in  plaats  van  VEERKUNST 
aan  de  levenskracht  welke  het  kunstwerk  bij  aanvaarding  dier  formule  IN 
vermag  te  openbaren.  Dat  er  in  de  periode  die  het  laatst  achter  ons  NEDERLAND 
ligt  bij  velen  onder  ons  een  groote  liefde  voor  mooie  etsen  ingegroeid 
is,  kan   niet  anders  dan  als  verblijdend  worden   beschouwd.   Maar 
wanneer  men  daarom  de  effekten  van  een  ets  als  uitsluitende  norm 
voor  een  prent  gaat  nemen,  en  men  juist  omdat  men  voor  deze  spe- 
ciaal gevoelig  is  gaan  worden,  te  minder  openstaat  voor  het  genieten 
van  een  voortreffelijke  gravure,  dan  wordt  de  verkregen  verrijking  toch 
slechts  een  bedenkelijke,  en  gaat  de  vraag  licht  rijzen  of  men  toch  ook 
hier  weder  niet  zich  aan  het  uiterlijke  vergaapt,  zonder  het  wezenlijke 
te  verstaan. 

Eene  deugdelijke  herleving  van  de  graveerkunst  kan,  het  lijdt 
geen  twijfel,  alleen  verwacht  worden  van  werk  dat  zich  niet  op  het 
reproduklieve  bazeert,  doch  dat  zijn  eigen  natuuropvatting,  zijn  eigen 
motieven  zijn  eigen  grondaard  meebrengt.  Het  is  dan  ook  zulk  een 
zelfscheppende  graveerkunst  die  door  den  jongen  Amsterdamschen 
graveur  weder  wordt  ingeluid. 

Nog  vóór  zijn  terugkomst  naar  Holland  heeft  Dupont,  nadat  hij 
eenige  hoogst  opmerkelijke  gravures  van  kleiner  omvang  had  uitge- 
voerd, en  waaraan  gedeeltelijk  dezelfde  motieven  die  hij  in  zijn  latere 
etsen  verwerkt  had,  ten  grondslag  lagen,  één  groote,  waarlijk  wel 
monumentaal  te  noemen  gravure  gereed  gebracht,  die  ten  volle  gele- 
genheid biedt  den  aard  en  den  omvang  van  zijn  talent  voor  het  oogen- 
bUk  naar  te  waardeeren. 

De  bij  den  heer  van  Looij  te  Amsterdam  uil  te  geven  oorspronke- 
lijke prent,  stelt  vier  van  ter  zijde  genomen  ploegende  ossen  voor,  en 
de  bedoeling  van  den  kunstenaar  is  deze  gravure  de  eerste  van  zes  in 
verband  gebrachte  voorstellingen  van  den  landarbeid  te  doen  zijn. 
Wat  nu  deze  hierbij  gereproduceerde  groote  prent  met  de  vier  ploe- 
gende ossen  zelve  betreft,  het  is  een  waarlijk  statig  stuk  werk,  doorloo- 
pend in  wèl  saamgaande  liefde  voor  beide  zijn  stof  en  zijn  edel  hand- 
werk uitgevoerd. 

De  snede  van  het  burijn  is  overal  lenig  en  veerkrachtig.  Nergens 
is  de  uitvoerigheid  verstard,  of  ontaardt  hel  subtiele  lijnen  werk  in  bloot 
invullen.  Stukken  als  de  romp  van  den  os  die  het  dichtst  bij  den 
ploeger  komt,  als  het  stukje  landschap  achter  den  man,  als  de  rechter 
voorpoot  van  den  voorsten  os  aan  onze  zijde,  raken  aan  het  volko- 
menste,  diepst  uitgesprokene  wat  mij  in  de  geschiedenis  der  gravure 
nog  bekend  werd,  —  en  het  gevaar  om  bij  zoo  ontledend  in  onder- 
deden ingaan  op  het  samenstel,  de  aansluiting  der  verschillende  par- 


^  41 


IN 
NEDERLAND 


NIEUWE  GRA-  tijen  te  missen,  den  bouw  der  massa's  te  verbrokkelen,  is  in  het  groot 

VEERKUNST      genomen  op  gelukkige  wijze  veraieden. 

Moest  ik  een  opmerking  zoeken,  ik  zou  zeggen  dat  de  omgangen 
der  grootste  krachten  soms  wat  malscher  hadden  gekund  en  dal  de 
oogpartijen  niet  het  mooiste  van  de  beesten  bieden. 

Men  is  wanneer  een  kunstenaar  van  tegenwoordig  zijn  werk  ba- 
zeert  op  gelijke  neigingen,  als  waaruit  de  oude  meesters  voortbrachten, 
al  licht  bereid  te  zeggen,  dat  hij  dus  die  meesters  vlijtig  bestudeerd 
heeft,  of  zelfs  dat  hij  hen  in  het  spoor  volgt.  En  nu  zou  ik  wel  de  laatste 
zijn  om  het  bestudeeren  der  klassieken  voor  een  kwaad  te  houden, 
maar  zekere  verwantschap  behoeft  nog  niet  op  een  direkl  verband  te 
wijzen,  en  ik  voor  mij  geloof  b.  v.  niet  dat  Dupont  zich  lot  nu  toe  zeer 
om  het  werk  van  Albrecht  Dürer  bekommerd  heeft.  Zijn  graveerwerk 
zag  men  zich  daartoe  te  geleidelijk,  te  zeer  langs  natuurlijken  logisclien 
weg  uit  zijn  etswerk  ontwikkelen. 

Wanl  dit  is  bij  het  graveeren  van  Dupont  zeer  eigenaardig.  Hij 
was  de  maker  van  een  aantal  zeer  zuiver  en  kras  gekonstrueerde  etsen, 
die  ofschoon  volkomen  vei^schillend  van  diens  sujetten,  eenigszins 
naar  de  prenten  van  Meryon  schenen  te  aarden.  Maar  nu  kwam  er 
een  periode  in  zijn  werk  die  hem  deed  gevoelen,  hoe  het  eigenlijkste 
wat  hij  zocht  toch  met  het  spartelende  sterk  water  bezwaarlijk  kon 
worden  bereikt.  En  zoo,  door  een  verstandig  vriend  er  op  gewezen 
hoe  er  een  tegenstrijdigheid  kwam  tusschen  zijn  outil  en  wat  hij  er 
mede  wilde  bereiken,  kwam  hij  er  langs  natuurlijken  weg  toe,  het 
strenger  stuwende  burijn  op  te  nemen,  waarin  hij  dadelijk  geheel  het 
hem  passende  werktuig  vond. 

Het  is  ook  nog  van  belang  dit  in  aanmerking  te  nemen  omdat 
wanneer  men  Duponts  werk  verder  ontledend,  het  met  dat  van  Dürer 
vergelijkt,  dit  veel  zal  verklaren.  Want  men  dient  niet  te  vergeten  hoe 
men  bij  hel  graveerwerk  van  den  ouden  Duitscher  en  bij  dat  van 
Dupont  in  een  tegenovergestelden  stroom  is.  Bij  den  eerslen  hebben 
wij  den  graveur  die  binnen  hel  karakter  van  zijn  rijp  gekultiveerde 
kunst  alles  kan  en  allengs  —  men  neme  b.  v.  zijn  schitterenden  Siul 
Eusldcius  met  de  heerlijke  dieren  —  beproeft,  met  hel  gi^aveerijzer  ook 
de  kleurige  diepte  van  een  schildering,  de  dartele  speling  en  stoute 
tegenstelling  van  een  ets,  de  zachte  schuiving  van  een  aquarel  nabij 
te  komen.  Dupont  daarentegen  is  van  de  verslapte  ets  lot  de  sterkende 
gravure  gegaan,  en  zoekt  nu,  wars  van  effekten  die  naar  anders  geaarde 
kunst  neigen,  in  den  zuiveren  snit  van  de  burijn-lijn,  en  daarin  alleen, 
alles  uil  te  drukken  Wie  die  hem  in  dit  beslist  zoover  mogelijk  ingaan 
op  den  te  zeer  vergeten  aard  eener  edele  kunst  niet  loven  zal?  En  al 
houdt  hij  zich  verre  van  al  wal  buiten  het  grondkarakler  van  hel 
strenge  werktuig  gaat,  wat  heeft  hij  juist  in  het  wel  hanleeren  van  dal 


42 


li 

Ik' 
tï 

na 

;| 
JU 

at 


o 
q 

&    c 
;^    cc 

.    < 

CU    o. 


werktuig  zelf,  gedurende  de  toch  nog  maar  enkele  jaren  dal  hij  gra-  NIEUWE  GRA- 
veert,    reeds   een    bewonderenswaardige   vrijheid    en    buigzaamheid  VEERKUNST 
bereikt !  Bij  de  glanzende,  gulle  gespierdheid  van  Duponls  eenvoudige  IN 
lijnen  doet  zelfs  de  expressieve  snede  van  Meesier  Lucas  als  stroefheid  NEDERLAND 
aan,  en  de  partij  van  de  wolken  boven  het  dorp  op  Dupont's  Ploegende 
Osseiiy  is  zonder  twijfel  zuiverder  en  schooner  dan  zelfs  menige  land- 
schapachtergrond van  den  klassieken  Leidenaar  te  noemen. 

Wellicht  is  in  deze  bewonderenswaardige  prent  de  voor  een 
gravure  passende  omvang  bijna  geforceerd.  Legt  men  ten  minste  een 
blad  als  Dürers  Wappen  mii  dein  Hahn  er  naast,  dan  is  men  geneigd 
te  gelooven,  dat  beperkter  formaat  ook  bij  Dupont  op  den  duur  tot  nog 
grooter  koncentratie,  nog  kernachtiger  totaalindruk  zou  kunnen 
voeren.  Maar  het  verlangen  alleen  al,  om  een  blad  van  zulken  omvang, 
om  zelfs  een  serie  bladen  van  dit  gehalte  te  maken,  bewijst  nog  te 
sterker  wat  een  machtige  drift  voor  de  waarachtige  gravure  dezen, 
men  zou  willen  zeggen  vromen  kunstenaar,  bezielt. 

Ik  voor  mij,  ik  bid  den  Hemel  af,  dat  hij  dit  krachtige  en  oorspron- 
kelijke talent  niet  doe  ondergaan  of  verslappen  in  de  niet  te  misken- 
nen gevaren  van  zijn  officieel  leeraarschap,  of  in  de  verweekelijking 
der  groote  sukcessen  welke  hem  zonder  twijfel  wachten,  maar  dat  het 
integendeel  als  een  volle  bloem  uit  den  prachligen  knop  nog  weliger 
moge  uitbloeien,  tot  ons  aller  verheffing,  sterking  en  genot. 

Jan  Veth. 


43 


E  DE   TEEKENINGEN  DER 


DE  TKEKlv 

ningkn  deu 
vlaamsche 
meesti:rs 


VLAAMSCHE  MEESTERS 


RUBENS   (Vervolg  en  Slot) 


C  belangrijkste  leekeningen  van  Rubens  zijn 
de  studiën  voor  zijne  schilderijen ;  men  ziet 
er  in  de  eerste  uiting  zijner  gedachten,  den 
eersten  worp  van  zijn  scheppingslust,  ofwel 
de  nauwgezetheid  waarmede  hij  het  leven 
waarnam,  de  immer  verbazende  breedheid 
en  zekerheid,  de  -natuurlijke  sierlijkheid, 
waarmede  hij  het  weergaf.  Voor  enkele  tafe- 
reelen  maakte  hij  volledige  vschetsen  met  pen  of  krijt :  onder  de  voor- 
naamste tellen  wij  de  Kruisrechting  in  den  Louvre.  In  deze  eerste 
opvatting  zijn  de  luiken  met  het  middelpanneel  samengesmolten,  het 
kruis  snijdt  van  rechts  naar  links  het  tafereel  door,  en  niet  van  links 
naar  rechts,  zooals  in  de  schilderij.  Een  paar  personages  ontbreken 
nog,  maar  de  hoofdgedachte  is  aangegeven  :. uiterste  krachtinspan- 
ning, woest  geweld  van  spieren,  die  werken  als  hefboomen;  van 
beenen  en  ribbenkasten,  stevig  als  kolommen;  van  trekkende  en  hef- 
fende en  stuwende  reuzen,  met  zoo  razend  geweld  samenwerkende 
om  den  lijdzamen  almachtige,  den  onderworpen  klager,  in  de  hoogte 
te  hefien,  alsof  heel  het  gewicht  der  wereld  met  haren  schepper  moest 
verzet  worden.  De  teekenaar  wordt  voortgejaagd  door  zijn  scheppings- 
drift en  toch  blijft  hij  zijn  vorm  meester  en  zal  hij  in  zijn  laatste 
bewerking  weinig  aan  de  eerste  ingeving  te  veranderen  hebben. 

Veel  talrijker  zijn  de  studiën  van  afzonderlijke  figuren  en  groepen 
voor  zijne  schilderijen.  Er  zijn  er  onder  zijne  werken  enkele,  welke  hij 
met  eene  ongewone  voorliefde  voorbereidde,  bijvoorbeeld  de  Nederstor- 
ling  der  Verdoemden^  voor  welke  hij  een  tiental  zeer  uitvoerige  studiën 
teekende.  Wij  kennen  er  vier  in  de  National  Gallery  en  een  in  het 
British  Museum  te  Londen,  zonder  nog  van  de  krabbelingen  en  van 
de  in  oude  catalogussen  vermelde  groepen  te  spreken.  Elk  der  vijf 
eerste  teekeningen  geeft  ons  eene  belangiijke  brok  van  de  menschen- 


44 


P.  P.  RUBENS  :  DE  MARKIES  VAN  LEGANES 
(Albertina,  Weenen). 


P.  P.  RUBENS  :  Studie  voor  den  Val  der  Verdoemden,  uit  de  Pinacotheek  te  Munchcn. 

(National  Gallery,  Londen). 

lawien   te  zien,   die  Rubens  uit  den   hooge   naar  den  afgrond  deed  DE  TEEKE- 
nedertuimelen  in  zijn  grootsch  werk.  NINGEN  DER 

Voor  zijn  Conversatie  a  la  Mode  leekende  hij  even  lalrijke  bladen,  VLAAMSCHE 
enkele  figuren  of  koppels  schetsende  uit  dien  Tuin  der  Liefde^  zooals  MEESTERS 
men  gewoonlijk  het  werk  noemt.  De  Louvre  bezit  er  twee  van,  het 
Museum  Fodor  te  Amsterdam  vijf.  Frankfort,  Berlijn  en  de  Alberlina 
elk  een.  Niet  al  deze  stukken  werden  benuttigd,  enkele  zijn  slechts  stu- 
diën van  het  kostuum,  maar  alle  zijn  merkwaardig  door  de  weidsche 
behandeling  en  door  de  hoedanigheden,  die  wij  reeds  bewonderden  in 


45 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


P.  P.  RUBKNS  : 

Studiehoofd  voor  hel  Mirakel  inin  den  II.  Ildefons  uit  het  Keii^erlijk  museum  te  Weenen. 

(Museum,  Genua). 

de  leekening  gemaakt  voor  C.hrislofTel  Jegher  en  die  hier  nog  in  hoo- 
ger  mate  te  vinden  zijn. 

Een  derde  werk,  dat  Rul)ens  met  vee!  zorg  bereidde,  is  zijn 
Mirakel  van  den  H  Ildefons ;  hij  teekende  er  tal  van  vrouwenhoofden 
voor,  de  liefste,  reinste,  heiligste,  die  hij  opvatte.  Voor  de  O.  L.  V.  en 
twee  der  santinnen  bezit  de  Albertina  praehtige  teekeningen;  de  UfTizi 
te  Florenee  bezit  er  een  derde;  in  het  Museum  te  Genua  vonden  wij 
er  een  vierde,  dat  daar  toegeschreven   wordt  aan  Giovanni  Andrea 


46 


P.  P.  RUBENS  :  Sludie  voor  een   Christus  aan  het  Kruis 
(British  Museum,  Londen). 

Ferrari,  maar  dal  onbelwislbaar  van  Kiibens  hand  is  en  dal  wij  hier  [)i£  TEEKE- 
mededeelen.  NINGEN  DER 

Andere  schihlerijen,  voor  welke  hij  sliidiën  maakte,  zijn  de  Ver-  VLAAMSCHE 
zoening  van  Esaü  en  Jacob  (Pinacolheek,  Munchen),  voor  welke  hij  MEESTERS 
een  vrouw  en  Iwee  kinderen  leekende  tfie  hel  Museum  Plantin-More- 
tus  bezit;  de  Aanbidding  der  Herders^  (Museum,  Rouen),  voor  welke 
hij  een  paar  herderinnen  leekende,  die  de  Alberlina  bezil;  de  Martelie 
van  de  tl.  Caiharina  (SI.  Calharinakerk,  Rijsel);  Chrisioffel  hei  Chris- 
iuskind  dragende  (O.  L.  V.  Kerk  Ie  Anlwerpen);  een  Lachende  Boschgod 
en  een  drinkende  sater  (Pinacolheek,  Munchen),  Minerva  en  Hercules 
Mars  lerugdrijuende  (Ibid).  Voor  de  Boerenkermis  (Louvre),  maakle  hij 


47 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


verscheiden  krabbelingen  op  een  blad,  dal  toehoort  aan  de  National 
Gallery  Ie  Londen;  \oor  een  Christus  aan  hel  Kruis  maakte  bijeen 
fraaie  studie,  die  wij  hier  me^edeelen;  voor  zijn  Danièl  in  den  Leeuwen- 
kuil^ teekende  hij  een  blad  mei  tien  leeuwen,  waar\'an  hij  er  sommige 
ook  nog  wel  elders  benuttigde  en  waarvan  hij  er  een  uitvoeriger  be- 
werkte. Dezen  laatsten  gaven  wij  in  de  eerste  helft  onzer  studie  weer. 
Merkwaardig  is  de  kunst,  waarmede  hij  het  machtige  lichaam  samen- 
trekt, de  stevigheid  waarmede  hij  het  op  de  poolen  zet,  de  veerkracht 
en  hel  geweld  dat  er  uil  die  bonkige  leden  spreekt.  Hij  teekende  nog 
enkele  andere  dieren  :  een  gezadeld  paard  en  een  os  in  de  Albertina, 
een  studie  van  koeien  bij  den  hertog  van  Devonshire.  Al  even  merk- 
waardig zijn  zijne  landschappen  en  boomenstudiën,  nu  eens  de  kalme 
Brabantsche  hoeven  en  velden,  dan  weer  de  woeste  woudennaluur 
afbeeldende. 

Maar  zijn  hoogsten  triomf  als  teekenaar  viert  Rubens  in  zijne 
portretten.  Hij  teekende  die  met  pen  of  krijt,  in  het  enkele  uur  dal  hel 
hem  gegeven  was  de  personage,  wier  portrel  hij  te  schilderen  had,  vóór 
zich  te  zien.  De  stukken  van  dien  aard,  welke  de  Albertina  bezit  : 
Buckinghnnu  Leganès^  Susanna  Founnenl,  Nicolaas  Iiuhens(iVifee  maal), 
Rubens  zelf  in  1()30,  de  Zaaldochler  der  Infante;  de  geleekende  por- 
tretten uit  den  Louvre  :  Maria  van  Medici^  Rubens  op  zesligjarigen 
ouderdom^  en  verder  de  Graaf  Arundel  uit  de  verzameling  van  graaf 
Duchaslel-Dandelol  te  Brussel  en  Isabella  Brant  uil  de  National  Galler}' 
te  Londen  zijn  zoovele  meesterwerken  van  Rubens  en  van  de  wereld- 
kunst. 

Hij  maakte  ze  als  modellen  voor  zijne  geschilderde  conterfeitsels 
en  hij  scheen  te  schilderen  met  het  krijt ;  hij  gaf  met  nauwgezetheid 
eiken  trek,  elke  verhooging  of  verdieping  van  hel  gezicht  weer  en  niets 
hards  toch  is  er  in  die  scherpte  der  lijnen.  Het  vaste  of  mollige 
vleesch,  de  frissche  of  verlepte  huid  is  in  weinig  toetsen  aangeduid. 
De  leekenaar  schijnt  in  de  ziel  van  de  menschen  als  in  een  open  boek 
te  lezen  :  de  schelmachtige  onbeschaamdheid  van  Buckingham,  de  be- 
krompen hooghartigheid  van  Leganès,  de  koninklijke  onbeduidendheid 
van  Maria  van  Medici,  de  schuchterheid  van  het  lieve  kamermeisje, 
de  fijngeestigheid  van  Susanna  Fourmenl,  de  argeloosheid  van  den 
kleinen  Nikolaas  Rubens,  de  doordringende  scherpzinnigheid  van  hem 
zelven  op  dertigjarigen  ouderdom  en  de  ónverzwakte  voornaamheid 
van  zijnen  geest  in  zijn  verzwakt  lichaam  op  zestigjarigen  ouderdom, 
worden  even  duidelijk  weerkaatst  in  al  de  wezenstrekken  als  hij  ze 
erin  bespied  had.  De  verf  kan  nog  de  bekoorlijkheid  der  kleuren  aan 
de  teekeningen  toevoegen  :  meer  leven,  welsprekender  uitdrukking 
kan  zij  aan  de  conterfeitsels  niet  meer  leenen. 

Rubens  hechtte  hoogen  prijs  aan  zijne  teekeningen  en  zijne  lijd- 


48 


*>•;.: 

.^<^ 


P.  P.  HÜBEXS  :  RUBENS  OP  Z  EST  I  (.JA  Hl  GEN  OUDEHDOM 
Studie  voor  cle  schll(i«»rij  uit  het  Keizerlijk  museum  te  Weenen 
(Lou\re.  Parijs). 


''**^ 


•^    *\  %.-^u*f 


f^^^ 


.*--- 


>-  *^v . 


-^^ 


tjl^^ 


^ 


p.p.  RUBENS  :  NIKOLAAS  RUBENS,  ZOON  VAN  PETRUS-PAULUS 

(Albertina,  Weenen). 

genooten  deden  als  hij.  Zij  waren  het  eenige  deel  van  zijne  nalaten-  £)E  TEEKE- 
schap,    dat  hij    niet   wilde    dat    in   veiling   werde  gebracht   na    zijn  NINGEN  DER 
afsterven.   Zij    moesten    volgens  zijn    uitdrukkelijken    wil    bewaard  VLAAMSCHE 
worden,  totdat   zijn  jongste  kind  achttien  jaar  oud  zou  zijn  en,  indien  MEESTERS 
dan  geen  zijner  zonen  schilder  was  geworden  of  geen  zijner  dochters 
met  een  vermaarden  schilder  was  getrouwd,  mochten   zij  eerst  ver- 
kocht worden.  Geen  zijner  erfgenamen  was  een  kunstenaar  en  den 
28"  Augustus  1657  had  de  verkoop  plaats.  Hij  bracht  de  aanzienlijke 
som  van  6557  gulden  16  stuivers  op,  ongeveer  veertig  duizend  frank  in 


vn 


49 


DE  TEEKE- 
NINGEN  DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 


munt  onzer  dagen.  Onder  die  teekeningen  waren  er,  wel  is  waar,  die 
door  leerlingen  naar  zijne  schilderijen  waren  gemaakt  of  stukken  van 
anderen  die  hij  zelf  vergaderd  had.  Na  den  verkoop  werden  zij  naar 
alle  zijden  verspreid.  De  Keulsche  bankier  Jabach  kocht  er  een  groot 
getal  van,  die  in  1671  met  zijne  verzameling  in  die  van  den  koning  van 
Frankrijk  overgingen  en  nu  in  den  Louvre  bewaard  worden.  Een 
aanzienlijk  deel  en  daaronder  de  puikste  stukken  moeten  in  onze  ge- 
westen gebleven  zijn,  waar  de  stichter  der  Albertina,  de  hertog  Albert 
van  Saxen-Teschen,  de  man  der  aartshertogin  Christina,  dochter  van 
keizerin  Maria  Theresia,  die  landvoogdes  was  onzer  gewesten  van  1780 
tot  1790,  ze  vond  en  kocht.  Een  stempel  van  de  gemeenschappelijke 
afkomst  der  voornaamste  stukken  uit  de  Albertina  vindt  men  in  de 
opschriften,  die  verscheiden  der  portretten  dragen  en  die  de  namen 
der  voorgestelde  personen  vermelden.  Al  die  namen  zijn  door 
dezelfde  hand,  klaarblijkelijk  die  van  een  vertrouweling  van  Rubens 
en  waarschijnlijk  Jacques  Moermans,  die  de  veiling  der  nagelaten 
schatten  bestuurde,  geschreven. 

In  vele  openbare  en  bijzondere  verzamelingen,  vindt  men  teeke- 
ningen van  Rubens,  in  de  Albertina  de  meeste  en  beste,  in  den  Louvre, 
in  het  Britisch  Museum,  in  de  Prentenkabinetten  der  Museums  te 
Berlijn  en  te  St.  Petersburg,  in  het  Museum  Plantin-Moretus  te  Ant- 
werpen en  op  meer  andere  plaatsen  nog. 

Wordt  voortgezet).  MaX   RoOSES. 


50 


KUNSTBERICHTEN 


VAN    ONZE   EIGEN 
CORRESPONDENTEN 


UIT  AMSTERDAM 


lACOBMARIS  ^SNOK- 
PKND  MEISJE  yu^ 
Door  (ie  plaalsver- 
^ende  berichlen  uit 
Krefeld  kon  ik  de  Ain- 
sterdamsche  markt, 
waar  veel  te  zien  was 
in  deze  dagen  van  vreemdelingen-be- 
zoek  niet  uitvoerig  genoeg  beliandelen. 
Heden  releveer  ik  alleen,  in  verband 
met  dat  andere  vroege  schilderij  van 
Jacob  Maris  de  Slagerswinkel^  dal  we 
den  vorigen  keer  konden  reproducee- 
ren,  een  ditmaal  afgebeeld  stukje  van 
den  meester  uit  *t  jaar  '68,  Snoepend 
meisje;  met  den  schijn  van  een  verkoop- 
baar genre-stukje,  een  o  zoo  snoezig 
verhaaltje;  maar  in  werkelijkheid  mees- 
terlijk zuiver  al  en  zonder  litteraire  bij- 
bedoeling, alleen  om  de  pracht  van  be- 
zonken kleuren  en  deftige  lijn,  bijkans 
als  stilleven,  geschilderd.  Hel  doekje  is 
in  het  bezit  van  de  firma  van  Goch. 

W  V 

UIT  BERLIJN  — 


||{(H)TE  KUNST-TEN- 
TOON  STELLING 
A^  Eindelijk  begint 
ook  onze  c  Groote 
Boiiijnsche  tentoon- 
sU'lEing  »  iets  van  an- 
^!^'i"  steden,  vooral 
van  Dresden  te  leeren  en  haar  lokalen 
op  zulke  wijze  in  te  richten,  dal  de  ge- 
zamenlijke indruk  harmonisch  werkt, 
en  niet  meer,  zooals  vroeger,  in  leege 
eentonigheid  de  wanden  met  schilde- 
rijen te  behangen.  De  doellrefTeiide  ver- 


anderingen, welke  in  het  tentoonstel-  KUNST- 
lingsgebouw  zijn  aangebracht,  mogen  BERICHTEN 
we  dan  ook  als  een  groote  slap  in  de  „jt  AMSTERDAM 
goede  nchlmg  begroeten ;  er  zijn  een 
paar  groote  zalen  bijgebouwd,  de  geva- 
rieerde kleuren  van  de  wanden  en  den 
vloer  komen  in  toon  goed  overeen  ;  in 
't  korl,  het  verblijf  in  het  gebouw  dat 
vroeger  een  soort  marteling  was,  is  nu 
niet  zonder  een  zekere  bekoring.  Bo- 
vendien is  het  niveau  van  het  ten- 
toongestelde over  het  algemeen  aan- 
merkelijk gestegen,  maar  wanneer  zal 
men  toch  eens  gaan  inzien  dat  zulke 
omvangrijke  jaarlijksche  tentoonstel- 
lingen, hel  publiek  zoowel  als  den  kun- 
stenaar meer  kwaad  doen  dan  goed  ?.... 
Hel  was  evenwel  verblijdend  om  te 
zien,  hoe  goed  België  vertegenwoordigd 
was  en  hoe  goed  het  ingezonden  werk 
overhel  algemeen  voldeed.  Onder  al  de 
anderen  noemen  we  Laermans  in  de 
eerste  plaats.  Het  is  vooral  eigenaardig 
om  hel  contrast  op  te  merken,  tusschen 
zijn  forsch  realisme  en  zijn  gladde,  bijna 
gelikte  techniek,  zooals  bijvoorbeeld  in 
de  dicht  opeengedrongen  groep  van  de 
ellendige  slakkers  op  de  Hoofdschêel- 
plaatSj  op  de  moede,  afgetobde  gezich- 
ten van  het  volk,  dat  van  den  arbeid  UIT  BERLIJN 
huiswaarts  keert,  op  in  hel  Dorp.  Maar 
hij  zelf  heeft  *t  zoo  gevoeld,  zoo,  en  op 
geen  andere  wijze,  de  tegenstellingen 
die  er  zijn  in  het  leven  :  in  de  avond- 
schemering de  vriendelijk  lachende 
dorpjes  met  hun  roode  daken,  onder 
groene  boomen,  op  hel  groene  veld. 
Plekjes  van  vrede,  waar  vrede  toch  zoo 
ver  te  zoeken  is.  Leemputlen's  Paarden- 
tved,  is  een  uitstekende  opvalling  van 
het  eigenaardig  tooneel;  aan  weerszijden 
van  den  kerkingang  de  ernslige  mannen 


51 


KUNST- 
BERICHTKN 
UIT  BKRLÏJN 


JACOB  MARIS:  SNOKPKND  MEISJK 
(in  het  bezit  van  de  firma  Van  Goch). 

op  hun  stoere  paarden,  het  kerkpleintje 
heel  frisch  groen  met  veel  roode  bloe- 
men. Khnopff  openbaart  ons  in  zijn 
vrouwenfiguur  Wierook  geen  nieuwe 
zijde  van  zijn  talent.  Voor  't  eerst  maak- 
ten we  kennis  met  Ciamberlani,  die 
verscheiden  groole  doeken  had  geëxpo- 
seerd :  Het  blijde  Leven,  Een  Lied  voor 
schoonheid  en  Herdersleven  hij  ook 
voert  ons  in  een  wereld  waarin  we 
reeds  door  Puvis  de  Chavannes  waren 
binnengeleid.  Het  Avondmaal  van  Mer- 
tens  vertoont  raffinement  in  de  groe- 
peering der  figuren,  die  in  het  steegje 
om  den  hoek  bij  het  huis  in  roode  bak- 
steen staan ;  zijn  Spiegelend  Wat  er ,  is 
echter  minder  zelfstandig 

Met  dit  stuk  zijn  wij  aan  de  land- 
schappen genaderd.  Onder  deze  noe- 
men we  in  de  eerste  plaats  de  Storm 


bij  Nieuwpoort^  van  Gilsoul, 
dat  hij  met  groote  kracht 
geschilderd  heeft ;  zijn  villa 
aan  het  water  op  In  Juni, 
is  echter  een  beetje  droog: 
Matthieii  deed  zich  met 
eenige  groene,  vlakke  land- 
schappen, Marcette  door 
llooge  Zee  en  een  Landschap 
aan  de  Beneden-Schelde,  stx- 
tegenwoordigen,  het  laaLste 
vooral  is  van  groote  be- 
koorlijkheid, met  zijn  laag 
neerhangende  wolken  en 
wijde  horizonten  Heymans, 
die  bij  de  Fransche  Neo- 
Impressionisten  in  de  leer 
is  geweest,  toont  ons  van 
zijn  besle  werk  in  zijn 
zonnetrillend  landschap 
Zonsopgang  in  de  Kempische 
Moerassen. 

De  plastiek  wordt  hoofd- 
zakelijk door  Lagae  verte- 
genwoordigd in  zijn  ener- 
gieke scherp  gekarakteri- 
seerde portretbusles,  waar- 
van o.  a.,  de  bronzen  kop 
van  een  Filosoof  bizondere 
vermelding  verdient;  Dil- 
lens  was  er  met  eenige 
Plaques  en  acht  allerliefste 
bronsfiguurljes,  de  Gilden 
voorstellend. 

^  S^2^  S^  S^  2^  S^  S^S* 

BERLINER  SF.CESSION  jC^  In  de 
groote  tentoonstelling  van  de  Beriijn- 
sche  Secession  vonden  vooral  de  Bel- 
gen een  gastvrij  onthaal,  terwijl  de 
groote  Hollanders  met  eenige  weinige, 
maar  uitgelezen  stukken  waren  verte- 
genwoordigd. Van  Jozef  Israëls  Bool- 
werkers  in  grauwbruine  en  groene  lo- 
nen ;  op  den  voorgrond  de  twee  arbei- 
ders, die  de  schuit  lossen,  de  rivier  met 
grauw  voortvloeiende  water,  waarin 
zich  het  dorjije  spiegelt  aan  den  over- 
kant, alles  met  vochtige  lucht  als  ge- 
drenkt ;  —  Stormweder  op  hooggaande 
golven,  dicht  bij  het  strand  liggen  sche- 
pen op  en  neer  te  dobberen  —  een 
meisje  en  een  kind  kijken  naar  den 
storm;  't  geheel  in  geelachtig  bruin. 
Verder  Troost,  een  oude  vrouw,  leelijk, 
rimpelig,  die  met   beide  handen  haar 


52 


kommetje  koffie  aan  den  mond  brengt 
en  er  in  zit  te  blazen,  het  binnenliuisje 
in  zijn  geheel  in  donker  gehouden, 
alleen  om  den  kop,  het  kommetje  en  de 
metalen  kan  concentreert  zich  'l  licht, 
een  stuk  vol  Rembrandtgevoel.  Wil  men 
echter  voor  zijn  zoon  Isaac  Israéls  naar 
een  Peet  zoeken,  dan  zou  men  Frans 
Hals  moeten  noemen  ;  in  ongeloofelijk 
breedc  st reeken  zijn  zijn  Fabriekmeisjes 
op  het  doek  gezet,  over  de  straat  zweeft 
de  damp  van  de  fabriek.  Op  zijn  Gracht 
in  den  Winter  heeft  hij  vooral  zijn  hart 
kunnen  ophalen  aan  zijn  geliefde  rood- 
bruine tonen  die  buitengewoon  effectief 
uitkomen  tegen  de  sneeuw.  Jan  Veth, 
van  wien  we  op  de  voorlaatste  tentoon- 
stelling enkele  zeer  vlot  geteekende  por- 
tretten hadden  gezien,  toonde  er  ons 
ditmaal  eenige  waarvan  vooral  de 
details  met  de  grootste  zorgvuldigheid 
en  liefde  bestudeerd  warm.  Bijv.  zijn 
portret  van  een  Ouden  Heer  in  profiel; 
blozende  wangen  met  een  dunnen  wil- 
len baard,  zwarten  jas,  zwart  satijnen 
kalotje  doet  zeer  voornaam  tegen  een 
teergrijzen  achtergrond  Nog  teerder 
van  behandeling  wellicht  is  de  buste 
van  een  meisje  van  een  jaar  of  zestien; 
het  hoofdje  houdt  ze  een  beetje  voor- 
overgebogen, vol  hoop,  —  vragend,  zien 
ons  de  helderblauwe  oogen  aan,  't  haar 
is  blond,  het  kleedje  glanzend  groen, 
met  smalle  roode  biesjes,  al  die  kleuren 
komen  prachtig  uit  tegen  een  blauw- 
lila  fond. 

Meunier  had  een  Huisgaanden  Vis- 
scher  ingezonden,  paard  en  man  zijn 
als  aaneen  gegroeid,  beide  figuren  even 
energiek,  vol  i  obuste  kracht.  Het  is  ver- 
wonderlijk hoe  Meunier  ook  met  zijn 
kleinere  beeldhouwwerken  een  monu- 
mentaal effect  weet  te  verkrijgen. 

W. 

'^^^^^^^^^^ 

UIT  DEN  HAAG  = 

IINNKNHUIS  DIE  HA- 
GHK  ƒ  TKNTOON- 
STELLING  VAN 
SCHILDERWERKEN 
DOORW.  DEGOUVE 
DE  NUNCQÜES  EN 
JULIE  MASSIN  jc^ 
Na  wat  ik  van  De  Gouve  de  Nuncques 


bij  Toorop  gezien  had,  is  dit  werk  me 
bepaald  legen  gevallen,  het  is  voor  wie 
de  ontwikkelingsgang  van  dezen  artiest 
niet  kennen,  bij  gemis  van  eenig  gelei- 
delijk verband,  misschien  moeilijk  hier- 
in eene  persoonlijkheid  te  erkennen, 
die  zich  op  normale  wijze  heeft  ontwik- 
keld uit  de  vorige. 

Met  de  natuur  waaraan  deze  schilder 
zijne  motieven  ontleent,  zijn  we  niet 
vertrouwd.  En  juist  bij  iemand  als 
D.  d.  N.  die  het  algefmeene  in  de  na- 
tuur, de  idee,  in  bizonderen  vorm 
geeft,  is  't  voor  een  '  Hollander  die 
zelden  of  nooit  zijn  haardsteden  ver- 
liet, bedenkingsvol  in  anderen  dan 
algemeenen  zin  over  dit  werk,  dat 
zoozeer  verschilt  van  hel  beeld  dat 
landgenoolen  van  het  Zuider.  gaven,  te 
spreken.  Stellig  zijn  er  builenlandschc 
artiesten,  die  vrij  wat  zuiverder  schil- 
derden en  voor  welker  werk  zoovele 
bedenkingen  niet  rijzen.  Een  rasschil- 
der  zou  men  op  deze  expositie  niet 
leeren  kennen,  meer  iemand  wiens  be- 
teekenis  in  psychologischen  zin  belang- 
rijk is.  Daarbij  is  er  in  het  meeste  wat 
hij  maakt  eene  decoratieve  neiging, 
die  verwant  is  aan  eene  zinnebeel- 
dige. Uit  rotsgevaarten  rijst  de  ge- 
stalte van  een  gemanlelde  figuur  met 
duidelijk  omschreven  kop-vorm.  Elders 
vormen  de  knoesten  van  eenen  wilg 
een  doodskop.  Zelfs  al  was  dit  de  ver- 
beelding eener  werkelijkheid  die  door 
't  inwerken  der  natuur  of  door  bemoei- 
ingen van  menschen  zoo  gevormd  is, 
dan  wijst  de  lust  om  deze  dingen  uit  te 
beelden  en  ze  in  het  rijk  der  schoone 
aanschouwing  tot  ideêeler  en  waarder 
werkelijkheid  te  verheffen  op  eene  gees- 
tes-houding  die  eenige  verwantschap 
heeft  met  dezen  zich  gaarne  in  het 
bovennatuurlijke  (soms  in  het  groteske) 
zich  verdiependen  zin. 

We  gelooven  dat  de  waarachtige  be- 
teekenis  van  deze  kunst  slechts  door 
enkelen  gezien  wordt,  die  meer  van 
bizonderen  dan  juist  van  algemeenen 
geestes-aanleg  zullen  zijn,  terwijl  de 
troebelheid  der  aanschouwing,  de  on- 
voldoende techniek  en  de  het  schilder- 
malige  soms  geweld  aandoende  wijze 
der  voorstelling,  die  soms  aangewezen 
kunnen  worden,  weinig  tot  grooter  ver- 
heldering zullen  bijdragen. 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  BERLIJN 


UIT  DEN  HAAG 


53 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


'  In  dezelfde  zaal  hangt  ook  het  van 
serieuzen  arheid  getuigende  werk  van 
Julie  Massin,  de  vrouw  van  I).  d.  N. 
Dit  is  geen  hizonder  bloeiend  talent. 
Ze  schijn I  werkzaam,  geeft  over  het 
algemeen  wel  sympathieke  dingen, 
soms  een  weinig  droog,  vooral  waar  't 
betreft  het  beweeglijke,  het  luchtige  en 
doorzichtige  uit  te  beelden  wel  eens  te 
kort  schietend,  maar  soms  ook  vinden 
we  onderdeden  van  knappe  bewerking, 
knappe  kleur-combinaties  en  van  ge- 
voelige aandoening.  De  Hut  is  een 
sprookjesachtig  geval  met  weinig  diepte 
van  innerlijkheid,  maar  niet  geheel  on- 
aantrekkelijk. Het  overige  werk,  meest- 
al berglandschappen,  is  van  reêelenzin, 
geeft  weinig  expressieve  momenten 
waarvan  de  techniek  (die  van  het  plain- 
air)    hier  de  expressie  niet    verhoogt. 

PULCHRI  STUDIO  ƒ  GROEPKNTKN 
TOONSTELLINGEN  9^  (LAATSTE  SE- 
RIE) ƒ  6-20  JUNI  >c*.  Met  de  namen 
Wiggers,  Ritsema  en  De  Wild  zijn  de 
drie  belangrijkste  inzendingen  dezer 
serie  aangeduid.  Die  van  Wiggers  is, 
omdat  zij  in  ideéelen  zin  hel  hoogst 
staat,  de  meest  belangrijke.  Nochtans 
zal  De  Wild  voor  zijn  werk  wel  de 
meeste  aandacht  gevraagd  hebben.  We 
hopen  dat  deze  meer  dan  eene  voor- 
loopige  zal  blijken  te  zijn. 

We  zien  hier  de  verrassende  werkproe- 
ven  van  iemand,  die  wal  hij  ook  anders 
moge  zijn,  wel  het  meest  treft,  door 
een  buitengemeen  imitatief  verrtiogen. 
Hier  niet  «•  het  stomachtig  goochelspel 
van  een  fantastisch  palet »»,  er  werd  zel- 
den naar  *t  schijnt  zoo  in  koelen  bloede 
geschilderd  en  gespot  met  alle  bereke- 
ningen van  vooruitziende  theoretici. 
Met  ontstellende  juistheid  en  eene  fabu- 
leuse  techniek,  die  zelden  faalt,  waar 
't  betreft  de  dingen  op  eene  juiste  schil- 
dermatige  wijze  te  omschrijven,  wordt 
het  uitzicht  der  verschijnselen  benaderd. 
Maar  —  en  hierop  moet  terstond  ge- 
wezen —  zijn  aandacht  voor  het  levende 
is  niet  bizonder  groot.  Waar  hij  als 
Breitner  eene  omnibus-halte  wil  geven, 
daar  is  de  uitdrukking  van  hel  levende 
niet  treffend,  omdat  hij  er  als  deze 
meester  niet  buitengewoon  door  aange- 
grepen is.  En  de  techniek,  zonder  deze 


weerschijn  van  een  bevend  innerlijk, 
schijnt  haar  doel  —  dat  is  middel  Ie  zijn 
—  voorbij  te  streven  en  zelf  doel  te 
worden  en  wordt  zonder  beteekeois 
'  Het  is  een  werk  waaruil  nog  nergeus 
sterk  de  bizondere  geestes-houding  van 
den  maker  blijkt. 

Wiggers'  inzending  lijkt  me  het  best 
in  de  aquarellen.  In  Herfst,   een  schil- 
derij, wordt  juist  door  het  vele  geel,  de 
beteekenis  van  deze  kleur,  door  gebrek 
aan  voldoende  tegenstelling  opgeheven. 
In  het  groote  Maanlandschap  waarvan 
de  voltooiing  nog  een  weinig  boven  de 
krachten   van    den    schilder    ging,   is 
iets   van    die    epische  weidscheid  die 
ik  evenwel  nog  rustiger,  ingetogener, 
hoewel  minder  klankvol  gegeven  weel 
in  de  maannacht,  die  met  het  Kerkje  it 
Heelsum  het  zuiverste  en  meest  stellig 
uitspreekt    wat  het    inhoudt.    In  deze 
laatste  maanwereld  is  meer  de  innigheid 
van  den  lyrischen  zanger,  de  innerlijke 
diepte    is    bewogener,    de   uitbeelding 
hartstocht- voller;  bij  het  eerste  Irefl  een 
peinzender  beschouwen  van  de  natuur- 
vormen   zooals    die    zich    uitstrekken 
onder  het  schemerlichten  van  een  verre 
maan.  Schildermatig  is  dit  werk  zeer  zui- 
ver. De  maan  trekt  als  los  van  hare  om- 
geving dooreen  volle  en  toch  ijle  lucht. 
Er  is  in  veel  van  Wiggers'  werk  iets  van 
de  romantische  verbeelding  zooals  die 
in  hare  zuiverste  uitingen  zich  toont. 
Er  is  een  zin  van  werkelijkheid,  die  op- 
geheven wordt  in  de  verbeelding  der 
ideéele  wereld;  er  is  een  sterke  drang 
naar  hel  beschouwende,  met  de  wereld- 
sche  natuur  als  weerschijn  van  de  inner- 
lijke;  bet  is,  meer  in  *t  bizonder,  de 
visie  van  een   dichterlijk  peinzer,  die 
uitgaat  over  de  wereld  en  zich  zelden 
tot  het  dichtbije  bepalende,  vele  domei- 
nen tracht  te  beheerschen. 

Zijn  Wiggers  en  De  Wild  in  zekeren 
zin  twee  uitersten,  bij  Ritsema  vinden 
we  in  aanleg  de  zuiver  picturale  hou- 
schilderschoon  gezien  in  een  samengaan 
ding  :  het  van  realiteit  en  idealiteit,  zoo 
als  dat  door  Mauve,  aan  wie  hij  verwant 
is,  op  bewonderenswaardige  wijze  werd 
gegeven.  Het  schilderij  met  het  geitje,  is, 
In  den  Hof,  door  zijn  groenen  toonaard 
aan  een  uitgewerkte  studie  doende 
denken,  is  een  mooi  en  zuiver  specimen 
van  deze  opvalling.  Het  vrouwenkopje 


54 


Tentoonstelling  te  Krefeld  :  Interieur  van  DysseldorlT,  Lion  Cachet  en  Nieuwenliuys 
inzending  van  de  firma  van  Wisselingh  &  C*. 


evenals  het  stemmige  Avond,  is  als  ge- 
heel te  veel  aanzei  en  blijft  min  of  meer 
decoratief.  De  studies  zijn  frisch  en 
degelijk  en  versterken  het  geloof  in  de 
waarachtigheid  van  dit  streven. 

De  overige  inzenders  zijn  Bongers, 
Siebe  ten  Gate,  Dankmeyer,  José  Frappa, 
Mevr.  Grandmont-Hubrecht,  Anna  Ker- 
lingy  Paul  Rink,  Carl  Sierig,  Jacob  Smits 
en  Anna  Veegens.  H.  d.  B. 

UIT  KREFELD  = 

lENTOONSTELLING 
VANHOLLANDSCHE 
KUNST  (Slot)  jc^ 
Veel  rechtvaardiger 
dan  over  onze  schil- 
derkunst, die  hier 
door  de  omstandig- 
heden geen  volkomen  indruk  van  den 
bloeitijd  van  '80  geeft,  wordt  door  de 
duitsche  kritiek  geoordeeld  over  onze 
gebruikskunst.  E,  Schafer  heeft  in  het 
tentoonstellingsnummer  van  het  Tijd- 
schrift Die  RheinlandCy  ten  minste  eer- 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  DEN  HAAG 


lijk  erkend,  dal  de  Hollanders  het  in 
dal  opzicht  van  zijn  landgenoolen 
winnen.  Toch  blijft  zijn  appreciatie 
in  onderdeeien  echter  onzuiver.  De 
oude  parmantig-geleerde  frases  over 
den  javaanschen  invloed  worden  voor 
den  zooveelsten  keer  herhaald  en  geven 
nu  juist  geen  hoogen  dunk  van  's 
schrijvers  kennis  der  Indische  kunst- 
vormen. Zoo'n  exotisch  woord  als 
c  batik  »  brengt  de  hoofden  in  rep  en 
roer  en  die  tropische  klank  gevoegd  bij 
de  wetenschap,  dal  Toorop  van  Ooster- 
sche  afkomst  is,  zet  het  voor  de  Duit-  UIT  KREFELD 
schers  als  een  paal  boven  water,  dat 
de  ethnografische  sjeu  niet  mag  gemist 
Worden  bij  het  redeneeren  over  holland- 
sche  kunst.  Maar  het  had  erger  kunnen 
zijn  en  is  wel  eens  erger  geweest  ook 
Koele  waardeering  is  altijd  nog  beter 
dan  oogverdraaiend  opvijzelen  of  ver- 
achtelijk neusoptrekken.  Het  Binnen- 
huis en  wal  met  die  richting  in  verband 
staat,  krijgt  wat  hel  verdient.  Een 
baardje  van  Jac.  v.  d.  Bosch  wordt  zelfs 
zeer  geprezen  en  men  moet  zeggen  de 


55 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  KRKFKLI) 


heer  SchSfer  kon  wel  gelijk  hebben,  dal 
zulke  werkstukken,  in  duilsche  kunst- 
nijverheidsscholen  geplaatst,  heel  wat 
nut  zouden  stichten.  Berlage*s  meubels, 
vooral  zijn  damesstoellje  worden  niet 
vergelen ;  EisenlöfTers  werk  wordt  ge- 
roemd. Maar  fijnere  onderscheiding 
vinden  we  in  dit  lange  artikel  niet. 

Men  kan  nu,  wars  van  zotte  kronkels, 
blij  zijn  dat  hier  de  constructie  in  haar 
naakte  schoonheid  zegeviert,  dat  moti- 
veert dunkt  me  toch  niet,  dat  de  gcheele 
inzending  van  de  firma  v.  Wisselingh,  — 
dus  van  Dysselhof,  Cachet  en  Nieuwen- 
hnys  —  met  een  paar  losse  zinnetjes 
zijdelings  wordt  geraakt,  maar  niet  in 
haar  geheel  bekeken,  zelfs  niet  met 
name  genoemd.  Ik  geef  toe  dal  het  or- 
nament bij  al  dit  werk  een  groote  rol 
speelt  en  ik  begrijp,  dat  de  heer  Schafer 
die  zijn  leven  lang  met  siervormen  is 
vcrginigd,  liever  eindelijk  eens  het 
«  Ding  an  sich  >  wil  zien.  Maar  eigenlijk 
komt  het  er  toch  maar  op  aan  hoe  hel 
ornament  is  toegepast  en  hoe  het  is  be- 
handeld. Noch  hel  Binnenhuis,  noch  de 
Woning  heeft  ooit  naar  zulk  een  luxu- 
euse  versiering  gestreefd,  dal  valt  niet  in 
hel  kader  ;  maar  daarom  moet  er  toch 
elders  ruimte  blijven  voor  rijker  vormen 
zoolang  er  weelde  bestaat  moei  dat 
toch  ergens  in  uitgedrukt  worden.  Of 
meent  men  ernstig,  dat  rijke  verzame- 
laars, wier  smaak  aan  japansch  lakwerk 
en  meubels  uit  den  Louis  XV  tijd  is 
geschoold,  zich  ooit  op  hun  gemak 
zouden  voelen  op  een  purileinschen 
Berlage-stoel,  aan  een  eenigszins  ver- 
edelde keukentafel  met  linnen  koffiekan 
van  HüsenlofTel  en  een  streng  georna- 
menteerd servies  van  Amslelhoek  voor 
zich?  En  wal  men  ook  op  hel  praktische 
van  Nieuwenhuis'  meubels,  die  gedeci- 
deerd te  zwaar  zijn,  moge  aanmerken, 
hier  viel  toch  over  een  sierkunstenaar 
te  praten,  die  begrip  toont  van  intieme 
weelde.  Hel  is  een  weldaad  de  gegoede 
burgerij  in  slaat  te  stellen  zich  van  de- 
gelijk en,  bij  gepasten  eenvoud,  mooi 
huisraad  Ie  voorzien,  tegen  vrij  matige 
prijzen;  maar  het  gaal  toch  niet  aan 
ook  hen  die  méér  kunnen  en  willen  uit- 
geven voor  hun  intérieur  dezelfde  arti- 
kelen met  alle  geweld  op  te  dringen. 

In  onze  maatschappij  is  nog  plaats 
voor    pracht    en    rijkdom,  en   daarom 


alléén  al  had  de  heer  Schafer  hel  mooie 
hoekje  van  de  lange  galerij  niet  mei 
een  paar  smalende  opmerkingen  mogen 
voorbijgaan.  We  hebben  een  vorigeD 
keer  al  eens  over  de  verschillende 
meubels  van  Nieuwenhuis,  toen  in  bet 
lokaal  van  v.  Wisselingh  tentoongesteld, 
gesproken  en  kunnen  hier  volslaan  mei 
hen  in  het  verband  der  overige  inzen- 
dingen hun  plaats  aan  te  wijzen  en  nog 
eens  te  herhalen,  dat  deze  met  groole 
toewijding  en  nobelen  smaak  verzorgde 
voortbrengselen  den  hoogslen  lof  aU 
werkstukken  verdienen.  Ook  hier  is 
voorzeker  niet  alles  geslaagd ;  Cachets 
standaards  voor  portefeuilles  lijken  niet 
hecht  genoeg  van  bouw,  de  aanwending 
van  verguldsel  is  weleens  op  hel  kantje 
van  overlading,  maar  zijn  snij  werk  is  van 
vorm  en  factuur  voortreffelijk.  Dysscl- 
hofs  wandschermen,  verraden  in  de 
constructie  nog  wel  eens  te  zeer  den 
schilder.  Ik  herinner  me  b.  v.  een  wit- 
ten paravent  met  aardig  borduurwerk 
van  Mevrouw  Dysselhof,  maar  raar 
aangezette  gothiekerige  conterfortjes 
aan  de  zijkanten. 

Aan  de  hoofdzaak  doet  dal  niet  veel 
af;  deze  afdeeling  was  belangrijk  io 
vele  opzichten  en  dat  heeft  de  heer 
Schdfer  in  zijn  waanwijsheid  niet  gezien. 
Aardigheden  over  de  inrichting  van  eeo 
allergracieusl  kastje  met  glazen  deuren : 
«  eine  Art  modernes  Vertikow,  >  komen 
in  hel  geheel  niet  te  pas,  daar  in  zulke 
aangelegenheden  niemand  dan  de  b^ 
steller  te  beslissen  heeft,  en  in  geen 
geval  mocht  dit  werk  in  één  adem  ge 
noemd  worden  met  het  allerzondigsle 
reuzcnmeubilair  van  Thorn  Prikker. 
Het  is  jammer  van  Thorn  Prikker, 
een  man  die  getoond  heeft  voor  vlak- 
versiering  een  bijzonder  talent  te  heb- 
ben, die  de  lijn  in  zijn  macht  heeft  en 
bij  alle  nerveuse  spontaniteit  toch  wist 
Ie  gehoorzamen  aan  de  eischen  van  bet 
te  versieren  vlak,  dal  deze  geboren  tee- 
kenaar zoodra  hij  gedwongen  is  de 
dingen  in  drie  dimensies  te  vormen,  aan 
zijn  verlangens  naar  de  uitdrukking 
van  het  etherisch -lichte,  of  het  massief- 
geweldige  geen  paal  en  perk  weel  te 
stellen,  ten  gunste  van  de  bruikbaar- 
heid. Hel  bouwen  van  meubels  is 
een  nuchterder  vak  dan  voor  zijn 
hartstochtelijk    gemoed    past    en   boe 


56 


schoon  ook  van  bedoe- 
ling het  eerste  plan  voor 
een  te  vervaardigen 
voorwerp  moge  zijn,  ten 
slotte  uitgevoerd  zonder 
de  remmende  controle 
van  praktische  ervaring 
en  technische  bedreven- 
heid, lijkt  het  resultaat 
een  persiflage  op  hetgeen 
men  wilde  bereiken. 

De  heele  inzending  van 
Thorn  Prikker  met  de 
overigens  verdienstelij- 
ke sculptuur  van  Alldor- 
fer,  is  zooals  ze  daar 
staat  niet  imposant  maar 
gewoonweg  lachwek- 
kend en  de  artiest  is  te 
begaafd  om  zelf  met  het 
hier  bereikte  tevreden  te 
zijn. 

Maar  als  een  artiest  als 
Thorn  Prikker  zich  eens 
een  keer  deerlijk  vergist 
in  wat  men  zou  kunnen 
noemen  zijn  «  emplooi  it, 
dan  is  het  toch  altijd  nog 
minder  erg,  dan  dat  een 
langgevestigde  en  over 
goede  technische  krach- 
ten beschikkende  inrich- 
ting als  de  fabriek  Hoo- 
zenburg,  nooit  tot  een  eenigszins 
voldoende  resultaat  komt,  maar  inte- 
gendeel dieper  en  dieper  zinkend,  een 
vitrine-porselein  tentoonstellen  durft, 
als  hier  te  zien  was.  Toen  dit  nieuwe 
materiaal  gevonden  werd,  heeft  men 
zich  in  den  lande  en  daarbuiten  voor- 
bereid op  een  industrie  van  belang.  De 
stof  had  eene  bijzondere  hardheid  en 
gering  gewicht,  ze  stelde  haar  eigen 
eischen.  De  eerste  exemplaren  waren 
wel  wat  raar,  deksels  die  op  vlokken 
zeepschuim  van  de  scheerkwast  gele- 
ken, ooren  die  —  het  werd  geloof  ik  door 
de  vervaardigers  zelf  als  iets  bijzonders 
aangeprezen  —  niet  waren  aangezet, 
maar,  door  een  vindingrijk  materiaal- 
verkrachtings-procédé,  uit  het  voor- 
werp zelve  schenen  voort  te  komen,  en 
het  geheel  verfraaid  met  een  spinnekop- 
pen  decor  zonder  eenig  verband  met 
den  vorm  van  kan  of  pot.  Men  dacht : 
nu  ja  dat  zal  nog  wel  veranderen  ;  maar 


KUNST- 
BERICHTEN 
UIT  krefi:ld 


Kijkje  in  een  der  Tentoonstellingzalen  te  Krereld. 

het  is  inderdaad  niet  veranderd.  De 
buiken,  halzen,  deksels  en  ooren  zijn 
nog  altijd  zoo  verdraaid  en  zot,  de 
teekening  is  bepaald  gestaag  natura- 
listischer  geworden,  zoodat  deze  won- 
derlijke potjes,  broos  als  eierschalen 
en  toch  eigenlijk  ook  gemeen  hardwit 
van  stof,  nu  beklad  zijn  met  irissen 
en  andere  blommen,  naar  het  lieve 
moderne  recept.  Dr.  Deneken  is  van 
meening,  dat  een  tentoonstelling  ook 
altijd  't  een  en  't  ander  moet  vertoonen. 
a  Wie  man's  nicht  machen  soU.  »  Een 
gevaarlijk  idéé,  als  er  geen  suppoost  op 
de  plaats  in  kwestie  wordt  gezet  met 
het  bevel  alle  bezoekers  daaromtrent  in 
te  lichten.  Hetzelfde  geldt  voor  de  éta- 
lage van  het  Binnenhuis  die  Haghe  dat 
een  soort  van  tweede  weinig  veran- 
derde editie  van  de  hier  niet  vertegen- 
woordigde zaak  Arts  &  Crafts  schijnt 
te  willen  geven.  Altijd  nog  onbruik- 
bare hengsels  aan  koperen  theepotten 


vni 


57 


KUNST- 
BERICHTEN 

UIT  KREFELD 


en  bouilloirs,  altijd  nog  veel  Ie  veel 
moeile  gedaan  om  iels  ordentelijks 
pretentieus  en  leelijk  te  maken.  En  wat 
men  ook  de  Woning^  die  goedkoop  wil 
leveren  en  daardoor  altijd  gedwongen 
is  hel  ergens  op  te  vinden,  kan  verwij- 
len, dat  het  metaal  te  blikachlig  en  te 
dun,  te  onsolicde  doet,  dal  is  hier  nog 
meer  van  toepassing.  Aschbakken  met 
de  blikschaar  uitgeknipt,  lepeltjes  zoo 
slap,  dat  ze  in  hel  gebruik  haast  oprol- 
len, en  hoekig  en  kantig,  onbeschaafd, 
ongeacheveerd,  dat  men  maar  weer  de 
concurentiezucht  en  de  koppigheid  in 
ons  kleine  landje  moet  betreuren,  die 
de  verschillende  instellingen  op  een 
nieuw  gebied  als  paddenstoelen  in  een 
regenachtigen  zomer  doet  groeien  en 
geen  enkele  van  al  die  kleine  pruts- 
industrieljes  veroorlooft,  zich  eens  tot 
iets  bchoorlijks  te  ontwikkelen.  Wal  de 
soliede  makelij  der  voorwerpen  be- 
Irefi,  stond  Amstelhoek  ditmaal  boven- 
aan Hoe  we  over  de  verhouding  tus- 
schen  hel  Binnenhuis  en  de  Woning 
denken,  hebben  we  vroeger  eens  te 
dcfzer  plaatse  gezegd.  Ik  houd  het  niet 
voor  gepast,  daar  na  zulk  een  kort 
tijdsverloop  weer  op  in  te  gaan.  Zie  ik 
juist,  dan  divergeeren  de  richtingen  kort 
uitgedrukt  zóo  :  Het  Binnenhuis  heelt 
kans  te  blijven  wal  het  is ;  De  Woning 
zal  vroeg  of  laat  overgaan  in  de  groote 
industrie  en  zoo  indirect  van  onderaf 
aan  de  missie  vervullen  waarnaar  hel 
Binnenhuis  van  boven  af  tracht.  Hel 
Binnenhuis  zal  door  zijn  voorbeeld 
blijven  werken  op  het  oordeel  der  be- 
schaafden en  meer  gegoeden,  de  Wo- 
ning zal  wellicht  door  een  algeheele 
revolutie  in  de  groote  industrie  het 
lagere  en  minder  bemiddelde  publiek 
door  veranderd  aanbod  van  betere 
goedkoope  machine-waar  om  zoo  te 
zeggen  dwingen  tol  meerdere  kieskeu- 
righeid. 

Ik  denk  hierbij  uitsluitend  aan  de 
richling  geenszins  aan  de  kleine  ven- 
nootschappen zooals  ze  op  't  oogenblik 
zijn.  Misschien  is  er  nog  een  volkomen 
wijziging  noodig,  andere  krachten, 
andere  combinaties;  maar  de  woorden 
Binnenhuis  en  De  Woning  gelden  ons 
als  formules  van  verschillende  induslri- 
êele  begrippen,  die  men  als  zoodanig 
naast  elkaar  kan  stellen  en  wier  functies 


voor  de  toekomst  eenigszins  te  voor- 
zien zijn. 

Voorloopig  balanceeren  de  kansen 
nog  Naar  aanleiding  van  de  Krefeldsche 
tentoonstelling  kun  men  slechts  consla- 
leeren,  dat  de  producten  van  beide  in- 
stellingen nog  wat  erg  veel  op  elkander 
lijken,  en  daar  is,  het  prijsverschil  in 
aanmerking  genomen  iets  onzuivers  in 
Moge  De  Woning  nooit  door  omstandig- 
heden gedwongen  worden  met  geringer 
middelen  toch  apen  prés  hetzelfde  effecl 
te  bereiken  als  duurder  fabrikaat,  om 
zoodoende  in  de  oude  fout  van  faux- 
luxe  te  vervallen.  Goedkoop  en  duur 
moet  men  kunnen  onderscheiden,  zon- 
der de  dingen  op  de  hand  te  wegen. 

De  afdeelingsscliotten  waren  aarditj 
behangen  met  crélonnes  van  DucoCrop 
Dat  heldere  gespeel  van  goedgekozen 
kleurtjes  in  rijke  stilgehouden  teekening 
stemde  de  hokjes  tot  prettige  gezellig- 
heid. Duco  Crop  was  nog  maar  aan  hel 
begin  van  wat  hij  had  kunnen  bereiken 
als  hij  langer  had  mogen  werken  en 
zoeken.  Er  hapert  nog  iets  aan  hel 
verband  van  decor  en  stof.  Die  volle, 
pronkende  patronen  doen  soms  wal 
huichelachtig  tegen  de  armoe  van  de 
dunne  kaloentjes;  maar  hoe  weinig  zou 
er  noodig  zijn  om  op  dezen  weg  lol 
iels  bevredigends  te  komen.  Is  er  nu 
niemand  die  dit  te  vroeg  afgebroken 
werk  weer  eens  wil  opvatten?  Er  is  nog 
zoo  reusachtig  veel  voor  te  doen;  de 
gedrukte  winkel-chitsen  zijn  nog  allijd 
zoo  schreeuwend  en  gemeen.  Me  dunkt 
de  ceramiek-rage  bekoelt  al  wat,  alle 
menschen  krijgen  hun  huis  vol  potten 
en  pannen ;  zou  er  niet  eens  eeu  betere 
lijd  voorde  textiel-industrie  aanbreken? 

Iemand  als  Lebeau  zou  het  zeker  kun- 
nen, als  hij  zich  behalve  voor  zijn  prach- 
tige, dure  batiks  ook  voor  bescheidener 
productie  wilde  interesseeren,  en  als  er 
fabrikanten  te  vinden  zijn  die  zijn  grool 
talent  en  rijpen  smaak  op  prijs  welen 
te  stellen. 

En  tusschen  al  die  uitstallingen  van 
verschillende  waarde,  tusschen  al  dat 
concureeren  en  zoeken  stond  wonder- 
gaaf  en  van  hooge  eenheid  het  steeuen 
wereldje  van  Mendes  da  Costa.  In  die 
kleine  tiguurtjes  is  zooveel  persoonlijks, 
zooveel  innig  menschelijk  besef,  en 
tegelijk   zooveel    karakterislieks    voor 


58 


onzen  lijd,  zooveel  waarheid  en  toch 
zooveel  begrip  van  stijl  dal  de  elegante 
leugen  van  de  frivole  18^  eeuwsche 
porcelein- maatschappij  het  er  tegen 
aflegt.  In  dezen  beeldhouwer  van  één 
turf  hooge  poppetjes  leeft  het  ingehou- 
den machtig  talent  van  één  die  in  staat 
zou  zijn  reuzenlijven  te  slaan  uit  een 
rotsblok. 

Hier  is  veel  meer  dan  bevallige  vorm, 
hier  is  ingetogen  grootheid,  tragisch 
gepeins,  en  spottend  cynisme  in  die 
groepen  van  oude  jodenbuurlypen,  die 
contemplatieve  clowns;  hier  i^  levende 
natuur-visie  maar  beheerscht  en  ge- 
staald door  architectonisch  gevoel  in 
die  liggende  kameelen,  die  apen  met 
rimpelige  deiikerskoppen,  die  vogels 
tot  symelrische  ornamenten  versteend. 
En  een  bekwaam  technicus  blijkt 
Mendes,  één  die  voelt  wat  het  brons 
vergt  tegenover  de  rulle  pète  van  hel 
minder  aristokratische  gres.  Zijn  bron- 
zen Snoepslertje  is  monumentaal  van 
omtrek,  strak  en  toch  nergens  dood,  vast 
en  toch  wonderteêr;  het  meest  verblij- 
dende van  de  geheele  tentoonstelling. 
Juli,  W.  V. 


UIT  KREFELD 


UIT  ROTTERDAM 


y?^"^ 


-^^22^. 


lUSEUM  BOYMANS 
>c^  Ons  Museum  is 
o.  a.  een  Van  Gogh 
rijk  geworden,  een 
heel  mooi  specimen 
van  zijn  kunst  uit  zijn 
latere  Hollandsche 
periode.  In  meer  dan  éeii  opzicht  is  het 
een  werk  van  overgang  De  techniek 
houdt  het  midden  tusschen  de  manier 
van  zijn  Haagschen  en  Brabanlschen 
lijd,  zooals  we  die  een  paar  maanden 
geleden  op  de  Van  Gogli-tentoonstelling 
bij  Mevr.  Oldenzeel  hebben  leeren  ken- 
nen, en  de  neo-impressionistische  van 
zijn  Fransche  werk.  Het  fond  van  deze 
schilderij  is  vast  en  breed  in  elkaar  ge- 
smeerd, een  émailachlige  pAle  van  dis- 
crete tonen  en  daarop  is  gewerkt  met 
zetjes  en  likjes  van  schoone,  bijna  on- 
gebroken kleur. 

Tegen  een  regenzware  buienlucht, 
strafgrijs  met  een  lint  in  het  groene,  op 
den  voorgrond  een  laan  van  herfstboo- 


men,  schuin  naar  rechts.  Daarachter  KUNST- 
hel  wijde  land  en  de  zich  eveneens  naar  DpoTrufiTM 
rechts  verwijderende  donkere  wal  van 
den  horizont.  Ongeveer  in  hel  midden 
is  een  dorpje,  een  torenspits  en  daken, 
met  hooge  boomen  er  omheen.  —  De 
boomen  van  den  weg  hebben  al  hel 
klapperige,  rammelende  van  populie- 
ren, hun  kleuren,  —  op  een  hei-groen 
na,  als  ware  de  lente  in  het  najaar  terug 
gekomen,  —  spelen  door  alle  mogelijke 
herfsl-nuancen,  —  van  een  warm  zilver- 
wit, als  van  ju<iaspenningen,  door  stroo- 
en  goudgeel  en  dofrood  en  ros-grauw, 
tol  hel  bleek-karmijn  en  donker  wijn- 
bruin  van  een  hoogen  kruin,  een  echte 
Monlicelli-kleur.  Met  het  zuiver-blauw 
van  een  enkele  schoone  plek,  hoog  in 
de  lucht,  en  het  oud-goud  van  eenen 
lageren  boom,  maakt  dit  een  rijke, 
voorname  harmonie.  Van  links  schijnt 
een  bleek  waterzonnetje  in,  —  als  een 
even  glimlach  trekt  het  over  de  losse 
popelblaadjes,  —  over  de  opslaande 
voren  en  klonters  van  den  weg...  Hel 
land  daarachter,  onder  de  duistere 
dreiging  van  de  regenzwangere  lucht, 
wordt  er  nog  te  ernstiger  om.  Het 
zwaarst  valt  de  wolkschaduw  op  het 
dorpje  in  het  midden.  Over  den  einder 
schuift  de  rand  van  de  bui,  laat  daar 
een  streep  rel  en  wreed  blauw-en-wit, 
waartegen  spits  en  strak  de  silhouet  van 
het  donkere  dorpstorenlje.  Slechts  even 
worden  de  groene  en  blauwe  neutralen 
van  het  verschiet  gebroken  door  het 
dónker-karmijn  van  een  dak-in-scha- 
duw. —  Er  is  spanning  van  verwachting 
onder  deze  zware  herfslbui.  Zelfs  de 
wind,  die  in  de  blaadjes  van  de  laan- 
boomen  klappert,  schijnt  daar  in  rust 
te  zijn  gegaan. 

Op  den  weg,  vooraan,  bewegen  zich 
een  paar  kleine  vrouwenfiguurljes, 
even-geheimzinnig  Beide  zijn  donker 
gekleed,  éen  in  rouw-zwart,  waartegen 
het  zeer  bleeke  vleesch  van  gezicht  en 
hand  vreemd  afsteekt.  Hebben  deze 
twee  stil-voorlschuifelende  figuurtjes 
een  be teekenis,  of  zijn  zij  slechts  een 
zuiver-picturaal  element,  zooals  zeker 
het  mannetje-in-blauw,  dat  meer  naar 
achter  den  weg  omschofTelt? 

Er  is  niets  melancholieks,  niets  droef- 
geestigs  meer  in  dit  werk,  zooals  het  in 
zijn  vroegere  Brabantsche.  De  kleuren 


UIT  ROTTERDAM 


59 


KUNST- 
BERICHTEN 
UITROTTKRDAM 


zijn  gedekt,  deftig,  maar  niet  zoo  ge- 
smoord, minder  in  een  algeroecnen  toon 
gehouden.  Het  is  een  strakke,  ernstige 
stemming.  Met  klare  oogen  gezien,  met 
aarzelloozc  hand  gedaan,  het  kalm- 
overtuigde  werk  van  een,  die  weet,  zijn 
weg  gevonden  te  hebben.  «  Zoo  is  het 
en  niet  anders,  >  schijnt  ieder  likje  te 
zeggen,  dat  opgezet  is. 

Daar  hangen  zij  nu  naast  elkaar,  de 
beide  profeten,  die  in  hun  vaderland 
niet  geëerd  zijn  :  Vincent's  Iler/stbui 
naast  Jongkindt's  Gezicht  bij  maanlicht 
op  Ouerschie.  En  wel  is  het  een  droeve 
gedachte,  dat  zij  moesten  zwerven  en 
sterven  in  den  vreemde,  eer  men  er  in 
Holland  toe  komen  zou,  te  waardeeren 
de  zeldzame  kunst,  die  zij  brachten. 

Met  dat  al,  men  mag  zich  verheugen, 
dat  er  weer  een  groot  werk  van  Van 
Gogh  veilig  en  wel  in  een  Hollandsch 
Museum  beland  is.  En  dan  vooral  een 
prachtstuk  als  dit ! 

KUNSTZAAL  OLDENZEEL  a^»  Mevr. 
Oldenzeel  had  weer  eenige  Van  Goghs 
uit  de  geheime  voorraadkamer  voor 
den  dag  gebracht,  —  ditmaal  toch  wel, 
naar  men  mij  zeide,  de  laatste.  Het  wa- 
ren negen  schilderijen  en  een  teekening. 
Sujetten  uit  den  Haag  en  uit  Brabant, 
maar  minder  dof  en  gesmoord  van  kleur 
dan  de  vorige  collectie.  Er  is  b.  v.  in  de 
meeste  van  deze  schilderijen  een  onbe- 
wimpelder  groen. 

Er  waren  weer  een  paar  van  zijne 
meesterlijk-gedane  boereiwroiiiven^  kop- 
pen grandioos  van  leelijkheid ;  een 
mooi  stilleven  van  wat  rommel  :  een 
paar  tabakszakken,  een  flesch,  een  vod 
van  een  spiegeltje,  met  een  prachtig 
groen-en-blauw  in  het  fond,  dal  ik  weet 
niet  waardoor  gekregen  was;  een  voor- 
al uit  een  oogpunt  van  techniek  bewon- 
derenswaardig intérieur ;  —  maar  liever 
sla  ik  een  oogenblik  bij  een  paar  land- 
schappen stil,  die  Van  Gogh  weer  van 
een  heel  bijzonderen  kant  doen  kennen. 

Het  eerste,  een  stadsgezicht.  Aan  een 
bleekveldje,  sappig-groen  van  kleur, 
staan  een  paar  vervallen  huisjes,  fijn- 
grijze  muurtjes  met  gapende  galen  van 
vensters.  Achter-boven  de  oranje-en- 
roode  pannennaken  staat  hoog-uit  in 
de  elTen-blanke  lucht  het  dak  van  een 


kerk,  met  een  torentje  in  het  midden 
(de  Nieuwe  Kerk,  den  Haag?).  —  Het  is 
een  koele,  stille  stemming,  een  een- 
zaamheid niet  zonder  mysterieusheid 
De  venstergaten  kijken  vreemd  als 
blinde  oogen.  Zulk  een  blankdroomerig 
ding,  dat  bijna  angstig  van  stille  gaat 
worden ;  —  het  was  me  een  oogenblik 
of  ik  een  vers  van  Gorter  hoorde. 

Het  maangezichi  is  inniger,  vertrou- 
welijker. Het  is  geheel  in  een  warm- 
bruinen  toon  gehouden.  Dwars  door 
het  hooge  koren  gaat  een  weg  naar  hel 
donker  geboomte  om  het  spilstorenlje. 
Hoe  wijd  is  dat  goud-bronzen  koren- 
vlak,  hoe  huivert  er  het  warme,  late 
>  avondlicht  en  weeft  een  teeren  sluier 
voor  de  verschielboomen.  Alsof  het 
koren  nog  wat  van  de  hitt*ï  van  den  dag 
bewaard  had.  —  In  het  oosten  een  Iti- 
blauwe  wolkenbank,  waarop  de  rosse 
volle  maan  rust ;  daarboven  is  de  hemel 
tederlichl,  als  van  opaal,  een  onbe- 
schrijfelijke kleur.  De  heilige  vrede  van 
den  avond  ademt  over  dien  akker. 

Een  paar  prachtige  staaltjes  van  fijn- 
gevoelde  lyrische  landschapskunst. 
^o<  In  de  maand  Mei  exposeerden  in 
hel  achlerzaallje  Ch.  Gruppe  en  Dr.  C. 
H.  Dee  Het  werk  van  Gruppe  is  gema- 
ligd-impres<>ionistisch,  angstvallig-be- 
schaafd  en  lichlelijk-vervelend.  Mis- 
schien dat  hij  er  nog  eens  toe  komen 
zal,  hel  Hollandsch  landschap  wat 
minder  door  den  bril  van  zijn  Holland- 
sche  leermeesters  te  zien. 

Het  werk  van  Dr.  Dee  bewijst,  dat  men 
zich  als  amateur  in  de  kunst  kan  bege- 
ven, zonder  tot  dilettantisme  te  verval- 
len. Zijn  knap  geaquarelleerde  bloem- 
stukken blijven  altijd  serieus  werk, 
alleen  een  enkele  maal  een  beetje  droog. 
Hoe  vlakker  en  decoratiever  gehouden, 
hoe  beter  ze  geslaagd  zijn.  Zijn  beschil- 
derde zijden  waaiers  en  blouses  zijn 
van  een  fijnen,  bijna  vrouwelij  ken 
smaak,  vrij  van  alle  modiste-fraaiig- 
heden.  Al  dit  werk  is  aangenaam  om  te 
zien.  Vooral  omdat  het  zonder  preten- 
tie is. 

^-y  Naschrift.  Het  verslag  over  de 
maand  Mei  had  in  de  Juli-aflevering 
moeten  verschijnen  :  het  manuscript  is 
is  echter  aan  de  post  zoek  geraakt.  Zoo 
was  ik  genoodzaakt  dit  artikeltje  nog 
eens  te  schrijven,  voor  zoover  dat  mo- 


60 


gelijk  was.  De  belangrijke  tentoonstel- 
ling van  den  stilleven-schilder  P.  Mei- 
ners  in  den  Kunstkring  moet  nu,  bij 
gebrek  aan  bruikbare  aanteekeningen, 
tot  mijn  spijt  onbesproken  blijven.  (*) 

VEREENIGING  «  VOOR  DE  KUNST  «  ƒ 
TENTOONSTELLING  VAN  SCHILDE- 
RIJEN EN  TEEKENINGEN  VAN  JOZI' F 
ISRAÊLS  EN  BEELDHOUWWERK  VAN 
GEORGE  MINNE  ƒ  30MEI-7  JUNI  yc.^ 
Israëls,  Het  is  de  dompige  atmosfeer 
van  de  Scheveningsche  visscherswo- 
ningen.  Het  licht  valt  er  groezelig  door 
kleine,  troebele  ruitjes  en  alle  kleuren 
worden  erin  ontsluierd  en  verdoofd. 
En  de  menschen  verouden  vroeg 
daarin,  hun  oog  wordt  kleurloos,  hun 
haren  mat.  Met  dat  al  is  deze  kunst 
geen  schildering  van  menschelijke  mise- 
rién.  Evenmin  van  het  pittoreske,  dat 
er  in  armoedsrommel  is.  Allerminst ! 
Het  is  slechts  te  doen  om  de  atmosfeer 
en  de  menschen  die  groeien  daarin. 

De  atmosfeer.  Dat  onstoffelijke,  ver- 
vloeiende, dat  de  vaste  contouren  der 
dingen  vervaagt,  de  stemming  draagt, 
—  dal  grommend-duister  is  als  van 
smart,  of  doorschenen  van  de  gedempte 
goudheid  van  een  kalm  geluk,  terwijl 
de  schaduwhoeken  steeds  doorweven 
zijn  van  het  bevend  spinsel  van  myste- 
rie ;  —  het  wezen,  de  ziel  van  een 
schilderij,  zonder  hetwelk  hel  een  dood 
en  rammelend  geraamte  is.  Israêls  is 
een  en  al  atmosfeer.  Al  het  lokale  wordt 
bij  hem  van  ondergeschikt  belang.  On- 
der die  flodderige  grijzen  en  bruinen, 
van  allerlei  nuancen  en  waarden,  gore 
roodjes,  zeepsopklruren,  een  enkel 
Qauw-blnuw  of  onzeker  paars  zoekt 
men  vergeefs  een  ongebroken  kleur,  of 
het  moest  het  vuurrood  van  een  kooltje 
in  den  haard  zijn. 

Plaats  en  tijd  worden  even  onzeker, 
ten  minste  onbelangrijk.  En  zijn  men- 
schen zelf,  wat  doel  het  er  toe,  dat  het 
Scheveningsche  visschers  en  visschers- 
vrouwen  zijn,  daar  ze  de  dragers  zijn 
van  eeuwige  mysteriën  en  aandoenin- 
gen ?  Een  voorbeeld  :  hel  bekende  Op 
Hollandsch  duin  (N©  5),  een  jonge  vrouw 
op  den  uitkijk.  Is  het  nu  de  anecdole 

l«)  Op  Blz.  63,  vindt  men  een  algemeene  appre- 
ciatie van  Mciners'  werk  door  Alb.  Plasscliaert. 

(Bed.) 


van  dit  opzichzelf  misschien  triste  ge- 
val, dal  haar  belangwekkend  maakt? 
Zij  is  meer  dan  een  wachlende  vis- 
schersvrouw  :  zij  is  het  verpersoonlijkte 
wachten.  Om  haar- is  de  nieuwe  morgen 
gerezen,  nuchter  en  kil,  zooals  de  dag 
komen  kan,  met  onverschilligheid,  en 
heefl  haar  blank  gezicht  met  de  strakke 
waakoogen  verlicht.  Maar  het  licht  heefl 
geen  ontspanning  gebracht.  Leeg  de  zee 
en  leeg  de  lucht.  En  zonder  te  weten, 
dat  zij  nog  een  lichaam  heeft,  blijft  ze 
zitten  in  het  helm,  al  haar  levenswil 
heeft  zich  geconcentreerd  in  staren. 

Machtiger  nog,  ook  om  zijn  ongewis- 
heid, om  wat  het  te  raden  laat,  is  de 
Werkman  van  de  zee  (N©  2),  rechtop 
tegen  lucht  en  zee,  een  mand  op  zijn 
schouder.  Het  is  in  schemering.  Tegen 
den  nevelachtergrond,  even-  doorlicht 
van  late  zon,  met  zijn  vagen  horizont, 
staat  de  duistere  kop  met  de  harde, 
leerachtige  plooien.  De  oogen,  bijna 
onzichtbaar  in  de  diepe  kassen,  zijn  vol 
raadsel  en  oneindigheid  :  deze  man, 
half  zeedier  zelf,  met  zijn  kleeren  van 
een  kleur  als  avondgolven,  zijn  visch- 
achlig-uilziende,  glibberige  naakte  voe- 
ten, kenl  al  de  verschrikkingen  van  de 
zee.  Het  is  gegeven  zonder  eenigen  om- 
haal, dit  is  de  werkman  van  de  zee. 

Van  welk  een  innerlijke  schoonheid 
zijn  de  Biddende  vrouw  (N"  4)  en  Oude 
dag  (No  3).  In  hel  eerste,  hoe  bloeit  daar 
de  bidster  op  in  het  licht,  dal  door  het 
hooge  raam  diep  in  de  kamer  valt, 
luisterrijk.  Ook  van  N"  3  is  de  kop  van 
den  ouden  man,  blanke  eerwaardigheid, 
geliefkoosd  door  den  warmen  dag,  de 
lichtkern  van  de  schilderij. 

De  mensch  is  de  kern  van  zijn  aan- 
dacht en  arbeid  :  hij  maakt  menschen. 
No  6  b  V.  [Langs  den  weg)  met  zijn 
breedgedakte  hoeve  en  wijden  horizont, 
laag  onder  de  enistige  lucht,  is  een 
mooi,  stemmingsvol  landschap,  maar 
zijn  volle  belangrijkheid  krijgt  het  toch 
eerst  door  de  figuren  van  de  vrouw  en 
den  jongen  vóór  op  den  weg  ;  dan  be- 
seft men  eerst  hoe  wijd  en  verlaten  hel 
land,  hoe  slraf-crnstig  de  hemel  is. 

Van  de  teekeningen  dient  de  aquarel 
De  Herder  (N"  13)  genoemd  te  worden, 
verder  de  beide  Bedelaars,  waarvan  de 
een  zoo  prachtig  en  karakteristiek 
Joodsch. 


KUNST- 

BERICHTEN 

UITROTTERDAM 


61 


KUNST- 
BERICHTKN 
ÜIT  ROTTKRDAM 


Al  deze  nederigen.  Zooals  hij  stille 
pracht  vindt  in  zijn  vage,  vaak  onnoem- 
hare  kleuren  en  luister  van  licht  in  de 
dompige  atmosfeer  van  zijn  visschers- 
hutten,  zoo  vindt  hij  verborgen  schoon- 
heid in  het  nederige  leven,  de  schoon- 
heid, die  gezocht  wil  zijn.  •  11  n'y  a  pas 
de  grande  et  pelite  vie...  » 

Het  geëxposeerde  is  afkomstig  uit  de 
verzameling  van  de  firma  Scholtens  & 
Zoon,  kunsthandelaars  te  Groningen  ; 
van  de  door  deze  firma  uitgegeven  etsen 
naar  schilderijen  van  den  meester  (door 
Dake  en  Grasdl  van  Roggen)  waren 
eenige  mooie  exemplaren  mede  tentoon- 
gesteld. 

^ry  George  Minne,  Kr  is  natuurlijk  niets 
tegen  te  zeggen,  met  het  werk  van  Jozef 
Israéls  dat  van  George  Minne  te  expo- 
seeren,  maar  dan  moet  het  een  het  ander 
niet  hinderen,  zooals  op  deze  tentoon- 
stelling het  geval  was.  Een  beeldje  een 
schilderij  tot  fond  te  geven,  doet  geen 
van  beide  goed.  Het  is  waar,  dat  van  het 
ongeschikte  zaaltje  van  *  Pro  Patria  • 
niet  veel  te  maken  valt. 

Minne's  archaïstische  kunst  hoort  zoo 
echt  in  Vlaanderen  thuis,  zou  zich  in 
geen  enkel  land  buiten  Vlaanderen  zoo 
zuiver  en  stijvol  kunnen  openbaren. 
Want  daar  zijn  «Ie  middeleeuwen  nog 
bezig  zoetjes  en  zachtjes  te  sterven  en 
nergens  is  een  teruggrijpen  op  haar  plas- 
tiek, om  aandoeningen  uit  te  drukken, 
die  dicht  bij  haar  gevoelsfeer  slaan, 
minder  gewelddadig  dan  daar.  Fr  moge, 
als  in  iedere  archaïseerende  kunst,  iets 
decadents  in  deze  zijn,  men  kan  haar 
ervan  beschuldigen  dat  zij  hel  rijke 
leven  ontwijkt,  dal  zij  zich  kunstmatig 
afsluit,  —  maar  valsch  is  zij  in  elk  geval 
niet.  Een  Vlaming  kan,  als  hij  wil,  nog 
een  halve  Middeleeuwer  zijn.  Waar  dit 
tenslotte  heenvoert,  doel  op  hel  oogen- 
blik  niets  ter  zake. 

George  Minne  herleidt  zijn  menschen 
door  hen,  als  hel  ware  van  spieren  te 
ontdoen,  of  door  ze  met  een  gestyleerd- 
geplooid  gewaad  te  bedekken.  In  beide 
gevallen  ontneemt  hij  hun  de  zuiver- 
menschelijke  gestalte,  om  ze  lol  dragers, 
lot  verbeeldingen  eener  idee  of  aandoe- 
ning te  maken.  Hoe  zijn  werk  zich  bij  de 
Middeleeuwen  aansluit,  —  men  zie  de 
Drie  heilige  Vrouwen,  wier  gezichten 
onzichtbaar  zijn  door  de  ver-overhan- 


gende kappen.  Deze  houding  herinnert 
terstond  aan  de  treurende  nonnen  van 
een  grafmonument  in  hel  Louvre  Ik 
spreek  hier  niet  over  uiterlijke  gelijk- 
heid, nog  minder  over  navolging.  Want 
al  is  er  zooveel  gelijkheid,  dat  men  deze 
groep  op  hel  eerste  gezicht  voor  Middel- 
eeuwsch  werk  zou  kunnen  houden,  - 
de  heiligheid,  die  huivert  uil  de  straf- 
geplooide  gewaden  van  deze  bijna  ge- 
slachtsl&oze  wezens  getuigt  van  de 
zuiver-persoonlijke  aandoening,  die  den 
arlist  beheerscht  heeft.  Er  is  dus  in  de 
eerste  plaats  verwantschap  van  stem- 
ming. 

Bij  alle  overeenkomst,  treft  bij  de 
overige  werken,  naaktflguren,  terstond 
een  groot  onderscheid  met  Middeleeuw- 
sche  kunst.  De  anatomie  van  Minne's 
naakten  gaat  uit  van  geheel  andere  prin- 
cipes. Zooveel  is  er  echter  weer  van 
geestelijke  verwantschap  dat  alle  (op  de 
Badende  vrouw  na)  zonder  de  geringste 
zinnelijkheid,  zonder  liefde  voor  de  uit- 
wendige schoonheid  van  het  mensche- 
lijk  corpus  zijn.  De  deemoedige  Gekniel- 
den,  man  en  vrouw,  hebben  het  alle- 
daagsche,  vulgaire,  dat  de  Vlaarascbe 
naakten  onderscheidt,  die  bijzondere 
leelijkheid,  die  de  Duitschers  aan  gebrek 
aan  « idealen  Formensinn  » toeschrijven. 
Maar  zij  hebben  iets  anders  :  hun  «  ge- 
reduceerde •  vormen  berusten  op  een 
krachtig  realisme  en  zij  zijn  in  zoo 
hooge  mate  expressief.  Hun  naaktheid 
is  zoo  argeloos,  zij  zijn  gekomen  als 
vrome  Middeleeuwers  voor  God,  met 
niets  dan  hun  menschelijkheid,  hun 
knielen  is  ongekunsteld  en  zonder  affec- 
tatie, zij  steunen  elkander  in  innige 
vertrouwelijkheid  en  onbewuste  hulp- 
vaardigheid :  hun  deemoed  is  zonder 
slaafschheid  en  zeer  schoon.  No  40  Op- 
standing zou  ik  wel  eens  in  een  ander 
materiaal  dan  in  pleister  hebben  willen 
zien;  ook  stond  hel  te  vlak  verlicht, 
waardoor  de  partijen  niet  te  voldoende 
geschakeerd  uilkwamen.  De  jonge  Ba- 
dende vrouw,  van  een  tengere,  wilde 
gratie,  is  prachtig  gevleeschd,  de  stof- 
uitdrukking verrukkelijk,  vooral  van 
het  marmeren  exemplaar.  Zulk  een 
figuurtje  is  bij  alle  overslankhcid  toch 

wel  zuiver  modern  gevoeld. 

R.  J. 


62 


JAN  EISENLOEFFEL :  Bouillolr. 


^^^^^^^^^^ 


P.  MEINERS 


]R  zijn  véle  verdeelin- 
gcn  mogelijk  in  den 
aard  der  schilderijen 
en  een  van  deze  is 
die  in  zelfzuchtige  en 
allruislische.  De  zelf- 
zuchtigen  zijn  de  tal- 
rijkste. Ge  voell  in  deze  naast  hel 
behagen  in  hel  verbeelde  voorwerp 
sterk  en  scherp  en  duidelijk  de  vreug- 
de van  den  schilder  om  zich  en  om 
zijn  kunsl;    de    allruïslische    die  zeer 


v^einige  zijn  en  die  meestentijds  een 
zachtzinnige  schroom  bezitten  hebben 
die  in  zichzelf  verheugde  vreugde  om 
de  kunst  niet,  maaralleen  de  ontroering 
om  het  af  te  beelden.  En  zijn  grooter, 
voller  meesterwerken  meestentijds  te 
vinden  van  de  zelfzuchtigen,  maar  dit 
is  geen  reden  noch  noodzaak  om  oogen 
toe  te  houden  voor  de  dikwijls  kleinere 
maar  uitermate  bekorende  eigenschap 
der  anderen. 

Dit  is  het  wat  Meiners  heeft  in  zijn 
Portret  van  de  dame  met  de  roos  tegen 
den  hals.  Wat  is  hier  van  de  aangename 
eigenschap'?  Het  is  niet  grootsch,  niet 


P.  MEINKRS 


63 


P.  MEINERS 


VAHIA 


hevig  noch  ontzaggelijk.  Het  is  eenvou- 
dig en  onzelfzuchtig.  De  vrouw  wordt 
gezien  en  face;  het  hoofd  (in  een  ellips) 
staal  voor  een  behang,  blauw  met  grij- 
zige bloemen ;  ze  draagt  een  zwarte 
japon  en  als  enkele  heffing  in  al  deze 
kalmte  een  kleine  rozeknop  tegen  den 
hals.  tiet  haar  is  meest  gewoon  in  het 
midden  gescheiden ;  het  gezicht  is 
geenszins  schoon,  maar  nieuwsgierig 
en  vol  oplettendheid,  vrindelijk  en  aan- 
genaam ;  een  vrouw  met  een  gevoeligen 
geest.  De  schildering  is  natuurlijk  naar 
den  aard  van  het  werk,  kalm  en  gedul- 
dig, niet  brokkelig,  noch  hoog  opge- 
legd. 

Het  is  een  stil-leven.  Vruchten  en 
rozen  zijn  niet  de  eenige  voorwerpen 
voor  dit  soort  van  werk  ;  menschen- 
gezichten  kunnen  evenzeer  zoodanig 
behandeld  worden.  Ken  guldener  gloed 
ligt  over  een  ander  werk  van  Meiners: 
Vruchten  waarachter  een  tegel,  waarop 
een  amor  vHedt  —  maar  bij  al  zijn 
dingen  blijft  de  hoofdzaak  :  de  chunne 
van  het  geringe,  of  liever  't  dagelijk- 
sche,  zeer  aanduchlig  volgend^  rustig 
uit  te  vinden.  Dit  is  het  beste  in  dit 
werk  dat  niet  van  een  eersten  rang  is, 
maar  van  een  liefelijke  hoedanigheid. 
Plasschaekt. 

^^^^^^^^^^ 

^^^^=  VARIA  ^^^^= 

^o^  Naar  aanleiding  van  een  onlangs 
in  de  Chroniquedes  Arts  verschenen  nota 
hebhen  verschillende  kunsthistorici  in 

(V  L.  Maeterlinck  in  n'  8  en  in  n'  13;  -  Henri 
Hymans  in  n'  9;  —  Gustav  Glück  in  n'  12. 


dit  tijdschrift  («)  hunne  opmerkingen 
medegedeeld  over  een  weinig  bekend 
landschapschilder  uit  de  xvi-xvir- eeuw: 
K,  D  Kauninck,  K.  D  Keuninclc,  K.  l) 
Keuning^  of  Cerstiaen  Coninck,  Deze  va. 
rianten  komen  voor  op  zijne  werken 
welke  zich  bevinden  te  Gent,  te  Kortrijk, 
te  Keulen,  te  Leipzig  en  te  Freiberg 
(Saksen)'.  De  laatste  schrijfwijze  wordl 
gegeven  door  de  Liggeren  de  Antwerp- 
sche  St.  Lukasgilde,  waar  hij  in  1580  als 
vrij  meester  werd  ingeschreven  en  ver- 
der nog  in  1585-86,  1589,  1599  en  1629  30 
vermeld  wordt. 

Het  lijdt  weinig  of  geen  twijfel  of  hel 
geldt  hier  wel  degelijk  éen  en  dezelfde 
kunstenaar.  Hij  waste  Kortrijk  geboren, 
en  werkte  in  den  geest  van  Patinier  en 
Fluweelen  Breughel,  en  meer  recht- 
streeksonder  den  invloed  van  een  ander, 
weinig  bekend  Vunstenaar,  Hans  Bol, 
geboren  te  Mechelen  in  1534,  werkzaam 
te  Antwerpen  tusschen  1574  en  1584  en 
in  ballingschap  gestorven  te  Amsterdam 
in  1593. 

Zijn  zoon,  die  denzelf<len  doopnaam 
droeg  en  eveneens  schilder  was,  werd 
te  Antwerpen  in  1613  als  vrij  meester 
aangenomen  en  stierl  in  1642  of  1643. 
Een  zijner  werken  in  den  trant  van  Paul 
Bril  en  Toost  de  Momper,  bevindt  zich 
in  het  keizerlijk  Museum  te  Weenen. 


^Achterstaande  werk  van  Jan  Eisen- 
loeiïel  behoort  bij  het  artikel  van  den 
heer  H.  Walenkamp  in  ons  vorig  num- 
mer, waarbij  het  echter  niet  meer  kon 
opgenomen  worden.  Het  vinde  thans 
hier  zijn  plaats. 


f)4 


VAN  GOYEN-TENTOONSTELLING 


IN  A]^STERDAM«> 


|E  htulden  hel  aan  den  ondernemingsgeest  van  VAN  GOYEN- 
de   firma  Frederik  Muller  &  C°  (A.  W.  Men-  TENTOON- 
sing)   te  danken,  dat  er  in  het  stedelijk  Mu-  STELLING  IN 
seum   een    Van    Goyen-lentoonstelling    was.  AMSTERDAM 
Vooraf  zij  dus  opgemerkt,  dat  we  naar  deze 
omstandigheid  wel  onze  heoordeeling  te  rich- 
ten hehben;    dat  wil  zeggen,  onze  kieskeurig- 
heid had  bij  het    hier  aangebodene   niet   het 
recht  dezelfde  eischen  te  stellen  als  bij  een  tentoonstelling,  georga- 
niseerd door  een   officieel    lichaam,   dat  uitsluitend   het  kunstbelang 
heeft  voor  te  staan,   't  Ging  thans  uit  van  een  particulier,  die  kunst- 
kooper  is;  en  mocht  hij,  afgescheiden  van  materiëele  bedoelingen,  in 
zich  zelf  voldaan  zijn  geweest  over  de  verrassing  die  hij  den    kunst- 
liefhebbers bracht,  —  wat  ik  niet  betwijfel  —  de  «  affaire  »   had  bij 
deze  onderneming  natuurlijk  ook  haar  belang. 

We  willen  uit  bescheidenheid  dus  niet  het  algemeen  gehalte  van 
deze  tentoonstelling  gaan  criliseeren :  bijv.  door  aanwijzing  van  stuk- 
ken die  zeer  onvolkomen  de  waarde  van  den  meester  vertegenwoor- 
digen, van  andere  die  voor  een  keurcollectie  te  veel  gesleten  of  bijge- 
schilderd waren  en  van  enkele  die...  wel  nooit  door  Van  Goyen  gemaakt 
zijn.  We  hebben  te  veel  reden  tot  erkentelijkheid  jegens  den  onderne- 
mer, die  aan  alle  belangstellenden  gratis  gastvrijheid  verleende.  Er  was 
tevens  een  goedverzorgde  fransche  Catalogus  bij  uitgegeven,  met  een 
werkelijk  treffende  kenschetsing  van  den  schilder,  als  inleiding.  Deze 
tentoonstelling  zij  hier  dus  alleen  de  welkome  aanleiding,  om  een  der 
merkwaardigste  talenten  onder  de  oude  Hollanders  eens  afzonderHjk 
onder  de  aandacht  te  kunnen  nemen. 

Wie  spreekt  over  het  landschap  in  de  schilderkunst,  denkt  aller- 
eerst aan  de  zeventiend'  eeuwsche  Hollanders  en  dan,    naast  eenige 


(V)  Van  15  Juli  tot  1  September  1903. 


Onze  Kunst  1903,  Afl.  9,  IX 


65 


VAN  GOYEX- 
TENTOON- 

steujng  in 
amste:ri)am 


anderen,  in  *t  bijzonder  aan  Jan  Van  Goyen.  Want  hij  is  misschien  wel 
de  innigste,  en  zeer  zeker  de  vruchtbaarste,  vertolker  van  de  eigen- 
lijke bekoring  der  Hollandsche  vlakten  en  intieme  landelijke  hoek- 
jes. Van  hel  Holland  met  zijn  enorme  luchten  —  stoeten  van  wolken 
durend  verwisselend  hun  wentelgang  boven  het  lage  land,  —  zijnopene 
waterstroomen  waar  de  zeilscheepjes  onder  windstuwing  heenjachten, 
of  op  kalm-deinende  golQes,  bootjes  dobberend  worden  voortgedragen, 
de  karaktervolle  boerenwoningen  onder  de  breede  glooing  van  hun 
hellende  daken,  met  hun  verweerde  muren  en  logge  schoorsteenstom- 
pen,  de  verwaaide  boomen  in  de  onbeschutte  wijde  ruimten  en  dan 
vóóral  de  perspectievische  betoovering  van  naar  alle  zijden  wegschui- 
vende terreinen,  vrijelijk  te  overheerschen  door  het  oog  in  hun  ver- 
schillende plans,  dichtbij  en  veraf,  tot  waar  er  versluiering  is  van  de 
stoffelijke  aarde  in  deizend  licht-genevel :  de  horizont. 

Al  wat  ons  het  hollandsche  land  dierbaar  doet  zijn,  al  wat  wij 
onder  zijn  verschillende  aspecten  als  teekenachtige  natuurbrokken 
opmerken,  daarin  de  uitdrukking  vinden  van  innige  vredigheid  — 
diezelfde  stemming  van  stille  verrukking  suizelt  ons  gewaar-worden 
binnen  uit  de  werken  van  Jan  Van  Goyen.  Dan  bemerken  we  haast 
met  verwondering,  .dat  een  schilder  van  vóór  bijna  driehonderd  jaren 
met  dezelfde  oogen  zag  als  de  onze,  een  gelijkelijk  ontroerde  waar- 
nemer was  van  de  streken,  die  wij  nog  doorwandelen,  en  een  vorm  koos 
voor  zijn  uitzegging,  die  den  modernen  kunstzin  zeer  bevattelijk  is. 
Door  de  echtheid  van  zijn  sensatie  en  de  onbevangenheid  van  zijne 
uitzegging  kan  hij  ons  zoo  onmiddellijk  overtuigen.  Niet  zoozeer  ontzag- 
wekkend is  zijne  kunst,  maar  ontroerend,  wijl  daaruit  zich  doet  ken- 
nen een  mensch  die  geleefd  heeft,  en  zoo  innig,  dat  al  zijn  dagen  wel 
gevuld  schenen  met  het  uitzingen  der  verrukking  voor  wat  zijn  ziels- 
neigingen het  dierbaarste  was.  Zijn  tallooze  teekeningen  en  krabbels, 
tintelen  uit  zijn  rusteloozen  drang  tot  ontboezeming. 

En  ondanks  veel  materiëelen  tegenslag,  en  geringe  ingenomenheid 
met  zijn  werken  bij  zijn  medeburgers,  bleef  de  veerkracht  van  zijn 
zielsvreugde  tot  aan  het  einde  ongebroken.  Ik  geloof  niet,  dat  er  onder 
de  oud-hollandsche  schildei*s  een  is,  wiens  werken  zoo  grif  benader- 
baar zijn  voor  de  tegenwoordige  appreciatie  van  schilderij-kwaliteiten. 
De  grondtoon  van  zijn  kunst  werd  een  voornaam  motief  in  de  uitzeg- 
ging van  een  der  grootste  modernen  :  Jacob  Maris. 

Als  we  de  lijn  volgen  van  de  phases  der  kunstontwikkeling,  ver- 
kennen we  bij  Jan  Van  Goyen  op  volkomene  wijze  de  ontbloeiihg  van 
het  Landschap  als  een  zelfstandige  tak  in  de  schilderkunst.  Die  hem 
in  leeftijd  slechts  even  vóór  waren  :  Avercamp,  Arent  Arentsz,  Adr. 
Van  de  Vcnne,  zijn  leermeester  Esayas  Van  de  Velde,  —  zij  hebben 
zeker  in  hun  werken  reeds  een  belangrijke  aanwijzing  gegeven  van 


66 


cc  M 

••  s  ï 

>,    N  b: 

^    '^  ^ 

c    g  -« 


z    S     ë» 

:S  ^  ^ 


wat  het  landschap  als  afzonderlijke  schoonheidsuiting  te  beteekenen  VAN  GOYEN- 
heeft.  Maar  met  welke  onverdeelde  liefde  en  fijnheid  van  opmerken  TENTOON- 
zij    reeds  trachtten    naar  de   wedergave   van   een   builentafereel,  het  STELLING  IN 
landschap,  dat  vóór  hun  lijd  veelal  als  een  belendende  aangelegenheid  AMSTERDAM 
in  het  scliilderijbeeld  werd  beschouwd,  ze  hadden  nog  niet  bereikt  het 
groote  begrip,  hel  gerijpte  inzicht  van  de  hoofdvoorwaarden  tot  vertol- 
king der  immensiteit,  tot  uitdrukking  van  het  buitenlicht  op  het  klein 
begrensde  kader.  Zij  specificeerden  nog  allijd;  tot  de  macht  van  het 
groote  samenvatten  waren  zij  nog  niet  geraakt.  In  Van  Goyen's  kunst 
wordt  eerst  voluit  merkbaar  het  beantwoorden  van  de  hoofdeischen  : 
het  uitdrukken  van  ruimte,  het  licht  ontwikkelen  van  dingen  naar  de 
voorwaarden  van  hunne  onderlinge  ligging,  het  waarschijnlijk  maken 
van  de  afstanden,  zooals  die  door  het  oog  worden  waargenomen. 

En  hij  maakt  van  zijn  luchten  onbereikbare  hemelgewelven,  waar 
de  wolken  opwerken  vanaf  den  verren  horizont  tot  boven  den  toeschou- 
wer ;  zijn  gronden  schuiven,  positief  en  onderscheidbaar  op  den  voor- 
grond, raadselachtig  naar  het  verschiet  waar  de  lichltrilling  over  de  stof- 
verschijning  heerschende  wordt.  Bij  hem  het  verdere  begrip  van  de 
verhoudingen  in  het  landschap,  die  moeten  leiden  naar  de  harmonie 
in  zijn  verschijning;  eerstens  door  de  verdeeling  van  licht  en  schaduw- 
partijen ;  maar  dan  ook  door  de  teekening :  de  accentuatie  van  de 
vormen,  naar  zij  strak  staan  in  het  licht  of  verschemeren  in  schaduwen. 

Kenteekenend  voor  zijn  streven  is,  dat  hij  in  nagenoeg  alle  werken 
het  voorgrondplan  geheel  of  gedeeltelijk  in  schaduw  houdt  met  het 
oogmerk  den  achtergrond  te  doen  wijken.  Een  procédé,  dat  hier  met 
zooveel  overtuiging  is  aangewend,  dat  het  in  geen  stuk  den  bedenke- 
lijken  kant  krijgt  van  een  <(  loopje.  » 

Op  de  tentoonstelling  was  eenige  gelegenheid  den  hoofdovergang 
in  Van  Goyen's  kunst  waar  te  nemen.  Daar  hingen  eenige  schilderijtjes 
uit  zijn  eersten  tijd,  toen  hij  nog  geheel,  zoowel  in  wijze  van  zien  als  in 
trant  van  schilderen,  zijn  leermeester  Esayas  van  de  Velde  tot  voor- 
beeld nam  (*).  Buitengezichten,  'k  zou  haast  zeggen  landschap- 
interieurtjes,  bedachtzaam  opgebouwd,  waarin  van  alles  de  afzon- 
derlijk waargenomen  vorm  zorgvuldig  weergegeven  en  vooral  ook  de 
kleur  détailsgewijze  aangeduid  werd.  Toch  vinden  we  hier  reeds  zeer 
opmerkelijke  proeven  van  een  deugdelijk  schilderstalent;  er  is  vastheid, 
diepte  zelfs,  in  de  kleur,  expressie  in  de  teekening  en  de  tonalist  doet 
zich  reeds  kennen  in  de  delicaatheid  van  den  penseelzet. 

Maar  zoowel  palet  als  factuur  worden  te  eenenmale  gewijzigd  als 
het  eigen  streven  zich  koers  zet.  Van  Goyen  wordt  nu  de  impression- 

(*)  De  reproductie  vaii  het  cirkelvormig   paneeltje  geeft  daarvan  een  toon- 
beeld. 


67 


JAN  VAN  GOYEN  :  DROKVKi  WKDER 
(Eiqenaar :  de  Heer  Arthur  Kay,  Glasgow). 


VAN  (lOYKN- 
TENTOON- 
STELLIN(i  IN 
AMSTERDAM 


nisl,  die  de  belangrijkheid  voelt  van  hel  groole  geheel  boven  de 
nadrukkelijke  aanduiding  van  het  détail.  Hij  vereenvoudigt  nu  zeer 
aanmerkelijk  zijn  palet,  wetend  dat  de  bedoelde  stemming  treffendsl 
uitdrukking  vindt  in  de  toonverhouding  en  dat  het  eigenaardig  karak- 
ter van  alle  voorwerpen,  gewijzigd  van  voorkomen  naar  hunne  plaals 
in  de  ruimte  en  versehijning  in  het  licht,  in  zijn  teekenende  kanten 
moet  worden  weergegeven.  En  vooral  in  het  hollandsche  landschap, 
dat  is  :  het  overheerschend  motief  van  grijzig  weer,  als  door  hel 
schuiven  van  zich  samenpakkende  of  uiteenscheurende  wolken,  hier 
de  schaduwen  samenscholen,  en  verder  het  licht  weer  gaat  uilwim- 
pelen.  De  bekoring  van  de  wisselwerking  der  licht  en  schaduwpartijen, 
de  sensatie  van  gedruischlooze  beweging,  mysterie,  waarop  de  ver- 
beelding zich  wiegen  gaat.  Rembrandt  gaf  daarvan  in  zijn  landschap- 
pen het  hoogste. 

De  lucht  neemt  in  Van  Goyen's  werken  steeds  de  overgroole  plaats 
in  ;  ze  beslaat  soms  vier-vijfde  van  het  kader.  Hij  besteedt  daaraan  dan 
ook  in  eens  zijn  groote  kracht.  Zijn  geest  verdiept,  zijn  oog  verloren  in 
die  bewegelijke  onstoffelijke  wereld,  laat  hij  de  wolken  stout  op  varen  in 


68 


e 
r 


Ui  k, 
CC 

u  ? 

^  § 

u  -2» 


5^     ,• 

w    2    I 

O     O.     i 

cc."" 
^    ^    5; 

^  5  « 


natuurlijken  samenhang,  of  spant  de  grauwe  sluiers  van  uitgestrekte  VAN  GOYEN- 
regen velden   strak  vóór  liet   licht,  dat  aan   de  hoorden  uitschiet,  of  TENTOON- 
glimmcrend  zwijmt.  Hij  schildert  met  hreede  en  gevoede  horstels  in  SÏRLI  ING  IN 
koene  heweging,  want  hij  heeft  een  vast  begrip  van  de  coirstruclie  der  AMSTERDAM 
wolken,  van  hun  organisch  verbanden  logisch  bewegen.  En  legen  het 
hemelveld  vormt  hij  met  luchtiger   penseeldruk   de  gedaanten   van 
gebouwen,  de  bladermassa's  van  boomen,  zoodat  gebouwen  werkelijk 
in  de  builenalmosfeer  verrezen  slaan,  de  boomen  hun  bladergewemel 
verloonen  in  omslrooming  van  licht.  En  in  de  verschieten  verslaat  hij 
het,  de  middelen  van  uitvoering  aan  te  wenden,  om  de  subtiliteit  van 
het  overgaan  van  slof  in  lucht  als  een  embryo  van  aardsche  dingen 
uil  te  drukken. 

Opmerkelijk  is,  dat  bijna  altijd  de  lucht  dikker  in  de  verf  is 
gezet,  dan  de  dingen  der  aarde.  Toch  is  de  lucht  altijd  onstofTelijk, 
heeft  de  aarde  constantie.  Over  'l  algemeen  schildert  Van  Goyen  zeer 
dun  ;  eerder  nog  lijkt  het  een  teekenen  met  het  penseel,  noleerend  in 
eene  gamma  van  sobere  tinten,  van  ieder  onderdeel  hel  saillante  van 
zijn  karakter.  Zijn  werkwijze  is  buitengewoon  expressief,  zonder  eenige 
beweging  van  aarzeling,  of  pijnlijke  inspanning.  Hij  vertoont  in  het 
landschap  soms  een  bewusten  en  zekeren  slag,  die  vlótheid  van  schil- 
dering, als  Frans  Hals  in  het  portret.  Hier  is  zeker  wel  de  uiting  van 
een  die  innig  vervuld  is  van  wat  hij  zeggen  wil.  Hij  componeert  zijn 
landschappen  in  warme  omberkleur,  zoekend  de  werking  der  groote 
tegenstellingen ;  dan  toetst  hij  luchtig  en  gevoelig  daarin  kleuriger 
tinten,  zóó  dat  de  hoofdaanslag  bewaard  blijft,  de  tonaliteit  gebonden 
doch  gerijpt,  en  legt  met  gedegener  penseeldruk  de  lichtpartijen  vast, 
die  een  kleur  definitief  onderscheidbaar  doet  zijn. 

Soms,  bij  het  ineenzetten  van  een  buitengeval,  waar  een  hofstede 
met  boomen  om  zijn  teekenachtig  rustiek  uitzien  meer  van  nabij 
en  afzonderlijk  werd  genomen,  is  de  verf  voller  doorkneed.  Zijn 
schilderswijze  is  dan    bijzonder  plastisch,  doch  steeds  los  en  lenig. 

Ook  bij  de  figuren,  die  zijn  landschappen  bevolken,  toont  hij  een 
zeer  persoonlijke  opvatting  van  het  onontbeerlijk  slofTeeren,  en  in 
de  behandeling  een  overtuigende  meesterschap.  Waar  figuurtjes  of 
dieren  worden  aangebracht,  doen  zij  het  ook  steeds.  Ze  zijn  dikwijls 
een  aanmerkelijke  versterking  van  de  bedoelde  werking;  ze  staan,  ze 
bewegen  zich  werkelijk  in  de  buitenlucht. 

Er  was  op  de  tentoonstelling  een  zeer  belangwekkend  schilderijtje 
dat  wel  geheel  een  figuurstuk  kon  heeten  :  een  bevroren  wetering, 
die  ongeveer  de  volle  breedte  van  het  kader  besloeg  en  bevolkt  was 
met  schaatsenrijders,  karren  met  paarden,  priksleden  —  het  gansche 
hollandsche  ijsvermaak.  Niet  alleen,  dat  de  figuurtjes  het  in  hun 
verschillende  actie's  goed  deden  en  met  snedige,  bijna  zwierige  schil- 


JAN  VAN  r.OYKN  :    YKIUiKZiCIIT  IN  (iKLDKUhAND 
(Eigenaar :  de  lieer  llttiniihry  W'ard,  tAUulen) 


VAN  GOYKN- 
TKNTOOX- 
STELLING  IN 
AMSTERDAM 


deriiifï  waren  nangetoctsl,  ze  vertoonden  zich  ook  natuurlijk  in  de 
buitenlucht,  en  maakten  gezamenlijk  den  indruk  van  een  woelige 
menigte.  Ook  hierin  beteekent  Van  Goyen's  arbeid  de  voortzetting  van 
Avercamp  e.  a.  ;  is  hij  zelfs  Aert  van  der  Neer  vooruit,  bij  diens 
mooie  en  ijlfijne  wintergezicht  in  het  Rijksmuseum,  waar  echter  de 
ijsgangers  nog  al  te  zeer  afzonderlijke  vlekken  zijn. 

Van  Goyens'  schilderijen  geven  voluit  het  eigenlijke  wezen  van 
hollandsche  streken  en  het  hollandsche  landleven,  wijl  zij  de  intimiteit 
daarvan  bezingen.  Toch  kunnen  we  opmerken,  dat  bij  dezen  schilder 
met  zijn  gezonde  blijmoedigheid  in  waarnemen  en  ongekunsteldheid 
van  uitzeggen,  de  aandoening  dieper  welde  dan  uit  een  burgerlijken 
zin  voor  het  schilderachtige  buitenleven.  Meer  dan  eens  heeft  hij 
blijken  gegeven,  dat  zijn  kijk  op  de  dingen  zich  verheffen  kan  boven 
de  realiteit :  tot  de  visie,  die  verzinnebeelding  van  de  werkelijkheid 
betracht.  De  opgewekte  verteller  over  het  bekorende  van  het  vrije 
buiten  en  die  op  zoo  snedige  wijze  de  tallooze  karaklerteekenen 
daarvan  weet  aan  te  stippen,  wordt  dan  de  rustige  uitzegger  van  de 
verrukking,  die  haar  illusie's  op  de  werkelijkheid  bouwt.  Zijn  verras- 
sing bij  het  zien  van  een  simpel  geval,  als  die  twee  op  eene  hoogte 


70 


JAN  VAN  tiOYEN  :  RIVIERGEZICHT 
(Eigenaars:  de  Meeren  Th.  Agnew  Je  Sons,  Londen). 


JAN  VAN  GOYEN  :  SCHEMERING 
Eigenaar:  de  Heer  Arthur  Kay,  Glasgow). 


JAN  VAX  r.OYKN  :   YKIUiKZ.CIIT  IN  (illLDKKLANI) 
(Eitfcmwr :  de  llcir  Ihimithry  Ward,  lAmdcn) 


VAX  (lOYKX- 
TKNTOOX- 
STKLLIX(i  IX 
AMSTKHDAM 


dcring  waren  nan^^cloetsl,  ze  vertoonden  zich  ook  natuurlijk  in  de 
buitenlucht,  en  maakten  gezanienhjk  den  indruk  van  een  woehge 
nienigle.  Ook  liierin  beteekent  Van  Goyen's  arbeid  de  voortzetting  van 
Avercanip  e.  a.  ;  is  hij  zelfs  Aert  van  der  Xeer  vooruit,  bij  diens 
inooie  en  ijlfijne  winlergezicht  in  het  Rijksmuseum,  waar  echter  de 
ijsgangers  nog  al  te  zeer  afzonderlijke  vlekken  zijn. 

Van  Goyens'  schilderijen  geven  voluit  het  eigenlijke  wezen  van 
hollandsche  streken  en  het  hollandsche  landleven,  wijl  zij  de  intimiteit 
daarvan  bezingen.  Toch  kunnen  we  opmerken,  dat  bij  dezen  schilder 
met  zijn  gezonde  blijmoedigheid  in  waarnemen  en  ongekunsteldheid 
van  uitzeggen,  de  aandoening  dieper  welde  dan  uit  een  burgerlijken 
zin  voor  het  schilderachtige  buitenleven.  Meer  dan  eens  heeft  hij 
blijken  gegeven,  dat  zijn  kijk  op  de  dingen  zich  verheffen  kan  boven 
de  realiteit  :  tot  de  visie,  die  verzinnebeelding  van  de  werkelijkheid 
betracht.  De  opgewekte  verteller  over  het  bekorende  van  het  vrije 
buiten  en  die  op  zoo  snedige  wijze  de  tallooze  karakterteekenen 
daarvan  weel  aan  te  stippen,  wordt  dan  de  rustige  uit/egger  van  de 
verrukking,  die  haar  illusie's  op  de  werkelijkheid  bouwt.  Zijn  verras- 
sing bij  het  zien  van  een  simpel  geval,  als  die  twee  op  eene  hoogte 


70 


JAN  VAN  GOYEN  :  RIVIERGEZICHT 
(Eigenaars:  de  Heeren  Th.  Agnew  &  Sons,  Londen). 


JAN  VAN  (lOYEN  :  SCHEMERING 
Eigenaar:  de  Heer  Arthur  Kay,  Glasgow). 


staande,  afgeknolte  boomen  in  hel  Rijksmuseum,  sloeg  over  in  hel  VAN  GOYEN- 
verbeelden  van  iels  geweldigs.  Hel  thema  van  drijvende  volkenscharen  TENTOON- 
over  eene  onafzienbare  ruimte   kan  hij   verwerken  lol  een  welhaast  STELLING  IN 
monumentale  uitbeelding  van  plechtige  rust.  Van  een  bepaald  groolsche  AMSTERDAM 
conceptie  getuigen  zijn  werken  dan,  met  wijde  aanschouwing  van  vèr 
zich  heenslrekkende  streken,  waarin  sleden  liggen,  rivieren  voorlkron- 
kelen  en  heel  ginds  weer  een  toren  alleen  zijn  spits  omhoog  staat  te 
wijzen.  Daar  was,  meer  nog  dan  zijn  picturale  neiging  geboeid,  zijn 
geest  geraakt  geworden. 

Treffend  bij  die  uitdrukking  van  majesteitelijke  vredigheid,  is  zijn 
opvatting  van  ruïnes  of  massale  wallen  in  hun  architectonische  ver- 
schijning. Ook  wel  doet  hij  zich 'kennen  als  een  dichterlijk  droomer, 
in  schilderijen  waar  veslinglorens  of  een  burcht  rijzen,  als  verbeeldings- 
gedaanlen  bijna,  tegen  de  lichtende  grijsheid  van  een  lucht,  waarin 
broze  wolken  in  luchtig  zweven  hun  vormen  nauw  onderscheidbaar 
doen  zijn.  En  de  wallen  spiegelen  zich  in  een  rivier,  met  onvergelijke- 
lijke teerheid  van  kleurvervloeiïng  in  hel  lichl-tinkelend  watervlak. 

Op  deze  tenloonslelling  waren  er,  onder  de  kleine  schilderijtjes 
vooral,  verschillende,  die  in  Van  Goyen  den  visionnair  doen  ontdekken ; 
stadsbuurtjes  nabij  de  rivierwallen,  groot  in  hun  massale  eenheid  ge- 
zien en  de  huisjes  geleekend  met  streng  geheven  lijnen  als  bij  Jacob 
Mans;  ofwel  een  rivier,  die  spoelt  langs  een  stad,  gelegen  op  hel 
tweede  plan;  het  geheel  overheerscht  door  één  wolk,  die,  zich  zelf 
onverstoorbaar  voortdragend,  heenwiekl  naar  den  horizont  achter 
huizen  en  toren  van  hel  stadje. 

Ik  geloof,  dat  dit  de  drie  hoofdphases  zijn  in  Van  Goyen's  kunst : 
Eerst  was  hij,  gekomen  uit  de  school  van  Esayas  Van  de  Velde,  de 
bedachtzame  maar  toch  ook  gevoelige  uitvoerder  van  die  kleuriger 
paneeltjes,  waarin  hij  zijn  werk  een  gewetensvolle  observatie  van 
détail  en  goed  geschoolde  techniek  ten  eisch  stelde ;  dan  erkent  hij  eigen 
neigingen;  ontplooien  zich  eigen  hoedanigheden,  doet  hij  zich  kennen 
als  de  warme  bewonderaar  van  hel  holiandsche  landschap  in  zijn 
picturale  verschijning,  ontdekt  hij  den  tintenrijkdom  in  de  eindelooze 
wisselwerking  der  licht- en  schaduwpartijen,  en  geeft  daarvan  getuige- 
nis in  bezielde  daad  ;  eindelijk  wordt  hij  de  ziener,  die  breeder 
overschouwen  gaat  de  schilderachtige  verschijning  en  naar  hel  uit- 
groeien van  zijn  levensjaren  in  dieper  mensch-aandoening  de  idéé 
naspeurl  die  daarin  gedragen  wordt.  Dan  bemerken  we  in  zijne  kunst, 
dat  niet  alleen  deze  17<ie  eeuwsche  schilder  zag  gelijk  wij,  een  uitings- 
wijze  had  voor  onzen  tijd  nog  zeer  verstaanbaar,  maar  ook,  dat 
zijn  geestelijke  aspiratie^s  aan  het  verlangen  van  ons  modernen  niet  zoo 
achterlijk  kunnen  geheeten  worden.  Dal  inzicht  kan  haast  weemoedig 


71 


VAN  GOYEN-     stemmen  en  ons  heimelijk  doen  smachten    naar  het  geluk,  dal  deze 

TENTOON-         trouwhartige  onder\'onden  moet  hehhen,  wijl  hij  met  zoo  onbevangen 

STELLING  IN     handeling  en   onverdeelde  vreugde  uiting  mocht  geven  aan  zijn  sen- 

AMSTERDAM     satie. 

\V.  Steenhoff. 


BIOCiRAPHIE.  Jan  Van  Goyen  werd  Ie  Leiden  geboren  in  het  jaar  1596.  Reeds 
vroegtijdig  was  liij  in  de  gelegenheid  gesteld  zich  aan  zijn  lievelings-bezighcid  over 
te  geven.  Van  zijn  lO*  tol  aan  zijn  20«  jaar  was  hij  ter  leering  bij  drie  verschillende 
meesters.  Toen  kwam  in  hem  de  lust  tot  reizen.  Hij  trok  naar  Frankrijk  en  bezocht 
ook,  naar  vermoed  wordt,  Parijs.  Toen  hij  van  dezen  zwerftocht  terugkwam,  ging 
hij,  om  deugdelijk  in  de  beoefening  van  landschapschilderen  onderlegd  te  worden, 
voor  een  paar  jaar  in  i\e  leer  bij  Rsayas  van  de  Velde,  te  Haarlem.  Daarna  keerde 
hij  terug  naar  Leiden,  zette  zijn  huishouden  op  in  1618  en  begon  zelfstandig  zijn 
weg  te  banen.  In  1631  vestigde  hij  zich  in  den  Haag  en  stierf  daar  in  1656.  Hoe 
geacht  de  kunstenaar  door  zijn  collega  s  ook  blijkt  geweest  te  zijn,  het  publiek 
waardeerde  slechts  zeer  weinig  zijn  zeldzame  gaven.  Voor  weinige  guldens  was  hij 
genoodzaakt  zijn  schilderijen  van  de  hand  te  doen.  Slechts  één  keer  t  deed  hij  een 
goeden  slag»,  toen  hem  voor  de  som  van  650  gulden  werd  besteld,  het  maken  van 
een  groot  gezicht  in  vogelvlucht  op  de  stad  's  Gravenhage  (nu  nog  aanwezig  in 
het  Stedelijk  Museum  van  die  stad).  Uit  den  druk  van  zijn  financiëele  moeilijk- 
heden trachtte  hij  zich  te  ontheffen  door  speculatie  in  gebouwen,  schilderijen  en 
tulpen !  Daardoor  geraakte  hij  echter  niet  uit  de  kommer ;  nog  minder  kou  hij 
zich  aldus  schatten  vergaderen.  Zijn  weduwe  was  verplicht  den  boedel  en  zijn 
nagelaten  schilderijen  te  verkoopen  onder  benefice  van  inventaris.  Ook  lang  na 
zijn  dood  werden  zijn  schilderijen  en  tallooze  teekeningen  op  slechts  geringe 
waarde  geschat.  (Ook  van  't  goede  kan  men  te  veel  hebben).  Eerst  onze  tijd 
vermocht  tot  het  inzicht  te  komen  van  de  werkelijke  beteekenis  dezer  kunst. 

W.  S. 


N.B.  De  af  becidingen  bij  dil  artikel  konden  op  de  Tentoonstening  speciaal  voor  dil  lijdschrifl 
worden  opgenomen,  dank  aan  de  groole  dienstvaardigheid  der  inrichters  en  der  eigenaars  welke 
welwillendheid  hun  toestemming  en  niedehulp  verleenden.  De  Meeren  Frederik  Muller  &  O, 
Arthur  Kay,  Ch.  L.  (.ardon.  Th.  Agnew  &  Sons.  Huniphr>-  Ward.  F.  Kleinberger  en  de  Directie  van 
hel  Rijksmuseum  zeggen  wij  hierbij  van  harte  dank.  Red. 


72 


JAN  VAN  GOYEN  :  I.ANDSCHAP  MET  RIVIER  EN  ROUWVALLEN,  (teekening) 
(Eigenaar :  de  Heer  Arthnr  Kay.  Glasgow). 


>   V 


JAN  VAN  GOYEN  :  DIJK  MET  KAR  EN  RUITERS,  (teekening) 
(Prentenkabinet  vnn  het  Rijksmuseum  te  Amsterdam). 


VAN  GOYEN-  stemmen  en  ons  heimelijk  doen  smachten  naar  het  geluk,  dat  deze 
TENTOON-  trouwhartige  ondervonden  moet  hehben,  wijl  hij  met  zoo  onbevangen 
STELLING  IN  handeling  en  onverdeelde  vreugde  uiting  mocht  geven  aan  zijn  sen- 
AMSTERDAM     satie. 

W.  Steenhoff. 


BKXiRAPniE.  Jan  Van  Goyen  werd  Ie  Leiden  geboren  in  hel  jaar  1596.  Reeds 
vroegtijdig  was  hij  in  de  gelegenheid  gestehi  zich  aan  zijn  lievelings-beziglieid  over 
te  geven.  Van  zijn  10'-  lot  aan  zijn  20*^^  jaar  was  hij  ter  leering  hij  drie  verschillende 
meesters.  Toen  kwam  in  hem  de  lusl  lol  reizen.  Hij  Irok  naar  Frankrijken  bezocht 
ook,  naar  vermoed  wordt,  Parijs.  Toen  hij  van  dezen  zwerftocht  terugkwam,  ging 
hij,  om  deugdelijk  in  de  beoefening  van  landschapschilderen  onderlegd  te  worden, 
voor  een  paar  jaar  in  óe  leer  bij  Rsayas  van  de  Velde,  te  Haarlem.  Daarna  keerde 
hij  terug  naar  Leiden,  zette  zijn  huishouden  op  in  1618  en  begon  zelfstandig  zijn 
weg  te  hanen.  In  1631  vestigde  hij  zich  in  den  Haag  en  stierf  daar  in  1656.  Hoe 
geacht  de  kunstenaar  door  zijn  collega's  ook  blijkt  geweest  Ie  zijn,  hel  publiek 
waardeerde  slechts  zeer  weinig  zijn  zeldzame  gaven.  Voor  weinige  guldens  was  hij 
genoodzaakt  zijn  schilderijen  van  de  hand  te  doen.  Slechts  één  keer  c  deed  hij  een 
goeden  slag»,  toen  hem  voor  de  som  van  650  gulden  werd  besteld,  hel  maken  van 
een  groot  gezicht  in  vogelvlucht  op  de  stad  's  Gravenhage  (nu  nog  aanwezig  in 
het  Stedelijk  Museum  van  die  stad).  Uil  den  druk  van  zijn  flnanciêele  moeilijk- 
heden trachtte  hij  zich  te  ontheffen  door  speculatie  in  gebouwen,  schilderijen  en 
tulpen!  Daardoor  geraakte  hij  echter  niet  uit  de  kommer;  nog  minder  kon  hij 
zich  aldus  schatten  vergaderen.  Zijn  weduwe  was  verplicht  den  boedel  en  zijn 
nagelaten  schilderijen  te  verkoopen  onder  bciieficC  van  inventaris.  Ook  lang  na 
zijn  dood  werden  zijn  schilderijen  en  lallooze  leekeningen  op  slechts  geringe 
waarde  geschat.  (Ook  van  't  goede  kan  men  te  veel  hehben).  Ecrsl  onze  tijd 
vermocht  tot  het  inzicht  te  komen  van  de  werkelijke  beteekenis  dezer  kunst. 

W.  S. 


N.B.  De  nf  heeldingen  bij  dit  artikel  konden  op  de  TcntoonstoUing  speciaal  voor  dit  tijdschrin 
worden  opgenomen,  dank  aan  de  groote  dienstvaardigheitl  der  inrichters  en  der  eigenaars  welke 
welwillendheid  hun  toestemming  en  niedehulp  verh'enden.  De  Meeren  Frederik  Muller  i  C\ 
Arthur  Kay,  Ch.  L.  (Uirdon,  Th.  Agnew  &  Sons.  Huniphry  Wnrd.  F.  Kieinberger  en  de  Directie  van 
het  Rijksmuseum  zeggen  wij  hierbij  von  horte  dank.  Red. 


72 


••*N  VAN  GOVES,  DIJK    Mp-,     ,. 


m. 


JONG  HOLLANDS  HUIS  TE  BREDA 


[ERLEDEN  jaar  is  op  de  markt  te  Breda  een  JONG  HOL- 
betrekkelijk  smal  winkelhuis  ingericht  tot  LANDS  HUIS 
Jong  Hollands  Huis.  Wie,  gewaarschuwd  door  TE  BREDA 
't  eenvoudig  uithangbord  langs  een  klein  por- 
taal in  't  stemmige  expositiezaaltje  binnen- 
treedt, ziet  op  den  achtergrond  deze  spreuk 
geschilderd  :  «  Mooie  dingen  als  vrienden  om- 
ringen. »  Naam  en  spreuk,  als  variant  op 
Keats'  bekenden  aanhef  van  zijn  Endymion,  kenmerken  dit  huis.  Het 
werd  bedoeld  om  voortdurend  het  werk  der  jongere  hollandsche 
nijverheidskunstenaars  tentoon  te  stellen.  Verder  om  aan  ieder  die 
dat  werk  bezichtigen  wil  degelijke  inlichtingen  te  verschafTen,  en  de 
gelegenheid,  om  aan  de  kunstenaars  verlangde  gebruiksartikelen  te 
kunnen  opgeven.  In  V  Binnenhuis  en  de  Woning  had  het  streven  der 
hollandsche  kunstnijverheid  reeds  geloond  hoe  goed  en  noodig  het  is 
dat  de  artiesten  zich  te  samen  vereenigen  om  voortdurend  zich  met 
hun  werk  tot  het  publiek  te  richten.  Sciiilders  en  dichters  behoeven 
zich  weinig  om  het  publiek  te  bekommeren.  Er  buiten  kunnen  zij  wel 
niet,  maar  kunstkoopers  en  uitgevers  vormen  de  tusschenpersonen. 
Voor  gebruiksartikelen,  meubelen,  vaatwerk  of  geweven  stoffen  zouden 
de  steedsche  magazijnen  en  winkels  zijn  aangewezen.  Doch  voor  de 
sierkunstenaars  moest  niets  afschuwelijker  zijn  dan  hun  werk  als  ver- 
dwaald te  zien  in  de  winkelkasten  langs  de  veel-begane  straten,  en 
tusschen  een  eindelooze  variëteit  van  leelijke  prullen  en  conventioneel 
doode  kunst.  Tentoonstellingen  duurden  eciiter  te  kort  en  werden  te 
weinig  bezocht.  Zoo  moest  de  kunstnijverheid  komen  tot  een  eigen 
huis,  en  zóo  is  ook  Jong  Hollands  Huis  bedoeld. 

Wat  onderscheidt  dit  echter  van  de  oudere  zusterinstellingen  ?  En 
met  welk  recht  wordt  de  aandachtervoor  gevraagd?  Wie  't  nieuw 
leven  der  hollandsche  gebruikskunst  met  vreugde  begroet  heeft  zal 
natuurlijk  hare  ontwikkeling  met  belangstelling  blijven  volgen.  En  tot 
die  ontwikkeling  behoort  ook  hare  uitbreiding  van  uit  de  gi'oote  steden 
over   het   verdere  land.   Is  die   uitbreiding  wel  zoo  belangrijk?  Wat 


73 


Jong  hoi.- 
lands  huis 

ÏK  BREDA 


hekoiniiKTcn  zich  scliil- 
ders  en  dichters  om  hun 
naam  in  de  provincie?  De 
fjroole  sleden  en  de  onmid- 
dellijke omgeving  daarvan 
hevalten  de  inlellecluêele 
en  aethetisclie  kringen  op 
wier  oordeel  prijs  wordl 
gesteld.  Kn  IJong  Hollands 
Huis  staat  in  Breda,  wat 
voor  vele  Hollanders  gelijk 
luidt  met  :  in  het  Brahant- 
sche  zand.  Het  staat  daar 
op  de  Markt.  Deze  is  niet, 
als  veelal  in  hollandschen 
stedenhouw  wordt  aange- 
troffen, een  groot  open 
plein  in  het  centrum,  waar- 
op de  straten  uitloopen  als 
beekjes  in  een  meer,  en 
dat  door  enkele  monu- 
mentale gebouwden  wordl 
heheerscht.  De  Bredasche 
^h)rkt  is  meer  als  een  dam 
geworpen  in  den  loop  van 
een  drietal  bijna  evenwij- 
dige smalle  hoofdstraten, 
een  lange,  iels  breedere 
straat  op  zichzelf.  De  wei- 
nig sprekende  gevels  van 
Raadhuis  en  Waag,  bijna 
willekeurig  tusschen  de 
andere  huizen  geplaatst,  gaan  in  de  lijnen  dier  huizen  op,  en  toonen 
geen  uitdrukking  en  karakter.  Evenmin  doet  dit  de  mooie  gothische 
Si.  Barbara,  die  aan  het  Markleinde  met  een  vervallen  en  verwaarloosde 
vleugel  even  Ie  voorschijn  komt  kijken  boven  den  dwang  van  kleine 
leunend  aangebouwde  huisjes  tusschen  en  om  de  steenen  beeren.  En 
de  pronk  van  het  Bredasche  stadsprofiel,  vooral  wanneer  dien  bij 
avond  gezien  wordt  achter  de  hooge  iepen  van  hel  ingebouwde  stads- 
park, het  Valkenberg,  —  de  ranke  en  kantige  kerktoren,  die  zelfs  de 
smalle  Markt  op  grootsche  wijze  zou  kunnen  beheerschen,  rijst  op 
in  een  nauw  achlerslraalje.  Dit  is  te  gelijk  hel  beeld  van  de  stad  der 
historisch    zoo    bekende  baronie,    eng  gebouwd  en   verbergende  de 


GEZICHT  OP  BREDA. 

Naar  een  penteekening  van  B.  Klikm:. 


74 


JONG  HOLLANDS  HUIS  :  Ontvangkamer. 

weinige  schoonheden  die  zij  bezit.   Na  de  ontmanteling  als  vesting   JONG  HOL- 
ontstonden   wel   breedere   en    door  boomenrijen  vroolijker   wijken,    LANDS  HUIS 
maar  deze  uitbreiding  van  de  laatste  tientallen  jaren  is  als  veel  in  't   j^  BREDA 
moderne  leven,  oppervlakkig,   zonder  karakter.  Verlevendigd   is  het 
echte  provinciestadje  met  typische  bevolking  door  den  toevloed  van 
vreemde  bewoners,  die  aan  de    buitenzijden  door  de  bosschen  en 
Brabantsche  natuur  zijn  aangelokt. 

In  zoo'n  provinciestad  is  nog  eer  dan  b.  v.  in  Rotterdam  het 
voorbeeld  varf  't  Amsterdamsche  Binnenhuis,  zij  't  ook  op  bescheiden 
schaal,  nagevolgd.  En  dat  het  voorbeeld  meer  algemeen  nagevolgd  zal 
worden  is  toch  zeer  wenschelijk.  Wij  hopen  daarom  dat  verschillen- 
den met  behulp  der  reproducties  eerst  -  later  misschien  door  per- 
soonlijk bezoek  een  kijkje  willen  nemen  van  de  inrichting  en  het 
tentoongestelde  in  't  Jong  Hollands  Huis. 

De  beginselen  der  nieuwe  hollandsche  kunstnijverheid  ook  door 
't  Jong  Hollands  Huis  voorgestaan,  zijn  bekend.  Het  werk  van  Onder 
den  Sint  Maarten^  Arts  and  Crafls^  Amsielhoek,  Willem  Brouwer, 
Mendes  da  Costa,  Jan  en  Nico  Eisenloffel,  Chris  Lebeau,  e.  a.  zullen 
de  lezers  op  bijgaande  reproducties  herkennen.  Dit  behoeft  voor 
Onze  Kunst  wel  geen  verdere  bespreking.  De  inrichting  van  het  huis 
is  ontworpen  door  den  directeur  B.  Klunne  met  den  architect  J.  J.  van 


75 


JAN  VAN  (iOYKN  :   VKIUiKZ^CIIT  IN  (iKLDKHLANO 
(lugeiiaar :  de  lieer  lluinphry  Ward,  lAttulen) 


VAN  GOYKN- 
TENÏOOX- 
STELLIX(i  IN 
AMSTERDAM 


dering  waren  nangetoetst,  ze  vertoonden  zich  ook  natuurlijk  in  de 
buitenlucht,  en  mnakten  gezamenlijk  den  indruk  van  een  woelige 
menigte.  Ook  hierin  beteekent  Van  Goyen's  arbeid  de  voortzetting  van 
Avercamp  e.  a.  ;  is  hij  zelfs  Aert  van  der  Neer  vooruit,  bij  diens 
mooie  en  ijlfijne  wintergezicht  in  het  Rijksmuseum,  waar  echter  de 
Üsg*^"8^''s  nog  al  te  zeer  afzonderlijke  vlekken  zijn. 

Van  Goyens'  schilderijen  geven  voluit  het  eigenlijke  wezen  van 
hollandsche  streken  en  het  hollandsche  landleven,  wijl  zij  de  intimiteit 
daarvan  bezingen.  Toch  kunnen  we  opmerken,  dat  bij  dezen  schilder 
met  zijn  gezonde  blijmoedigheid  in  waarnemen  en  ongekunsteldheid 
van  uitzeggen,  de  aandoening  dieper  welde  dan  uit  een  burgerlijken 
zin  voor  het  schilderachtige  buitenleven.  Meer  dan  eens  heeft  hij 
blijken  gegeven,  dat  zijn  kijk  op  de  dingen  zich  verheffen  kan  boven 
de  realiteit  :  tot  de  visie,  die  verzinnebeelding  van  de  werkelijkheid 
betracht.  De  opgewekte  verteller  over  het  bekorende  van  hel  vrije 
buiten  en  die  op  zoo  snedige  wijze  de  tallooze  karakterteekenen 
daarvan  weet  aan  te  stippen,  wordt  dan  de  rustige  uitzegger  van  de 
verrukking,  die  haar  illusie's  op  de  werkelijkheid  bouwt.  Zijn  verras- 
sing bij  het  zien  van  een  simpel  geval,  als  die  twee  op  eene  hoogte 


70 


u 


C/3 


O 
X 

c 

o 


77 


spoediger  gelegenheid  zal  vinden  tot  bekoring,  dan  in  de  rusteloo/e  JONG  HOL- 
drnkte  van  het  moderne  maatschappelijk  leven.  LANDS  HUIS 

Toch  schijnt  de  werkelijkheid  van  de  jongere  kunstnijverheid  in  TE  BREDA 
tegenspraak  met  haar  bestemming.  Hoe  zij  ook  door  kunstenaars  is 
bedoeld,  en  hoe  in  hun  werk  de  vormen  daarvan  spreken,  in  de 
bestaande  toestanden  is  zij  een  luxe.  Het  rijke  koopkrachtige  publiek, 
verwend  door  grillige  mode,  ziet  er  vaak  met  verfijnden  smaak  een 
gewenschte  afwisseling  in.  En  voor  velen,  die  naar  denk-  en  leefwijze 
van  het  rustig  schoon  zouden  kunnen  genieten,  is  het  onbereikbaar. 
Dit  weet  de  scheppende  kunstenaar  zelf  heel  goed.  Ook  moet  hij  zich 
dikwijls  afvragen  of  niet  de  geheele  maatschappelijke  ontwikkeling 
ingaat  tegen  zijn  streven ;  of  niet  de  geregelde  overgang  van  het  klein 
bedrijf  en  van  het  ambacht  in  een  groot-industrie  die  slechts  massa- 
producten voortbrengt,  de  hoop  dat  zijn  beginselen  tot  heel  het  volk 
zal  doordringen  ijdel  maakt. 

Is  dan  niet  de  nieuwere  kunstnijverheid,  gebouwd  op  een  her- 
leefd kunstambacht,  veroordeeld  omdat  de  bedoeling  verduisterd 
wordt  door  de  feiten.  Allereerst  daar  haar  eenvoud  begeerd  wordt 
door  weelderig  gezinden,  dan  ook  omdat  zij  toch  nooit  tot  het  volk  zal 
doordringen.  De  moderne  groot-industrie  blijkt  in  staat  door  haar 
massaproducten,  die  zij  tegen  ongelooflijk  lage  prijzen  en  tot  bijna 
over  de  geheele  wereld  te  koop  aanbiedt,  voor  de  menigten  een 
gebruiksgenot  te  scheppen  dat  zij  vóórdien  niet  kenden.  Wel  is  waar 
wordt  zij  daarbij  beheerscht  door  de  zucht  naar  geldverdienste  en  kan 
zij  het  slechts  bereiken  door  een  leger  loonarbeiders  bij  scherp  door- 
gevoerde arbeidsverdeeling  en  machinegebruik  in  den  ban  van  een 
eentonige  dagtaak  te  slaan,  maar  zij  geeft  iels.  De  kunstnijverheid, 
hoe  ook  geleid  door  de  illusie  schoonheid  te  doen  ontbloeien  uit  en 
te  doen  schijnen  in  —  het  dagelijksch  leven,  houdt  den  grooten 
menigten  slechts  het  onbereikbare  vóór. 

In  dit  betoog  liggen  ernstige  en  moeilijk  te  weerleggen  bezwaren 
tegen  het  streven  der  sierkunstenaars.  Doch  daartegenover  staat  dat 
het  leelijke  en  banale  in  de  producten  der  gioot-industrie  alle  grenzen 
heeft  overschreden.  Het  scheppen  van  behoeften  door  kunstmatige 
verlokking  en  lage  prijzen,  en  daarbij  het  schreeuwend  onlogische  om 
bij  hooge  ontwikkeling  van  techniek  steeds  slechter  producten  te 
vervaardigen  n.1.  slecht  door  ondeugdelijk  materiaal  en  onpractische 
vormen  —  heeft  een  punt  bereikt  dat  een  omkeer  noodzakelijk  maakt. 

Goed,  degelijk  werk,  doelmatig  en  met  eenvoudige  begrijpelijke 
versiering,  schoon  door  geest,  ijver  en  toewijding  van  den  vervaardi- 
ger, is  een  blijvende  eisch  door  geen  grillige  tijdgeest  en  monsterach- 
tige groeionlwikkeling  der  maatschappij  tegen  te  houden.  Zooals  elke 
gang  door  een  winkelstraat  ons  hiervan  kan  overtuigen,  en  weerzin 


79 


JONG  HOL- 
LANDS HUIS 
TE  BREDA 


wekt  tegen  al  den  nutleloozen  arbeid  besteed  aan  'i  vervaardigen  van 
den  inhoud  der  opeenvolgende  vitrines,  zoo  brengt  ons  echter  ook  hel 
werk  der  sierkunstenaars  in  de  ontmoedigende  stemming  dat  hel 
onbereikbaar  is,  voor  wien  het  zoo'n  blije  troost  zou  kunnen  zijn.  hi 
dat  werk  voel  ik  niet  alleen  door  mijn  eigen  gedachten  erover,  maar 
ook  in  de  werkelijke  vormen  die  tegenspraak.  Het  is  goed,  rustig  en 
mooi.  Het  stelt  al  de  aanmatigende  doode  vormen  van  vroegere  kunsl- 
tijdperken  volkomen  terzij,  en  wordt  daardoor  tot  een  genot.  Doch 
zooal  niet  hier  en  daar  een  grillige  lijn  of  vlak  hindert,  alsof  de  ont- 
werper te  gauw  vrede  nam  bij  zijn  zoeken,  door  meer  of  minder 
fantastische  losbandigheid,  dan  ontstaat  weleens  onbevredigdheid 
door  te  groote  soberheid  van  kleur  of  vlak,  herinnerend  aan  een 
armoe  van  uitbeelding  die  te  gauw  berustte.  Daartusschen  in,  liefsl 
naar  de  kant  van  het  sobere,  ligt  de  richting  ter  ontwikkeling.  Maai 
wat  zich  bijzijden  bevindt  en  toch  te  samen  in  de  eenheid  van  nieuwer 
streven  geslagen  is  geeft  den  onbehagelijken  indruk  die  elke  innerlijke 
tegenstrijdigheid  wekt,. ook  reeds  wanneer  deze  nog  niet  blootgelegd  is. 

Doch  de  tegenspraken  zóó  in  de  bestemming  als  in  het  werk  der 
nieuwere  sierkunst  worden  verklaard  door  haar  jeugd.  Elk  beginnend 
leven  heefl  nog  de  onzekerheid  van  waar  het  heen  wil  en  van  waar  hel 
door  het  lot  heen  zal  moeten.  Juist  daarin  en  daardoor  toont  zich 
echter  een  krachtig  zoeken.  En  in  alle  historische  tijdperken  vóór  dal 
zich  stijlen  en  scholen  ontwikkelden,  verleende  dit  aan  de  kunst- 
producten een  zeer  bijzonder  schoon.  Dikwijls  is  het  niet  minder, 
ofschoon  van  geheel  anderen  aard,  dan  de  schoonheid  eener  voltooide 
kunstuiting.  Het  is  meer  onbeholpen,  minder  afgemaakt,  met  spreken- 
der fouten,  maar  ook  met  de  evensprekende  deugd  om  meer  tot  uilin«{ 
te  brengen,  dat,  wat  ten  slotte  alle  kunst  haar  volle  waarde  geeft,  de 
ziel  van  den  scheppenden  kunstenaar,  van  den  warm  en  hoog  leven- 
den schoonheids  zoeker. 

Dat  de  kunstnijverheid  staat  tusschen  de  machtige  industrie-ont- 
wikkeling, en  de  pogingen  om  het  nadeel  daarvan  op  de  vakbekwaani- 
heden  der  loonarbeiders  op  te  heffen  door  veredeling  van  hel  ambacht, 
en  dat  zij  vervaardigd  door  kunstenaai^,  warmgevoelend  voor  een 
ruimere  volkseenheid  buiten  standsbegrippen,  plaats  gaat  vragen  in 
de  woningen  der  rijksten,  leiders  van  liandel  en  nijverheid,  maakt 
haar  tot  een  bijzonder  toekomstzaad. 

Slecht  zal  het  nog  opbloeien  in  den  grond,  waarin  hel  toch 
gedwongen  is  wortel  te  schieten.  Sleclils  de  rijken  kunnen  de  sier- 
kunstenaars in  de  gelegenheid  stellen  overal  te  zoeken  en  van  allerlei 
te  beproeven.  Doch  in  dien  grond  put  zich  haar  ontwikkeling  uit  door 
gebrek  aan  voedsel,  en  vertoont  grillige  abnormaliteiten.  Zaden  kun- 
nen zich  echter  altijd  verplaatsen.  Allerlei  winden  dragen  ze,  beekjes 


80 


JONG  HOLLANDS  HUIS:  Spreekkamer. 

en  rivieren  voeren  ze  mee,  doen  ze  stranden  aan  de  oevers,  en  tallooze    JONG  HOL- 
insekten  brengen   ze  over.  Tot  eens  het  zaad  den  vruchtbaren  grond    LANDS  HUIS 
gevonden  zal  hebben  de  voeding  bevattend,  die  het  noodig  heeft  om    TE  BREDA 
zich  dan  in  breedprachtigen  bloei  rijkeHjk  te  vermenigvuldigen. 

Zoo  lost  elke  ontwikkeling  en  voortbouw  van  het  leven  de  inner- 
lijke tegenstrijdigheden  zelf  op.  Wanneer  er  eerst  voldoende  kracht  is 
om  het  leven  te  behouden  en  —  zij  het  tol  beperkte  —  bloemendracht 
te  brengen,  moet  de  toekomst  rustig  worden  afgewacht.  Rustig  in  zoo 
ver  er  geen  plaats  mag  zijn  voor  wantrouwen  en  moedeloosheid. 
Daarentegen  echter  krachtig  en  levenslustig  om  het  beginsel  der 
nieuwe   kunst   verder  te   ontwikkelen   binnen    hare    eigenschappen. 

Daartoe  is  noodig  dat  de  sierkunst  zich  overal  en  zoo  goed  en 
zuiver  mogelijk  vertoont.  Het  beteekent  niet  meer  maar  ook  niet 
minder  dan  zich  zelf  te  zijn,  vrij  van  schijn  zoowel  die  zich  van  't  ver- 
leden uit  over  haar  wil  werpen,  als  die  uit  de  toekomst  naar  haar  toe- 
straalt.  Zij  is  en  kan  geen  andere  zijn  dan  een  kunst  van  dezen  tijd. 
Het  koopkrachtige  publiek  blijkt  uit  grilligheid  of  door  de  warme  be- 
koring die  van  het  werk  uitgaat,  den  modernen  sierkunstenaar  aan- 
vaard te  hebben,  hoe  ook  zijn  denkbeelden  over  't  wezen  zijner  kunst 
waren.  Zoo  moet  de  artiest  ook  het  feit  aanvaarden  dat  hij  nog  niet 
voor  het  breede  volk  doch  voor  de  «  bovenste  tienduizend  y>  arbeidt. 
De  arbeid  zelf  moet  eri  kan  voor  hem  voldoende  zijn  ;  kunst  tot  bloei 
brengen,  mits  zuiver  en  met  de  volle  verantwoordelijkheid  die  elke 


XI 


81 


JONG  HOL- 
LANDS HUIS 
TE  BREDA 


B.  KLLNNK :  Kikenhouten  Klokje. 


schoonheid  vergl,  is  de  moeiUjke  en 
heerlijke  laak.  De  lijd  zal  het  resul- 
laat  daarvan  tol  de  volle  v^'aarde  bren- 
gen, die  zij  innerlijk  bevat.  Hoe  dil 
gaan  zal  kunnen  wij,  en  kan  de  kuns- 
tenaar zelf  niet  weten,  al  is  het  moge- 
lijk zich  een  beeld  daarvan  te  ont-wer- 
pen.  Want  vertoont  zich  de  sierkunsl 
in  steeds  breederen  kring,  verovert  zij 
zich  de  opdracht  om  de  huizen  der 
rijken  in  Ie  richten,  en  onderwerpt  zij 
hun  gril  en  smaak  aan  haar  gezag,  dan 
dringt  dit  noodzakelijk  van  boven  af 
tot  naar  beneden  door. 

Al  wat  hel  groote  publiek  in  klee- 
ding en  woningversiering  van  de 
massaproductie  der  industrie  vraagt, 
berustte  op  het  streven  van  uiterlijke 
gelijkheid,  op  de  nabootsing  van  de 
meerderen  in  materieel  bezit  door  de 
minderen.  Elke  mode,  die  de  heele 
beschaafde  wereld  beheerscht,  wordt  door  enkelen  uit  de  high-life 
aangegeven,  en  dan  door  de  menigten  nagevolgd.  Hoewel  daarom 
juist  die  mode  en  voortdurende  afwisseling  doodend  zijn  voor  zuiver- 
heid van  smaak,  kan  het  langzaam  aan  ontstaan  van  meerdere  rust  en 
gelijkmatigheid,  die  reeds  waarborg  is  voor  vermijding  van  het  leelijke, 
slechts  in  de  toongevende  kringen  beginnen.  Eischt  dan  ten  slotte  hel 
publiek  dat,  wat  aan  de  moderne  versieringskunst  ten  grondslag  moet 
liggen  n.  1.  goed  en  degelijk  werk,  dan  kan  de  vèr-ontwikkelde  tech- 
niek van  het  menschelijk  kunnen  misschien  eens  van  vloek  die  zij  nu 
is,  worden  lot  de  werkelijke  zegen,  die  zij  kan  en  behoort  te  zijn. 

De  berekenende  geest  die  de  schoonheid  vergat  in  zijn  vlucht, 
en  daarom  doodend  dor  werd  voor  elke  levensblijheid,  kan  door  die 
schoonheid  veredeld  meer  bereiken,  dan  ooit  een  tijdperk  uit  de 
menschelijke  geschiedenis  te  zien  heeft  gegeven.  Kweeken  wij  daarom 
te  midden  van  allerlei  tegenstrijdigheden  en  moeiten  het  zaad  dier 
schoonheid  aan.  En  dit  zaad  is  de  ernstige  wil  van  de  kunstenaars  om 
het  schoone  te  willen  en  te  zoeken,  ondanks  en  door  alles. 

Dergelijke  toekomstvisies  slaan  buiten  verband  bijna  met  de  be- 
scheiden poging,  die  in  Breda  is  gewaagd  bij  de  stichting  van  H  Jong 
Hollands  Huis. 

In  de  provinciestad  is  hel  een  pionier  voorde  nieuwere  beginselen, 
die  het  zuiver  wil  vertegenwoordigen.  Met  nieuwsgierigheid  begonnen, 


82 


E 

es 


m 

CA 

Q 
Zi 

< 

o 

Ü 

o 


83 


kijkt  het  publiek  eerst  vreemd  naar  de  ongewone  uilstalling  en  inkijk  JONG  HOL- 
door  de  ramen.  Doch  het  blijft  kijken  en  gewent  zich  aan  voorwerpen  LANDS  HUIS 
en  vormen  die  het  daar  ziet.  Dit  moet  leiden  tot  vergelijk